Nu de zomer echt is overgegaan in de herfst, kun je tegenwoordig niet meer ontkomen aan Halloween.
Net als Kerst lijkt de aanloop naar het uit de Angelsaksische landen en vooral Amerika overgewaaide viering van Halloween elk jaar eerder te beginnen dan de werkelijke datum van de viering – 31 oktober.
Al ver voor de datum kun je in de etalages van supermarkten en warenhuizen de spinnenwebben zien verschijnen met een snelheid en intensiteit waar elke spin jaloers op zou zijn. De afbeelding van Google wordt behoorlijk spooky. Waar je ook kijkt, overal zie je duivelshoorns en zie je de dreigende blik van demonen.
Onze obsessie met deze feestdag kent blijkbaar geen einde. Maar waarom?
Commercieel gezien is het ongetwijfeld een geweldige geldmachine. Maar kunnen we meer lezen in deze groeiende obsessie met Halloween? Wat zegt het over de heersende stromingen in onze cultuur?
In veel Angelsaksische landen vindt Halloween haar oorsprong in de traditie van een viering ter gelegenheid van het einde van het oogstseizoen: het oude Keltische festival Samhain (uitgesproken als ‘Sow-in’). De Kelten, die bevolkten wat nu Ierland, Groot-Brittannië en delen van Noord-Frankrijk is, vierden hun nieuwjaar van zonsondergang op 31 oktober tot zonsondergang op 1 november.
Samhain markeerde het einde van de oogst en het begin van de winter, een tijd waarin de dagen korter en kouder werden. Het werd gezien als de overgang van de lichte, vruchtbare helft van het jaar naar de donkere, onvruchtbare helft. Maar meer dan dit, Samhain werd gezien als een tijd waarin de grens tussen de fysieke wereld en de geestenwereld het dunst was, waardoor geesten (zowel goed als slecht) erdoorheen konden. Het was dus een tijd om voorouders en de doden te eren, die naar verluidt terugkeerden naar hun huizen om gastvrijheid te zoeken. Dit ‘dunner worden van de sluier’ betekende ook de toegenomen aanwezigheid van buitenaardse wezens zoals feeën (of erger), die schade konden aanrichten als ze niet gunstig gestemd werden. Er werden ook voedsel- en drankoffers achtergelaten om zo de vrede met hen te verzekeren.
Op het festival van Samhain werden er grote gemeenschappelijke vreugdevuren aangestoken; er werden feesten gehouden ter ere van voorouders; waarzeggerij en voorspelling werden dan als bijzonder effectief beschouwd; sommige tradities hielden in dat men vermommingen en kostuums aantrok om schadelijke geesten af te weren en te verwarren; kleine voedseloffers werden achtergelaten om ronddolende geesten te sussen. Vee werd vaak geslacht vóór de komende winter.
Na de bekering van Europa tot het christendom werd Samhain, onder invloed van het christelijk geloof, niet uitgewist, maar in ieder geval in de ogen van de kerk, gekerstend, ingekapseld. Met andere woorden, het heidendom werd niet zozeer weggevaagd als wel opgeslokt, en vervolgens opnieuw gevormd tot iets dat meer openlijk christelijk was, maar met reeds bestaande culturele ondertonen die er nog steeds waren.
Zo werd Samhain, Allerzielen of Allerheiligen, gevierd op 1 november, ter ere van alle gestorvenen (heiligen), zowel bekend als onbekend, die de hemel hebben bereikt. Qua leer benadrukt Allerheiligen het christelijke geloof in de gemeenschap van heiligen – de spirituele eenheid van de levenden en de doden in Christus. Je kunt misschien dezelfde ‘dunheid’ van de sluier tussen hun anderszins gescheiden werelden zien die daar wordt gemarkeerd.
De Engelse christelijk schrijver uit de 19de en begin 20ste eeuw G.K. Chesterton beweerde altijd dat, paradoxaal genoeg, het meest heidense nog steeds in de wereld de christelijke kerk is. Hij begreep dat in het Westen in ieder geval al het heidendom – de ontzag en het mysterie dat heidenen ooit koesterden voor de natuurlijke wereld – is bewaard in de tradities en rituelen van de kerk. Het Halloweenfeest leek, in ieder geval lange tijd, een bijzonder duidelijk voorbeeld.
Er bestaat echter geen twijfel over dat in de meer recente decennia, met de algemene afname van het christelijk geloof en de opkomst van het secularisme – althans in onze uiterlijke uitingen van cultuur, zo niet noodzakelijkerwijs de innerlijke overtuigingen van ons hart – de oppervlakkige vernis van het christelijk geloof dit Halloween-feest heeft afgeworpen. En wat we overhouden is iets dat openlijker heidens is, en zeker sinisterder.
Chesterton had al voorzien wat we nu zien in onze cultuur, honderd jaar nadat hij het schreef. Hij maakte zich niet al te veel zorgen. ‘Als we het heidense ideaal van een simpele en rationele zelfvoltooiing nieuw leven inblazen en nastreven, zullen we eindigen waar het heidendom eindigde. Ik bedoel niet dat we in vernietiging zullen eindigen. Ik bedoel dat we in het christendom zullen eindigen.’
Met andere woorden, als de maatschappij terugkeert naar heidense idealen, was hij er zeker van dat het uiteindelijk terug zou leiden naar het christendom vanwege de diepe morele ontdekkingen en spirituele waarheden die het christendom biedt.
Aan de andere kant ben ik daar niet zo zeker van. Historisch gezien keert wat ooit een heidense cultuur was die is opgerold tot een christelijke cultuur, niet terug naar diezelfde naïeve, zelfs ‘onschuldige’ vorm van heidendom wanneer het christendom later wordt verworpen. In plaats daarvan wordt de spirituele stemming postchristelijk. zelfs antichristelijk. Ze creëert een vorm van heidendom zoals toegeëigend en aangepast door de geest van de antichrist. Dat lijkt dichter bij de waarheid te komen.
Kan het zijn dat de schijnbaar onophoudelijke verspreiding van dit oude festival iets veel huiveringwekkenders te zeggen heeft over onze cultuur? In de eigen woorden van Jezus: ‘Dit is het oordeel: het licht kwam in de wereld en de mensen hielden meer van de duisternis dan van het licht, want hun daden waren slecht.’ (Johannes 3,19)
Ook al is dit misschien dichter bij de waarheid, de bewering van Christus is er altijd één van hoop geweest: waar dood en duisternis is, moeten ook opstanding en licht volgen. En in deze tijd van het jaar is het misschien nuttig om een van de mooiste passages over licht en duisternis ooit geschreven te herinneren: ‘In het Woord (Jezus) was leven en het leven was het licht voor de mensen. Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.’ (Johannes 1,4-5)
Het is ook de moeite waard om te onthouden dat hoe eng we onze pompoen ook maken, we toch geneigd zijn om hem met licht te vullen.
waarschijnlijk nooit door Luther uitgesproken, wel aan hem toegeschreven
Vandaag, 31 oktober, is het Hervormingsdag. Eeuwen geleden zou de monnik Maarten Luther 95 stellingen hebben geslagen op de deur van de Slotkapel te Wittenberg. Al geruime tijd is onzeker of deze gebeurtenis echt heeft plaatsgevonden. Degenen die over deze gebeurtenis vertellen, waren in 1517 namelijk nog niet in Wittenberg. Ook is het raadselachtig waarom deze stellingen de naam ’95 stellingen’ hebben, omdat er versies bekend zijn met andere nummeringen. Ook voor de theologie van Luther en de reformatorische doorbraak zijn deze stellingen veel minder kenmerkend dan bijvoorbeeld Luthers commentaar op de Romeinenbrief. Toch zijn deze stellingen een publicitair succes. Ook al heeft Luther ze wellicht niet geslagen op de deur, hij verstuurde ze wel op 31 oktober naar enkele bisschoppen en gaf exemplaren aan zijn vrienden. Binnen enkele weken werden ze over heel Europa gedrukt en verspreid. Deze stellingen zijn het eerste mediasucces sinds de uitvinding van de boekdrukkunst.
Een eeuw later, in 1617, een jaar voor het uitbreken van de Dertigjarige Oorlog in Duitsland beginnen de gereformeerden in de Palts de Hervormingsdag te gedenken. Andere regio’s en ook de Lutheranen sluiten hierbij aan. Zodoende kan de componist Johann Sebastian Bach in 1725 zijn cantate maken ter herdenking van de Hervorming.
In 1817 wordt de Hervormingsdag in Nederland ingevoerd. De Franse tijd is net achter de rug. Nederland heeft een koning uit het Oranjehuis. De kerk krijgt in 1816 een nieuwe kerkorde: het algemeen reglement. Willem I wil naar Pruisisch voorbeeld de Lutheranen en de Gereformeerden in één kerk laten samenkomen. De invoering van de (gezamenlijke) Hervormingsdag in 1817 is daarvan een voorbode. Hervormingsdag is niet alleen een kerkelijk gebeuren. hoewel het wel op zondag gehouden wordt. Na de Franse tijd krijgt Nederland de Zuidelijke Nederlanden erbij en heeft Nederland een grote katholieke bevolking binnen de landsgrenzen. Is Nederland nu een protestantse of een katholieke natie? Hervormingsdag is aan de ene kant een poging tot oecumene – Lutheranen en Gereformeerden -, maar ook een poging tot afgrenzing: anti-katholiek.
Overigens: de synode draagt in 1817 op Hervormingsdag te houden op de zondag na 31 oktober. Pas rond 1850 Hervormingsdag op de dag zelf.
Een ander fenomeen dat met deze huidige technologische ontwikkeling kan optreden is de ‘angst voor het algoritme’. Je kunt het omschrijven als ‘het besef dat we constant te maken hebben met geautomatiseerde technologische processen die buiten ons begrip en onze controle liggen, of het nu gaat om onze Facebook-feeds, Google Maps-routebeschrijvingen of Amazon-productpromoties.’
Want we begrijpen algoritmes totaal niet. Zelfs als we dat wel zouden weten, zouden we niet weten hoe ze daadwerkelijk op ons werken, omdat elk technologiebedrijf het geheim houdt, zodat concurrenten er niet van kunnen leren. Dit heeft ertoe geleid dat het algoritme de nieuwste boeman van deze tijd is geworden, een spook waar we in gesprekken naar kunnen verwijzen om ons technisch onderlegd en cultureel onderlegd te laten klinken, zelfs terwijl we in het duister blijven tasten. Dat we een ‘konijnenhol’ in worden getrokken waar we niet meer uit kunnen komen. Zo kan een algoritme gaan werken.
Een van de vreemdste uitkomsten van de opkomst van het algoritme zijn de schijnbaar enorme effecten op politiek en cultuur. In de politiek heeft het mensen gepolariseerd, ons in tegenovergestelde kampen verdeeld en er vervolgens voor gezorgd dat we alleen maar goede dingen horen over onze ‘kant’ en alleen maar krankzinnige dingen over de ‘tegengestelde’ kant. In plaats van rustig naar een andere mening te luisteren, slingeren we anderen beledigingen naar het hoofd.
Iets anders gebeurt met de cultuur. Hier maakt het algoritme cultuur homogener; Anders gezegd: het wordt meer ‘afgeplat’: het populaire ‘bijzondere’ wordt populairder en het ‘gewone’ nog minder zichtbaar. Het is een vreemde remix van Jezus voor het digitale tijdperk: ‘aan allen die hebben, zal meer worden gegeven… maar van hen die niets hebben, zal zelfs wat ze hebben worden afgenomen.’
Er wordt bijvoorbeeld gezegd dat het leven van een Instagram-bericht wordt bepaald in de eerste vijf minuten: Als mensen het ‘liken’, kan het zeker zijn van meer populariteit; als mensen geen interesse tonen, zal het zinken. Zichtbaarheid op sociale media is van vitaal belang voor veel mensen, omdat dit is waar alle publiciteit begint. Men probeert het systeem te omzeilen en proberen erachter te komen wat voor soort content het algoritme zal promoten. In het proces wordt hun creatieve expressie subtiel gecompromitteerd. Mensen beginnen te schrijven in een stijl die aandacht trekt, en wat aandacht krijgt, wordt bepaald door het algoritme. Degenen die tweeten, weten hoe het korte, uitgeklede medium hun leven begint te beïnvloeden als ze niet op X zijn. Veel cultuur heeft nu het holle, lege gevoel dat het door algoritmen is gemaakt. Het algoritmisch een synoniem is geworden voor alles wat te glad, te reducerend of te geoptimaliseerd aanvoelt om aandacht te trekken.
Er is een tegenargument tegen deze ontwikkeling. Vroeger werd wat we lazen, hoorden en zagen als culturele consumenten bepaald door een kleine groep experts die content voor ons filterden. Deze experts kwamen vaak uit een klein deel van de samenleving die onvermijdelijk hun eigen vooroordelen inbrachten. Hoewel dit waar kan zijn, is het nauwelijks een triomf voor het publiek om een gevoelloze gadget – zoals het algoritme – te laten beslissen wat het beste voor hen is, op basis van wat we eerder leuk vonden en wat de meeste mensen lijkt aan te spreken.
Maar de waarheid is dat we door ons noodzakelijkerwijs over te geven aan het algoritme (want welk alternatief is er online?) enorme hoeveelheden cultuur missen die ons misschien wel zouden aanspreken. Het is ongeveer net zo effectief als beslissen welk zeeleven we leuk vinden op basis van wat er aan de oppervlakte van het water opduikt.
De beste kunst is niet altijd de meest populaire en er is een risico dat de Goddelijke vonk van uitvinding die de God de Schepper in ieder van ons heeft gelegd – het onbeperkte potentieel om naar het evenbeeld van God te worden geschapen – niet zo vaak zal worden aangewakkerd als zou kunnen. Het najagen van likes is geen vervanging voor geduldige inspiratie. Het is vaak aan de randen dat doorbraken ontstaan; kunst die ons deze wereld in een nieuw en Goddelijk licht laat zien.
‘Zie, Ik maak alle dingen nieuw’, zegt Hij die op de troon zit in Openbaring. Maar dat algoritmes alle dingen gelijkvormig maken, is de realiteit waarmee we leren leven. We worden verleid om niet onszelf te zijn.
De VERleiding is sterk. Wie is jouw leider? Of om in de terminologie te blijven: door welk A/algoritme laat jij je leiden?
Zoeken met Google (of een andere zoekmachine) is prachtig. Op elke vraag vind je wel een antwoord, goed of fout. Het geeft uiteindelijk een schijnzekerheid, die wij mensen zo graag willen. Liefst zo eenvoudig mogelijk trouwens, dat dan wel weer.
Zo heb ik heb eens nagedacht over de verleiding om de wijsheid van vragen in te ruilen voor de schijnbare zekerheid van directe antwoorden, zelfs foute antwoorden. Want – zoals ik al schreef- het is een verleiding die, in ons tijdperk van alles met één klik en het belang van beeld, alleen maar toeneemt. Het is een verleiding waar ik over heb nagedacht en me afvroeg of het begon met die oude verleiding in de Hof van Eden. Ik vroeg me af of die oorspronkelijke verleiding ons op een pad van directe informatie maar ook van onuitputtelijke wijsheid had gezet.
Er schoot een gedachte door me heen: wat als God Adam en Eva vertelde dat ze van elke boom mochten eten, behalve van de boom van de kennis van goed en kwaad, niet omdat hij wilde dat we onwetend of onschuldig zouden blijven, maar omdat hij wist dat het te gemakkelijk voor ons was om van die boom te eten. Hij wilde dat we zouden leven en zelf op zoek zouden gaan naar kennis en wijsheid. Het eten van die boom zou de ervaring omzeilen, er zou geen behoefte zijn om spieren van denken en onderscheidingsvermogen te ontwikkelen. En hij wilde dat we wijs zouden zijn, om de wereld met hem te blijven creëren en verzorgen. Toen die eerste uit de aarde getrokken mensen van de boom aten, was het alsof wij, nog steeds afhankelijk van de aarde, Kunstmatige Intelligentie vroegen om een essay voor ons te schrijven: ja, we krijgen misschien wat we willen, maar we hebben de ervaring van denken, creëren en onderscheiden wat we te zeggen hebben, omzeild.
‘Tuurlijk, deze analogie kraakt als hij te ver wordt doorgetrokken, maar hij blijft desondanks hangen. Laat ik de Amerikaanse bioloog E.O. Wilson citeren:
‘We verdrinken in informatie, terwijl we hongeren naar wijsheid. De wereld zal voortaan worden gerund door kunstmatige mensen die in staat zijn om de juiste informatie op het juiste moment samen te stellen, er kritisch over na te denken en verstandige keuzes te maken.’
Het eten van de boom van kennis van goed en kwaad, of afhankelijk worden van kunstmatige intelligentie, geeft ons informatie, maar misschien niet het vermogen om te denken, en niet de wijsheid om goede keuzes te maken. God wil dat we wijs zijn. Het Bijbelboek Jakobus zegt dat we om wijsheid kunnen vragen. Het wordt ons niet onthouden; het is niet verborgen. Het is overal, wachtend om aangeroepen te worden.
Het is nu zo makkelijk om antwoorden te vinden, Google lost problemen op en geeft iedereen toegang tot informatie, tenzij je je natuurlijk in een deel van de wereld bevindt waar geen digitale toegang is. Daar kun je niet zomaar een onlinevergadering bijwonen of het antwoord vinden op een vraag die je hebt. Dat offline zijn kun je soms zien als een levensgevende uitdaging: het vergroot de behoefte aan relaties, vertrouwen en goede gesprekken. Andere keren belemmert het de vooruitgang: het betekent dat mensen geen toegang hebben tot banen, of basiskennis over gezondheid, of overheidsbeslissingen die hen aangaan. Google heeft veranderd wie toegang heeft tot de wereld, hoe we ermee omgaan, hoe we denken en leren. Vroeger leerden mensen poëzie, nieuws en geschriften uit hun hoofd. De drukpers veranderde dat: woorden werden uit gedachten getrokken en op papier gedrukt. Ons online bestaan heeft dat versneld: ik hoef mijn geheugen niet op te rekken als ik dat niet wil: ik kan digitaal vinden en opslaan wat ik nodig heb. We hebben ons geheugen uitbesteed en ik vraag me af of we ook ons denk- en onderscheidingsvermogen uitbesteden.
Daarmee lopen we het risico om onszelf van onze relaties, onze gemeenschappen en onze plekken te ontkoppelen. We hoeven niet langer op elkaar te vertrouwen voor kennis en wijsheid; we kunnen vertrouwen op anonieme digitale krachten die profiteren van ons handelen. We riskeren ook ons unieke vermogen om creatief te denken, goede bronnen te onderscheiden, diep en genuanceerd na te denken over een onderwerp kwijt te raken. Als kunstmatige intelligentie leert van alles wat is geweest, kan het alles met elkaar in verband brengen en misschien zelfs zaken inschatten, maar het kan zich niet creatief voorstellen. Het kan geen wijsheid weerspiegelen en spreken.
Ja, Google en kunstmatige intelligentie zijn zaken voor ons gemak. En er was een gemak om te eten van de boom en zo kennis te vergaren. Maar we worden niet geroepen tot gemak. Ik denk dat we geroepen zijn om lief te hebben, om voor onze buren te zorgen, en deze dingen zijn noodzakelijkerwijs onhandig. Zeker, digitale toegang tot informatie is een hulpmiddel, een hulpbron, een geschenk dat velen van ons op veel manieren ten goede komt. Maar het zou onze menselijkheid gemakkelijk kunnen afstompen, en een verleiding kunnen worden die het werk van echt leven omzeilt. Er zijn geen digitale shortcuts die het moeilijke werk voor de gemeenschap omzeilen, geen AI-shortcut naar goed liefhebben, net zoals er nooit een shortcut was naar volledige kennis van goed en kwaad. Als de informatie beschikbaar is met een ruk aan de boom, een klik, een download, een verzoek aan kunstmatige intelligentie dan ben ik benieuwd hoe ons vermogen om met vragen te zitten zal veranderen, of we schoonheid of angst zullen voelen omdat we niet alle antwoorden hebben, of we ons vermogen om te onderscheiden zullen verliezen, en om ‘geloof te hebben in wat we niet zien.’
Jezus roept ons op tot vragen, tot relaties, tot liefde, niet tot antwoorden die gemakkelijk gevonden kunnen worden maar nauwelijks ondervraagd. Hij wist dat vragen, niet antwoorden, vaak het beste antwoord op vragen waren. Vragen om bij stil te staan, om als een spiegel voor te houden, om te bewandelen als een pad naar wijsheid. Hij stelde er veel. Wie zeg je dat Ik ben? Hoeveel broden heb je? Heb je mij lief? Wat wil je? Waarom ben je bang? De Bijbel vermeldt dat Jezus vragen stelde en soms ook antwoorden gaf. Maar het punt lijkt vaak de vraag zelf te zijn, waardoor mensen eindeloze kansen krijgen om hun veronderstellingen en hun oordelen in twijfel te trekken en hun geloof te verdiepen en het persoonlijk te maken. Door dit te doen, bood Jezus een pad naar diepere en betekenisvollere kennis van God, de wereld, anderen en onszelf. En door vragen te stellen gaf hij mensen waardigheid, luisterde hij aandachtig naar hen, hield hij van hen en riep hij hen in zichzelf.
Zitten met vragen, met nieuwsgierigheid, is denk ik een toegangspoort tot geloof en mysterie. En we hebben metgezellen als we dit doen: Jezus, vroege christelijke mystici, gebed, de psalmen, elkaar; dit zijn allemaal plekken waar ik me tot wend om dieper te graven in de kennis die voortkomt uit onwetendheid. Leven met vragen en binnen het mysterie, goed naar elkaar luisteren, de taal van de ziel spreken in plaats van zekerheid, kan moeilijk en ‘tegencultureel’ zijn. Maar in een tijdperk waarin de toekomst steeds minder zeker wordt, ondanks dat de hele wereld schijnbaar binnen handbereik is, denk ik dat dit is waar onze hoop ligt. Want ‘wat heeft het voor zin voor een mens om de hele wereld te winnen, maar zijn ziel te verspelen?’
Maarten Luther vergeleek de Bijbel met een stad met vele straten. Het lijkt op het eerste gezicht een onoverzichtelijke wirwar van allerlei weggetjes. Maar als je beter kijkt, zie je al die weggetjes en straten uitkomen op het stadsplein in het centrum van die stad: Jezus Christus. Bij Bijbellezen gaat het om ‘gericht lezen’. Christus is het Hart van heel de Bijbel.
Hoe is het met jou als Bijbellezer gesteld? Drie aandachtsgebieden zijn belangrijk voor het Bijbellezen. Ik vat ze samen met de woorden ‘geduldig, gelovig, geheel’. Bij ieder deelgebied geef ik je een paar praktische checkpunten mee.
geduldig – Heb ik rustig de tijd genomen om de Bijbel te lezen? Een vast moment op de dag kan helpen. Ben je avondmens: lees ‘s avonds, ben je ochtendmens: lees ‘s morgens. Lees op zondagmiddag aan tafel de tekst die ‘s morgens in de kerkdienst aan de orde kwam en praat met je huis- en gezinsgenoten nog eens over de dienst.
– Heb ik voldoende energie gereserveerd om met de Bijbel bezig te zijn? Bijbellezen op het beste moment van je dag kan soms veel meer verhelderend zijn dan een lezing voor de nachtrust of in de vroege morgen. Geef het béste deel van je tijd voor het Bijbellezen en niet de ‘randen van de dag’, als je energievoorraad en je concentratievermogen erg laag is. Geef vooral ook niet te snel op. Als je geen zin hebt om te eten, doe je het ook omdat je weet dat het nu eenmaal goed voor je is. En vaak knap je er erg van op! Zo is het ook met Bijbellezen. Er is zoiets als een ‘heilig moeten’; tóch lezen, ook al heb jij (of je kind of je partner) geen zin of energie. Je zult zien dat dat z’n vruchten afwerpt!
– Heb ik voldoende de moeite genomen om de Bijbel te lezen en te begrijpen? Net zoals je moeite moet doen om een ander mens te leren kennen en te ontmoeten, zo moet je ook moeite doen om de Bijbel als ontmoetingsboek te leren kennen. Leg je Bijbel daarom niet meteen bij het eerste de beste dat je niet begrijpt neer. Haal de dingen er uit die je wel begrijpt. En zoek dieper als je sommige dingen niet begrijpt, bijvoorbeeld bij een gesprekskring of in boekjes. Bedenk hoeveel moeite God heeft gedaan om met jou in contact te treden via het Evangelie over zijn Zoon. Zou jij dan ook niet wat energie moeten offeren om te investeren in je relatie met God? Die investering kan geld behelzen (om een boekje aan te schaffen), tijd en doorzettingsvermogen.
Varieer ook eens van Bijbelvertaling. Dat hoeft niets te kosten, vertalingen staan vaak gratis online. Probeer ook eens een Engelse vertaling. Dat dwingt je nog eens opnieuw naar teksten te kijken die je al heel vertrouwd zijn. Doordat je moeite moet doen om het vertalen, ga je extra precies naar de tekst kijken en ontdek je nieuwe dingen.
Sinds enige tijd is er in de christelijke media wat ophef over het vermeende christelijke toon bij de band Coldplay. Chris Martin, de frontman heeft zich namelijk openlijk uitgelaten over de impact die zijn christelijke opvoeding op zijn leven heeft gehad. In een gesprek zei Martin dat hij het moeilijk vindt om met zijn streng religieuze opvoeding om te gaan. ‘Ik heb het op dit moment ook zo moeilijk in mijn leven. En een deel daarvan is dat ik terug moet gaan om naar al die dingen te kijken,’ zei hij.
Een van de laatste nummers ‘We Pray’ lijkt een diepe spirituele honger te verwoorden, met teksten als: ‘Ik bid dat ik niet opgeef, bid dat ik mijn best doe’ en ‘dus bidden we dat er iemand komt die mij de weg wijst’. En Martin leent in het nummer ook rechtstreeks uit de Bijbel, door het hedendaagse leven te beschrijven als leven ‘vol schaduw van de dood,‘ uit psalm 23. In het nummer ‘We Pray’ benoemt hij diverse redenen om te bidden. De song bevat ook een link naar de protestbeweging in Iran.
Inmiddels heeft Martin afstand genomen van het christendom en zegt dat hij een ‘alltheïst’ is, wat betekent dat hij gelooft dat God in iedereen en overal is. ‘Ik denk dat God liefde is’, zei hij in een interview, ‘en God is de magie in elk molecuul, zelfs in mensen die je niet aardig vindt.’ Hij legde dit verder uit tijdens een interview: ‘Mijn God, voor mij zijn alle dingen en alles. God is overal en iedereen en het is ook het onkenbare, de enorme majesteit achter alles. En het is gewoon het punt waarop je op het punt komt dat je niet verder kunt denken, dat is waar ik denk dat God is.’ Hij komt God of het goddelijke tegen in allerlei religies, stromingen en momenten.
Ook op eerdere albums kwamen soms – onverwachte – links naar geloof en spiritualiteit.
Ik ga er een paar af:
1. Parachutes (2000)
Nummers als ‘Yellow’ en ‘Trouble’ haalden de krantenkoppen. Wat geloof betreft, is het echter het minder bekende ‘We Never Change’ dat in de schijnwerpers staat.
De coupletten spreken over een verlangen om nooit wreed te zijn, om goed te zijn, om waarachtig te zijn en om vrienden om je heen te hebben. Maar met het refrein komt de realiteit: ‘But we never change, do we? No, no, we never learn do we?’
De brug brengt een duister besef: ‘O, ik heb geen ziel om te redden, ja, en ik zondig elke dag.’ De tekst is bijna Paulinisch in de wanhoop die ze voelt omdat ze het goede wil doen, maar het eigenlijk niet doet. Maar Paulus en het lied komen tot verschillende conclusies. Paulus ontdekte dat verandering door Jezus kan komen, terwijl het lied blijft klagen over hetzelfde bekende refrein.
2. A Rush of Blood to the Head (2002)
Het album dat ‘Clocks’ naar reclames en tv-montages bracht, suggereerde ook dat God glimlachen op gezichten tovert.
‘God put a smile on your face’ is lastig te interpreteren, maar er is een noot van hoop te bespeuren in de manier waarop het lied wordt omlijst. Het lied begint met ‘Where do we go, nobody knows; I’ve got to say I’m on my way down; God give me style and give me grace; God put a smile upon my face.’ Het voelt als een persoonlijke geloofsverklaring die aan het einde van het lied de kracht heeft gevonden om voor anderen te spreken: ‘Where do we go, nobody knows; zeg nooit dat je op weg bent naar beneden als God je stijl en gratie gaf; en een glimlach op je gezicht tovert.’
3. X&Y (2005)
Twee nummers op het derde album van de band kunnen direct worden toegeschreven aan Martins opvoeding in de kerk. In een interview met het popblad Rolling Stone legt Martin uit dat ‘A Message’ is afgeleid van de hymne ‘My Song Is Love Unknown’, terwijl ‘Til Kingdom Come’ (geschreven met de bedoeling om het uit te voeren met Johnny Cash, die stierf voordat het kon gebeuren) werd geïnspireerd door het Onze Vader.
Martin legt uit: ‘Een van de geweldige dingen aan gedwongen worden om naar kerkdiensten te gaan, is dat we al die bekende liederen zongen. Dat is deels de reden waarom ik geobsedeerd ben door het feit dat iedereen meezingt tijdens onze shows. Het geeft me het gevoel dat ik deel uitmaak van iets.’
De band slaagt er telkens in om ‘universele gevoelens te verklanken’. Ook hun hit ‘Fix You’ is daarvan een sprekend voorbeeld. ‘Het is een goede verwoording van het idee dat we ons allemaal weleens klote voelen, maar dat het goed komt. In de christelijke wereld is dit lied geliefd. Het kan bijna als een gezang gezongen worden.’
4. Viva La Vida of Death and All of His Friends (2008)
Naast het zwevende ‘Viva La Vida’, dat verwijst naar Johannes en de legendarische paarlen poorten, is er een ‘verborgen’ nummer aan het einde van ‘Lovers of Japan’ genaamd ‘Reign of Love’: ‘Reign of love by the church we’re waiting; Reign of love on my knees go praying; How I wish I’d spoken up; Away get carried on a reign of love.’
5. Mylo Xyloto (2011)
Mylo Xyloto bracht ons ‘para-para-paradise’, een albumtitel waar Chris Martin spijt van kreeg (omdat niemand hem kon uitspreken). Hieronder staat een lief liedje genaamd ‘U.F.O.’ dat gelezen kan worden als een gebed: ‘Heer, ik weet niet welke kant ik op ga; Welke kant de rivier op gaat; Het lijkt er gewoon op dat ik stroomopwaarts blijf rollen; Nog zo’n lange weg te gaan.’ Het tweede couplet brengt een hoopvollere toon met ‘We’ll find somewhere the streets are paved with gold.’ Is het een verwijzing naar ‘de twaalf stadspoorten waren twaalf parels, elke poort een parel op zich. De straten van de stad waren van zuiver goud en schitterden als glas.’ uit Openbaring 21: 21?
6. Ghost Stories (2014)
De belangrijkste ‘geest’ op dit album lijkt Gwyneth Paltrow te zijn. Twee maanden voor de release van het album ‘hielden Martin en Paltrow zich bewust los van elkaar’, zo wordt geschreven. Het is een rauw, kwetsbaar album en in ‘O’ is er een vluchtige verwijzing naar gebed, de afsluitende track van het album: ‘Still I always; Look up to the sky; Pray before the dawn.’
7. A Head Full of Dreams (2015)
Aan het einde van ‘Kaleidoscope’ staat een opname van president Obama’s krachtige uitvoering van ‘Amazing Grace’ bij de begrafenis van dominee Clementa Pinckney, een van de negen mensen die dat jaar omkwam bij de massaschietpartij in een kerk in Charleston.
8. Everyday Life (2019)
op dit album van Coldplay staat ‘When I need a friend’; het is een prachtig koorlied dat schreeuwt om vrede, vriendschap en liefde: ‘Heilig, heilig, God verdedig; bescherm mij, laat mij zien; wanneer ik een vriend nodig heb.’
en dan is er nog ‘BrokEn’, in feite een gospellied dat God aanroept in moeilijke tijden: ‘Oh shine a light; shine a light. And I know that in darkness I’m alright; See there’s no sun rising. But inside I’m free; Cause the Lord will shine a light for me. Oh the Lord will shine a light on me.’
Toch kun je bij alle nummers een vraag stellen. Als voorbeeld neem ik dat nieuwe nummer ‘We Pray’. Want de vraag kan worden gesteld tot wie het gebed in ‘We Pray’ gericht is, blijft open. Dat is typerend voor Coldplay; het is open voor interpretatie. Iedereen kan er zijn eigen invulling aan geven. Ik hoor in het lied niet dat het specifiek over de God van het christendom gaat. Wat overigens niet betekent dat je dit nummer niet als oproep kunt beschouwen om het toch te doen. Dat zelfde geldt trouwens voor ook alle andere nummers.
Jezus leerde ons God lief te hebben ook met onze geest. Dus intellectueel onderzoek is een noodzakelijk onderdeel van ons christelijk leven.
Soms heeft het gezin of de kerk waarin we zijn opgegroeid onderwezen in allerlei zaken – zoals schepping en evolutie – die nuttig zijn om later in het leven opnieuw te bekijken. De truc is om te ontdekken welke dingen niet onderhandelbaar zijn en welke wel.
Als we bijvoorbeeld evolutie nemen, moeten we onderscheid maken tussen ‘biologische evolutie’, wat mij een wetenschappelijk gevalideerde, beproefde realiteit lijkt, en ‘evolutionisme’, wat een manier is om naar de wereld te kijken alsof God niet bestaat. Biologische evolutie hoeft het geloof in God als de goede en wijze Schepper niet te verstoren. Vragen als deze moeten dus zonder angst worden doordacht.
Het is mijn ervaring dat hoe beter we de Schrift begrijpen binnen zijn eigen historische en culturele context, hoe meer deze rechtstreeks tot ons leven spreekt. En soms is het begrijpen van deze vragen een kwestie van geduld. Het feit dat ik dit probleem vandaag, of misschien zelfs dit jaar, niet kan oplossen, mag geen reden zijn om er niet meer over te bidden. Het feit dat ik bijvoorbeeld niet begrijp hoe een gedeelte van de Bijbel is geschreven, of wat het oorspronkelijk betekende, betekent niet dat ik het niet letterlijk of figuurlijk op mijn knieën kan lezen en God kan vragen om met mij door hen te spreken.
Zelfreflectie en -kritiek zijn de pijlers van het wetenschappelijke denken. Je kunt duizenden boeken lezen, honderden gesprekken voeren, en tientallen ideeën hebben, als je geen inzicht hebt in je eigen vooringenomenheden, loyaliteiten, belangen en invloed van je eigen culturele context, dan zul je geen academisch niveau bereiken. In die zin past het universitaire denken onverwacht goed bij de christelijke boodschap van zonde, schuld en gebrokenheid: Verwacht niet teveel van jezelf, weet dat je gedachten en je weten incompleet zijn, de zonde die in je woont zoekt vooral zichzelf. De Bijbel en de wetenschap zeggen hetzelfde: wantrouw jezelf! In de kerk leren we daarom ons vertrouwen te stellen op God in Jezus Christus. De wetenschap pakt dit probleem aan door terug te vallen op zelfonderzoek, bronnenstudie en zelfkritiek. In de theologie kunnen beide werelden elkaar versterken.
De theologie is een van de oudste takken van wetenschappelijk onderzoek, veel universiteiten begonnen als theologische faculteiten. De wetenschap heeft de theologie veel gebracht, ook, of misschien wel juist, omdat sommige wetenschappelijke inzichten leken te botsen met oude opvattingen van de kerk, en ons dwongen tot nieuwe geloofsdoordenkingen en -gesprekken. Helaas staat deze academische opleiding onder druk. Het aantal studenten neemt af, veel predikanten worstelen met hun beroep.
En vanuit de hbo-wereld kloppen hbo-theologen aan de deur. Professionals die al langere tijd niet de erkenning krijgen van de kerken die ze verdienen. De synode van de Protestantse Kerk in Nederland probeert een oplossing te vinden maar moet daarbij rekening houden met veel verschillende belangen en meningen.
En zo is de academische cirkel al snel rond, want ook professionals in de kerk hebben belangen. Er worden brieven verstuurd door academisch gevormde predikanten en studenten theologie. HBO-theologen en opleiders roeren zich. Onze mening blijkt telkens toch wel erg dicht tegen ons eigen belang en ego aan te schurken. De alarmbellen van de wetenschappelijke methode en de gereformeerde zondekennis zouden eensgezind samen moeten luiden.
Een uitbreiding van het mandaat voor hbo-theologen kan negatieve consequenties hebben voor de universitaire opleiding en de toekomst van de theologie. Het is terecht dat academici daar op wijzen. Tegelijk is het nog maar de vraag of een monopolie van academici op het predikantschap de kerk dient. Gaan academisch geschoolde predikant beter om met geestelijke vragen en de conflicten in een gemeente? Kunnen zij complexe exegetische onderwerpen beter verwoorden in een taal die de gemeente begrijpt? Hebben zij een betere klik met jongeren? Dat is geen vraag die zichzelf beantwoord, daar zou wetenschappelijk onderzoek naar gedaan moeten worden. Maar sommige academisch-geschoolde theologen geven sterk de indruk dat ze het antwoord al op voorhand weten. Dat is geen goede wetenschappelijke houding.
De kerk heeft het moeilijk, al tientallen jaren. Het lijkt alsof het toenemende belang van de universitaire opleiding in de kerken parallel loopt met het dalende aantal leden. Is hier sprake van relatie of correlatie? Ook dat zou onderzocht moeten worden. De kerk is niet gediend bij een belangenstrijd. Tegelijk is het noodzakelijk dat de toekomst van de theologie en de kunde van de predikant hoog gehouden wordt.
De kerk kan veel leren van het bedrijfsleven, waar men, met veel succes, niet zo radicaal vasthoudt aan opleidingen en diploma’s. We moeten oppassen dat het grote deel academisch geschoolde theologen in beslissende kerkelijke organen niet tot een “wij van wc-eend adviseren wc-eend” situatie zorgt. Sommige theologen vergelijken zichzelf graag met artsen en piloten, maar het werk dat ze doen lijkt misschien wel meer op die van leraren en vooral managers. Andersom lijkt het wel alsof men in de kerk denkt dat je met je master theologie dan ook direct alles kan. Geen leek mag op de plaats van de theoloog gaan zitten, maar theologen vinden we op alle posities in de kerk. Dat is toch vreemd. Geestelijk leiderschap groeit in de praktijk, en is ook vaak een kwestie van karakter en talent. De kerk heeft een diversiteit aan voorgangers nodig. Als de theologische universiteit niet in staat is kritischer op zichzelf te reflecteren zijn we het academisch denkniveau in feite al kwijt. De hand kan niet zeggen tegen de voet dat die niet nodig is.
Het omgekeerde is ook waar: de inhoud wordt deels bepaald door de vorm. Een ‘hoge’ kansel kan bijvoorbeeld benadrukken dat Gods Woord boven mensenwoorden uitgaat. En hoewel die gedachte theologisch klopt, is niet uitgesloten dat ze psychologisch onbedoeld het tegenovergestelde uitstraalt. Bijvoorbeeld doordat jongere generaties een hoge kansel onbewust associëren met afstandelijkheid van de spreker, of, ernstiger nog, een ver, onbereikbaar, abstract Evangelie.
Zo werkt de vormgeving van een kerkzaal twee kanten op: ze kan woordeloos het Evangelie verkondigen. Maar ze kan ook stilzwijgend een sta-in-de-weg-zijn in de ontmoeting van God met mensen. Het verschil tussen die twee verschilt per generatie, tijdperk, kerkgebouw, cultuur en ga zo maar door. Van doorslaggevend belang hierin is ook de liturgische kennis van gemeenteleden: wie niet weet wat een Paaskaars, doopvont, kruisteken, dooprol of kansel symboliseert, beleeft er ook geen geloofsinhoud aan.
Daarom begint gesprek over de toekomst van een eigen kerkgebouw en/of een liturgisch centrum het beste met het inhoudelijke verdieping: ‘waarom staat dat voorwerp daar, welke betekenis heeft het, hoe is dat zo gekomen, vinden we dat ook nu nog belangrijk?’ Die verdieping kan hand-in-hand gaan met geloofsgesprek: ‘welke herinneringen heb jij bij dat doopvont? op welke momenten hielp de vormgeving van ons kerkgebouw jou bij de ontmoeting met God, of juist niet?’ enzovoort. Dat brengt het gesprek op de twee betrokken lagen: kennis én geloofsbeleving.
Nu de focus van de crisis in het Midden-Oosten verschuift van Gaza naar Libanon, en nu we vandaag de aanslagen van 7 oktober herdenken, helpt misschien een blik op de verhalen die dit conflict omringen om een weg vooruit te vinden.
In het hart van de crisis in het Midden-Oosten met betrekking tot Israël, Gaza en nu Libanon, liggen namelijk twee heel verschillende verhalen.
Eén daarvan gaat als volgt:
Israël is de enige goed functionerende democratie in het Midden-Oosten. Het is een toevluchtsoord voor het Joodse volk dat door de eeuwen heen en over de hele wereld buitengewoon veel vervolging en discriminatie heeft ervaren. Als klein land heeft het zich de afgelopen 76 jaar dapper gevestigd als een toevluchtsoord van liberale, democratische vrijheid en welvaart, ondanks de vijandigheid van zijn buren, zoals de door Iran gesteunde Hezbollah in Libanon. De Hamas-aanvallen op 7 oktober 2023 waren een moorddadige aanval op onschuldige burgers, waarvan de slachting en wreedheid de laatste tijd ongekend waren. Hamas en Hezbollah vertegenwoordigen beide een islamitische ideologie die een doorn in het oog is van alle democratische staten en die wortel heeft geschoten in Gaza en Libanon. Israëls reactie om te proberen zo’n dodelijke vijand uit buurlanden te verdrijven is volkomen gerechtvaardigd en redelijk. Elk land dat geconfronteerd wordt met buren die toegewijd zijn aan zijn vernietiging zou ongeveer hetzelfde doen. Ja, er vallen burgerslachtoffers in het conflict, maar die zijn er altijd in oorlog. Je verzetten tegen Israëls campagnes in Gaza en Libanon is in feite heimelijke steun verlenen aan terrorisme en een vorm van antisemitisme, omdat het het recht van Israël en het Joodse volk op zelfbeschikking en zelfverdediging ter discussie stelt.
Ook is er nog een ander verhaal, dat zó gaat: ten tijde van de oprichting in 1948 begingen de pioniers van de staat Israël een erfzonde die het sindsdien teistert, de verdrijving van een groot deel van de inheemse Palestijnse bevolking uit het land in het Arabisch-Israëlische conflict dat volgde op de oprichting van de staat. Sindsdien heeft Israël geprobeerd de resterende Arabische bevolking te onderwerpen, door Palestijnen op haar grondgebied als tweederangsburgers te behandelen. Sinds 1967 heeft het de Westelijke Jordaanoever en Gaza illegaal bezet, Palestijnen hun basisrechten van burgerlijke gelijkheid ontzegd, terwijl het Joodse kolonisten in staat stelde en aanmoedigde om geleidelijk land te stelen dat door de Verenigde Naties als Palestijns wordt erkend. Binnen Israël en de bezette gebieden vinden Palestijnen het moeilijker om bouwvergunningen te krijgen, werk te vinden, op de juiste manier vertegenwoordigd te worden in het parlement of om onderwijs te volgen. Het is dan ook niet verrassend dat de sluimerende wrok die een dergelijke behandeling oproept, leidt tot incidenteel verzet, zoals tijdens de intifada’s van de jaren ’90 en 2000, de verkiezing van Hamas in Gaza en zelfs de aanslagen van 7 oktober. Israël beschuldigt regelmatig iedereen die kritiek heeft op haar beleid van antisemitisme, en gebruikt dit als schild om haar mishandeling van de Palestijnse minderheid te verbergen. Het heeft de aanslagen van 7 oktober aangegrepen om een massale aanval op Gaza en nu ook op Zuid-Libanon te lanceren, ongeacht de burgerslachtoffers. Het resultaat is, in ieder geval in Gaza, een humanitaire ramp die jaren, zelfs decennia zal duren om op te lossen.
Welke van deze verhalen geloof je? Afhankelijk van een hele reeks andere eigen ideeën heb je waarschijnlijk meer met de een of meer met de ander. Als je meer links bent ingesteld, geeft je waarschijnlijk de voorkeur aan het Palestijnse verhaal. Als jouw instincten meer rechts zijn, zul je eerder de voorkeur geven aan het Israëlische verhaal. En ik weet zeker dat je gaten kunt prikken in het tegenovergestelde verhaal als je dat wilt.
Christenen zitten aan beide kanten van dit debat. ‘Christelijke zionisten’ zien de opkomst van de staat Israël over het algemeen als een vervulling van de Bijbelse profetie dat God het Joodse volk op een dag terug zou brengen naar het land waaruit ze in het verre verleden werden verbannen. Voorstanders van de Palestijnse zaak wijzen op de geboden van de Bijbel ten aanzien van rechtvaardigheid, het respect voor de armen en onderdrukten, en op de roeping van Israël in het Oude Testament om voor de vreemdelingen in hun land te zorgen. Heeft Israël niet de plicht om de Palestijnen binnen haar grenzen als gelijke burgers te behandelen?
Je kunt dus de vraag stellen het christendom iets bijdraagt aan dit conflict? Of is het net zo verdeeld over dit onderwerp als over andere kwesties?
Een van de meest opvallende kenmerken van de leer van Jezus is Zijn opmerkelijke en ongekende, sommigen zouden zeggen belachelijke oproep om je vijanden lief te hebben en te bidden voor degenen die je vervolgen. Het is natuurlijk puur menselijk om je familie en vrienden lief te hebben. Maar het is al een grotere uitdaging om je buren lief te hebben die toevallig naast je wonen. En dan is het een heel ander verhaal om je vijanden lief te hebben. De zin rolt van de tong als één die we goed kennen, maar hoe zou het ooit mogelijk kunnen zijn voor Israëliërs om Hamas-strijders lief te hebben of voor hen te bidden, of de inwoners van het land dat hen elke dag beschiet, de inwoners van Zuid-Libanon, lief te hebben?
Ik kan me dat niet eens voorstellen. Maar dichter bij huis, hoe beïnvloedt dit idee van liefde voor vijanden de liefde voor mensen die zo hartstochtelijk aan beide kanten van het debat?
Je vijand liefhebben betekent niet dat je doet alsof je vijand een vriend is, in ieder geval nog niet. Veel mensen die dit lezen, zullen zich hartstochtelijk inzetten voor het ene of het andere verhaal. Maar onze vijanden liefhebben betekent toch zeker dat je moet proberen het verhaal vanuit een ander perspectief te zien, dat je moet proberen om jezelf in ieder geval in de schoenen van de ander te verplaatsen, dat je even een beetje twijfelt over de zekerheid van je eigen morele zaak.
Dat is wat sommigen in het land Israël hebben geprobeerd te doen. Er zijn mensen die laten zien hoe Palestijnse en Joodse christenen dezelfde Bijbel door een andere lens lezen, en beginnen zich voor te stellen hoe een vorm van verzoening mogelijk zou kunnen zijn.
Ja, je vijand liefhebben is misschien wel een belachelijk, onpraktisch idee. Toch pakt het alternatief nauwelijks goed uit. Als Israëlische radicalen erin zouden slagen alle Palestijnen van de Westelijke Jordaanoever of uit Gaza te verdrijven, of als Hamas/Hezbollah erin zou slagen de Joden uit Israël te verdrijven, geen van beide is een oplossing die spreekt van rechtvaardigheid.
Het is moeilijk om je enige vooruitgang in de richting van vrede voor te stellen zonder iets van deze poging om een ander perspectief te proberen te begrijpen. Je kunt geen vrede bouwen zonder een vredestichter te zijn, een idee dat vaak verkeerd begrepen wordt, maar volgens Jezus ook vreemd gezegend is. Aan welke kant je ook staat, misschien heb je een morele plicht om alle moeite te doen om de ander te begrijpen. Want als we dat niet doen, kunnen we niet beginnen met het helpen oplossen van dit meest hardnekkige en gevaarlijke van alle wereldwijde problemen.