Afgelopen weekend werd Nederland opgeschrikt door de rellen op het Malieveld. Maar kwamen deze rellen zomaar uit de lucht vallen? Daar wil ik in deze webpost over nadenken.
Want al in 2004 (sic) schreef Thomas von der Dunk zijn boek met de titel: Buiten is het koud en guur. Von der Dunk ontleedt in zijn boek de onrust en onzekerheid die de boventoon voert bij groepen Nederlanders na de moord op Pim Fortuyn in 2002. Hij stelt zich de vraag of de revolutie van Fortuyn werkelijk ten einde is of smeult onder de oppervlakte nog onrust.
Ik denk dat je na goed 20 jaar van de publicatie van dit boek, wel kunt stellen de gevoelens van onrust en onzekerheid zeker niet tot rust zijn gekomen maar eerder zijn toegenomen.
En die gevoelens komen niet alleen tot uiting in de kroeg waar sommige mensen steeds meer en ongenuanceerdere woorden gebruiken. Helaas is dit woordgebruik ook doorgedrongen tot in de politiek. Want als je je in de politieke arena niet kunt gedragen, kun je dat in de samenleving terugzien. We moeten wel op onze woorden passen, want woorden doen ertoe. We zien dat politici met jerrycans vol benzine rondsjouwen en het gevoel van onrust en onzekerheid met halve waarheden en hele leugens extra oppoken. Vervolgens roepen ze dan wel moord en brand als de gevoelens die ze hebben aangewakkerd door sommige groepen worden aangevat om te gaan rellen.
Afgelopen weekend zagen we dat in Nederland met de rellen op het Malieveld. Ik vond het bijvoorbeeld verbazingwekkend hoe organisator Els Noort (a.k.a. Els Rechts) van het Project Elsfest zich meteen uitsprak over de relschoppers en zei dat ze ‘echt gechoqueerd’ te zijn door deze gewelddadigheden. Ze had in al haar ‘naïviteit’ gedacht dat haar bijeenkomst tegen het asiel- en immigratiebeleid van de overheid – ondanks aangekondigde rellen – geweldloos zou verlopen. ‘Dat is absoluut nooit mijn bedoeling geweest.’ Ze wilde een vreedzaam protest tegen het in haar ogen falend asielbeleid. Ze vindt het geweld van de relschoppers tegen de politie echt vreselijk. ‘Ik walg er echt van.’ Ze liep echter eerder zelf met een kannetje benzine rond om het vuurtje van onrust eens flink op te stoken door ‘linkse mensen als de grootste fascisten’ te betitelen en wanneer CDA-leider Henri Bontenbal zich kritisch uitlaat over de door haar bewonderde Wilders hem een ‘randdebiel die allesbehalve christelijk is’ noemt. Ook omschrijft ze Bontenbal als een ‘wolf in schaapskleren’ en doopt ze de letters CDA om in ‘Christenen Dienen Allah’. Waarschijnlijk had ze goed geluisterd naar haar grote voorbeeld Geert Wilders die NSC omdoopte tot ‘Nederlandse Sabotage Club’.
Maar goed, terug naar de problemen in Nederland. Woede die nauwelijks gehoord en slecht verwoord worden. In Nederland ontstaan er rellen op straat en lopen mensen met de zogenaamde Prinsenvlag, teken van verzet tegen onderdrukking. Woede
In Amerika versmalt de onrust zich tot kogels. Dit zijn echter geen op zichzelf staande incidenten, maar variaties op dezelfde westerse breuklijn: woede die niet gehoord wordt en klontert tot ze explodeert.
Woede is in essentie een natuurlijke passie, een het opvlammen van de ziel bij onrecht of onrecht. Ze kan rechtvaardig zijn wanneer ze beheerst wordt door liefde, zoals zelfs Christus boos was op verharde harten. Maar woede die zich verhardt verword tot ondeugd. De Bijbel noemt het dan zowel het vuur van Gods oordeel als, in de mensheid, een doodzonde.
Woede die niet meer geneest verword tot littekenweefsel dat altijd blijft schrijnen. En de woede die ten grondslag ligt aan de rellen van afgelopen weekend is dit soort woede.
Het geeft uiting aan het gevoelen verhaal van teloorgang. Voor groepen uit de maatschappij is het Nederland dat men zich herinnert of verbeeld, is verdwenen. Verbeeld, want er wordt een zwart sprookjesverleden geschetst waarin Nederlanders hun maatschappij hebben vormgegeven. Feit is dat veel soldaten die vochten in de afhankelijkheidsstrijd van Nederland – de 80-jarige oorlog – vaak buitenlanders waren. Ook de bemanning van de VOC-schepen waren vaak buitenlanders. En de rijkdom van de ‘Gouden Eeuw’ hebben we voor een groot deel te danken aan gevluchte Belgen die met hun kennis en kapitaal neerstreken in de Noordelijke Nederlanden. Maar de angst tegen wat buitenlands, vreemd is is voor groepen mensen voelbaar. Voor hen is hun bekende omgeving ingeruild voor een samenleving die niet meer herkend wordt: multicultureel, politiek gevoelig, zich losmakend van het verleden. Een kop in een krant schreef ooit: ‘de voornaam Henk is op weg naar het uitsterven’, terwijl Muhammad, in al zijn spellingsvarianten, de meest voorkomende babynaam was geworden.
En daarmee wordt gesproken over immigratie Beelden van massa’s mensen in Ter Apel die over het beeldscherm rolden: meer verandering waar men geen controle over heeft. Huisvesting waar men geen vat op heeft. De weigering om ooit nog te stemmen is dan eerder een gebaar van berusting. Omdat ‘ze’ toch niets om hem geven.
Zo onthullen deze mensen met hun woede een politiek die hen in de steek heeft gelaten, een economie die geen hoop biedt en een cultuur die hen tot vreemdelingen in hun eigen land maakt. Nee, ‘tuurlijk, rellen zijn geen remedie; ze scheuren wonden open zonder te helen. Maar de reactie daarop is verhelderend: want meteen wordt er gewezen naar de ander en volgt er weinig tot geen zelfreflectie. Van je af wijzen in plaats van luisteren. Dat verscherpte de bitterheid.
Maar woede fluistert hier niet en wacht niet. Het relt.
En misschien hadden veel van relschoppers nog nooit eerder van Charlie Kirk gehoord, maar Kirks retoriek kanaliseerde precies de angsten die deze mensen kenmerken – over verlies, ontheemding en verwaarlozing. Deze resonantie verklaart mede hoe zijn stem zo wijdverspreid was.
En eerlijk gezegd: ik heb Charlie Kirk ook niet gevolgd. Zijn filmpjes verschenen op Instagram of YouTube, maar het was niet mijn algoritme dat ze vastgreep. Maar toen ik het nieuws zag, verraste mijn reactie me. Het was vreemde reactie voor iemand die nooit zo’n belangrijke rol in mijn leven had gespeeld. Ik voelde me bijkans misselijk. Omdat hij dood was. Omdat hij geen politicus achter glas of generaal achter medailles was. Hij was weliswaar een publiek figuur, maar ook vreemd normaal. Met een vrouw en jonge kinderen.
En hij had het lef om met mensen te praten. Hoeveel van ons kunnen zeggen dat we net zo luidkeels recht in de ogen van anderen zeggen wat we geloven als we wel dapper genoeg zijn om dat op sociale media te doen? Charlie Kirk was zichtbaar. Toegankelijk. Hij was van vlees en bloed, niet alleen in pixels. Ik zag op Facebook mensen van zijn generatie een eerbetoon plaatsen. Voor hen was zijn verdediging geen woede, maar dialoog.
En toen het fatale schot.
De moordenaar haalde de trekker over. Woede was versmald tot enkele, precieze kogels met slogans erop. Maar dit was geen gerechtigheid, zelfs geen protest. Het was woede die verworden was tot moord; een executie.
Woede veroorzaakt hier geen opstand. Het wordt versmalt tot kogels. Het verandert in kannibalisme.
Want wat zal dit vergoten bloed teweegbrengen in hen die luisteren, kijken en geloven?
In Amerika zijn vlaggen meubilair. Ze staan op elke veranda, bij elke school, in elk stadion. Maar hier in Nederland, wanneer Nederlandse vlaggen worden omgekeerd of de Prinsenvlag wordt geheven voelt dat niet gewoon aan. Ze zijn een uiting van verzet, van opstand. Ze voelen onheilspellend aan.
Nee, de vlaggen schreeuwen niet; ze fluisteren. Elke dag. Een langzaam, koppig signaal van verbondenheid en verzet. Niet de opstand van de mensen. Niet de kogel voor Charlie. Maar iets stillers, op de een of andere manier blijvenders. Woede in stof genaaid, wortel schietend in stilte. Volharding echoot de wrok. De stille volharding is op de een of andere manier verontrustender dan de kogels die Charlie troffen. En wanneer ze op bepaalde plaatsen duidelijker worden, wanneer ze zich opstapelen en clusteren, vormen ze een bepaalde sfeer.
De omgekeerde vlaggen, de prinsenvlaggen betekenen voor de één trots en voor de ander bedreiging. En voor de meesten misschien helemaal niets. Maar als de vlag van de mast worden afgescheurd blijft er een rafelige naad over, een bungelende strook gescheurde stof die nog steeds aan het rechtopstaande metaal vastzit. Dat voelt nog onheilspellender. Niet als zomaar een teken van verdeeldheid, maar van reactie. En merk je op dat ze, waar ze slechts zo hoog hangen als een ladder reikt, ze er bijna uitzien als vlaggen halfstok? Alsof er onder de weerstand een onbewust verdriet schuilt.
En dus blijft de vraag: wat zal er van dit alles terechtkomen? Deze woede kwam niet zomaar uit de lucht vallen, maar gistte al heel lang in de samenleving.
Welke toekomst hebben we voor ogen? Woede veroorzaakt hier geen opstand of vernauwing. Het schiet wortel en woekert verder.
Hoe zou Christus spreken? En hoe kan woede, die niet gehoord wordt voordat ze zich tot toorn verhardt, met de stem van Christus spreken?
Ik was boos, en jij noemde me achterlijk. Ik was boos, en jij noemde me woke. Ik was boos, en jij hoorde alleen je politiek, niet mijn pijn.
Ik was boos, en jij maakte ruzie over stammen en partijen. Ik was boos, en jij beoordeelde mij als stem, als bedreiging, als oorzaak. Ik was boos, en jij luisterde niet echt naar mij.
Voorwaar, ik zeg je:
toen je de bozen zag en hen alleen maar naar links of rechts riep, begreep je er niets van.
Je kende mij niet.
En die boosheid – nog steeds ongehoord – zal nooit weggaan,
hun woede groeit in de schaduwen, wachtend om uit te barsten.
Iedereen voelt het. Het culturele en politieke leven in Amerika is voor velen onherkenbaar en vreemd geworden. Brandstichters en zogenaamde wijzen hebben de plaats ingenomen van redelijke en verantwoordelijke leiders. Genuanceerde debatten hebben plaatsgemaakt voor het zelfvoldane vertrouwen in je eigen gelijk. De Amerikaanse historica Molly Worthen is universitair hoofddocent geschiedenis aan de Universiteit van North Carolina en vraagt zich af hoe Amerika hier in terecht is gekomen. Wat gebeurt er als Amerikanen het vertrouwen in hun religieuze instellingen verliezen en politici de leegte vullen? In haar boek Spellbound: How Charisma Shaped American History; from the Puritans to Donald Trump (Betoverd: hoe charisma de Amerikaanse geschiedenis vormgaf van de Puriteinen tot Donald Trump) helpt zij ons de krachten te begrijpen die leiders creëren en hun volgelingen gevangen houden. Worthen geeft ook veel lezingen over religie en politiek. Ze schrijft over religie en politiek voor onder andere The New York Times.
Worthen betoogt dat we het heden kunnen begrijpen als we het verhaal van charismatische leiders in Amerika leren kennen. Van de Puriteinen tot Donald Trump, het verhaal van het Amerikaanse charismatici speelt zich af in de hoofdrollen van figuren die een gevaarlijke en verleidelijke kracht bezitten om menigten te raken. Ze nodigen volgelingen uit tot een kosmisch drama dat hoop vervult en grieven rechtzet en deze charismatische leiders beweren dat alleen zij de juiste weg wijzen.
Maar de vraag dringt zich op: kunstmatige intelligentie, AI, het was toch ontworpen om ons te redden? Je hoort en leest immers over groepen mensen die gevangen zitten in algoritmes, of door desinformatie worden misleid De ontwerpers van AI beweren volmondig dat hun systeem er is ten bate van de gebruiker. En zeker, AI is ongetwijfeld nuttig. De antwoorden die ik eerder kreeg over ‘de grootste levensvragen’ waren zeker nuttig. Maar AI als ultieme levensgezel, hoe zit dat dan?
Want AI kan gezelschap bieden aan eenzame mensen, kan creativiteit stimuleren wanneer we leeg zijn en kan ons productiever maken. Het geeft ook zonder aarzeling antwoord op elk soort vraag. Het kan, kortom, een toevluchtsoord. Veel chatbots hebben namen, wat ons gevoel van veiligheid versterkt. Want namen definiëren en labelen dingen, maar ze doen veel meer dan dat. Namen bevorderen verbinding. Ze kunnen een relatie oproepen en beschrijven, waardoor we een intieme band kunnen opbouwen met de genoemde dingen. Maar wanneer de betreffende ‘dingen’ AI-chatbots zijn, kunnen we echter in de problemen komen.
Want chatbots kunnen volgens onderzoek bijdragen aan ‘schadelijke stigmatisering en gevaarlijke reacties’. Sterker nog, ze kunnen psychotische symptomen zelfs versterken. Hoe meer we leren, hoe meer we beginnen te begrijpen dat een groot deel van de wereld die AI-chatbots bieden, een illusie is.
Vroegchristelijke denkers hadden een aparte categorie voor precies dit soort illusie: de demonische. Ze zagen demonen niet als rode, gehoornde lichamen maar als entiteiten met de macht om illusies te creëren: visioenen, verschijningen en bedrieglijke tekenen die de menselijke perceptie van de werkelijkheid vertekenden. Demonen personifieerden ook trots. Als gevallen engelen keerden ze zich af van de waarheid en richtten zich op zichzelf. Hun illusies verleidden mensen om die trots te delen door valse grootheid te geloven en zich vast te klampen aan een valse toevlucht.
Door zo naar die vroegchristelijke benaderingen van demonologie te kijken kan het ons helpen duidelijker te zien wat er op het spel staat bij het onvoorwaardelijk omarmen van AI-chatbots.
Want volgens vroege christelijke denkers opereerden demonen zelden met brute kracht. In plaats daarvan werkten ze door middel van bedrog. Athanasius van Alexandrië (ca. 296–373) was een bisschop en theoloog die Het leven van Antonius schreef. Hierin beschreef hij hoe de grote woestijnvader werd geplaagd door demonische visioenen, fantomen van wilde dieren, verschijningen van goud en zelfs valse engelen van het licht. Het cruciale gevaar was niet een fysieke aanval, maar een illusie. Demonen werden gezien als wezens die schijnvertoningen creëerden om te verwarren en te misleiden. Een monnik in zijn cel kon stralend licht zien en prachtige stemmen horen, maar hij moest het zorgvuldig testen, want demonen vermommen zich als engelen.
Evagrius van Pontus (ca. 345–399), een christelijke monnik, asceet en theoloog die invloedrijk was in de vroege monastieke spiritualiteit, waarschuwde dat demonen zich in het denken drongen en ideeën plantten die aanvoelden alsof ze door henzelf waren gegenereerd, maar die iemand in feite op een dwaalspoor brachten. Deze notie dat het demonische het meest effectief is wanneer het via de schijn werkt vormde het hele ascetische project. Demonen weerstaan betekende hun illusies weerstaan.
Augustinus van Hippo (354-430) was een Noord-Afrikaanse bisschop en theoloog wiens geschriften het westerse christendom vormgaven. In zijn boek De Stad Gods betoogde hij dat heidense religie grotendeels een uitgebreid systeem van demonische misleiding was. Demonen, zo betoogde hij, veroorzaakten valse wonderen, manipuleerden dromen en inspireerden theatervoorstellingen om de massa te verleiden. Ze handelden in spektakel en verleidden de verbeelding en het verlangen in plaats van de waarheid te presenteren.
AI-chatbots functioneren op een opvallend vergelijkbare wijze. Ze oefenen geen macht uit door fysieke dwang. In plaats daarvan creëren ze illusies. Ze kunnen een gezaghebbend klinkend verhaal vol onwaarheden produceren. Ze kunnen beelden creëren van mensen die iets doen wat nooit is gebeurd. Ze kunnen gezelschap bieden dat leidt tot zelfbeschadiging of zelfs zelfmoord. Net als het demonische opereert de chatbot door middel van van beeld, geluid en gedachte. Het produceert schijnbeelden die de zintuigen overtuigen, maar ze tegelijkertijd loskoppelen van de realiteit. Het risico is niet dat de chatbot ons dwingt, maar dat hij ons bedriegt; net als demonische machten.
Ook het gebruik van AI-chatbots verleidt ons met illusies van trots. Een schrijver kan bijvoorbeeld door AI gegenereerd werk als zijn eigen werk presenteren. Het gevaar hier is niet alleen dat men bedrogen wordt, maar dat men medeplichtig wordt aan bedrog, door illusie te gebruiken om zichzelf groter te maken.
Vroegchristelijke theologen zoals Athanasius, Evagrius en Augustinus waarschuwden dat trots het zekerste teken van demonische invloed was. Voor zover AI ons verleidt tot opgeblazen beelden van onszelf, volgt het hetzelfde patroon.
Als het om AI-chatbots gaat, hebben we een discipline van onderscheidingsvermogen nodig om te testen of de afbeeldingen en teksten de kenmerken van waarheid of bedrog dragen. Net zoals monniken niet elk licht konden vertrouwen, kunnen wij niet elk beeld of elke zelfverzekerde alinea vertrouwen die door de chatbots wordt geproduceerd. We hebben verificatiecriteria en onderscheidingsvermogen nodig om te voorkomen dat illusie voor realiteit wordt aangezien.
Zo is hulp nabij.
Want door de eeuwen heen hebben christenen gereageerd op demonische illusies, niet met naïeve goedgelovigheid of een algehele afwijzing van de zintuiglijke wereld, maar door het harde werk van onderscheidingsvermogen: het testen van schijn, het cultiveren van disciplines van verzet en het richten van verlangen op de waarheid.
Het Leven van Antonius beschrijft hoe de monnik demonische illusies confronteerde met ascetische discipline. Toen Antonius geconfronteerd werd met visioenen van schatten, weigerde hij zich te laten leiden door verlangen. Toen hij werd aangevallen door verschijningen, bleef hij in gebed. Hij testte visioenen op hun effecten: waarachtige visioenen brachten nederigheid, vrede en helderheid teweeg, terwijl demonische illusies trots, onrust en verwarring opwekten.
We kunnen een levenswijze cultiveren die hetzelfde doet. Weerstand bieden aan de illusies vereist mogelijk vormen van ascese: vasten van chatbots en het cultiveren van geduld bij de verificatie.
Nee. AI-illusies zijn op zichzelf niet per se demonisch. De sleutel is of de illusie voorbij zichzelf wijst naar de waarheid en de werkelijkheid, of dat het ons in een staat van misleiding brengt.
Wat verlangen mensen nu werkelijk? Waar verlangt de ziel van de mensheid naar in deze unieke tijd in de geschiedenis? Wat zijn de diepste verlangens van de mensheid?
Het eerste antwoord van AI was niet ongebruikelijk of verrassend. Het was eerlijk gezegd nogal een open deur. AI gaf me de overbekende lijst:
En verder antwoordde AI: Uiteindelijk is de diepe zoektocht van de menselijke ziel naar een diepe harmonie tussen liefde, doel, authenticiteit, vrede, waarheid, hoop en vreugde; een geïntegreerd, betekenisvol bestaan dat resoneert met onze beoogde aard.
Maar ik nam geen genoegen met dit antwoord. Dus ik vroeg verder:
Dat is goed, maar het is een lange lijst met veel dingen. Kun je van al die dingen die je hierboven hebt genoemd, die zich beperken tot één ding, één enkel ding dat mensen van het leven willen?
Interessant en verrassend genoeg was dit het antwoord:
Uiteindelijk is het waar de menselijke ziel het meest naar verlangt: volledig gekend en echt geliefd worden. Alle andere verlangens, zoals zingeving, authenticiteit, vrede, waarheid, hoop en vreugde, komen allemaal voort uit of leiden terug naar deze kernbehoefte. Volledig gekend en echt geliefd worden betekent dat iemand elk deel van wie we zijn ziet, met al onze onvolkomenheden, met onze angsten en dromen, en ons toch volledig omarmt. Het is de diepste bevestiging, verbondenheid en veiligheid die we ooit kunnen ervaren, en bevredigt het diepste verlangen van het menselijk hart.
Oef, ik moest even een stap terug doen tot ik me realiseerde wat ik net had gelezen en hoe ik daar was gekomen. Het was een ironisch moment. Zou het kunnen dat AI – een van de meest innovatieve ontdekkingen van ons leven – een van de grootste en meest rudimentaire dilemma’s van de mensheid heeft geïdentificeerd? Een machine, zo leek het, had verwoord waarom we ons in zo’n cultureel moment van ongeëvenaarde innovatie bevinden, samen met een groeiend gevoel van menselijke wanhoop.
Want we bevinden ons op een uniek punt in de geschiedenis, een ‘cultureel sleutelmoment – een bizarre tijd van tegenstellingen’, zoals John Mark Comer het verwoordde. Het is een tijdperk dat wordt gekenmerkt door de samenloop van schijnbaar uiteenlopende gebeurtenissen en een tijd van diepgaande contrasten.
Historische niveaus van digitale connectiviteit gaan hand in hand met een toename van ontkoppeling, eenzaamheid en wanhoop.
Een nieuwe culturele vloeibaarheid roepen felle tegenreacties op tegen historische aanspraken op rechten en normen.
Ik begrijp dat dit ‘moment’ voor sommigen juist iets veel minder ernstigs is. Het is gewoon een moment waarop het leven zich ontvouwt en doorgaat zoals het altijd is geweest. Maar wat als dit moment meer betekent dan slechts een vluchtige reeks voortschrijdende en contrasterende gebeurtenissen?
Waarom toch lijkt de mensheid, ondanks al deze vooruitgang en innovatie, er niet beter aan toe te zijn? Waarom voelt het allemaal nog steeds zo jammerlijk leeg aan?
Wat als deze realiteit ons de verantwoordelijkheid geeft om ons te verdiepen in deze contrasterende gebeurtenissen, en ons aanzet tot een nieuwe en misschien wel diepere vraag?
Victor Frankl citeerde in zijn bestseller De zin van het bestaan twee onthullende onderzoeken die – niet verrassend – overeenkomen met de antwoorden van ChatGPT. Eén daarvan was een onderzoek uit Frankrijk waaruit bleek dat 89 procent van de ondervraagden toegaf dat de mens iets nodig heeft om voor te leven, een doel dat groter is dan zijzelf. Gevraagd naar wat mensen ‘zeer belangrijk’ vonden; antwoordde maar 16 procent ‘veel geld verdienen’ terwijl 78 procent (!) zei dat hun doel was ‘een doel en betekenis in mijn leven te vinden‘.
Wat nou als onze constante zoektocht naar innovatie en vooruitgang, in plaats van verwondering te inspireren en een zielvolle verbinding te creëren, ons juist scheidt van een onbekend verlangen om echt gekend en geliefd te worden?
Voor velen wordt deze snelle, intense wisselwerking van vooruitgang en achteruitgang gezien als een onvermijdelijk gevolg van onze menselijke evolutie. Maar in de praktijk is het de enige manier waarop ware ontdekkingen en radicale doorbraken kunnen plaatsvinden. Het is echter duidelijk dat onze huidige culturele uitdagingen niet zullen worden beantwoord door dit voortdurende experiment. Meer vooruitgang is dus niet het antwoord.
Wat als, in onze supermoderne wereld waar hoop vaak onbereikbaar lijkt en wanhoop alomtegenwoordig is, een oud boek en een diepzinnig idee licht kunnen werpen op waar ChatGPT en Victor Frankl op doelen? De Bijbel spreekt consequent over Gods verlangen naar een relatie met ons, een verlangen om gekend en geliefd te worden, zodat Hij ons op Zijn beurt kan kennen en liefhebben.
Ons niet-aflatende streven naar constante verandering en ware innovatie weerspiegelt wellicht een diep, maar onontdekt innerlijk verlangen: een weerspiegeling van de beoogde tweerichtingsverbinding tussen God en mensen. Misschien komt de intensiteit waarmee we externe doelen van ontwikkeling en ontdekking nastreven voort uit ons onvermogen om een inherent, onuitgesproken dilemma binnen de mensheid op te lossen.
Zou de Bijbel, in een wereld gevormd door AI, ons kunnen dwingen de complexiteit van de wereld en onze plaats daarin onder ogen te zien en zelfs te begrijpen? Zou God AI – een hypergeavanceerd technologisch hulpmiddel – kúnnen gebruiken om onze aandacht op Hem te vestigen en ons de eeuwenoude waarheid te onthullen van waar we werkelijk naar verlangen? Is het, zoals ChatGPT kort samenvatte, echt zo eenvoudig?
Uiteindelijk is het waar de menselijke ziel het meest naar verlangt: volledig gekend en werkelijk geliefd te worden.
citaat toegeschreven aan Voltaire (Frans schrijver, filosoof en vrijdenker 1694 – 1778)
De moord op Charlie Kirk heeft veel mensen geschokt – ook mij. De afgelopen tijd organiseerde Kirk pop-updebatten op verschillende Amerikaanse universiteitscampussen. Kirk was een jonge, welbespraakte conservatief die zich waagde aan universiteitscampussen – over het algemeen linksgeoriënteerde, progressieve plekken – en zo het gesprek, het debat en de uitdaging aanging. Hij was eigenzinnig, provocerend, niet bang om impopulaire meningen te uiten, hij wekte vijandigheid op, maar leek dat zelf zelden te laten blijken. Geen vraag was taboe, hij leek respect te hebben voor degenen die hem aanvielen en hij maakte geen geheim van zijn christelijke geloof.
Nee, zijn mening was vaak niet de mijne. Zijn opvattingen over wapenbeheersing, over Israël en Donald Trump, bijvoorbeeld, staan mijlenver van mijne af. Maar het uitnodigen tot debat over controversiële kwesties, het proberen om de mening van anderen te veranderen door middel van discussie en redelijke argumenten, is de kern van het publieke debat en een goed functionerende democratie. Er zijn maar weinig plekken waar progressieven en conservatieven nog met elkaar praten en de debatten van Charlie Kirk op de campus waren er daar één van. Het is tragisch dat ze hem het leven kostten.
In onze tijd worden zulke gruwelijke daden meestal niet gepleegd door een geheime, politiek gemotiveerde kliek, maar vaak door een losgeslagen of misleide, zelfgeradicaliseerde eenling, beïnvloed door marginale groepen in de politiek of cultuur. Sirhan Sirhan die Robert F. Kennedy doodschoot, James L. Ray die Martin Luther King vermoordde, en zelfs (ondanks alle complottheorieën) Lee Harvey Oswald die John F. Kennedy vermoordde; In Nederland kennen we natuurlijk de moord op Pim Fortuyn of Theo van Gogh. De daders vallen allemaal in de categorie van eenzame, onevenwichtige mensen die doden vanwege een of andere wrok, soms losjes politiek gemotiveerd, maar meestal alleen handelend. Complottheorieën zijn verleidelijk, maar meestal ongegrond.
Vaak misbruiken mensen, en dus ook politici zulke daden voor het eigen gewin, zoals afgelopen bleek door de uitspraken van de Amerikaanse president. Het is verleidelijk wanneer zoiets allerlei bredere politieke en culturele lessen oplevert. En daar is de afgelopen dagen geen gebrek aan geweest. ‘Omdat ze zijn ongelijk niet konden bewijzen, vermoordden ze hem’, zo ging een cliché. Het probleem daarmee is dat ‘ze’ hem niet vermoord hebben. Eén jongeman – die nu gevangen zit – heeft dat wel gedaan. De suggestie dat elke linkse persoon in de VS of elders op de een of andere manier verantwoordelijk is voor Kirks dood, staat ironisch genoeg haaks op de duistere motieven achter deze daad.
Het is Jezus die uitlegt waarom: ‘Jullie hebben gehoord dat er lang geleden tegen de mensen is gezegd: “Pleeg geen moord, en wie moordt, zal terechtstaan.” Maar ik zeg jullie: “iedereen die boos is op zijn broeder, zal terechtstaan. Iedereen die zegt: ‘Dwaas! “ Je loopt het risico om door het hellevuur getroffen te worden.’
Dat klinkt hard. Want we vinden moord allemaal verkeerd, maar je geduld verliezen met een collega? Je buurman een idioot noemen vanwege op wie hij stemt?
Het gezegde wijst erop dat woede de wortel van moord is. En kijk om je heen, wat is er tegenwoordig veel woede.
Er zijn verschillende soorten woede. Er is de gloeiendhete, woedende soort waarbij je bloed kookt en je temperatuur stijgt. Toch kan die soort woede zich ontwikkelen tot een andere woede: een verharde, vastberaden kwaadaardigheid, een aanhoudende haat jegens de persoon die je woede in de eerste plaats heeft uitgelokt en een vastberadenheid om wraak te nemen, of om diegene voor eens en altijd het zwijgen op te leggen.
Wat beide soorten gemeen hebben, is de rode mist die neerdaalt en blijft hangen, waardoor je niet verder kunt kijken dan de vijandschap, een weigering om de menselijkheid in de ander te zien; het feit dat ze uiteindelijk een ‘broeder’ zijn, zoals Jezus het noemde; een blindheid voor de essentiële overeenkomst tussen jou en de persoon die je haat.
Moorden zoals deze hebben altijd plaatsgevonden, van Julius Caesar tot Abraham Lincoln, van aartshertog Frans Ferdinand, tot Yitzhak Rabin. En dat zal altijd zo blijven. Geen enkele politieke oplossing zal ooit de mogelijkheid uitwissen dat een gestoord of boos persoon het heft in eigen handen neemt om een ander mens te vermoorden, vooral niet iemand met politieke bekendheid.
Toch kunnen we iets doen. Wanneer we algoritmes bouwen die de sterkste en meest extreme standpunten aanmoedigen, een mediacultuur die ruzie en verdeeldheid benadrukt, weigeren de gemeenschappelijke menselijkheid te zien in mensen met wie we het oneens zijn, wanneer we de oppositie demoniseren en hen de schuld geven van alle maatschappelijke misstanden die we zien, zaaien we het zaad dat dit soort tragische gebeurtenissen mogelijk maken.
Een andere bedrieglijk eenvoudige wijsheid uit het Nieuwe Testament luidt: ‘Laat de zon niet ondergaan terwijl u nog boos bent, en geef de duivel geen voet aan de grond.’
Het is een goed advies. Ja, we zullen van tijd tot tijd boos worden. Maar laat het niet wortel schieten. Soms kan een zekere gerechtvaardigde woede iets goeds zijn maar dat is zeldzaam. Woede is gevaarlijk voor ons mensen. Het misleidt ons door te denken dat, omdat we denken dat we gelijk hebben – en dat zouden we best kunnen hebben – het ons de vrijheid geeft om verachtelijke dingen te doen. De kern van de christelijke wijsheid over woede is dat het Gods recht is om toorn te uiten. Onze woede, hoe gerechtvaardigd ook, heeft de neiging te verharden tot iets sinisters. Alleen God kan rechtvaardige woede in stand houden die werkelijk gerechtigheid brengt.
De juiste reactie op de moord op Charlie Kirk, de reactie die het christelijk geloof weerspiegelt dat zo belangrijk voor hem was, is niet om de schuld te geven aan een hele groep mensen, om hen te bestempelen, te demoniseren als de misleide jongeman die deze vreselijke daad beging, maar om de essentiële menselijkheid die we met onze vijanden delen, opnieuw te zien. Het is het actief cultiveren van een cultuur die terughoudendheid aanmoedigt in plaats van woede. Het is leren meedogenloos om te gaan met onze eigen neiging om wrok te koesteren, onze eigen diepgewortelde vijandigheid jegens degenen wier opvattingen we weerzinwekkend vinden. Het gaat erom racisme te haten, maar tegelijk racisten lief te hebben, misdaad te haten, maar crimineel lief te hebben.
Verstandig reageren betekent erkennen dat zelfs mijn vijand – of hij nu progressief of conservatief is – een mens is, geschapen en geliefd door God, een mede-zondaar zoals ik, en zoeken naar de dingen die we gemeen hebben, meer dan naar onze verschillen. Toen Jezus ons leerde onze vijanden lief te hebben, vroeg hij ons misschien iets buitengewoon moeilijks, maar het is het enige wat de soort kwaadaardigheid kan overwinnen die leidde tot de tragische dood van Charlie Kirk.
De importheffingen die Donald Trump op ‘Bevrijdingsdag’(Liberation Day) invoerde, hebben wellicht geleid tot scherpe schommelingen op de wereldwijde financiële markten, maar zijn acties op de markten enkele maanden eerder waren in sommige opzichten nog merkwaardiger.
Op de vrijdag voor zijn inauguratie als 47e president van de VS in januari verraste de Republikein velen met de lancering van de $TRUMP memecoin, die door zijn website werd omschreven als ‘de enige officiële Trump-meme’. De cryptomunt, waarin Trumps familiebedrijf een belang had, steeg in waarde tot meer dan $14 miljard in het daaropvolgende weekend.
Op zondag lanceerde Trumps vrouw Melania vervolgens haar eigen memecoin, $MELANIA, die een waarde bereikte van $8,5 miljard. Zelfs de dominee die sprak tijdens de inauguratie van de president lanceerde vervolgens zijn eigen memecoin.
Voor degenen die zich afvragen wat een memecoin precies is, u bent niet de enige. In het kort, het is een vorm van cryptovaluta – een activaklasse die op zichzelf al veel vragen heeft opgeroepen over de inhoud en het doel ervan – en die online virale momenten vertegenwoordigt. Ze hebben geen fundamentele waarde of bedrijfsmodel en hebben volgens de Amerikaanse effectentoezichthouder ‘doorgaans een beperkt of geen nut of functionaliteit’.
De munten van Donald en Melania Trump daalden vervolgens in prijs, maar hebben nog steeds een waarde van respectievelijk ongeveer $ 2,5 miljard en $ 214 miljoen, aldus de website CoinMarketCap.
Er bestaan nog veel meer munten. PEPE, gebaseerd op een stripfiguur kikker, heeft een waarde van ongeveer $ 3,6 miljard; BONK, een cartoonhond, heeft een marktkapitalisatie van $ 1,5 miljard; en PNUT, een verwijzing naar een eekhoorn die door de autoriteiten in New York is geëuthanaseerd en waarover Trump naar verluidt ‘opgewonden’ was (hoewel er sindsdien twijfels zijn gerezen over de betrokkenheid van de president bij de kwestie), wordt nog steeds gewaardeerd op ongeveer $ 174 miljoen, ondanks de scherpe prijsdaling.
Dogecoin, gezien als ’s werelds eerste memecoin en oorspronkelijk als grap bedacht, heeft een marktwaarde van ongeveer $ 25 miljard.
De bereidheid van sommige mensen om een ‘activa’ te kopen zonder nut of fundamentele waarde lijkt misschien vreemd voor meer traditionele beleggers. Maar het kan worden gezien als slechts één manifestatie van het speculatieve beleggersgedrag dat sinds het begin van de coronapandemie en, sterker nog, in bepaalde perioden door de geschiedenis heen zichtbaar is.
De prijs van bitcoin steeg onlangs boven de $ 100.000, ondanks dat veel beleggers het nog steeds als weinig tot geen waarde beschouwen Begin 2021 stegen de aandelen van GameStop – een verlieslatende Amerikaanse videogameretailer waartegen sommige hedgefondsen gokten – met maar liefst 2400 procent, toen particuliere beleggers zich massaal inschreven, veelal met als doel de short sellers van hedgefondsen pijn te doen De enorme stijging van AI en andere tech-aandelen in de afgelopen jaren – tot de recente volatiliteit als gevolg van invoerrechten – wordt door sommige commentatoren ook wel een zeepbel genoemd.
Of dergelijke episodes vergeleken kunnen worden met beruchte periodes van speculatieve manie uit de geschiedenis, hangt af van je standpunt (en kan vaak alleen achteraf beoordeeld worden) – of het nu gaat om de Nederlandse tulpenmanie (tulpenkoorts) uit de 17e eeuw, of de dotcomhausse en -crisis van eind jaren 90 en begin jaren 2000.
Maar het roept wel de vraag op wanneer beleggen als speculatie of zelfs als gokken beschreven moet worden? En wat is het goede en het kwade van al die activiteiten?
Gokken kan worden gezien als het riskeren van een inzet op bijvoorbeeld de uitslag van een kansspel of sport in de hoop op een hogere uitbetaling. Hoewel de uitslag vaak puur op toeval berust, kan in sommige gevallen een strategie of een onderzoekselement (bijvoorbeeld naar de vorm van een paard of een voetbalteam) worden gebruikt. Investeren daarentegen gaat meestal gepaard met een vermeend economisch nut en activa waarvan wordt aangenomen dat ze een onderliggende waarde hebben, en biedt de hoop op toekomstige winst (hoewel er ook tal van slechte investeringen zijn of investeringen die tot nul zijn gedaald). Hoewel een belegger erop voorbereid moet zijn de volledige inzet te verliezen, is een dergelijke gebeurtenis in sommige gevallen relatief onwaarschijnlijk (bijvoorbeeld als hij een fonds koopt dat de prestaties van een grote beurs volgt). Speculatie is moeilijker te definiëren, maar wordt over het algemeen gezien als een kortere termijn dan investeren, met een grotere kans op een grotere winst of verlies, en afhankelijk van prijsschommelingen. Terecht of onterecht heeft de term een negatievere connotatie dan investeren.
Nell-Breuning was een schrijver die de ethiek van deze activiteiten onderzocht. Tevens was hij een jezuïet, theoloog en econoom en adviseur was van de paus.
Hoewel hij vond dat ‘één algemene definitie niet alle nuances’ van speculatie kan omvatten, identificeerde hij twee verschillende soorten speculatieve activiteit: één die puur gericht was op winst maken met de handel op de financiële markten, en één die gebaseerd was op het proberen een levensvatbaar bedrijf op te zetten.
Nell-Breuning ontdekte dat speculatie positieve effecten kan hebben – denk bijvoorbeeld aan een betere liquiditeit en prijsvorming op een markt, terwijl speculanten op termijnmarkten voor grondstoffen producenten in staat stellen risico’s af te dekken.
Maar hij betoogde ook dat er negatieve effecten kunnen zijn, bijvoorbeeld als speculanten bedrijven in de reële economie dwingen hun plannen te wijzigen of tijd en middelen aan de productie te besteden.
En terwijl gokken doorgaans plaatsvindt binnen een kring van spelers die ervoor hebben gekozen om deel te nemen, kan speculatie, schreef hij, een groter deel van de samenleving beïnvloeden – bijvoorbeeld als het de koers van hun aandelen of obligaties beïnvloedt.
De Bijbel waarop Nell-Breunings analyse gebaseerd was hanteert geen voorschrijvende benadering van dergelijke activiteiten. Maar hij biedt wel interessante richtlijnen:
Een ondernemende benadering van zakendoen en investeren wordt geprezen, bijvoorbeeld wanneer Salomo in het boek Spreuken de deugden van ‘een voortreffelijke vrouw’ prijst. Deze deugden omvatten ook het investeren in een akker en het gebruiken van haar inkomsten uit het bedrijf om een wijngaard te planten, en het voeden van haar gezin met haar winst.
Ook Jezus vertelt een verhaal over een meester die, voordat hij op reis gaat, zijn bezittingen aan zijn dienaren geeft, ieder naar zijn vermogen. Aan de een geeft hij vijf talenten, aan een tweede twee en aan een derde dienaar één.
De eerste dienaar handelt met zijn talenten en verdient er nog eens vijf talenten bij – een winst van 100 procent – en wordt bij terugkomst door zijn meester geprezen. De tweede dienaar handelt ook en verdient op dezelfde manier nog eens twee talenten, waarvoor hij opnieuw geprezen wordt. Maar de derde dienaar, die bang is en denkt dat zijn meester ‘een hardvochtig man’ is, verstopt het geld in een gat in de grond. Híj wordt veroordeeld als ‘slecht en lui’ en krijgt te horen dat hij het geld op zijn minst op de bank had moeten zetten.
Hoewel Jezus’ verhaal in de eerste plaats gaat over hoe we Gods aard zien, hoe we onze door God gegeven talenten gebruiken en of we in geloof risico’s voor Hem kunnen nemen, is het ook moeilijk om investeringen en zelfs verstandige speculatie hier niet als deugdzame activiteiten te zien. Het geld op een bankrekening zetten is, in dit verhaal althans, meer een noodoplossing.
Maar de Bijbel waarschuwt ons er ook voor om geld niet boven alles in ons leven te stellen. De liefde voor geld is, zoals bekend, een wortel van allerlei kwaad, terwijl ons ook wordt verteld dat we tevreden moeten zijn met wat we hebben en dat ‘overhaast verworven rijkdom zal slinken’.
Nell-Breuning waarschuwt eveneens dat een ‘snel rijk worden’-mentaliteit, wanneer deze boven alles wordt gesteld, schadelijk kan zijn, en hij adviseert voorzichtigheid in situaties waarin de verleiding van grote winsten de speculant tot marktmanipulatie of fraude kan verleiden.
Zowel gokken als cryptohandel kunnen immers gevaarlijke en schadelijke verslavingen worden die behandeling behoeven. Uiteindelijk worstelde Nell-Breuning om tot een simpele conclusie te komen over de vraag of speculatie op zich moreel al verwerpelijk is. Het is, schreef hij, een oordeelsvorming voor de betrokkenen.
Bij het nemen van dergelijke beslissingen is het wellicht de moeite waard om zijn waarschuwingen – en die van de Bijbel – in gedachten te houden.
Van Henri Nouwen heb ik geleerd dat bidden eigenlijk niet iets is wat je erbij doet. Hij zegt: Bidden is niet een deel van je leven. Bidden ís je leven, als christen. Bidden kan zozeer deel worden van jezelf dat het wordt als ademhalen. Ja, dat is het! Bidden is het ademhalen van je ziel. Nouwen zegt het ergens heel mooi:
‘Volgens mij is bidden niet aan God denken in plaats van aan andere zaken of tijd doorbrengen met God in plaats van met anderen. Bidden is eerder: denken en leven ín Gods aanwezigheid.’
Bidden is nog iets anders dan een gesprek voeren met jezelf. Zeker, tot jezelf komen, jezelf onderzoeken. Dan hoort er zeker ook bij. Maar bidden is een voortdurende gerichtheid van jezelf af op God. Een voortdurende liefdevolle conversatie met God. Zoals dat zo mooi is verwoord in dat ene vers uit Genesis. En Henoch wandelde met God. Alles wat hij iedere dag meemaakte nam hij door en besprak hij met zijn hemelse vriend. In volstrekte openheid en eerlijkheid.
Bidden zonder ophouden, dat is niet iets wat je zomaar komt aanwaaien. We hebben als mensen van nature de neiging om juist hele stukken van ons leven af te schermen voor God. Daar zijn we dan voor onszelf begonnen en zoeken we het graag allemaal zelf wel uit. En naast onze eigen natuur is ook onze cultuur niet per se een gebedscultuur. We zijn vaak zo in beslag genomen en onder de indruk van de waarneembare wereld dat de werkelijkheid van de levende God naar de achtergrond wordt gedrongen. We hebben zo onze momentjes van gebed maar gedurende hele stukken van de dag en de week is er dan op geen enkele manier sprake van een blijvende verbinding met God. Ongemerkt leven we te vaak en te lang naar onze eigen inzichten en putten we uit onze eigen kracht.
Bidden is nooit vanzelfsprekend. Vandaag de dag niet en ook niet in de tijd van de Thessalonicenzen. En tot zulke mensen, zoals wij zijn, van huis uit geen geboren bidders, klinkt deze aansporing: bid zonder ophouden. Het gebed is Gods geschenk, juist aan mensen die vaak aan alle kanten langs Hem heen leven.
Gebed is de manier waarop God óns verandert. Vaak denken wij dat we door bidden Gods aandacht op ons kunnen richten. Maar bidden is Gods handreiking om ons te helpen om onze aandacht op Hém te richten. Het doel van bidden is niet in de eerste plaats dat God verandert. Het doel van bidden is eerst en vooral dat wij zelf veranderen. Tot mensen die zich leren richten op Hem en leven van zijn genade. En ja, dan kan God ook in ons leven en door ons heen op het gebed grote dingen doen.
Er zit in ons allen vaak iets van een zwoeger. Een doe-het-zelver, die bij zo’n tekst als bid zonder ophouden al snel kan denken: oké, geef eens wat tips, dan ga ik er mee aan de slag. Dat is niet wat deze woorden willen bewerken. Bidden zonder ophouden is niet iets dat je even op je eigen houtje kunt fixen. Je kunt je niet opwerken tot zo’n biddende levensstijl.
Je kent misschien het verhaal van die Russische pelgrim: Hij gaat op een dag een kerk binnen en wordt daar diep getroffen door juist dit vers uit 1 Thessalonicenzen 5: ‘Bid zonder ophouden’. Er groeit in zijn hart een sterk verlangen om te gaan doen wat deze woorden van hem vragen. Om te gaan bidden zonder op te houden. Maar hoe doe je dat? Hij zoekt in boeken en vraagt priesters ernaar maar niemand kan het hem uitleggen.
Tot hij op een dag een eenvoudige monnik ontmoet die het niet alleen weet maar ook zelf doet. Hij leert van die eenvoudige monnik om eenvoudigweg het Jezusgebed te bidden. Het is een gebed van één zin en dat begint hij te bidden:
Heer Jezus, Zoon van God, ontferm U over mij zondaar.
Eerst bidt de pelgrim dit Jezusgebed hardop, later in het hart. En langzaam wordt het iets van een tweede natuur. Hij draagt dat ene korte Jezusgebed als het ware op zijn adem mee. Op den duur komt dat ene gebed steeds opnieuw als vanzelf in zijn binnenste tot klinken. Zo leert hij wat het is om te bidden zonder ophouden.
Laat je je voor het eerst of weer opnieuw inschrijven op de school van gebed. En je toeleggen op bidden zonder ophouden. Je hoeft niets anders mee te brengen dan verlangen. Verlangen naar God. Augustinus zag het hartstochtelijk verlangen als het onophoudelijke gebed bij uitstek. Hij zegt:
Wij zijn niet in staat om voortdurend bewust tot God te spreken of onze handen op te heffen of neer te knielen. Maar het hartstochtelijke verlangen kan wel altijd in ons zijn. Wanneer je het bidden niet wil onderbreken, onderbreek dan het verlangen niet
Soms is het goed, wanneer de mens even moet wachten. Want wij mensen leven vaak veel te gehaast. Wij hebben geen tijd meer om te ‘wachten’, om even tot bezinning te komen, het even laten bezinken, tot inkeer komen en alles opnieuw op een rijtje te zetten. Zeker de grote dingen en beslissingen in je leven hebben een tijd van wachten, verwachten, nodig. Voorbereiding, bezinning, wikken en wegen. Zo wachtte Johannes de Doper in de woestijn en Jezus deed dat ook, veertig dagen lang. En Israël moest 40 jaar wachten, voordat zij het Beloofde Land mocht binnentreden. En Paulus moest na zijn bekering 6 jaar wachten in de Arabische woestijn. De woestijn is dus een wachtplaats, waar mensen zich zelf leren vinden en hun roeping en bovenal God Zelf! Het is goed voor een mens om even in de woestijn te moeten verkeren, letterlijk en figuurlijk. In het Koninkrijk van God zijn tijden en gelegenheden, maar ook wachttijden. Laten we daar maar eens op letten!
Maar ‘wachten’ hoeft niet te betekenen, dat je dan niets doet. Het is niet wachten op de trein of de bus. Met de handen over elkaar! Nee, je kunt in die tijd al vast vooruit lopen op wat er gaat gebeuren. Dat zie je hier bij de discipelen. Zij werden actief: ‘Zij gingen naar de bovenzaal, en daar bleven zij eendrachtig bijeen. (…) vurig en eensgezind wijdden ze zich aan het gebed.’ ten eerste springt het woord ‘eendrachtig’ er uit. Allemaal zijn zij verdrietig, allemaal hebben zij troost nodig, allemaal hielden zij zoveel van de Heer. En dat verbindt hen, maakt hen eendrachtig. Zij denken niet meer aan zichzelf, maar aan de Meester en hadden daarin ook oog voor elkaar, voor elkaars verdriet. Eén gevoel leeft er in ieders hart, éénzelfde gemis houdt hen samen, éénzelfde hoop houdt hen staande: de vervulling van de belofte van de Vader. Zij denken aan het afscheidswoord van de Heer: ‘Ik zal u niet als wezen achterlaten, zie, Ik kom tot u!’ Zo voelen zij zich ook, als wezen, Daarom – ten tweede – volharden zij zo in het gebed: zij bleven bidden dat de Heiland maar weer tot hen mag komen! En zo wordt ook het verlangen in hen gewekt, het verlangen naar de Geest, die Jezus beloofd had. De Trooster, Die hen in alle waarheid zou gaan leiden. Wat hadden zij Die nodig! Want, eerlijk gezegd, zij begrepen er niet veel van. Er zou ook aan de discipelen nog heel wat uit te leggen zijn. Ook daar hadden zij de Heilige Geest voor nodig. Net als wij. Die Geest moet ons de woorden van de Heiland indachtig maken en ook Zijn daden en wat er met Hem is gebeurd. Daar moeten ook wij om bidden. Eendrachtig, ja, alle kerken en gelovigen met elkaar!
Zwolle, Sassenstraat 5 ‘Hij weet niet wat hij verliest, die het tijdelijke voor het geestelijke kiest. Als het komt op en scheiden, soo heeft hij geen van beiden’
Lopend door mijn eigen stad, Zwolle, kom je nog weleens gevelstenen tegen met een afbeelding of een opschrift zoals de bovenstaande.
Je zou dit opschrift ook zo kunnen vertalen:
‘Wat baat het een mens als hij de hele wereld wint, maar zijn eigen ziel verliest?‘
Het blijft toch een enorme aantrekkingskracht hebben: macht en (extreme) rijkdom. Maar mijn eerste gedachte is dan dat mensen mensen zijn, en dat rijkdom niet al onze problemen oplost. Er is in feite veel meer armoede, zowel fysiek als spiritueel, dan op het eerste gezicht lijkt.
‘Wat baat het een mens als hij de hele wereld wint, maar zijn eigen ziel verliest?’ Het lokt ons streven uit: degenen met weinig en zij met veel. Wij denken vaak dat meer meer beter is. Onze maatschappij voedt de strebers op, en in die jacht op rijkdom beweren sommigen dat zo onze maatschappij zijn ziel verliest.
De maatschappelijke ratrace heeft je geld afgepakt, of je gedwongen om meer om geld te geven dan je anders zou hebben gedaan. Met andere woorden: de wereld veroveren betekent je ziel verliezen.
Maar zelfs die indicatoren van mainstream rijkdom en een eigen versie van cool zijn onzeker, want economische turbulentie brengt zomaar ook de veronderstelde fundamenten van rijkdom aan het wankelen. Rijkdom heeft een diepere basis nodig dan geld. En de ziel heeft een warmere basis nodig dan coolness. Men is op zoek naar oppervlakkige liefde dat is wat het menselijk hart echt, echt wil. En veel mensen denken dan: ‘weet je, als ik het geld heb en ik koop de spullen, dan krijg ik meer liefde.’
Rijkdom, en ik zou zeggen coolness, zijn bemiddelaars voor deze liefde.
Als christen zou ik zeggen dat zorgen voor de ziel betekent je openstellen voor een liefde die veel rijker is dan wat er aan de oppervlakte is. Onze innerlijke vastberadenheid in wat ons drijft en waar we ons aan wijden, weegt veel zwaarder dan de uiterlijkheden van het leven.
Ik heb mensen gezien die verblind waren door hun eigen rijkdom en anderen die er totaal niet van onder de indruk waren. En hoewel de meesten van ons graag zelf zouden willen ontdekken dat rijkdom een bedrieger is, zijn zowel rijkdom als coolness irrelevant wanneer de kist in de grond zakt.
In de Bijbel kom je in Mattheüs 19 een verhaal tegen dat goed aansluit bij de levenswijze van sommige mensen in onze tijd: Toen een rijke jongeman, overtuigd van zijn eigen goede leven en waardigheid, Jezus de rug toekeerde, was hij verdrietig en hield hij vast aan zijn rijkdom. Maar de ogen die op hem gericht waren, hielden nog steeds van hem.