Onlangs las ik: ik ben blij dat Thomas in de Bijbel voorkomt. Hij stelt namelijk de vragen die mij ook telkens bezighouden. Daarin staat de schrijver kennelijk niet alleen. We komen de naam Thomas ook nogal eens tegen in gedichtenbundels. Thomas met zijn pessimistische kijk op de dingen, met zijn twijfel, altijd wat somber gestemd, vertolkt kennelijk de gevoelens van vele gelovigen. Hij lijkt wel de meest moderne van de discipelen, echt iemand van onze tijd. Een van die mensen die te vaak ontgoocheld zijn in hun leven en daardoor teleurgesteld zijn geraakt in mensen. Ze zijn met mooie hoogdravende woorden verkeerd uitgekomen. Ze hebben ook in de kerk hun teleurstellingen gehad, ambtsdragers vielen tegen: vandaar dat pessimisme. Maar aan de andere kant is daar in hun hart ook vaak de hunkering naar het echte geloof. Ze zijn bang dat hun hoop opnieuw beschaamd wordt met nieuwe pijn. Daarom moet je reëel en nuchter zijn, vinden ze. Dat zie je telkens in het optreden van Thomas. Als de Here Jezus in verband met het sterven van Lazarus naar Judea wil gaan is zijn reactie: ‘Laten wij ook gaan om met Hem te sterven.’ Het zal daar in Jeruzalem wel op zijn dood uitlopen. Er komt van Christus’ mooie idealen toch niets terecht. Hij is een ervaring rijker, maar een illusie armer. Het leek zo prachtig te worden maar het werd een groot debacle. Al zijn verwachtingen ziet Thomas stukslaan op de harde werkelijkheid. Er komt van de kerk van Christus niets terecht. En hij had het zo graag gewild; daarom is zijn teleurstelling zo groot. Het is opnieuw Thomas, die in de zaal van het avondmaal met zijn opmerkingen de sfeer doorbreekt. De Here Jezus spreekt over weggaan en wil zijn discipelen troosten. En dan komen die nuchtere woorden: ‘Wij weten niet eens waar u naartoe gaat, Heer, hoe zouden we dan de weg daarheen kunnen weten?’ Een erg kritische, bijna cynische opmerking. De woorden van een man die het moeilijk had met wat hij zag als de afloop van het werk van Jezus. En dan op de paasdag is het nog erger. Hij heeft wel gelijk gehad. Nu is het tijd om de werkelijkheid onder ogen te zien. De bittere werkelijkheid! Figuren als Thomas lopen er zo veel rond. Zijn wij soms ook niet ontgoocheld? Wat is er terechtgekomen van onze jeugdige en gelovige idealen? Wat zien we soms in de kerk gebeuren? We missen het elan, het loopt op niets uit. Onze kinderen of kleinkinderen krijgen we niet mee op de weg; we zijn teleurgesteld in mensen. Vooral in kerkmensen. Dat kan je bij tijden maken tot een mens als Thomas. Je twijfelt aan het belang van veel zaken. Je twijfelt aan de toekomst van de kerk. Je wordt een beetje bitter. Heb je daarvoor je krachten gegeven? En ook de Here handelt wel eens anders dan je zo zielsgraag had gewild. Dat maakt het weleens moeilijk om niet cynisch en kritisch te worden. Wat ben je dankbaar dat je deze Thomas tegenkomt die de vragen stelt en de opmerkingen maakt die ook op het puntje van jouw tong liggen. En als je dan ziet dat de Here Jezus hem met alle geduld en liefde komt opzoeken, dan weet je: er is ook voor mij toekomst. Ook met mij heeft de Here geduld. Elke keer komt Hijzelf naar je toe, gehuld in gewaad van het Evangelie. En we tasten het met onze handen: een gebroken lichaam. We zien het met onze ogen: vergoten bloed. We proeven zijn liefde. Dan is er – ondanks alles wat misschien moeilijk te begrijpen is toch maar één naam over: ‘Mijn Here en mijn God.’
Bij de huidige clash tussen Amerika en Europa, bij de herdenking van 3 jaar (en eigenlijk langer) oorlog in Oekraïne, kwam die vraag bij mij op.
Immers, de oorlog in Oekraïne woedt voort en Amerika keert terug naar de onvoorspelbare heerschappij van de eerste president in de Amerikaanse geschiedenis die een veroordeelde crimineel is. En de algoritmen van sociale media blijven verschillende groepen scheiden en versterken in steeds meer gesloten feedbackloops en echokamers. Dit kan de loyaliteit aan een standpunt versterken, maar ons verder vervreemden van onze vrienden en buren wiens loyaliteit elders ligt. Al deze en vele andere gevallen benadrukken het conflict van loyaliteiten in onze samenleving en de bredere wereld. Wat nog duidelijker is, is dat als we vrede willen sluiten, liefde voor vijanden willen cultiveren en het algemeen belang willen nastreven, loyaliteit misschien wel de meest gewilde deugd is, bovenaan elk verlanglijstje.
Maar wat is loyaliteit nu echt? Is loyaliteit een deugd of een ondeugd?’ Loyaliteit kun je duiden als het delen van verbintenissen van een ander persoon en de bereidheid om verschillende soorten tegenspoed te doorstaan om die verbintenissen na te streven en verder te brengen. Loyaliteit is een absolute deugd in de zin dat we het absoluut nodig hebben, dat het fundamenteel is voor de menselijke conditie en niet optioneel.
Als loyaliteit dan één ding is, is het de bereidheid om te erkennen dat we gebonden zijn aan andere mensen, of we dat nu leuk vinden of niet. Kaïns vraag aan God, toen God op zoek was naar Abel, is nog steeds relevant: ‘Ben ik mijn broeders hoeder?’ Misschien is de grootste ontrouw het impliciete ‘nee’ in Kaïns retorische vraag. Door te ontkennen dat hij gebonden is aan zijn broer is hij niet alleen ontrouw aan Abel, maar ook aan zichzelf, omdat hij zijn eigen menselijkheid ontkent en zichzelf isoleert van de menselijkheid van andere mensen. Als we onszelf isoleren en alleen loyaal zijn aan onszelf, verliezen we de vreugde om volledig mens te zijn. Als we simpelweg degenen doden die we niet mogen, of dat nu letterlijk is (in oorlog of moord) of figuurlijk (‘ontvrienden’, annuleren, doen alsof ze niet bestaan), dan volgen we Kaïn. Loyaliteit, als de band die ons bindt aan de rommeligheid van de echte wereld waar mensen het de hele tijd heftig oneens zijn, vereist dan niet alleen wijsheid, maar ook moed. Het vergt moed om je in het huwelijk te verbinden aan één persoon. Het vergt moed om een kind op te voeden. Het vergt moed om te blijven praten mét en lief te hebben mét degenen met wie je het diep oneens bent.
Laten we onthouden om loyaliteit te oefenen. Loyaliteit niet alleen aan degenen van wie we houden, maar ook aan degenen van wie we misschien gaan houden. Laten we wijs en dapper genoeg zijn om geketend te zijn aan degenen met wie we het oneens zijn, loyaal aan de mensheid die ons bindt.
Na jaren van gepolariseerde politiek, nepotisme van eerdere heersers en betwiste machtsclaims, gelooft een onvoorspelbare en egoïstische leider dat God hem heeft gered om de natie weer groot te maken. Hij wordt geprezen als de machtigste leider ter wereld en verrast iedereen onmiddellijk door een reeks ontwrichtende nieuwe maatregelen uit te vaardigen om de manier waarop de maatschappij functioneert radicaal te veranderen en kondigt aan dat hij antichristelijke vooroordelen in de maatschappij gaat aanpakken.
Komt dit je bekend voor?
Nee, het is niet Donald Trump. Het is de vierde-eeuwse heerser van het Romeinse Rijk genaamd Constantijn de Grote. En de parallellen zijn opvallend.
Constantijn, de zoon van een Romeinse generaal en een Balkan-barvrouw, was de eerste christelijke Romeinse keizer. Voor die tijd waren alle keizers heidenen die de Griekse en Romeinse goden aanbaden. Begin 300 na Christus luidde keizer Diocletianus een periode van intense vervolging van christenen in, gericht op het onderdrukken van hun subversieve invloed. Nadat het was gaan liggen en na jaren van politieke strijd binnen het rijk, marcheerde Constantijn naar de hoofdstad en versloeg zijn vijand Maxentius in de slag bij de Milvische brug buiten Rome. Vlak voor de slag had Constantijn een droom waarin hij een teken zag van iets dat leek op een kruis in de lucht, met de spreuk ‘in dit teken zult gij overwinnen’. Vanaf dat moment geloofde hij dat God hem had uitgekozen voor dit directe doel: vrede brengen in het rijk door zijn vijanden, intern en extern, en het te veroveren onder de vlag van het christendom.
Na zijn troonsbestijging introduceerde Constantijn, net als Trump, nieuwe economische beleidsmaatregelen om de woekerende inflatie terug te draaien, hij herstructureerde de overheid en versterkte hij de militaire capaciteit om de vijanden van het rijk af te schrikken. Hij begon ook privileges te geven aan de tot nu toe vervolgde christenen. Het heidendom, de ‘officiële’ religie van het rijk, werd steeds meer naar de tweede plaats verwezen. Kerken kregen land om nieuwe gebouwen op te bouwen en bijeenkomsten van christelijke leiders werden alledaags, waarvan hij er een aantal voorzat, zoals het Concilie van Nicea dat plaatsvond in 325 na Christus, 1700 jaar geleden dit jaar. (Zie hiervoor ook: https://slothouber.wordpress.com/2025/01/04/ik-geloof/) Christelijke geestelijken werden vrijgesteld van openbare taken om zich zo aan hun gebeden te kunnen wijden. Kruisiging werd afgeschaft als vorm van executie. Zondag werd een wekelijkse vrije dag, heidense praktijken in het openbaar werden verboden.
Historici hebben jarenlang gedebatteerd over Constantijns motivatie. Was hij een oprechte christen, die het geloof wilde bevorderen door de kerk een goede kans te geven om het rijk te bekeren? Was hij een zegen voor de kerk door haar te bevrijden van de last van vervolging? Zeker, in die tijd waren veel christenen opgetogen en genoten ze van hun nieuwe privileges en toegang tot het keizerlijk hof net als de predikanten die werden uitgenodigd in het Witte Huis. Eusebius, de grote historicus van de vroege kerk, schreef: ‘in elke stad publiceerde de zegevierende keizer decreten vol menselijkheid en wetten die het bewijs leverden van vrijgevigheid en ware vroomheid. Alle tirannie was weggezuiverd.’ Het zou de stem van een van de predikanten kunnen zijn die Trump adoreren.
Aan de andere kant was Constantijn opvliegend, onvoorspelbaar en wraakzuchtig. Hij liet zijn tweede vrouw, drie zwagers, zijn oudste zoon en zijn schoonvader executeren.
Zijn ijdelheid strekte zich uit tot het hernoemen naar zichzelf van de oude stad Byzantium, – die net de hoofdstad van het rijk was geworden – als Constantinopel. Gebruikte hij cynisch de groeiende culturele kracht van het christendom om eenheid te brengen in een verdeeld en fragmenterend rijk? Sommige historici suggereren dat hij hiermee de aard van het christendom fataal veranderde. Constantijn was precies het soort militaire messias dat de Joden uit de eerste eeuw hadden verwacht, maar toch een totaal andere dan de gekruisigde rabbi uit Nazareth.
Welke van de twee is het? Het is moeilijk te zeggen. Zeker, hij bevorderde het christelijk geloof en gaf het nieuwe vrijheden. Maar hoewel hij het Concilie van Nicea voorzat, met het beroemde decreet dat Christus dezelfde natuur had als God de Vader, wordt Jezus in Constantijns religie nauwelijks genoemd. Soms lijkt hij zichzelf te hebben gezien als de Verlosser van de Kerk in plaats van Christus, met het keerpunt van de geschiedenis niet in de eerste eeuw met de overwinning op zonde en dood door de opstanding van Jezus, maar in de vierde eeuw met zijn eigen overwinning op Maxentius.
Voor sommige historici was de christelijke kerk oorspronkelijk een tegenculturele beweging, die een radicaal nieuwe visie op het leven bood, waarbij de armen boven de rijken, de zwakken boven de machtigen werden bevoordeeld, gecentreerd rond de gekruisigde Jezus. Na Constantijn werd het christendom gecentreerd rond een majestueuze heerser van de hemelen en de aarde. Christus de Pantocrator, de ‘albeheerser’ het beeld van Christus in glorie dat in orthodoxe kerken over de hele wereld te vinden is, verving afbeeldingen van Christus aan het kruis. Zij beweren dat dit niet het geval was doordat Constantijn naar het beeld van Christus werd gevormd, maar dat Christus aangepast werd aan het beeld van Constantijn.
De overeenkomsten van Constantijn met Donald Trump zullen duidelijk zijn, ook al zullen verschillende lezers verschillen in hoe ze de mate van gelijkenis zien. Ze waren beiden voorstander van het christendom, ook al is hun eigen persoonlijke geloof moeilijk vast te stellen. Ze kunnen allebei meedogenloos en wraakzuchtig zijn tegenover degenen die hen dwarszitten. Ze zijn niet bang om het bestaande wetten en regels te verscheuren, geldende waarden en normen te verlaten en nieuwe beleidslijnen aan te nemen die de gevestigde orde opschudden.
Dus, wat zou het verhaal van Constantijn ons kunnen vertellen als we de wederkomst van Donald Trump overwegen?
Veel christenen verheugden zich over Trumps herverkiezing. Bij zijn inauguratie verklaarde Franklin Graham, Amerikaans evangelist, een van de voormannen van religieus rechts en fervent medestander van Trump, net als Eusebius vele eeuwen eerder, dat God de nieuwe president had ‘opgewekt’. Trump zelf beweerde dat God hem had gered door de moordaanslag van vorig jaar om Amerika weer groot te maken. Anderen zien het als een ramp, en zien een heerser met een dubieus karakter die totaal niet op Jezus lijkt.
Constantijn was, per saldo, een gemengde zegen voor de kerk. Zijn heerschappij stelde de kerk in staat om te floreren. Het gaf het een positie binnen de maatschappij die een netwerk van kerken, parochies en bisdommen mogelijk maakte die hielpen om zijn boodschap wijd en zijd te verspreiden. Het was ongetwijfeld makkelijker om christen te zijn en te worden onder Constantijn dan onder zijn antichristelijke voorgangers. Maar tegelijkertijd veranderde hij subtiel de vorm van het christendom en maakte de kerk het geloof van de machtigen, ook al heeft het christendom altijd meer gefloreerd onder de armen en die weten dat ze hulp nodig hebben.
De kerk onder Trump is misschien blij met wetten en culturele bewegingen die het makkelijker maken om hun geloof te beoefenen en te promoten. Maar het gevaar om de visie van de kerk op leiderschap en heerschappij te laten bepalen door Donald Trump in plaats van Jezus Christus, blijft bestaan.
In de jaren van de regering van Constantijn, terwijl het optimaal gebruik maakte van de kansen die een nieuw gekerstend rijk bood, had de kerk ook figuren nodig als Ambrosius, de vierde-eeuwse bisschop van Milaan die bereid was keizer Theodosius uit de kerk te weren toen hij misdaden beging in naam van het rijk. Er was ook het radicale christendom nodig van de woestijnvaders en -moeders die zich terugtrokken op afgelegen plekken om te bidden en een radicaal alternatieve levensstijl te leiden dan het steeds gemakkelijke christendom van het stadsleven.
Sommige christenen zijn misschien blij met de kansen die een Trumpiaanse wereld zou kunnen bieden. Maar ze moeten voorzichtig zijn met wat ze wensen. Volgelingen van de gekruisigde rabbi uit Nazareth moeten oppassen dat ze hun wagen niet aan één politieke leider aanhaken. Er is tenslotte maar één Messias.
‘Ik kan mij niks bij God voorstellen’, zeggen mensen weleens tegen me.
‘Zo hoort het ook’, zeg ik dan.
Immers, de Bijbel verbiedt nu eenmaal het maken van vastomlijnde voorstellingen over God. Maar meestal vinden ze dat maar een vervelend antwoord. Een dominee gelooft toch ergens in? God moet toch iets zijn, er moet toch een soort idee bij horen, een idee waar je je tegen af kunt zetten. Of omgekeerd, een idee dat je houvast geeft, en troost in onzekere tijden. Want zo werken godsbeelden: ze bieden zekerheid, ze geven richting en je kunt er normen en waarden aan ontlenen. En je kunt er zo lekker tegenaan schoppen.
In de loop van mijn leven ben ik al heel wat godsbeelden tegengekomen. Ze werken als een soort ANWB bordjes: ze geven de richting aan welke kant je op moet denken, voelen, luisteren, leven. In het begin was het vooral Jezus die het beeld van God bepaalde. Dat is ook wat de kerk belijdt: Als je wilt weten wie God is, dan moet je naar Jezus kijken. Jezus, zoals je hem in de Bijbel tegenkomt, houdt niet op mij te boeien en te inspireren. Maar ook Jezus heeft zich losgemaakt uit de verhalen van de Bijbel. Jezus is het levende woord van God. Wat levend is, beweegt en werkt en doet. En dat past niet altijd in wat ik er van tevoren over dacht.
God is een werkwoord. God kun je beter verstaan als een gebeuren, als een dynamiek, als een kracht die op ons inwerkt. Eigenlijk heeft de kerk dat altijd al gezegd. We hebben er zelfs een naam voor: de Heilige Geest. Dat is de werking van God, van Gods Woord, in het hier-en-nu van het leven. Niet dat je daar nu precies je vinger op kunt leggen. Er blijft iets verborgens, iets mysterieus. Meestal kun je er terugkijkend pas iets van herkennen.
Wat doet die werking? In de wijsheidstraditie van de kerk is het zo gezegd: mensen zijn geschapen naar het beeld van God en bestemd om op Hem te lijken. Mens-zijn is: worden waar je op aangelegd bent. Leven is: God binnengroeien. Er ligt een trekkracht in onze ziel. Iets trekt aan ons. Dwars door de gebeurtenissen van het leven is er iets (en de kerk zegt: Iemand) aan het werk om ons te vormen, als we het toelaten tenminste.
God is natuurlijk ook geen werkwoord. Wie God is in zichzelf, blijft verborgen voor ons kleine menselijke verstand en gevoel. Al onze voorstellingen mogen meedoen onderweg, we kunnen nu eenmaal moeilijk zonder. Maar het is niet erg als je je niets bij God kunt voorstellen.
Gefeliciteerd, zal ik dan zeggen: je bent op de goede weg. We hoeven nergens in te geloven, want God gelooft allang in ons. En dat is genoeg voor het hele leven.
In verband met het eenjarig herdenken van de moord op Navalny, een repost van een eerder bericht
In de rechtszitting kort na zijn arrestatie, waarin zijn voorwaardelijke straf werd omgezet in echte gevangenisstraf, vertelde Navalny het gerechtshof in Moskou dat hij christen was geworden.
Tijdens dat proces in 2021 zei hij: ‘Feit is dat ik christen ben… Ik was zelf ooit een behoorlijk militante atheïst… Maar nu ben ik een gelovige, en dat helpt mij enorm bij mijn activiteiten… Er zijn minder dilemma’s in mijn leven, omdat er een Boek is waarin over het algemeen min of meer duidelijk staat welke actie in elke situatie moet worden ondernomen.
‘Het is natuurlijk niet altijd gemakkelijk om dit Boek te volgen, maar ik probeer het echt. En dus is het, zoals ik al zei, waarschijnlijk gemakkelijker voor mij dan voor vele anderen om zich met politiek bezig te houden.’
Navalny citeerde vaak verzen uit de Bergrede van Jezus, in het bijzonder: “Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden” (Matteüs 5:6). ‘Ik heb altijd gedacht dat dit specifieke gebod min of meer een instructie tot activiteit is’, merkte Navalny op.
Aleksej Navalny vocht onbevreesd tegen de corruptie in Rusland en werd vergiftigd, gevangengezet en op 16 februari 2024 vermoord door de staat.
Sinds het nieuws over zijn dood bekend werd, heb ik nagedacht over de woorden van Navalny. Hij zag de instructie van Jezus niet alleen als een belofte die in de toekomst vervuld zou worden, maar als een zeer actuele oproep tot actie. Het motiveerde hem niet alleen om op te komen voor gerechtigheid, maar ook om zich uit te spreken tegen onrecht. Het gaf hem de moed om zijn eigen leven op het spel te zetten in het belang van anderen.
Zijn honger en dorst naar gerechtigheid waren niet alleen spiritueel, maar letterlijk: soms koos hij voor een hongerstaking om de aandacht van de wereld te trekken, soms werd hij uitgehongerd als straf in de gevangenis. Hoe dan ook, hij bleef zich inzetten voor het teweegbrengen van verandering in het politieke systeem van zijn land.
Als Navalny zijn geloof kan vasthouden, gerechtigheid kan blijven nastreven en anderen kan uitdagen om de leer van Jezus te volgen, zelfs terwijl hij gevangen wordt gezet, gemarteld en zelfs vermoord, moeten we misschien allemaal heroverwegen hoe we de vrijheden en kansen die we hebben gebruiken.
Misschien moeten ook wij ons meer uitspreken als er sprake is van misbruik van publieke middelen, ongepaste invloed van de media, het oppotten van rijkdom door enkelingen, of om de verslaving aan geld, seks en macht aan te pakken.
Kunnen we nog meer doen om te pleiten voor de gemarginaliseerden en om ervoor te zorgen dat degenen die aan de macht zijn, werken ten behoeve van degenen die dit het meest nodig hebben? Hoe kunnen we pleiten voor een goed landsbestuur en onze leiders ter verantwoording roepen, en eisen dat degenen die leiding geven dit met integriteit en mededogen doen?
Navalny’s leven, dood en geloof dwingen de vraag af: wat kunnen we vandaag de dag in de naam van Jezus en met behulp van de Bijbel doen om rechtvaardigheid en gerechtigheid na te streven?
In zijn eigen woorden: ‘You’re not allowed to give up!’
Vandaag is het Valentijnsdag: hét grote westerse feest van de ‘romantiek’, de ‘liefde’ de ‘geliefden’.
Maar wiens dag is dit nu?
Valentijn, of Valentinus, was een martelaar uit de derde eeuw. Sommige legendes beweren dat zijn geloof op de proef werd gesteld door een plaatselijke rechter, die zijn blinde dochter voor Valentijn bracht en eiste dat hij haar zou genezen. Dat deed hij. De rechter en zijn hele huishouden namen afstand van hun heidense afgoden en werden gedoopt. Dit – in sommige ogen – schandalige incident, en verdere hinderlijke evangelisatie, leidde ertoe dat keizer Claudius beval dat Valentijn werd geëxecuteerd. Een andere legende beweert dat hij een Romeinse priester was die keizerlijke bevelen trotseerde en in het geheim met Romeinse soldaten trouwde volgens een christelijke ritueel, waardoor de soldaten aan verdere dienstplicht konden ontkomen.
Ik neem aan dat deze laatste legende ertoe heeft geleid dat Valentijn werd aangenomen als beschermheilige van hartvormige chocolaatjes – dat en het middeleeuwse idee dat de vogels midden februari zouden paren.
Hoe dan ook, ik ben niet geïnteresseerd in de legendes over Valentijn, hoe vermakelijk ze ook zijn. Het maakt me niet uit of hij in het geheim koppels trouwde, of blinden genas, of een vroege dating-app voor vogels pitchte.
Hij was een martelaar.
Martelaarschap is een concept waar we tegenwoordig niet meer zo bekend mee zijn. Oké , het is nog steeds een woord in de volksmond: We noemen mensen een ‘echte martelaar’ als ze zichzelf straffen door werk te doen dat niemand van hen verwacht of wil. We noemen iemand een ‘martelaar voor de zaak’ als ze zichzelf vastlijmen op een snelweg, of worden gearresteerd voor het vernielen van een schilderij met soep. Dit is géén martelaarschap.
Het ware martelaarschap is een daad van romantisch verlangen. Het ware martelaarschap is een daad van liefde!
Een van de vroegste verslagen van christelijk martelaarschap komt van Ignatius, de bisschop van Antiochië. Ergens halverwege de tweede eeuw werd hij ter dood veroordeeld en onder bewaking naar Rome vervoerd. Tijdens zijn reis schreef hij brieven aan verschillende christelijke gemeenschappen, waaronder een aan de kerk in Rome. Het verslag van het martelaarschap in deze brief is zowel verbazingwekkend mooi als de sleutel tot het begrijpen van het martelaarschap. Hij schrijft deels om de christenen van Rome te smeken hem niet te redden van zijn lot, noch door geweld noch door omkoping.
Hij wenst zijn martelaarschap en legt uit waarom. Hij schrijft dat hij in dit lijden ‘…een discipel begint te worden.’ Hij vergelijkt zijn ongelukkige situatie met de ‘weeën’ die hem nu overkomen en doet dan een opmerkelijke bewering: hij staat niet op het punt te sterven, maar staat op het punt echt te leven!
‘Geef mij dit, broeders: weerhoud mij niet van het leven; wens niet dat ik sterf… Laat mij het zuivere licht ontvangen; als ik daar ben aangekomen, zal ik een mens zijn.’
Sommigen die alleen de vreselijke, pijnlijke, grijpende aard van het martelaarschap kunnen zien – en het is een zegen dat we leven in een tijdperk en een land waar we elkaar niet doden vanwege ons geloof – hebben gesuggereerd dat Ignatius óf een showman óf een gek was. Ik ben het daar niet mee eens. Ignatius wil niet gemarteld worden omdat hij een naam voor zichzelf wil maken, maar omdat hij begrijpt dat hij in het martelaarschap één wordt met de enige ware martelaar: Jezus Christus.
Misschien was hij gek… hij was smoorverliefd op Christus! Hij verlangde ernaar verenigd te worden met Christus, hij verlangde ernaar zo dicht mogelijk bij Jezus Christus te zijn: ‘Ik verlang naar het brood van God, dat is het vlees van Jezus Christus… en als drank verlang ik naar zijn bloed, dat is onvergankelijke liefde.’ Hij verlangde naar Jezus boven alles, zelfs boven zijn eigen leven.
Martelaarschap, op deze manier gezien, is een waarlijk ‘romantische’ daad – een daad van iemand die zo verlangend is naar, zo waarlijk, krankzinnig, diep verliefd op Jezus, dat ze alles zullen geven voor Jezus’ wil. Martelaren laten ons het echte patroon van liefde zien: het offer van onszelf voor het welzijn van een ander. Dit is de les die Jezus zijn discipelen leerde: ‘Niemand heeft grotere liefde dan deze, dat iemand zijn leven geeft voor zijn vrienden.’ In het leven en de dood van de martelaar zien we deze echte liefde gemanifesteerd, en het is niet onbeantwoord maar volledig beantwoord. Jezus verlangt naar ons en sterft voor ons, en de martelaar verlangt naar Jezus en sterft voor hem. Zoals Ignatius aan de Romeinen schrijft: ‘Verlang ernaar, opdat ook u begeerd mag worden.’
Dit is de les die elk stel, naarmate ze groeien in hun leven en hun liefde samen, langzaam leert. Als we romantiek en liefde zoeken, proberen we niet te veranderen, of te controleren, of plezier te halen uit de ander als object; we proberen onszelf vrij en volledig aan hen te geven, in de vreugde van dienstbaarheid en opoffering. Op onze kleine manier, wanneer we ons wagen aan het grote mysterie van de ‘romantiek’, proberen we zelf martelaren te zijn – martelaren voor degene van wie we houden.
Valentijn was een man van oprechte liefde, want hij was een martelaar. Er is geen grotere reden om een beschermheer te zijn van de passie, van zaken van het hart, van romantische liefde.
Vastberadenheid wordt gemakkelijk verkeerd begrepen. Bij Jezus’ leerlingen wordt zoiets al snel fanatisme. Fanatisme moet het hebben van zich afzetten tegen anderen. Wij mensen zijn daar vaak druk mee in de weer. We trekken lijnen, stellen grenzen en alles en iedereen die daar dan niet aan voldoet, valt erbuiten, wijzen we af. Te zwaar of te licht, te reformatorisch of te evangelisch, te blij of te somber, te strak in de leer of juist te open-minded. En ergens denken we daarmee dan ook God aan onze zijde te hebben. De Samaritanen bijvoorbeeld die Jezus en zijn leerlingen tegenkomen. Ze zijn vanuit Joods perspectief niet zuiver genoeg, niet goed genoeg. En als ze geen ruimte bieden voor Jezus vinden de leerlingen dat het tijd is om hen een lesje te leren, liefst met vuur uit de hemel. Dat afschrijven, wegzetten, veroordelen, het zit ons kennelijk in het bloed. Het past op geen enkele manier bij wat Jezus voor ogen staat.
Dostojevski vertelt het beroemde verhaal van de Grootinquisiteur. Christus keert in de 16e eeuw terug op aarde. Hij verricht enkele wonderen, wordt opgepakt door de Spaanse inquisitie en in cel gegooid en wacht op de brandstapel. In de nacht krijgt hij bezoek van de Grootinquisiteur die in een eindeloze tirade zich keert tegen de boodschap van het koninkrijk die Jezus verkondigde toen hij mens was en rondtrok op aarde. Die tijd is voorbij, zegt de grootinquisiteur, ik laat je niet opnieuw de orde verstoren. Wat mensen nodig hebben is geen boodschap van liefde en rechtvaardigheid. Orde zal er alleen zijn met een dwingend systeem. Geef de mens brood, beheers zijn geweten en heers over de wereld! Jezus zit daar in de cel op de grond en hoort de tirade rustig en vol aandacht aan. Zodra de man is uitgeraasd staat Jezus op, kust hem op zijn bloedeloze lippen en loopt de gevangenis uit.
Nee, Jezus vastberadenheid wordt nooit een fanatisme. Je zou het eerder een vorm van radicaliteit kunnen noemen. Daar zit het woord ‘radix’ is wat ‘wortel’ betekent. Radicaliteit hoeft het niet te hebben van afzetten tegen de ander. Het ontleent kracht en vreugde aan een diepe verworteling. Bij Jezus is dat een verworteling in het hart van God zelf. We zingen dat in psalm 130: Gij al Gods bondgenoten, ziet naar Gods toekomst uit. De Heer is vastbesloten, tot goedertierenheid. Jezus is hier niet bezig met een grimmige, kille parade. Hij is bezig met een vredesoffensief, een revolutie van onvoorwaardelijke en onweerstaanbare Goddelijke liefde. Een liefde die uitgaat boven al de manieren waarop wij mensen proberen gestalte geven aan liefde.
In de afgelopen periode ben ik veel opgetrokken met het evangelie naar Mattheüs. Ik verdiepte me ook in de persoon van Mattheüs . Een evangelist met een rafelrand. Hij was ooit tollenaar van beroep. Daar heeft hij bepaald geen vrienden mee gemaakt. Het is hem waarschijnlijk nog lang blijven achtervolgen. Hij heeft het zichzelf vast ook nog lang kwalijk genomen. In de serie The Chosen (Prime Video), die gaat over het leven van Jezus, neemt Mattheüs in de kring van Jezus’ leerlingen een eenzame plek in in de marge. Hij wordt door de andere leerlingen niet zomaar vertrouwd en als het kan op afstand gehouden vanwege zijn bedenkelijke verleden. Niet zo gek dat juist Mattheüs in zijn evangelie Jezus een bijzondere naam geeft: ‘vriend van tollenaren en zondaren’. Daar heeft Mattheüs zichzelf aan opgetrokken en vastgehouden.
Mattheüs vertelt ons in zijn evangelie dat Jezus ook dat beeld van de werkelijkheid schetste. Als een complex geheel waarin de dingen vermengd zijn en door elkaar liggen. In Mattheüs 13 gebruikt Jezus het beeld van een boer die tot de dag van de oogst tarwe en onkruid samen laat opgroeien. Het is niet keurig uit elkaar te houden. Voor je het weet trek je met het onkruid ook de tarwe uit de grond. Je kunt je kennelijk zomaar vergissen in wat tarwe is en wat onkruid. De boer moet dealen met beiden. Het beeld blijft dus gemengd en rommelig.
In Mattheüs 5 lees ik over de ‘armen van geest’. (vers 3 in de HSV). Dat zijn diegenen die het niet precies op een rijtje hebben. Zij die het niet gemaakt hebben in het leven. Iemand herschreef deze verzen eens als volgt:
Zalig zijn zij die mislukken, maar toch proberen. we zijn een stille wanorde, ontregelde boel we hebben het niet op een rijtje we falen bij de vleet dat is een voldongen feit vanuit hemels perspectief zijn we allemaal gelijk geen verschil in behandeling tussen jou en mij je anders denken en zondigen zet ik voor de goegemeente niet te kijk.
we zijn de kerk van brokkenpiloten gezegend zijn zij die het verkloten zalig zijn zij die proberen maar mislukken Christus laat zich vinden te midden van brokstukken niet om te oordelen maar om te redden wat er te redden valt tussen schip en wal we zijn onvolmaakt en verre van af
Ook in 1 Korintiërs 1 lees ik eenzelfde boodschap. Ook hier vinden we geen keurig gepolijst beeld van geloof. Paulus identificeert zichzelf en zijn medegelovigen met het beeld van een dwaas. Het beeld van de dwaas kende men in Paulus’ dagen. Hij speelde een belangrijke rol in het theater. Hij werd daar stereotype uitgebeeld met fysieke lelijkheid en onnozelheid. Bij voorkeur met een grote neus, grote flaporen en een kaal hoofd.
Wat verderop in dezelfde brief aan de Korintiërs zet Paulus dat beeld van dwazen nog wat scherper aan. ‘Wij zijn het uitschot van de wereld, het uitvaagsel van de mensheid.’ (1 4,10) Uitschot of schuim is volgens het woordenboek ‘dat wat afvalt na een sortering op kwaliteit.’ Een beetje als te kleine, magere visjes die na de vangst weer worden teruggeworpen. Onder de maat. Niks mee te beginnen. Overboord ermee. Uitvaagsel is wat je aan afval overhoudt na een grondige schoonmaak. The Message van Eugene Peterson spreekt hier zelfs over de ‘Messiah’s misfits’ en vertaalt uitschot en uitvaagsel met: ‘garbage, the leftovers that nobody wants.’
Dat dwaze heeft bij voor Paulus en de Korintiërs natuurlijk alles te maken met het bizarre geloof in een gekruisigde Jood als redder van de wereld. Het dwaze zit ‘m ook in het gegeven dat dat handjevol gelovigen in Korinthe nou niet bepaald bestond uit de elite van de samenleving. Laagopgeleid, niet veel invloed, geen grote namen. Mensen uit de onderste laag van de samenleving, het klootjesvolk zeg maar. Maar dat dwaze zit ‘m voor een ander deel ook in het gedrag dat Paulus ziet bij deze gelovigen. Het is nogal een zooitje ongeregeld waarin zaken spelen als seksuele losbandigheid, incestueuze affaires, echtscheidingen, geruzie en jaloezie ontaardend in escalerende beschamende rechtszaken, haantjesgedrag, wettische scherpslijperij, afgoderij, jaloezie, slordigheid in de samenkomsten zoals dronkenschap rond avondmaal. Rommeligheid is hier echt een understatement.
En in deze brief komt dit allemaal ter sprake. Niets wordt gladgestreken, geen rommel verdwijnt onder het tapijt. En toch begint juist deze brief aan deze specifieke rommelige gelovigen met woorden van genade. ‘ Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus’ (1 1,3). En ook het laatste woord van de brief is een genadewoord: ‘De genade van de Heer Jezus zij met u. Mijn liefde gaat uit naar u allen, met wie ik verbonden ben in Christus Jezus.’ (1 16,23)
Als ik deze tekstgedeelten goed op me laat inwerken kom ik deze rommeligheid ook in mij zelf tegen. Het is de kloof tussen het ideale opgepoetste beeld van mijzelf als gelovige. En de persoon die ik zie als ik eerlijk in de spiegel durf te kijken. Een deel van mij wil omhoog, vooruit, groeien, beheersen, grip hebben. En een ander deel struggelt met innerlijke leegte, angst en onvermogen.
Ik zie dat Mattheüs er nog maar net is begonnen aan zijn evangelie. Hij schrijft het geslachtsregister van Jezus. En ineens realiseer me dat die passage ook echt helemaal past bij het beeld van zijn eerste werk. Het laat zien hoe de geslachtslijn van de Messias door en door is verweven met allerlei rommelige levens. Dat geslachtsregister is opgebouwd rond Abraham, David en de ballingschap. Abraham en David mannen van God vol geloof en moed. Maar tegelijk worden ook hun schaduwzijden zichtbaar. En de ballingschap is het trieste dieptepunt van het collectieve morele falen van een heel volk. Er worden in dit geslachtsregister ook diverse vrouwen genoemd die om verschillende redenen geen beste reputatie hadden. Al speelden in al die gevallen ook mannen een bedenkelijke rol. Tamar verleidde haar schoonvader, Rachab werkte als prostituee, Batseba kreeg een buitenechtelijk kind, Ruth was geen Joodse. Dit is een line-up van stuk voor stuk rommelige, rafelige levens. Die desondanks of misschien wel juist daarom een plaatsje krijgen in het geslachtsregister van Jezus.
Door de generaties heen is er een wonderlijke God aan het werk die allerlei losse eindjes aan elkaar knoopt. Een rode draad van genade die uitloopt op de man die niet komt om ons te verlossen ván dit bestaan maar verlossing wil brengen ín (!) dít leven. Afdaalt in de rommel die wij er vaak van maken. In de kerk als een verzameling misfits, brokkenpiloten. Zoekende zielen met alle rommeligheid die daar bij hoort. Hij verstrengelt Zich met mij. met Zijn Geest ondanks alles toch ook in mij doet wonen. En in mijn rommelige kleine leven weeft Hij zijn draden van wijsheid, rechtvaardigheid, heiligheid en verlossing (1 1, 30)
De enorme overvloed van beloftes en getekende decreten in de eerste paar dagen van de nieuwe regering van president Donald J. Trump gingen als een ongekende storm over de wereld.
Wanneer een nieuwe regering de macht overneemt, is het gebruikelijk om een noot van hoop voor de toekomst te laten horen, de natie te verenigen, voorzichtig te anticiperen op een nieuwe dageraad, te beloven het beste voor het volk te doen, enzovoorts. Toch was Trumps toespraak optimisme ‘on steroids’. Hij kondigde het begin aan van een ‘Gouden Eeuw’ voor Amerika. ‘Vanaf deze dag’, stelde hij, ‘zal ons land bloeien en weer overal ter wereld gerespecteerd worden. We zullen de afgunst van elke natie zijn en we zullen niet langer toestaan dat we worden uitgebuit.’
Elon Musk, zijn partner in crime, ging nog verder. Musk zei dat de tweede periode van de regering Trump ‘splitsing in de weg van de menselijke beschaving wordt.’ Als gevolg van de Republikeinse kiezers, ‘werd de toekomst van de beschaving veiliggesteld’, terwijl hij uitkeek naar een dag waarop de sterren en strepen (de Amerikaanse vlag) zelfs op de planeet Mars zouden worden geplant.
Er is een dun lijntje tussen hoop en arrogantie. Veel commentatoren hebben deze sombere vooruitzichten vergeleken met het optimistische optimisme van de Republikeinen.
Hoop verheft de geesten van mensen. Het geeft een gevoel van mogelijkheden en wijst op een onbekende maar stralende toekomst. Paulus vraagt: ‘Wie hoopt op wat hij kan zien?’ (Romeinen 8,24) Hoop erkent dat de toekomst niet volledig in onze handen ligt, dat gebeurtenissen – en onze eigen koppigheid – de best voorbereide plannen kunnen dwarsbomen. Het weet dat de toekomst onzeker is en gelooft toch, vanwege het simpele vertrouwen dat de wereld uit goedheid is ontstaan en met goedheid zal eindigen, dat de toekomst soms ondanks, in plaats van dankzij, onze inspanningen stralend is.
Hubris (Grieks: hoogmoed) is echter wanneer het menselijk vertrouwen in overdrive gaat. In de klassieke wereld zagen schrijvers als Hesiodos en Aeschylus hubris als het gevaarlijke moment waarop een sterveling beweerde gelijk te zijn aan, of beter dan, een god.
Phaëthon was een tienerjongen die dagelijks met zijn zonnewagen racete, een zoon van de zonnegod Helios. Hij nam op een zekere dag de strijdwagen van zijn vader en dacht dat hij beter kon sturen dan zijn bejaarde pa, hij reed te snel, te dicht bij de aarde, verbrandde deze en verdiende zo een kenmerkende bliksemschicht van Zeus voor zijn moeite. Arachne kon buitengewoon goed weven en zij maakte een doek mooier dan dat van Athena, de godin van alle wevers.
En natuurlijk, de beroemdste van allemaal, Icarus, hij maakte voor zichzelf een paar vleugels, zweefde net iets te hoog naar de zon, en zo smolt de was die de vleugels bij elkaar hield, en stortte in de zee als een uitgebrande satelliet, en zonk vervolgens in de donkerblauwe diepten van de uitgestrekte oceaan.