september 2024


 

We hebben het omslagpunt weer gehad:
de herfst, is weer begonnen: de dagen korten en de nachten,
‘daar gaan we weer’,
de stormloop naar het einde van een nieuw jaar.

Op wereldschaal luidt het ook het patroon in
van internationale topconferenties en onderhandelingen
om vooruitgang te boeken bij het eerlijker, veiliger en hoopvoller maken
van deze wereld, onze wereld.
Wereldleiders komen bijeen in New York
voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties;
dan duurt het niet lang meer tot de volgende VN-klimaattop (COP29) in Bakoe,
snel gevolgd door besprekingen in Busan
om een nieuw VN-verdrag op te stellen om plasticvervuiling te beëindigen.
Misschien leidt dat tot een nieuwe zucht; ‘daar gaan we weer’.

Maar er staat dit keer iets nieuws op de agenda in New York:
de VN-top van de toekomst.
Het wordt aangeprezen als een ‘once-in-a-generation’-kans
om een betere weg vooruit te vinden.
Zal dit het moment zijn dat niet alleen ons redt,
maar ook toekomstige generaties en de natuurlijke wereld?

Een paar jaar geleden was er een evenement
dat experts in duurzame ontwikkeling uit de wetenschap,
overheid en het maatschappelijk middenveld samenbracht.
Op een flapover stond:
Wat zal ons de komende tien jaar redden?
mensen mochten hun stem uitbrengen met een sticker,
waarbij ze slechts drie opties kregen:
overheid; maatschappij; technologie.

Er werd een bepaald patroon zichtbaar:
– de wetenschappers stemden voor de overheid
– de ambtenaren stemden voor de maatschappij
– mensen uit het maatschappelijk middenveld stemden voor technologie

Op de achtergrond leek er dus een bepaald gevoel mee te spelen:
‘Wie zal ons redden? Niet ik.’

Ik vraag me af of de stemmers
– deskundig en verbonden, experts in hun vakgebieden –
op dat moment de grenzen van hun macht voelden.

Wanneer we tegen onze eigen beperkingen aanlopen,
kan het verleidelijk zijn om elders geruststelling te zoeken.
Ik vind hoop in een te onbekend verhaal van verandering,
een soort David en Goliath-verhaal,
dat dwars door overheid, maatschappij en technologie heen gaat.
Een verhaal waarin leiders ter verantwoording zijn geroepen,
en miljarden dollars uit fossiele brandstoffen zijn overgeheveld naar schone energie.
Ja, mensen zeiden dat het onmogelijk was, omdat niemand het ooit eerder had gedaan. Decennialang hebben rijke landen miljarden aan belastinggeld verstrekt
aan fossiele brandstofprojecten in andere landen over de hele wereld.
De belastingen van de mensen werden besteed aan een gascentrale in Mozambique,
olievelden in Brazilië, waardoor de klimaatcrisis werd aangewakkerd
en het risico bestond dat lage-inkomenslanden
decennialang fossiele brandstoffen moesten gebruiken
in plaats van te investeren in de transitie naar schone energie.

Dit is een transitie die is begonnen.
Op de meeste plekken ter wereld zijn zonne- en windenergie goedkoper en gemakkelijker toegankelijk dan olie, gas of steenkool.
Energie is transformationeel;
het voedt huizen, scholen en ziekenhuizen,
het ontsluit banen, onderwijs en gezondheidszorg.
En het bereikt het punt waarop er weinig reden is
waarom het niet hernieuwbaar zou kunnen zijn.

Nu de technologie er is, werd het tijd dat de politieke wil ook veranderde.
Dus een paar jaar geleden kwam een kleine groep campagnevoerders bijeen
om te pleiten voor een einde aan deze financiering.
Ze bouwden relaties op met parlementsleden en ambtenaren,
ze kregen de media geïnteresseerd in dit vrij specifieke probleem
en ze werkten samen met de gemeenschappen die getroffen werden
door door de overheid gefinancierde projecten,
met een duidelijke boodschap die de kern van het onrecht raakte:
stop met het financieren van fossiele brandstoffen in het buitenland.

In de aanloop naar de VN-klimaattop van 2021 werkten campagnevoerders en ambtenaren eraan
om 38 andere landen en grote banken ertoe te bewegen
toezegging te doen om de financiering van fossiele brandstoffen te beëindigen
en deze te verschuiven naar projecten voor hernieuwbare energie.
Met Noorwegen en Australië die vorig jaar deelnamen aan COP28,
telt die groep nu 41,
en vertegenwoordigt meer dan $ 28 miljard per jaar
dat van fossiele brandstoffen naar schone energie zou kunnen worden verschoven.

Het is niet van een leien dakje gegaan en het is nog niet helemaal rond.
Er een nieuw rapport gepubliceerd
waarin ze goede vooruitgang vonden in het fossiele brandstoffen-onderdeel van de belofte,
maar er was nog veel meer werk nodig van overheden
om dat geld in de hernieuwbare energieprojecten te krijgen
die inzetten op verandering voor de 685 miljoen mensen
die momenteel geen toegang hebben tot elektriciteit.

Een van de hete hangijzers op de Summit for the Future
is of de leiders het eens kunnen worden
over de overgang van fossiele brandstoffen in een nieuw ‘Pact for the Future’,
een echo van de taal waar vorig jaar voor gevochten werd,
die verzwakt werd en vervolgens grotendeels teruggeplaatst werd
in de uiteindelijke toezegging die werd gedaan op COP28.
(Dit geldt als een drama met hoge inzetten in de wereld van het klimaatbeleid).

Ja, ik weet het,
het lijkt misschien zo ver verwijderd van ons dagelijks leven,
zo’n geruzie over exacte leestekens op wereldtoppen.
Maar deze toezeggingen kunnen een langdurige invloed hebben.
Al bijna 80 jaar beschermt de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens
mensen – of laat de kloof zien wanneer hun rechten worden geschonden.

En eigenlijk gaat het hier niet alleen om woorden, het gaat om macht.

Een deel van het probleem met onze vraag op die flapover
was dat het mensen en kansen van elkaar scheidde
in plaats van ze samen te brengen.
De beste manier om verandering teweeg te brengen is
om collectieve macht op te bouwen,
elkaar en onze besluitvormers ter verantwoording te roepen.

Misschien brengt nadenken over de toekomst
meer angst dan hoop met zich mee.
Maar dit verhaal herinnert me eraan dat ‘ons redden’
niet iets is dat je eenmalig doet.
Het is groter dan dat;
iets dat je moet uitleven, onvolmaakt, met anderen, door de jaren heen.
En zo doende te leven met God.
Dit is een partnerschap waartoe Hij ons uitnodigt:
om mee te doen aan zijn werk om een wereld vol potentieel te zien
die wordt gekoesterd en hersteld.
We zien misschien niet de hele verandering die we hopen,
maar soms zien we de balans doorslaan.

De energietransitie is begonnen,
maar het zal de collectieve invloed van een beweging van mensen vergen
om ervoor te zorgen dat het snel en eerlijk verloopt
en degenen dient die het het hardst nodig hebben.
Nu er nog een groot gat is tussen de benodigde financiering
en de toegezegde financiering,
zijn alle ogen gericht op de COP29 van dit jaar in Bakoe
om tastbare vooruitgang te zien.

‘Daar gaan we weer’.

 

Op die manier raken ze aan elkaar verbonden:
dat praktische, dienstbare ouderlijk huis
en de herinneringen die daaraan verbonden zijn.
Het ‘ouderlijk huis’ krijgt een symbolische waarde:
de tastbare plek verwijst naar herinneringen en gevoelens.
Dat is onvermijdelijk:
we zijn als lichamelijke wezens geschapen.
We kunnen niet anders dan
herinneringen, ervaringen en gevoelens
koppelen aan een bepaalde plek.

Een kerkgebouw is het ‘Vaderlijk huis’:
hier werden mensen gedoopt, deden ze belijdenis, trouwden ze,
hier vandaan werden zij begraven.
Het kerkgebouw draagt geschiedenis bij zich:
generaties kerkgangers, en vooral:
generaties vol verhalen en gevoelens.
Dat is niet alleen negatief, of lastig.
Het is zoals wij geschapen zijn.

Het kerkgebouw als aards ‘Vaderlijk huis’
verwijst in die zin naar het hemels Vaderhuis:
hier woont God bij de mensen.
De hemel is vanuit ieder gebouw bereikbaar;
maar in het eigen kerkgebouw voelt alsof de regelmatige gebeden
daar het plafond van de hemel
een stukje dunner gebeden hebben.
Hij woont op alle plekken,
maar hier was Hij vaak thuis,
en daarom Zijn kinderen ook.

 

Een ouderlijk huis is niet ‘zo maar’ een huis.
Het is de plek waar je letterlijk je eerste stappen zette,
vrienden maakte, herinneringen verzamelde.
Het ‘doet’ iets met je
zodra dat ouderlijk huis niet meer ‘in de familie’ is.
Hoewel er van het rijtjeshuis in dezelfde straat
nog twintig exact gelijke staan,
is er maar eentje jouw ouderlijk huis.
In zekere zin lijkt zo’n ouderlijk huis op een kerkgebouw.

In de protestantse theologie is de waarde van een kerkgebouw vaak gerelativeerd.
Sinds Pinksteren woont de Heilige Geest in elke christen;
ons lichaam is ‘Gods tempel’.
Anders dan in het Oude Testament
heeft de heilige God geen eigen tempel meer nodig.

De reformatoren benadrukten dat kerkgebouwen
‘leerhuizen’ zouden moeten zijn:
praktisch, functioneel, gericht op de Woordverkondiging.
Waar in de katholieke theologie het kerkgebouw
nog sacramentele waarde werd toegekend,
benadrukte de Reformatie dat Gods aanwezigheid
niet afhangt van het type of de kwaliteit van een gebouw.

Het was verstandig dat de reformatoren
benadrukten dat God soeverein is.
Dat betekent dat Hij als het ware vrij is
om te gaan en staan waar Hij wil.
Zijn nabijheid kan niet worden afdwongen
door imposante beelden of indrukwekkende architectuur.
Zijn Zoon liet Zich huisvesten in een arme stal
en Zijn glorie was er niet minder om.
Zijn Geest woont in onze menselijke, kwetsbare harten
en het is Hem genoeg.

Tegelijkertijd:
de Schepper gaf ons een ziel en een lichaam.
En hoewel een kerkgebouw voor God de Heer ‘niets toevoegt’,
is niet uitgesloten dat een kerkgebouw dienstbaar is
aan de relatie tussen God en mensen.
Dat ligt niet aan de Heer, maar aan ons mensen.
In die zin lijkt een kerkgebouw op een ouderlijk huis.
In zo’n huis gaat het om de liefde tussen ouders en kinderen.
Die liefde heeft op zichzelf geen gebouw nodig.
Maar het is natuurlijk wel praktisch
een dak boven je hoofd te hebben.
En het spreekt vanzelf dat je emotioneel betrokken
raakt op dat huis.

 

Al lange tijd speelt er een discussie over de vraag hoe wij als christenen
moeten omgaan met de sociale media en de moderne technologie.
Theoloog Ad de Bruijne bijvoorbeeld pleitte laatst in een krant ervoor
dat een christen X rigoureus moet afwijzen
omdat er veel misselijks gebeurt
zoals anti-feministische en anti-democratische roeptoeterij.
Daarin verschilt X niet trouwens niet bijster van het echte leven.
Maar er gebeurt zoveel meer op dat medium.
En dan – zoals De Bruijne doet – gelovigen een decreet opleggen
om niet op X te blijven, dat zou ik niet kunnen geven.
Ik blijf op X, zolang deze zich houdt
aan de Europese regelgeving voor social media.

Maar hoe wordt er over moderne technologie gedacht,
en daar komt sociale media natuurlijk ook in mee.
Martin Heidegger was een Duits filosoof en heeft interessante dingen gezegd
over de moderne technologie.
Hij stelt bijvoorbeeld dat moderne technologie niet bestaat uit neutrale gereedschappen
die voor goede of slechte doeleinden kunnen worden gebruikt,
en ook niet simpelweg een natuurlijke uitbreiding is van menselijke activiteit
die we al sinds de steentijd doen.
Moderne technologie heeft een technologische samenleving
en de leden van die samenleving gevormd,
zodat we alles in de natuurlijke wereld (inclusief wij zelf en onze buren)
positioneren als bronnen die kunnen worden ontgonnen.
Heidegger zag het technologische tijdperk waarin we leven
als ‘een manier van zijn’ en die onder alle technologie ligt
die ons leven vult en dat we als leden van een technologische samenleving zijn gevormd,
of je zou kunnen zeggen gedwongen wordt om te volgen,
om op een bepaalde manier te leven.
Deze ‘manier van zijn’, de essentie van technologie,
is om alles in de wereld primair te zien
als een verzameling gereedschappen en bronnen.

Maar als dit Heideggers diagnose van moderne technologie is,
wat kunnen we er dan aan doen?
Wat is Heideggers oplossing voor het probleem dat hij identificeerde?
Is er een manier om vrij te leven van dit ‘zijn’ van moderne technologie?

Voordat we echter bij die vraag komen,
moeten we ons eerst afvragen of het eigenlijk wel mogelijk is om iets te doen.
Want als Heideggers visie op moderne technologie juist is
en ons denken en zijn in de wereld zo gevormd zijn door de essentie van technologie,
dan zitten we misschien vast in een manier van denken
die ons gevormd heeft en die we niet kunnen veranderen.

Er zijn volgens mij zeker twee redenen waarom we het technologische probleem
dat Heidegger ons heeft onthuld, niet kunnen oplossen.

Ten eerste het probleem van gevangen zitten in een systeem
dat ons denken heeft gevormd:
hoe kunnen we ons een weg uit dit technologische tijdperk denken
als we al gevormd zijn door de manier waarop dat tijdperk in de wereld staat?
Als het technologische systeem zo totaliserend is
en de geesten van mensen in de samenleving zo krachtig heeft gevormd
als Heidegger suggereert,
lijkt het bijna onmogelijk om voorbij of om het systeem
heen te denken en er dus uit te breken.

Ten tweede is er het probleem van het gebruik van technologisch denken
om het probleem van technologisch denken op te lossen.
Dit tweede punt is een natuurlijke uitbreiding van het eerste:
binnen een technologische samenleving zal het het meest natuurlijk aanvoelen
om een reeks technieken of methoden te bedenken
die gebruikt kunnen worden om mensen te bevrijden
van het technologische tijdperk,
maar omdat het technieken zijn,
zouden ze niets anders doen dan de problemen van technologisch denken versterken.
Of om het anders te zeggen,
we hebben een nieuwe manier van denken en in de wereld staan nodig
die niet leidt tot zomaar een andere methode.
Een methode of techniek is simpelweg een technologie
van zelftransformatie, jezelf veranderen,
en houdt ons daarom gevangen in de technologische essentie.
Zelfhulpboeken zijn hiervan het meest voor de hand liggende voorbeeld.
Want het probleem van technologie ligt
in de verslaving aan methoden van denken en waarnemen.

Een voorgestelde oplossing van Heideggers is
om mensen uit te nodigen het verlangen te verwerpen
dat ze in zichzelf vinden om de natuurlijke wereld te dwingen
zich aan hun behoeften aan te passen.
Ten tweede, en op dezelfde manier,
om de wereld om zich heen uit te nodigen
zich aan de persoon te presenteren in plaats van voor de persoon.
Heideggers oplossing voor het probleem is
om leden van een technologische samenleving uit te nodigen
om vrijgevig te leven in plaats van naar de ‘echte’ wereld te grijpen.
De oplossing die hij biedt, ligt op het niveau van verlangen in plaats van activiteit.
De enige optie die Heidegger geeft is de diagnose,
die als hij een stapsgewijze oplossing zou bieden
voor dit probleem is het ‘omkaderen’,
je er van doordrongen weten van het feit dat je in dit tijdperk leeft.
Je kunt simpelweg geen technieken gebruiken
om de problemen van een technologisch tijdperk op te lossen.

Als christen vind ik veel in Heideggers analyse van ons technologische tijdperk erg overtuigend.
Ik begrijp instinctief zijn existentiële beschrijving van de essentie van moderne technologie
als ‘zijn’.
Wanneer ik mijn eigen gewoonten observeer en wanneer ik luister
naar de verhalen van de mensen om mij heen,
zie ik voorbeeld na voorbeeld van de technologie in ons leven
die ons traint om de ‘echte’ wereld te behandelen
als niets meer dan een hulpbron die geplunderd kan worden
voor onze behoeften en genoegens.

Ik denk dat Heidegger een echt inzicht geeft in
waarom we er tot nu toe niet in slagen
om ons gebruik van fossiele brandstoffen in te dammen,
ondanks de bijna wereldwijde consensus dat het een goed en juist iets zou zijn om te doen.
Als samenleving zijn we geconditioneerd om de natuur te zien
als niets meer dan een bron van brandstof die benut kan worden.
Onze maatschappelijke verslaving aan koolwaterstoffen
begint met de veronderstelling dat olie er is voor ons gebruik.
De mentaliteit van het ‘zijn in een technologisch tijdperk’ zou die aanname doen:
olie is er niet om voor zichzelf te zijn,
maar wordt in plaats daarvan in de inventaris geplaatst
als een nuttig en daarom waardevol product om te winnen en in te zetten.

Naast de natuurlijke hulpbronnen van de schepping waarin we leven,
zie ik Heideggers analyse aan het werk
in de houding van mensen ten opzichte van elkaar.
Het wordt steeds moeilijker om andere mensen niet te behandelen
als niets meer dan hulpbronnen die gebruikt of weggegooid kunnen worden,
afhankelijk van of ze hun doel vervullen of niet.
De ‘intentie’ van het algoritme van sociale media is
om elk van zijn gebruikers om te zetten in makers van content.
We worden aangemoedigd om te posten, te liken en te delen
en we merken vaak niet dat de content die we ‘creëren’ wijzelf zijn.
Sociale media veranderen de mensen die het gebruiken
in de content die het verkoopt,
wij zijn de hulpbron geworden die de machine aan het delven is.
En hoewel sociale media een duidelijk voorbeeld zijn
van mensen die weinig meer zijn dan hulpbronnen die geoogst kunnen worden,
beperken de effecten van deze technologische mindset zich niet tot de virtuele omgeving.

Ik denk dat een oplossing baat zou kunnen hebben
bij een diepere reflectie op de christelijke traditie:

Ten eerste is er binnen de christelijke traditie al lang sprake
van de erkenning van concurrerende krachten van discipelschap.
In het christelijke wereldbeeld is er geen neutrale ruimte van bestaan,
onze houdingen en verlangens worden altijd door het een of ander getraind.
In zijn brief aan de kerk in Rome zegt Paulus het zo:
‘U moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld,
maar u veranderen door uw gezindheid te vernieuwen,
om zo te ontdekken wat God wil en wat goed, volmaakt en Hem welgevallig is.’
Paulus vertelt ons dat ‘de wereld’, of in ons geval ‘de essentie van de moderne technologie’,
ons denken voortdurend in overeenstemming met haar trekt.
Maar Paulus wijst ons vervolgens op iets dat Heidegger niet kan,
de stem van buiten het systeem.
In het licht van een totaliserende en allesomvattende technologische samenleving
die alles bejubelt als een hulpbron die wacht om gebruikt te worden, is
heeft Heidegger geen andere hoop dan de wilskracht van het individu
om zichzelf te bevrijden van het systeem, omdat hij geen andere hoop heeft,
niets buiten het systeem.

Maar Paulus wijst ons daarentegen op God.
Een bron van transformatie en leven die niet is aangepast aan de wereld
en niet afhankelijk is van de wereld voor zijn bestaan,
maar die desondanks, door een daad van genade,
ervoor heeft gekozen om zichzelf te openbaren in de wereld ter wille van de wereld.
Hier vinden we een persoon door wie onze geest kan worden getransformeerd,
die ons kan bevrijden van de denkpatronen van deze wereld, die onze verlangens kan hervormen.

Dit is de gave van gebed, een ruimte om te zijn en God en de wereld te laten zijn.
Voor veel christenen is de ervaring van gebed
dat ze door pure inactiviteit en stilte (langzaam, soms onmerkbaar) worden getransformeerd.

Heidegger waarschuwde ons voor een aanzienlijke moeilijkheid
om onze weg te vinden uit de technologische mindset.
Suggereer ik dat we God veranderen in een methode om onze geest te transformeren,
zodat we kunnen ontsnappen aan de valkuilen van modern technologisch denken?
Ik hoop het niet.
Hoewel het zeker mogelijk is om te proberen gebed om te zetten
in een techniek om God te laten geven wat je wilt,
is dat niet wat ik hier suggereer.
Ik doel in plaats daarvan op het soort gebed dat Moeder Teresa beroemd beschreef
toen haar ooit in een interview werd gevraagd:
‘Wat zeg je als je bidt?’
Ze antwoordde: ‘Niets, ik luister alleen.’
De verslaggever vroeg toen: ‘Nou, wat zegt God dan tegen je?’
Waarop ze antwoordde: ‘Niets bijzonders, Hij luistert ook.’

 

De kerk, dat is de veelkleurige gemeenschap waar:
de één de ander uitnemender acht dan zichzelf’ (Filippenzen 2: 3),
om maar wat te noemen.
Of: waar ieder ‘voor zover het in zijn of haar macht ligt,
alles in het werk stelt om met alle mensen in vrede te leven’ (Romeinen 12: 18).
De kerk is de plaats waar we elkaar ‘aanvaarden
zoals Christus ieder van ons heeft aanvaard’ (Romeinen 15: 7).
En zo is er eindeloos veel te noemen,
wat samen de kerk tot die geestelijke gemeenschap maakt.
Waarvan je ten minste verwachten mag,
dat we op een andere manier met elkaar omgaan.
‘Niet driftig zijn, niet gewelddadig, niet hebzuchtig’,
als kwaliteiten van leiderschap in de gemeente,
volgens de brief aan Titus.
En als positieve competenties gelden dan:
‘gastvrij zijn, goedwillend, bezonnen, beheerst’ en nog meer.

Te mooi om waar te zijn, zegt u misschien.
Ook ik ben nuchter genoeg,
als je lang genoeg meedraait in de kerk weet je daar alles van.
En toch, zeg ik graag: het is te mooi om niet waar te zijn…

‘Tuurlijk; de kerk is een vrijwilligersorganisatie.
Ja, maar we zijn ook en vooral een gééstelijke gemeenschap
en als we dat zouden vergeten, als we de uitdaging die daarin gelegen is,
uit het oog zouden verliezen, dan leven we onder de maat.
Dat laten we toch niet gebeuren?

Daarom wil ik toch tegen het einde nog
even terug naar de gelijkenis.
Er zitten ook problematische kanten aan.
Met name het grove geweld is iets dat opvalt.
De genodigden willen niet komen.
Als de koning aandringt door zijn dienaren op pad te sturen
om hen persoonlijk uit te nodigen,
volharden ze in hun weigering
en slaan ze zelfs de dienaren dood.

De reactie van de koning is al even gewelddadig.
Hij stuurt een strafexpeditie erop af,
laat de moordenaars ombrengen en hun stad in brand steken.
Waar is dat allemaal voor nodig, vraag je je af.

Maar het geweld is nog niet voorbij.
Als de bruiloftszaal gevuld is, blijkt er iemand niet de juiste kleding aan te hebben.
Ook zoiets aparts.
Hij wordt zonder pardon op koninklijk bevel door de uitsmijters verwijderd.

Waarom die strengheid?
Er is door uitleggers volop gespeculeerd over de betekenis van dat slot, wat dat bruiloftskleed,
dat die ene aangelegen persoon kennelijk niet aan had, precies behelst.
In de tekst zelf wordt dat niet duidelijk.

Maar het zou kunnen zijn dat het bruiloftskleed
een beeld is, van hoe je je gedraagt, van je levenswandel.
Zo wordt datzelfde beeld ook elders in het Nieuwe Testament gebruikt.
‘Bekleed je met de nieuwe mens’ (Efeziërs 4: 24),
of ‘bekleed je met Christus’ (Galaten 3: 27),
of ‘met de wapenuitrusting van God’ (Efeziërs 6: 11) 
of is dat weer te gewelddadig?

Hoe dan ook.
Als wij geroepen zijn, en dat geldt voor ieder van ons;
als wij bij de kerkelijke gemeenschap horen, schept dat verplichtingen.
Niet zozeer om ook vrijwilligerswerk te doen, al is dat nooit verkeerd,
maar vooral om te leven naar de maatstaven van de geestelijke gemeenschap,
waarin het beeld van Christus norm en leidraad is.

 

In een gelijkenis vertelt Jezus over een bruiloft van de zoon van de koning.
De bruiloftszaal is afgehuurd en in gereedheid gebracht.
Maar de genodigden willen niet komen.
Waarom niet, wordt niet duidelijk.
Maar ze passen, ze komen niet.

Waar het nu even om gaat is hoe de koning
vervolgens toch zorgt dat het gehuurde zaaltje vol komt.
Hij zegt tegen zijn personeel:
‘Ga naar de toegangswegen van de stad
en nodig voor de bruiloft iedereen uit die je tegenkomt’.
En zo stroomt de zaal vol, uit heggen en stegen,
goede en slechte mensen, staat er
wat al te denken geeft.
Maakt niet uit, de zaal moet en zal vol, is de opdracht.
Alle middelen heiligen het doel.
Mensen die elkaar niet kennen: bent u soms familie?
Mensen die niets met elkaar gemeen hebben,
behalve dan dat ze kennelijk op het juiste moment
op de juiste plaats waren, daar waar de dienaren van de koning waren.
Mensen in allerlei soorten en maten, goeden en slechten,
die zichzelf terugvinden als gasten op een koninklijk bruiloftsfeest.
Wonderlijk is het.

Of je dat één op één met de kerk zoals wij die kennen gelijk kunt stellen,
is overigens ook nog een vraag. Maar laten we daar even op voortborduren.
Dan is de kerk dus een gemeenschap van mensen die elkaar niet zelf hebben uitgezocht.
Je vindt jezelf terug in een gezelschap van mensen van allerlei slag.
De kerk als contrastgemeenschap
Eén die haaks staat op de normen en waarden
van de ons omringende maatschappij waar groepjes
van gelijkgestemden het liefst in hun eigen bubble blijven.

Zo is het in de geschiedenis precies gegaan.
De beweging die ontstaat na Jezus’ dood en leven,
de kerk, is vanaf het allereerste begin divers en veelkleurig geweest.
Vanaf het allereerste begin is er ook kerkelijke gedoe geweest,
laten we dat ook niet vergeten.
Soms is dat troostend… het is van alle tijden.
De kerk, de gemeente van de Heer, of het lichaam van de Heer,
Bijbelse beelden die spreken, is daarbij een geestelijke gemeenschap.
Waarin eigen regels gelden, een bijzondere gedragscode.
Ook dat kom je vanaf het begin tegen, al in het Nieuwe Testament.