augustus 2024


 

In de vorige eeuw dachten veel mensen dat religie op zijn retour was.
Zoals politicoloog Francis Fukuyama het verwoordde,
werd er algemeen aangenomen dat
‘religie zou verdwijnen en alleen vervangen zou worden door seculier,
wetenschappelijk rationalisme.’
Maar weinig mensen geloven dit nog.
Ook Fukuyama zelf is van gedachten veranderd en zegt dat religie ‘niet zal verdwijnen.’

Maar waarom weigert religie te verdwijnen?
We willen suggereren dat een van de belangrijkste redenen voor het voortbestaan van geloof
is dat er vragen zijn waar niemand volledig aan kan ontsnappen die leiden naar religie.
Religie, of geloof, richt zich op vragen waar niemand volledig aan kan ontsnappen:
waarom is er iets in plaats van niets?
Waar komt het allemaal vandaan?
Heeft dit leven zin?
En wat gebeurt er na de dood?
Geloofstradities zijn experts in zulke ultieme vragen
en het is heel moeilijk voor iemand om deze vragen volledig te vermijden.

Deze vragen die de meeste mensen op een bepaald moment in hun leven tegenkomen,
draaien om betekenis:
Wat is het nut van opgroeien, zou een tiener kunnen vragen?
Wat is het nut van mijn werk, vragen we ons later misschien af.

Vooral wanneer we te maken krijgen met frustraties, mislukkingen en uitdagingen,
dan vragen we ons misschien af wat voor verschil we maken voor de wereld.
Zou iemand me missen als ik er niet was, vragen we ons misschien af?
Zal iemand zich me herinneren als ik sterf?

Want uiteindelijk komt iedereen op een gegeven moment in aanraking met de dood.
Ook al worden we gespaard van de pijn van vrienden die jong sterven,
het is de natuurlijke oorzaak van de wereld dat onze grootouders en onze ouders
op een dag zullen sterven.
Wat doen we als we worden geconfronteerd met zo’n verlies?
Het is moeilijk om niet te vragen: ‘waar is mijn geliefde nu?’
En ‘is er hoop om onze geliefden ooit weer te zien?’

Dit zijn het soort vragen waar niemand in zijn leven volledig aan kan ontsnappen:
ze komen altijd weer op en dringen zich op aan ons bewustzijn.
Toch zijn deze vragen over het begin, de betekenis
en het einde de vragen waar religie zich mee bezighoudt.
En hier ligt een belangrijk antwoord, denken we,
op de vraag waarom geloof niet zomaar zal verdwijnen:
omdat wetenschappelijk rationalisme ze niet echt kan aanpakken.

Zeker, seculier wetenschappelijk rationalisme biedt wel wat antwoorden op de vraag
hoe het leven begint – we kennen de biologie ervan verbazingwekkend goed.
En toch is biologie niet alles,
en in feite zijn het niet de biologische aspecten ervan die ons raken.
Het wonder, de hoop, de liefde die we ervaren
wanneer we worden geconfronteerd met het begin van het leven,
is meer dan wat rationeel of wetenschappelijk kan worden verklaard.

Ook is wetenschappelijk rationalisme niet goed toegerust
om vragen over betekenis te beantwoorden.
Wetenschap is geweldig in het beantwoorden
van hoe iets werkt of hoe het zou moeten worden gedaan,
maar waarom-vragen vallen in een andere categorie.
Gevraagd naar de zin van het leven en rond het einde van het leven:
wetenschappelijk rationalisme kan en zal, op basis van zijn methoden en benaderingen,
niets (kunnen) zeggen over het hiernamaals.

De vragen over begin, betekenis en einde
kunnen dus niet door wetenschappelijk rationalisme worden beantwoord.
En toch komen die vragen in ieders leven voor.
Precies hier ligt een belangrijke reden waarom geloof niet is verdwenen.
Geloof houdt zich bezig met precies deze vragen.
Het is goed in het omgaan met deze vragen – ze vormen het kerndomein van geloof.

Geloof biedt antwoorden op vragen over begin, betekenis en einde,
maar net zo belangrijk is dat het een gemeenschap biedt
waarin dergelijke vragen kunnen worden aangepakt en besproken.
Het biedt een ruimte waarin mensen kunnen nadenken
over de ultieme vragen en andere mensen kunnen vinden
die dat met hen willen doen, misschien door hen manieren te laten zien
waarop men antwoorden kan vinden.
Verschillende geloven en verschillende uitingen van geloven doen dit heel anders:
georganiseerde religies doen het anders om de associatie van degenen
die ‘spiritueel maar niet religieus’ zijn, los te maken,
maar in alle gevallen is het geloof – in brede zin –
dat de vragen aanpakt en behandelt die opkomen en niet anders worden aangepakt.
Geloof zal niet verdwijnen, omdat de vragen van het geloof niet zullen verdwijnen.

Maar waarom moet dit gezegd worden?
Is het niet duidelijk dat religie gaat over ultieme vragen die iedereen aangaan?

Het probleem is dat het moderne westerse leven vol zit met mogelijkheden
om ons af te leiden van deze vragen.
We zijn rijk, comfortabel, worden overspoeld met entertainment
en zijn vaak ook nog eens druk met carrières en kinderen.
Al deze dingen helpen ons om de diepere vragen
over de oorsprong en het doel van ons bestaan te onderdrukken.

Veel mensen behandelen de vraag naar de zin van het leven
als een vraag die ze eindeloos over kunnen uitstellen:
‘Op een dag wil ik erachter komen, waar het allemaal voor is en waar het allemaal naartoe gaat: maar vandaag wil ik nog een aflevering op Netflix kijken, op Instagram browsen
of naar een sportwedstrijd gaan.’
De entertainmentindustrie vestigt onze aandacht op vluchtige genoegens
zoals geld, seks, roem en succes.
Rijkdom is vooral nuttig omdat het ons helpt te krijgen wat we willen, wanneer we het willen,
en voorkomt dat we de hardere realiteit van het leven onder ogen zien.
Het is gemakkelijk om onszelf bezig te houden
en we kunnen onszelf geen tijd gunnen voor diepe reflectie op de grotere vragen.
Dit alles draagt bij aan wat we de ‘verdovende middelen van het dagelijks leven’
zouden kunnen noemen, de manieren waarop het dagelijks leven en de maatschappij
als een drug fungeren om onze visie te vertroebelen,
ons denken te verwarren en ons ervan te weerhouden de dingen in het leven
die er het meest toe doen, duidelijk onder ogen te zien.

Maar het probleem is dat zelfs het gewone dagelijkse leven wordt geleefd
volgens (althans voorlopige) antwoorden op die grote vragen.
Elke dagelijkse beslissing die we nemen, toont onze waarden, wat wij denken dat ertoe doet.
Als we chocolade kopen die niet eerlijk is verhandeld,
kiezen we actief voor ons eigen plezier als belangrijker
dan rechtvaardigheid en gelijkheid in de armste plekken ter wereld.
Als we tot laat doorwerken in plaats van naar huis te komen om met de kinderen te spelen,
als we vliegen voor een vakantie, of rundvlees kopen,
waardoor we onze CO2-voetafdruk enorm vergroten en bijdragen aan klimaatverandering,
dan laten we zien dat we meer om onze genoegens geven dan om de vernietiging van de planeet.
Al onze keuzes zijn gebaseerd op waarden die onze overtuigingen onthullen
over wat het leven de moeite waard maakt en wat we uit het leven willen halen.
Je kunt geen agnost zijn. Je leven toont geloof in het een of het ander.
Denk aan een duidelijk voorbeeld:
Een zwangere vrouw kan gewoon niet lang agnostisch zijn over abortus.
Ze heeft maar twee opties: abortus of bevallen.
De keuze die ze maakt, zal een praktisch gevolg zijn
van haar overtuigingen en waardeoordelen.
Er is geen agnosticisme, geen ‘niet te beantwoorden’ van de vraag.

Zoals elke religieuze traditie roept het christendom ons op
om een leven te leiden dat geworteld is in dingen van ultieme en blijvende waarde,
in plaats van oppervlakkige of egocentrische zorgen.
Het daagt ons uit om te vechten tegen de verdovende middelen van het dagelijks leven
door onze aandacht voortdurend terug te trekken
naar de dingen die er het meest toe doen.
Door middel van aanbidding,
Bijbellezen en gebed vraagt het ons onophoudelijk:
Gaat het echt allemaal om het verdienen van bakken met geld?
Gaat het om promotie maken?
Wat zijn je ultieme waarden en hoe laat je die zien in je leven?
De echte kracht van secularisme is niet dat het alternatieve antwoorden biedt
op deze vragen, maar dat het afleidt van de vraag.
Het enige wat we hoeven te doen, is ons los te maken.

Nu is het christendom niet alleen een reeks gemakkelijke antwoorden op deze vragen.
Het is een weg, een reis naar de waarheid.
Christen zijn betekent dat je tot een gemeenschap behoort
die vertrouwt op wat Jezus heeft onthuld
over de oorsprong, betekenis en het einde van ons leven.
In die gemeenschap zijn er enkele impliciete antwoorden om ons op weg te helpen.
We leven in de overtuiging dat het leven zinvol is,
dat egoïsme en persoonlijk plezier niet het belangrijkste zijn.
Er is genoeg ruimte voor debat en discussie,
maar laten we in ieder geval beginnen met praten over de dingen die ertoe doen.

Bij elke statistische berekening moet de kans – als uw luxe jacht plotseling en onverklaarbaar zinkt –
op verdrinking in de Middellandse Zee extreem laag zijn.

‘Bayesiaanse statistiek’

 

Dat is de wrede ironie voor de dood van techmagnaat Mike Lynch.
Hij wijdde zijn hele commerciële leven aan de toepassing
van dergelijke statistische waarschijnlijkheden.
Hij stierf samen met zijn dochter en vijf anderen op 19 augustus in slecht weer op een zeiljacht.

Hij had zijn jacht Bayesian genoemd,
naar de stelling uit de 18e eeuw die het idee introduceerde
dat waarschijnlijkheid een mate van geloof in een gebeurtenis uitdrukt.

Dat betekent trouwens niet uitdrukkelijk religieus geloof.
Maar interessant genoeg sluit het ook niet uit.
Want volgens Thomas Bayes, die zijn stelling in 1763 publiceerde,
kan de berekenbare mate van geloof gebaseerd zijn
op eerdere kennis over een gebeurtenis,
zoals de resultaten van eerdere experimenten,
of op persoonlijke overtuigingen erover.

We kunnen deze methode overbrengen naar de religieuze handelswijze.
Christelijk geloof in het geval van wederopstanding
kan bijvoorbeeld worden berekend in de waarschijnlijkheid
dat de dood van Lynch en anderen aan boord van de Bayesian
niet het einde van hun bestaan betekent.

Het is een intrigerende erfenis van Lynchs werk voor theologen.
Maar het is het pure gebrek aan waarschijnlijkheid
dat de dodelijke gebeurtenis überhaupt plaatsvindt
waaraan het zijn willekeurige banaliteit verleent.

Er zijn bittere observaties op sociale media geweest
dat de slachtoffers van de Bayesian grenzeloos
meer aandacht hebben gekregen dan de vele duizenden vluchtelingen
die elk jaar in kleine boten sterven bij het oversteken van de Middellandse Zee.

Zeker, ook hierbij kan de Bayesiaanse theorie worden ingezet:
ervaring ondersteunt onze overtuiging dat het oversteken van de zee
in overvolle en niet-zeewaardige vaartuigen
maar al te vaak kan leiden tot tragisch terminale gebeurtenissen.
De kans op overlijden is duidelijk.
Maar het is de pure willekeur van de Bayesiaanse theorie,
als we afzetten tegen de ondergang van het gelijknamige jacht.

Die willekeur brengt ons terug naar de banaliteit
van de plotselinge dood onder ons,
bijna de gewoonheid ervan, iets dat gewoon gebeurt,
vaak helemaal uit het niets.
Het zijn vaak gebeden ware woorden bij een begrafenis
‘in het midden van het leven zijn we in de dood’.
Dit betekent dat de dood onze constante levende metgezel is.
Maar dat is voor mij niet helemaal genoeg,
omdat het ons vertelt dat het er is,
maar niets over de ware betekenis ervan.

De leerstellingen van het christelijk geloof
worden regelmatig die van een doodscultus genoemd;
dat het een diepgewortelde angst voor de dood is
die ons ertoe aanzet om het te vermijden
met de verzekering van het eeuwige leven.
Maar het is de pure banaliteit van de dood,
zoals blijkt uit de willekeur van de Bayesiaanse gebeurtenis,
die dat idee lijkt te ondermijnen.
In zijn willekeur lijkt de dood eerder belachelijk dan slecht.

Auteur Hannah Arendt bedacht de term ‘de banaliteit van het kwaad’
toen ze verslag deed van het proces
tegen de nazi-holocaustarchitect Adolf Eichmann in Jeruzalem.
Ik zou willen stellen dat het diezelfde banaliteit,
die basale menselijke gewoonheid is,
die de ware aard van de vermeende Magere Hein onthuld, in plaats van zijn kwaad.

Uiteindelijk is de dood geen Bayesiaanse waarschijnlijkheid,
maar een zekerheid, voor ons allemaal.
Het verschil, in de Bayesiaanse theorie, moet het geloof zijn
dat we meenemen in onze persoonlijke berekeningen
van de waarschijnlijkheid van de gebeurtenis.

 

Maar wat wordt daar dan mee bedoeld, geestelijke gemeenschap?
Maak je het dan niet onnodig vroom, wat hoogdravend misschien.
Het is toch gewoon mensenwerk…
met alle menselijke kleinheden en kleinigheden, vertel ons wat.
Laten we het alsjeblieft een beetje nuchter houden…

Ja, daar ben ik ook wel van. En toch.
Een wezenlijk kenmerk van de kerk is,
dat wij een gemeenschap zijn van mensen
die elkaar niet hebben uitgezocht.
We horen bij elkaar, niet omdat we familie zijn,
niet omdat we uit hetzelfde dorp of gemeenschap stammen;
we horen niet bij elkaar omdat we verwante eigenschappen,
politieke overtuigingen, voorkeuren of smaken hebben;
we zijn niet per se bevriend met elkaar,
delen niet vanzelf dezelfde interesses of meningen.
We zijn geen gemeenschap van mensen die hetzelfde denken,
zelfs niet hetzelfde geloven,
of op dezelfde manier in het leven staan.
De kerk is geen gezelligheidsvereniging, van mensen met dezelfde voorkeuren.
Nee, we hebben elkaar niet uitgezocht, onze karakters botsen soms,
we zijn heel verschillend, maar we zijn allemaal,
ieder op een eigen wijze, geroepen, geboeid,
geraakt door het verhaal van het evangelie.
Door het evangelie van Jezus Christus
die de onvoorwaardelijke liefde van God belichaamt.

Vaak is je dat van huis uit meegegeven
en heb je dat op een eigen manier
een plaats gegeven in jouw leven.
Soms ben je er op een andere manier bij betrokken geraakt,
ieders verhaal is weer anders.
Maar dat is de kern van wat ik dan maar even ‘geestelijke gemeenschap’ noem.
De kerk vindt haar basis niet in een menselijke voorkeur,
maar in een roepstem, een appèl van de andere kant,
of hoe je dat ook wilt noemen.
De kerk vindt haar grondslag niet in een menselijke beslissing,
zoals een vrijwilligersorganisatie wordt gevormd.
De kerk is een gevolg van een beweging die buiten ons om op gang is gebracht
en waar wij in worden meegenomen,
waar wij ons in laten voegen en die wij, als het goed is,
op een eigen manier weer doorgeven aan een volgende generatie.

 

Is de kerk een vrijwilligersorganisatie?
Ik was onlangs op een kerkelijke bijeenkomst, waarop iemand dat zei.
Hij had het over de moeilijkheden waarmee ze in hun kleine gemeente worstelen.
Het bekende verhaal: gebrek aan ambtsdragers,
aan vrijwilligers, vergrijzing, minder kerkbezoek,
de noodzaak tot samenwerking met andere kleine gemeenten misschien.
De kerkorde zit daarbij in de weg, volgens de spreker,
met allemaal regels en voorschriften.
We moeten niet zo moeilijk doen,
de kerk is gewoon een vrijwilligersorganisatie.
We hebben een reglement nodig, geen dikke kerkorde.

Nu was er op diezelfde bijeenkomst
gelukkig ook iemand die meteen antwoordde dat er,
vanuit de kerkelijke organisatie volop meegedacht wordt
om creatieve oplossingen te zoeken.
De kerkorde hoeft geen keurslijf te zijn,
er is meer mogelijk dan je soms denkt.

Nou gaat het mij niet per se om de kerkorde,
maar wel even over die typering
van de kerk als vrijwilligersorganisatie.
Is dat zo?
Zelf zeg ik dat ook wel eens, een beetje gekscherend.
Als iemand van buitenaf vraagt naar mijn werk bijvoorbeeld, dan zeg ik:
ik ben de enige beroepskracht in een vrijwilligersorganisatie.
Dat is toch zo?
Kijk, de meeste mensen zitten voor hun plezier in de kerk, maar als predikant MOET ik er zijn.
Nou ja, ik zei al: gekscherend. En het klopt ook niet helemaal,
want vaak ook kosters en ook organisten horen bij de beroepskrachten,
en natuurlijk kerkelijk werkers
en in sommige plaatsen heb je ook betaalde scriba’s of ledenadministrateurs.

Toch is de kerk vooral een organisatie die drijft op vrijwilligers.
Op die talloze mensen die iets doen voor of namens de kerk,
heel vaak ook op de achtergrond, buiten het zicht van de camera’s.
Als die vrijwilligers er niet zouden zijn,
dan zouden al die betaalde dominees hopeloos onthand zijn.

Dat is allemaal waar.
En toch heb ik op die bijeenkomst
waarop nogal stellig de kerk een vrijwilligersorganisatie werd genoemd,
iets anders daar tegenin gebracht.
Want de kerk is volgens mij in de eerste plaats een geestelijke gemeenschap.
Dat moet voorop staan.

….

 

Wat me de laatste tijd opvalt is dat veel sporters tijdens de wedstrijd blijk geven van hun geloof.
Dat gebeurde ook regelmatig tijdens de Olympische Spelen.                                                                      Én dat veel verslaggevers daar geen oog voor hebben, het niet vertaald wordt
of er maar een draai aangeven: ‘ze roepen de goden aan…’.                                                                      Hun routine vóór of ná hun prestatie is geen gebed tot de goden van een heidens pantheon,
een smeekbede om een beetje geluk of voorspoed,
maar een gebed tot God en Jezus
– ja, van een commentator die zijn huiswerk had gedaan, had je dat kunnen verwachten. –

Zo’n openbare uiting van toewijding is geen uitzondering.
Een kenmerk van de afgelopen Olympische Spelen was het aantal atleten dat hun geloof.
Elke keer zie je wel iemand God bedanken, een kruis slaan, reclame maken voor zijn geloof,
niet zozeer als een smeekbede om de overwinning,
maar meer als een manier om met de ups en downs van de sport om te gaan.

Wanneer je deze openbare christelijk geloofsuiting
naast de rij boven de openingsceremonie plaatst,
roept dat een interessante vraag op.
Tijdens die ceremonie waren christenen over de hele wereld boos
over wat leek op een parodie op het Laatste Avondmaal.
De organisatoren van de Olympische Spelen beweerden toen
dat de aanstootgevende scène niet bedoeld was om de spot te drijven
met het hart van de christelijke eredienst,
maar een verwijzing was naar Dionysius en het feest van de heidense goden,
waarmee de moderne Olympische Spelen werden verbonden
met hun wortels in de heidense wereld van de klassieke periode.

Als het een verwijzing was naar het heidense feest van Dionysius,
was de openingsceremonie misschien een nog veelzeggender teken
van de richting van onze cultuur dan we zouden denken,
en een teken dat christenen misschien nog meer zorgen baart
dan een tweederangs bespotting van het Laatste Avondmaal.
Omdat het een keuze verduidelijkt waar onze cultuur mee te maken kan krijgen
naarmate ons westerse tijdperk vordert.

In 1939, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog,
gaf T.S. Eliot een reeks lezingen.
Daarin deed hij een grimmige prognose:

‘De keuze die voor ons ligt, is tussen de vorming van een nieuwe christelijke cultuur
en de acceptatie van een heidense cultuur.’

Eliot dacht dat zijn samenleving noch volledig christelijk,
noch volledig heidens was, maar ‘neutraal’.
Toch vreesde hij dat dit niet lang zou duren.
Een dergelijk ‘politiek liberalisme’ dreigde zijn eigen ondergang te bevorderen
door een willekeurige weigering om morele waardeoordelen te vellen
en te kiezen tussen versies van het goede.
Toen Eliot de opkomst van het fascisme in Europa zag,
dat op het punt stond van de meest vernietigende oorlog in zijn geschiedenis tot nu toe,
deed hij een belangrijke bewering:
dat het enige alternatief voor wat hij zag als een heidens totalitarisme
een christelijke samenleving was.

Dichter bij onze tijd is een soortgelijke gedachte bij anderen opgekomen.
Onlangs mijmerde onlangs een feministische schrijfster over het idee
dat onze samenleving opnieuw heidens wordt,
waarbij ze het morele raadsel over moderne abortus aanhaalde.
Ondanks dat ze geen praktiserend christen is,
ziet ze abortus vertoont ongemakkelijke overeenkomsten met heidense kindermoord,
een teken dat we teruggaan naar een moreel plan
met een sterke gelijkenis met heidense waarderingen van het menselijk leven.
De Joodse feministische schrijfster Naomi Wolf
heeft hetzelfde gedaan in een buitengewoon essay.
Ondanks haar neiging om te gemakkelijk af te glijden
naar samenzweringstheorieën,
betoogt ze overtuigend dat naarmate het Joods-christelijke ethos
dat de westerse samenleving ondersteunde, is verdwenen,
wat is ontstaan geen goedaardige neutraliteit is,
maar duistere krachten die vroeger
op de achtergrond van de religie van het Oude Testament loerden:

‘de pure amorele macht van Baäl, de vernietigende kracht van Moloch,
de ongebreidelde verleiding en seksuele losbandigheid van Astarte of Ashera,
dat zijn de oerkrachten die mij inderdaad lijken te zijn teruggekeerd…
of in ieder geval de energieën die ze vertegenwoordigen,
morele macht over;
doodsverering; oppositie tegen de seksuele ordelijkheid van het intacte gezin en trouwe relaties,
ze lijken te zijn ‘teruggekeerd’, zonder terughoudendheid.’

Het nazisme waar Eliot naar verwees, was, zoals we nu weten, een doodlopende weg, letterlijk.
We troosten onszelf vandaag met de gedachte dat we zulke extremen achter ons hebben gelaten,
dat de afgoderijen van fascisme en communisme
respectievelijk in 1945 en 1989 werden verslagen,
en dat we nu een seculiere liberaal-democratische ruimte erven
die gelukkig neutraal is en de vrede bewaart tussen verschillende claims op de waarheid,
een vooruitgang ten opzichte van zowel het heidendom als het christendom.

De makers van de openingsceremonie van de Olympische Spelen
rechtvaardigden hun creatie zonder een spoor van ironie
door te zeggen dat het een viering was
van de Franse Republikeinse ideeën van inclusie,
vrijheid, mensenrechten enzovoort,
de vrijheid, broederschap en gelijkheid van de Franse Revolutie,
die op zijn beurt was geboren uit de Franse Verlichting.
Dit was een secularisme dat tentoon werd gespreid.
Het was een klassiek libertair beeld van vrijheid,
de absolute vrijheid om te kiezen wat we met ons leven doen,
van individuele zelfexpressie, zonder overkoepelend, universeel idee van het Goede,
wat natuurlijk een bepaald begrip is van wat vrijheid betekent.
Het onderscheidt zich bijvoorbeeld van een ouder beeld
van vrijheid als geleidelijke bevrijding van (en dus de disciplinering van)
enkele van onze innerlijke, conflicterende impulsen
die als destructief voor de ziel of de samenleving worden beschouwd.
Seculier liberalisme dat zichzelf voordoet als vanzelfsprekend,
de mening van alle weldenkende mensen,
is zo vaak niet in staat te zien hoe het voor anderen
– moslims en christenen bijvoorbeeld –
allesbehalve vanzelfsprekend is.
Er zijn veel mensen over de hele wereld die niet tevreden zijn
met een overkoepelend moreel schema dat erop staat hen te vertellen
dat hun geloof een privéaangelegenheid is
in plaats van een afzonderlijke transcendente waarheid.

Dus, wat als de openingsceremonie een lofzang was op Franse waarden,
geworteld in de Franse Verlichting?
En wat heeft dat te maken met heidendom?

Achter het schijnbare rationalisme of de tolerantie was het voor de Verlichting
het een eis om alles in twijfel te trekken.
Het was een verwerping van één enkele geloofsbelijdenis,
ten gunste van meerdere manieren van leven en geloven.
Het tijdperk greep terug naar het klassieke verleden,
zag zichzelf als een voltooiing van de Renaissance
en liet uiteindelijk de overblijfselen van religie achter die de Renaissance nog had behouden.
De Verlichting was niet zozeer de geboorte van een nieuw rationeel tijdperk,
maar in feite een vernieuwing van een oud heidens sensueel pluralisme.

Dat we tot het heidendom zijn terugkeert kun in meerdere zaken zien.
We zijn teruggekeerd naar een soort pluralisme
waarin er veel objecten van aanbidding zijn onder een overkoepelend schema
dat elk van hen de ultieme waarheid of waarde ontkent.

Natuurlijk, er zijn geen tempels meer voor Bacchus, Aphrodite, Tyche of Plutus
op straathoeken in onze steden.
Toch waren dit vroeger de goden van wijn, liefde, toeval en rijkdom.
Het is moeilijk te ontkennen dat de aantrekkingskracht van die verslavende middelen,
de verleiding van seks, de hoop op een loterijwinst of de wens om rijk te zijn,
het leven in onze wereld niet domineren.
Er wordt beweerd dat heidendom nooit echt is verdwenen.
Het bleef op de loer liggen in de hoeken van Europese samenlevingen,
zoals blijkt uit een bijvoorbeeld een boek van Anton Wessels
‘Kerstening en ontkerstening van Europa’’.

Leslie Newbigin, een christelijke missioloog,
bracht het grootste deel van zijn leven door als missionaris in India
In de jaren 80 keerde hij terug naar het door de Verlichting gevormde Westen.
Hij zag toen dat het Western was verworden tot een seculiere samenleving
waarin geen algemeen erkende normen bestonden.
‘We weten nu’, betoogde hij,
‘dat het enige mogelijke product van dat ideaal een heidense samenleving is.
Want de menselijke natuur verafschuwt een vacuüm.
Maar het heiligdom blijft niet leeg.
Als het enige ware beeld, Jezus Christus, er niet is, zal een afgod zijn plaats innemen.’

Vroege christenen gaven al aan, dat die goden tot slaaf maken.
Als je jezelf volledig overgeeft aan drugs, seks, geld of Dionysisch genot,
zullen ze uiteindelijk je leven beheersen, je tot slaaf maken en vernietigen,
zoals veel verslaafden hebben ontdekt.

Misschien had Eliot gelijk:
Het kost veel tijd om religieuze overtuigingen diep te laten wortelen.
Zowel het christendom als het heidendom zijn diep in onze bodem geworteld.
En dus heeft de Europese cultuur eigenlijk maar twee opties:
het heidendom dat eeuwenlang heeft bestaan vóór de komst van het christendom,
en het christendom dat het heeft vervangen.

De Olympische Spelen lieten ons twee paden zien.
Het ene werd aangeboden door de makers van de openingsceremonie,
het andere door de atleten die een hoger doel zien dan een gouden medaille of aardse roem.
Ach, de makers van de openingsceremonie hadden misschien niet de bedoeling
om het christendom aan te vallen.
Toch juichten ze met plezier iets toe dat Europeanen al lang geleden achter zich hebben gelaten.

En we zouden even moeten stilstaan voordat we dat vieren.

 

De schittering en vreugde van medaillewinnaars
op de Olympische Spelen in Parijs is ongelooflijk om te zien.
Hun discipline en gebrachte offers tijdens de training werpen hun vruchten af
in betoverende uitingen van uitmuntendheid en momenten van pure vreugde.
Maar om winnaars te zijn, moeten er ook verliezers zijn,
en er zijn onthullende momenten van verpletterende teleurstelling geweest
die nooit leuk zijn om te zien.
Bijvoorbeeld over de soms mindere prestaties van Femke Bol of Lieke Klaver.
Sommigen zullen vinden dat zij faalden, anderen zullen zeggen dat dit bij sport hoort.

Maar weinigen van ons zullen ooit Olympische grootheid bereiken,
of de media-erkenning die het profiel van een atleet definieert
door zijn naam voor altijd te verbinden aan zijn prestatie.
Maar we hebben allemaal een innerlijke neiging
om te geloven dat onze waarde gebaseerd is op wat we kunnen bereiken.
We leven in een cultuur die ons voortdurend de boodschap stuurt
dat goedkeuring en waarde afhangen van je resultaten.
Velen van ons geloven dat, en vallen dan voor een leven van voortdurende intensiteit
– een ‘cyclus van verdriet’ – terwijl we fel streven naar resultaten,
maar rouwen om het verlies van onze innerlijke vrede.
En deze culturele boodschap van acceptatie door prestatie
wordt echt giftig wanneer we de leugen gaan geloven
dat onze identiteit gebaseerd is op onze prestaties.

Het zijn niet alleen atleten die hierdoor risico lopen.
Denk eens na over hoe ons onderwijssysteem dezelfde boodschap over cijfers uitzendt.
Duizenden tieners lijden aan angst en psychische aandoeningen als ze examens afleggen,
omdat ze geloven dat hun eigenwaarde afhangt van hun cijfers.
De winnaars zullen worden gefeliciteerd,
maar anderen zullen depressief worden van het falen.

Ik ken veel werkplekken waar ‘prestatiemanagement’
zo onderdrukkend is geworden dat het leidt
tot gedrevenheid, perfectionisme en burn-out.
Zelfs gepensioneerden kunnen zich gedreven voelen
om hun ‘bucketlist’ af te werken voordat ze sterven of ziek worden.
Dus mensen uit alle lagen van de bevolking
raken gemakkelijk verslaafd aan de tredmolen
van ‘prestatiegericht leven’
en voelen zich moe, gevangen en onrustig.
Ze lijden onder de valse overtuiging
dat zelfrespect afhankelijk is van prestaties.
Als je dat gelooft, mag je van jezelf niet falen
of wordt je zelfs ziek omdat je je voelt tekortschieten.

Er is een betere manier.
We kunnen ervoor kiezen om afstand te doen
van die verderfelijke leugen van een prestatie-identiteit
en de diepe waarheid te bevestigen
dat onze echte identiteit en betekenis te vinden zijn
in wie we zijn als Gods geliefde kinderen.
We kunnen onze emoties verankeren
in de zekerheid van die ware identiteit.
Het is mogelijk om te besluiten
om de manie voor resultaten en onze cultuur
van voortdurende intensiteit onder ogen te zien.
Een daad van verzet tegen een wereld
die wordt gedomineerd door de behoefte aan succes.
God weet dat we een pauze nodig hebben, niet alleen om te rusten,
maar om ons hart en onze geest te heroriënteren op de waarheid.
We worden onvoorwaardelijk geliefd en hoeven niet te streven
naar prestaties om geaccepteerd en belangrijk te worden voor God.
Daar zit een diepe vrede in.
Een vrijheid en veerkracht die het mogelijk maken
om te concurreren zonder angst voor falen.

In de Bijbel wordt het woord uitmuntendheid
nooit toegepast op prestatie,
alleen op karakter,
en de meest uitmuntende manier is liefde.
De christelijke wereldvisie viert geweldige prestaties,
maar vermijdt om er een afgod van te maken,
omdat dat leidt tot een destructieve obsessie en onzekerheid.

Zeker zijn van God gaat niet over het vermijden van competitie of druk.
Het is leren om uitstekende prestaties na te streven
zonder het gevoel dat onze identiteit wordt gestolen
door onze cijfers, of banen, of andere mensen ons goedkeuren
of ons medailles toekennen.
Prestaties van topkwaliteit zijn superieur
en we moeten met heel ons hart ons best doen, wat we ook doen.
Maar God is een God van genade,
die iedereen onvoorwaardelijk liefheeft, accepteert en eert,
inclusief degenen die zich niet eens kwalificeerden
voor de Olympische Spelen,
net zo goed als degenen die op het podium stonden.

 

In 1986 werd de goal van de hand van God, la mano de Dios,
van sterspeler Diego Maradonna een begrip in het voetbal.
Had God ingegrepen bij deze goal, was de vraag.

Na de mislukte moordaanslag op Donald Trump,
wordt door sommige christenen – en door Trump zelf –
dezelfde vraag gesteld of de hand van God kunnen zien omdat hij de aanslag overleefde.

Gezien de gepolariseerde aard van de Amerikaanse politiek
en de giftige aard van de debatten,
was de moordpoging op Donald Trump niet helemaal een verrassing,
zelfs niet als het een enorme schok voor het systeem was.
Het was zowel tragisch voor degenen die werden gedood
en toch een opluchting voor iedereen dat Trump het overleefde,
niet in de laatste plaats vanwege de onvoorstelbare gevolgen
voor het hele land als hij het niet had overleefd.

Je hoeft niet diep in de maalstroom van X te duiken
om een gemeenschappelijk thema onder Trump-aanhangers te ontdekken:
dat God hem beschermde van een zekere dood.
‘God beschermde president Trump’, postte senator Marco Rubio.
‘God redde het leven van Donald Trump’,
zeggen een miljoen anderen, ervan overtuigd
dat de schijnbaar wonderbaarlijke lichte hoofdbeweging op het moment van het schot,
waardoor de kogel zijn oor raakte en niet door de achterkant van zijn slaap,
een moment van Goddelijke interventie was.

Maar kijk ergens anders op X en je zult grote aantallen mensen vinden
die er even zeker van zijn dat dit complete onzin is.
God heeft Donald Trump niet gered, omdat er geen God is die iemand kan redden,
of omdat als er een God is, Hij helemaal niet ingrijpt,
of zelfs als Hij dat wel zou doen,
Hij mensen als Donald Trump zeker niet zou willen redden.

Als God Trump heeft gered, zeggen ze,
waarom heeft hij dan niet het leven gered van Corey Comperatore,
de vrijwillige brandweerman die werd gedood door kogels afgevuurd uit het geweer
dat werd gebruikt bij de aanval?
Trump-aanhangers reageren met de bewering dat Trump een speciale roeping heeft,
die Goddelijke interventie rechtvaardigt,
om ‘het Joods-christelijke erfgoed van Amerika te herstellen’, zoals een tweet het verwoordde.

Dus, wat is het?

Christelijke denkers hebben doorgaans de mogelijkheid aangenomen
dat God op beslissende momenten de normale loop van de geschiedenis kan en zal onderbreken.
De centrale christelijke bewering is immers dat Hij dit deed
in opmerkelijke bevrijdingsdaden zoals de Exodus,
op sleutelmomenten in de geschiedenis van Israël
en vooral in het leven, de dood en de opstanding van Jezus Christus.
En, zo beweren ze, Hij doet het op minder prominente manieren,
zoals getuigenissen van verhoorde gebeden
en schijnbaar wonderbaarlijke gebeurtenissen suggereren.

Toch zijn Goddelijke interventies als deze per definitie zeldzaam.
Ooit las ik een roman waarin één van de personages mijmert
over een christelijke groep die voortdurende wonderen verwacht:
‘Ze vragen altijd om wonderen en vinden ze overal.
Hoewel ik een spiritueel man ben, geloof ik wel in God
– ik denk dat Hij een orde voor de wereld heeft geschapen;
ik geloof dat we, door Hem voortdurend te bombarderen
met verzoeken om wonderen, ook vragen dat Hij het weefsel van de wereld ontrafelt.
Een wereld van voortdurende wonderen zou een cartoon zijn, geen wereld.’
Daarin heeft dit personage een punt.

Toch zou een wereld zonder enige tussenkomst
een wereld zijn die God aan zijn lot had overgelaten.
Het idee dat God zijn wereld zo heeft opgezet
dat hij als een klok kan draaien zonder verdere tussenkomst is deïsme,
niet christendom, een theologie die populair was in de 17e en 18e eeuw,
– een theorie die we vandaag de dag nog steeds tegenkomen –
maar God ons vanaf een veilige en niet betrokken afstand in de gaten houdt.
Het zou leiden tot de conclusie dat God
niet echt om de wereld gaf en deze aan zichzelf overliet,
vooral niet als het kwaad de vrije loop had en niets het leek te kunnen voorkomen.
Zulke tussenkomsten kunnen het beste worden gezien
als tekenen, speciale aanwijzingen die niet ‘de structuur van de wereld ontrafelen’,
maar toch tastbare herinneringen zijn dat God, ook al is deze gebroken,
deze wereld niet heeft opgegeven en deze op een dag zal verlossen.

Maar als God op bepaalde momenten kan en zal ingrijpen
om de loop van de geschiedenis in een gevallen en gebroken wereld om te buigen,
betekent dat niet dat elke claim op goddelijke tussenkomst oprecht is.
Dus hoe kun je dat weten?
Wie geloven we?

Op verschillende punten in het Oude Testament
vragen schrijvers zich af hoe je de ware profeet van de valse kunt onderscheiden.
Een van hen antwoordt als volgt:
‘Als wat een profeet verkondigt in de naam van de Heer niet gebeurt of uitkomt,
is dat een boodschap die de Heer niet heeft gesproken.”
Eerlijk gezegd lijkt dit niet veel te helpen.
Je kunt zien of iemand het bij het rechte eind heeft als zijn voorspelling uitkomt,
maar op dat moment heb je geen idee of het uitkomt of niet,
dus het laat je nog steeds in het ongewisse over wie je moet geloven.

Toch suggereert het een belangrijk inzicht.
Je kunt alleen achteraf Gods tussenkomst vaststellen.
Je kunt alleen met een zekere mate van zekerheid zeggen dat God ‘heeft ingegrepen’
als je terugkijkt op gebeurtenissen en ziet hoe ze aflopen.

Als Donald Trump wordt gekozen en op de een of andere manier
harmonie en bloei zou brengen voor zoveel mogelijk mensen in de VS,
als zijn beleid de economie stabiliseert en iedereen in staat stelt een fatsoenlijk leven te leiden,
niet alleen de rijken en machtigen,
een gevoel van beschaving en vrijgevigheid herstelt in het openbare leven,
weerstand biedt aan de krachten van kwaad en schade in het land en in de wereld,
en vrijheid brengt voor christenen en anderen
om hun geloof te beoefenen,
dan kunnen we misschien terugkijken in toekomstige jaren
en zeggen dat God op 14 juli 2024 wel degelijk is tussenbeide gekomen
om de doelen van het kwaad in de wereld te dwarsbomen.

Maar als dat allemaal niet gebeurt, en wat het resultaat is van zijn overleving
in plaats daarvan een diepere breuk is van de sociale cohesie,
een vergroving van het publieke debat,
een belegeringsmentaliteit die de wereld verdeelt tussen ‘wij’ en ‘zij’,
een toenemende kloof tussen rijk en arm,
de elite en gewone mensen,
dan zouden we in de toekomst kunnen zeggen dat het puur toeval was,
een van die willekeurige dingen die gebeuren
in deze gecreëerde maar gevallen wereld met zijn mysterieuze mix van orde en chaos.

Welke zal het zijn? De tijd zal het leren.
Tot die tijd moeten we voorzichtig zijn met beweringen over Goddelijke interventie.
Niet omdat God het nooit doet,
maar omdat we niet zo goed zijn in het voorspellen wanneer het gebeurt.