Wie wil er nou een baan die een zware wissel trekt op je gezin?
Met onchristelijke werktijden en hoge stressniveaus.
Wie wil er nou een baan waarbij iedereen een mening over je heeft?
Waar de morele fouten uit je werk- of privéleven
in de media kunnen worden uitvergroot.
Wie wil er een baan die wantrouwen oproept
onder een groot deel van de Nederlandse bevolking?
Een baan die in het verleden enig gezag met zich meedroeg,
maar tegenwoordig vooral een lege huls lijkt geworden.
Ik merk dat om mij heen veel – vooral jongere – dominees afhaken.
Ze geven er soms na een korte tijd de brui aan.
Vaak hebben ze een nieuwe uitdaging gevonden:
directeur van een christelijke stichting, docent of noem het maar op.
Veel jonge collega’s verwachten
dat hun predikantschap een beperkte houdbaarheidsdatum heeft.
Hun toekomst ligt bij maatschappelijke organisaties,
het kerkelijke bestuursapparaat, de academie
of een niet-ambtelijke carrière in het bedrijfsleven.
Deze veranderingen worden vaak toegejuicht. ‘Wat mooi dat je je hart volgt!’
En natuurlijk, er kan sprake zijn van een nieuwe roeping die op je pad komt.
Maar voor het predikantentekort is deze uitstroom slecht nieuws,
en soms lijkt een carrière switch een makkelijke uitweg uit de sleur van het ambt.
Aan de andere kant heeft ‘de kerk’ ook een gave om predikanten
die soms door omstandigheden tijdelijk geen vaste gemeente hebben
het extreem lastig te maken om gemotiveerd te blijven.
Ook kunnen gemeenteleden zich als een wolf gaan gedragen
en willen ze de herder verslinden.
Je voelt de last van de onmogelijke verwachtingen van gemeenteleden,
bijvoorbeeld dat de dominee ‘de jeugd weer in de kerk brengt.’
Gemeenteleden willen dat de dominee in elke eredienst
aandacht besteedt aan de dertigers en de jongeren en de ouderen.
De conclusie kan dan zijn dat als ik mijn roeping wil volgen,
de gemeente misschien niet de plek is waar je die roeping kan ontwikkelen.
In een enquête die gehouden werd 50 procent (!)
van de ondervraagde voorgangers aan
te hebben overwogen om te stoppen met het predikantschap.
Maar de kerk heeft echter baat bij honkvastheid.
Predikanten die volhouden, niet voor even, maar – ondanks alles – voor het leven.
Die het ‘gewone’ werk doen: preken, bezoeken,
bouwen aan gemeenschappen van Christus.

