Uncategorized


 

De mens heeft issues met grenzen.
Als we iemand grensdoorbrekend, grensverleggend noemen
bedoelen we dat als een compliment.
We leven liefst in een land van onbegrensde mogelijkheden.
Life-coaches vertellen je op hun websites en blogs:
Er zijn geen grenzen.
Alleen die je jezelf oplegt. Grenzen zijn illusies.

Dat grenzeloze mateloze zit ook wel in onze manier van leven.
De drang om steeds iets anders, nieuws, hogers, meer en beters te willen.
Iemand noemde dat: perfectieterreur, opgelegd geluk.
De versnelling van alles lokt uit tot meer en te veel doen in dezelfde tijd.
Het hiernamaals is praktisch uit beeld verdwenen
dus alles moet in dit ene leven worden gepropt.
YOLO, zeggen we dan: you only live once.

En er zit natuurlijk een waarheidselement in.
We kunnen onszelf en elkaar klein houden.
Zo druk in de weer zijn met muurtjes en grenzen,
met verwachtingen en conventies
dat we onszelf en elkaar kortwieken en we nooit echt de vleugels uitslaan.
Dat leidt tot een verkrampt, geremd, benepen leven.
Weer soms nog maar weinig vrijheid en spanning in zit.
En er kan vroeg of laat dan een moment komen
dat ineens de remmen los gaan en je losbreekt uit je kooi.

Maar als de mens zijn grenzen overschrijdt
kan dat negatieve impact hebben op de schepping.
De schepping zucht natuurlijk ook doordat we niet duurzaam leven
en te veel consumeren
wanneer we bossen omhakken zonder nieuwe aanplant aan te brengen.
Of de atmosfeer zo vervuilen dat ze niet meer kan absorberen.
Maar er is ook een bredere impact.
Van wie wij zijn en de keuzes die wij maken.
Grenzen overschrijden is als het kapot maken van een draad in een web van een spin.
Dat ontwricht het hele web.

Ik bedoel niet te zeggen dat natuurrampen altijd rechtstreeks te linken zouden zijn
aan menselijk gedrag en bijvoorbeeld een oordeel of straf is
voor wie erdoor worden getroffen.
Wat ik wel bedoel is dat we de oplossingen voor de milieucrisis
niet alleen gaan oplossen met onderwijs en wetenschap.
Of alleen met voorlichting en bewustwordingscampagnes.
Er ligt een dieper moreel, geestelijk probleem onder.
Wat echt nodig is is een verandering van ons hart.

Waar ben je, roept God.
Waar ben je, het betekent hier: wat bezielt je?
Waar ben je mee bezig? Waar ben je in verstrikt geraakt?
Wat is er met je mens?

God wandelt door de wereld steeds op zoek naar de mens
die zo geneigd is zich in de nesten te werken.
In iedere generatie zoekt hij naar mensen om een verbond mee te sluiten.
Mensen die de schepping willen dienen en bewaken.
Mensen die de grenzen weer in ere herstellen.
Mens, waar ben je, die roep klinkt door de hele schepping heen.
In Romeinen 8, 19 lezen we:
de schepping ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen zijn.
Een paar verzen daarvoor lezen we:
U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven.
U hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn.
De schepping ziet reikhalzend uit naar mensen
die de geest van het zoonschap met zich mee dragen.
En steeds meer leren hun verantwoordelijkheid te nemen.
Mensen, die de stem horen roepen: waar ben je?
En dan uit hun schaamteboom tevoorschijn komen en zeggen:
Heer, hier ben ik, leer mij uw wil te doen.

 

Het gebruik van het woord ‘u’ neemt af in de samenleving,
en het gebruik van ‘jij’ komt er voor in de plaats.
Ik heb er geen cijfers over, maar de tendens is onmiskenbaar.
Wie zei er twee generaties terug jij tegen de juf, of Piet tegen je baas?
Of als ik in mijn eigen leven kijk:
ik moest u zeggen tegen mijn ouders, maar mijn neven nichten zeggen jij
(tegen mij dan, en ook tegen hun ouders…)
Is het erg, zo’n verandering?
Er zijn wel mensen die het een teken vinden van verloedering en verlies van respect.
In sommige gevallen kan dat zo zijn,
maar ik denk dat het te kort door de bocht is om zo meteen in het negatieve te schieten.
In heel veel talen is er niet eens een verschil tussen u en jij!
Denk aan het Engels, daar is iedereen ‘you’.
Belangrijker is waar het verschil tussen ‘u’ en ‘jij’ voor staat.
Daar las ik iets belangrijks over: vroeger was ‘u’ een uiting van respect,
nu is het veelal een uiting van afstand geworden.
Ik denk dat dat waar is.
Tegen je manager mag je ‘jij’ zeggen, tegen een vreemde zeg je ‘u’,
ook al is hij niet hoger in rang.
Dit verklaart ook meteen waarom kinderen geen ‘u’ meer zeggen tegen ouders:
die zijn vertrouwd, niet vreemd.
Wat dat betreft is er iets opvallends.
Nederlandse gelovigen spreken vanouds God aan met ‘U’,
als uiting van respect.
In andere talen die een beleefdheidsvorm kennen,
gebeurt dat echter niet! Duitsers zeggen ‘Du’
en Fransen ‘Tu’ tegen de Allerhoogste.
Als je dat voor het eerst hoort, komt het even vreemd over.
Het geeft een gebed echter wel iets vertrouwds.
Hij is nabij, niet een hoogste instantie ver weg!
Wat dat betreft is het Nederlandse ‘U’
tegen God in gebeden eigenlijk minder passend in onze tijd.
Het straalt meer en meer niet alleen respect uit, maar ook afstand.
Voortaan dan maar ‘Jij’ zeggen als ik bid?
Toch voelt dat niet helemaal goed.
Om maar te zwijgen van de reacties die ik zou krijgen
als ik het in de kerk wilde invoeren…
Lastig, dat ‘u’ en ‘jij’.
Toch maar Engels gaan spreken allemaal?

 

Deze gelijkenis zegt namelijk ook iets over het leven.
Letterlijk zijn de gelijkenissen die Jezus hier,
aan het einde van het evangelie vertelt,
gelijkenissen van het Koninkrijk.
Het leven zoals God het bedoelt, het leven zoals het zou moeten zijn,
kunnen zijn, wordt door Jezus getekend in verhalen
die uit het leven zelf gegrepen zijn.
Verhalen die ieder begrijpen kan,
maar die toch ook weer verborgen diepten hebben.

Hoe dan ook,
de gelijkenis van de talenten is het verhaal van het vertrouwen
dat de heer (de Heer) in zijn mensen stelt.
Ieder naar wat hij of zij aankan.

Waarom groeit het bezit van de eerste twee knechten?
Omdat zij er mee de wereld in gaan.
Omdat zij zich onder de mensen begeven;
handel en wandel en wat al niet meer – het wordt verder niet uitgelegd.
Maar vertrouwen groeit als vertrouwen wordt gedeeld.
Zo is het menselijk leven.
Samen kun je meer; kun je meer dan je dacht aan te kunnen.

Dat doet die derde nu juist niet.
Hij durft de deur niet uit.
Hij begraaf het bezit en kruipt zelf het liefste weg.
Hij blijft alleen, verlegen met zijn bezit,
vertrouwen dat niet wordt gebruikt,
maar omslaat in wantrouwen en angst.

Je krijgt niet meer dan wat je aankan.
Of dat altijd zo is?
Het is moeilijk, eigenlijk onmogelijk,
om dat in zijn algemeenheid te zeggen,
laat staan dat jij dat voor een ander invult.
Misschien kun je het zo zeggen:
het is niet altijd dat je krijgt wat je aankan,
maar het is vaak wel: wat je krijgt, dat kun je aan.
Dat ontdek je pas gaandeweg en achteraf.
Maar dan moet je wel durven gaan.
De derde knecht kan dat niet.
Hij wordt verlamd door angst.
Zo jammer. Tandenknarsend.

Daarom is de boodschap:
Laat je niet verlammen door de angst.
Vertrouw op de Heer, die jou zijn vertrouwen geeft.
Hij weet wat jij aankan.
Hij ziet altijd meer in jou dan jij van jezelf geneigd bent te denken.

Durf daarop te vertrouwen.
Dan zal jouw vertrouwen zich vermenigvuldigen,
in het contact met anderen,
in de zorg en wederzorg,
in hoe mensen voor elkaar bestaan en elkaars bestaan verlichten, verrijken.

Jullie zullen horen dat er oorlog is, of dat er oorlog komt. Maar je moet daar niet van schrikken.             Want dat moet allemaal gebeuren, maar het is nog niet het einde.

Mattheüs 24 : 6

 

De oorlog in Oekraïne is al enige tijd bezig.
En de gebeurtenissen volgen elkaar snel op.
Hoe zal Oekraïne eraan toe zijn, als u dit leest?
Ook de Europese verkiezingen draaien onder andere om dit thema.
Hoe kan Europa zich weren tegen een oorlog en desinformatie.

Over één ding is de Bijbel duidelijk:
oorlogen zijn tekenen van het naderende einde van de wereld.
De profeten zeiden het al en Jezus, de ware Profeet,
zegt het ook in zijn rede over de laatste dingen.
Oorlog betekent heel veel.
Leugenachtigheid, verraad, haat, onderdrukking, vernietiging, moord.
En dat in massale vorm.
Het is de terugkeer van de chaos
en de verdwijning van de mogelijkheid
om te leven en samen te leven.
Het is de vernietiging van Gods goede schepping
door de totale uitbraak van het kwaad.
Maar hoe erg ook, het kan niet anders.
Het zijn de laatste consequenties van de in de zonde gevallen
en van God afgevallen mensheid,
die voor die val en afval de verantwoordelijkheid
en het oordeel moet dragen.
Blijkbaar moet dat.
‘Want dat moet allemaal gebeuren.’
Hoe onbegrijpelijk ook.
Het is de weg van Gods gerechtigheid.
Tot het einde toe.

Een oorlog maakt je vreselijk angstig.
Ieder moment kan de dood en verderf zaaiende bom op jou vallen.
En een bericht over een oorlog geeft al onrust.
Je denkt aan de doden, gewonden, hongerenden, daklozen, vluchtelingen.
Mensen zoals jij.
Hoe dichter bij het is, hoe meer onrust het geeft
en helemaal als het je eigen volk betreft.
Wie te midden van luchtalarm, geluiden van bominslagen,
in puin geschoten flats leeft, kan niet anders denken dan:
dit is het einde.
Het definitieve einde van alles.

Maar ’weest niet verontrust, dit is het einde nog niet.’
Bij God is het einde het nieuwe begin.
De herschepping van alle dingen.
Zijn Rijk van vrede en gerechtigheid.
Oorlogen zijn de geboorteweeën van de nieuwe tijd.
Het einde van Jezus, zijn dood aan het kruis
als veroordeelde misdadiger,
was het nieuwe begin: zijn opstanding.
Dat is de garantie dat het einde niet een oorlog is,
maar de vrede, niet de dood is, maar het eeuwige leven.
God belooft Zijn toekomst voor Zijn kinderen,
die in Jezus de Verzoener van hun zonden zien.
Dat is het einde.
Het einde is goed bij Hem.
Kijk niet vreemd op van oorlogen.
Wees dus niet verontrust en angstig.
Maar houd moed, houd hoop.
Hoop op Hem, die de Alfa en de Omega is:
het begin en het einde.

Voor de fijnproevers, oftewel de ‘uitverkorenen’.

 

Ieder kreeg wat hij aankon.
Maar het teleurstellende is dat de derde knecht dat toch niet aandurft.
Het gaat natuurlijk om die derde.
Hij geeft zelf het antwoord. Hij handelde uit angst.
Of beter, uit angst durft hij niet te handelen.
Hij kiest voor de veilige oplossing.
De derde knecht is er verlegen mee.
Wat hem is toevertrouwd, wordt nooit zijn hart en ziel.
Hij wil er eigenlijk het liefst zo snel mogelijk van af.
Van de andere twee staat dat zij op weg gingen
met het talent dat ze ‘ontvangen hadden’.
Het was een deel van hun leven geworden.
Het vertrouwen dat de heer in hun stelt,
geeft hen kracht en zelfvertrouwen,
dat ze er iets van kunnen maken.
Het geschonken vertrouwen doet hen groeien
en dan groeit het vertrouwen ook.
Van de derde staat er veelbetekenend dat hij besluit
‘het geld van zijn heer’ te begraven.
Het is nooit van hemzelf geweest.
Hij durft het vertrouwen dat de heer in hem stelde niet toe te laten.
Hij blijft gevangen in de angst.
Daarom verbergt hij het in de aarde, zoals je een dode begraaft.
Vandaar ook dat er bij de afrekening staat: ‘hier hebt u uw talent terug’.
Het is nooit iets van hem zelf geworden.
De angst regeert zijn leven;
blokkeert hem zodat hij vergeet te handelen.
Apathisch.

Nu blijf ik eerlijk gezegd moeite houden met dat slot.
Angstige mensen moet je juist niet gaan dreigen en straffen;
dat werkt eerder averechts zou ik denken.
Het wringt ook met het beeld van de heer
die vol vertrouwen met zijn mensen omgaat.

De andere kant is dat die strenge reactie
misschien een beeld is van de diepe teleurstelling,
die dus voor ons een waarschuwing is.
Laat je niet leiden door angst; heb vertrouwen;
durf daarvan te leven.
Je kunt altijd meer dan je zelf dacht aan te kunnen.

 

Ligt het ook niet een beetje aan die heer zelf?
Waarom maakt hij dat onderscheid?
Doet hij ook aan oneerlijke verdeling?
Dat zou je denken,
maar bij het begin staat meteen al iets waar we makkelijk over heen lezen,
dat een aanwijzing geeft, waarom die heer het zo verdeelt.
Er staat dat hij ieder geeft, naar wat hij aankon.
Dat betekent:
Hij houdt rekening met ieders kunnen en stelt dáár de verdeling op af.

Niemand wordt overvraagd.
Ieder krijgt zijn deel.
Alle drie worden op dezelfde manier behandeld,
ook al krijgen ze ieder wat anders in beheer.
Alle drie krijgen ze het vertrouwen van hun heer,
en daar gaat het om.

Het is niet zo belangrijk dat de één meer krijgt dan de ander;
het beslissende is het vertrouwen dat de eigenaar in zijn dienaren stelt.
Hij vertrouwt hun zijn bezit toe
Hij geeft als het ware zichzelf uit handen
ieder naar wat hij aankon.
Hij kent immers zijn personeel.
Hij weet wat hij aan ze heeft.
Hij weet wat ze wel en niet aan kunnen.

Daarom is de teleurstelling aan het einde ook zo groot,
als die derde dienaar met datzelfde ene talent
dat hij gekregen heeft aan komt zetten.
De heer wordt zo kwaad dat hij hem dat weinige ook nog afpakt.
Ja, het wordt nog bonter,
hij wordt een nutteloze dienaar genoemd.
‘Gooi hem eruit, in de uiterste duisternis, waar men jammert en knarsetandt’.
Is dat niet zwaar overdreven?
Had dat niet anders gekund?

De teleurstelling moet wel diep zitten.
Of misschien moet je zeggen,
die heftige reactie laat zien dat het niet iets onschuldigs is wat hier gebeurt.
Is de heer zo boos,
omdat hij dacht dat hij zijn mensen kende
en nu moet ontdekken dat hij zich toch heeft vergist?
Heeft hij het zelf verkeerd ingeschat en is hij daardoor geïrriteerd geraakt?

Daar kun je je ook iets bij voorstellen, maar daar zegt het verhaal niets over.
Als je er langer naar kijkt, dan blijft er altijd meer te raden over

 

Het is oneerlijk verdeeld in de wereld.
Daarmee vertel ik u niets nieuws.
Het is oneerlijk verdeeld, als je kijkt naar rijk en arm, zeker wereldwijd.
De één baadt in weelde;
de ander weet nauwelijks hoe hij de dag van vandaag door moet komen,
laat staan de dag van morgen.

Het is oneerlijk verdeeld, ook als je dichter bij huis blijft.
Het leven lacht de één toe: goede baan, mooi huis, succesvolle kinderen,
noem het maar op – tenminste, dat is de buitenkant die we zien.
Maar toch…
De ander, ach dat is zo’n gezin, daar is de ene ellende na de andere,
gezondheidsproblemen, kinderen met een rugzakje,
twaalf ambachten dertien ongelukken, er is altijd wat.
Zorgen genoeg, en dan komen er soms ook nog de zorgen van anderen bij;
want dat lijkt elkaar soms aan te trekken.

Het is oneerlijk verdeeld.
Dat geldt eigenlijk in voor deze gelijkenis.
Meteen al vanaf het begin.
Een heer gaat voor lange tijd op reis
en draagt het beheer van zijn bezit over aan zijn personeel.
De één krijgt vijf talent – dat is een bepaald bedrag;
de ander drie en de derde één talent. Oneerlijk verdeeld, zou je zeggen.

Ja, de één heeft nu eenmaal meer talenten dan de ander.
Of moet je zeggen, we hebben allemaal talenten gekregen,
maar wel verschillende?
Bij ons is het woord talent gaan betekenen,
een bepaalde begaafdheid die je hebt meegekregen.
De één is nu eenmaal muzikaal, de ander is handig
allemaal talenten die ik bijvoorbeeld mis.
Maar ik kan weer andere dingen.
Iedereen heeft een talent, en dan zeggen wij:
je moet je talenten ontwikkelen.
Woekeren met je talenten.
Dat komt letterlijk bij deze gelijkenis vandaan.

Dat mag zo zijn, toch klopt dat niet helemaal.
Want talent betekent hier, zoals ik al zei,
een bepaald bedrag aan geld, nog preciezer een bepaald gewicht.
Talent is een Bijbelse gewichtsmaat.
De heer verdeelt zijn bezit en geeft het in beheer, voor de tijd dat hij weg is.
Hij vertrouwt het toe aan zijn personeel.
Dat is de betekenis van de talenten.
Het staat voor het vertrouwen dat de heer schenkt aan zijn personeel.

Maar dan blijft dat het oneerlijk verdeeld wordt.
De één vijf, de ander twee, de derde maar één.
En als aan het einde de heer weer terugkeert
en verantwoording vraagt,
dan is het verschil nog groter geworden.
De eerste heeft er tien van gemaakt, de tweede vier.
Beiden hebben ze het bezit verdubbeld.
De derde heeft er niks mee gedaan.
Uit angst heeft hij het begraven,
zodat hij het ongeschonden maar ook ongebruikt aan zijn heer terug kan geven.
‘Ik heb er toch goed op gepast?’
Maar daar komt hij dus niet mee weg.

Pinksteren

 

Wat is de overeenkomst tussen water en vuur?

Niets, zou je zeggen, het zijn absolute tegenpolen.

Of wat hebben water en olie met elkaar?

Ook niets zo op het eerste gezicht, ze mengen zich niet.

Toch zijn deze dingen allemaal symbolen van de Geest van God.

De Heilige Geest wordt in Bijbel en traditie

op allerlei manieren symbolisch weergegeven.

Dat moet ook wel, wat ja, hoe moet je je anders een ‘geest’ voorstellen?

Zonder beeldtaal lukt het niet!

Gelukkig reikt de Bijbel ons allerlei mooie symbolen aan.

Gods Geest als een duif, die neerdaalt van omhoog.

Als wind die waait en frisse lucht brengt, en dus als water, vuur of olie.

Water dat nodig is om te leven, dat de natuur fris en groen maakt.

Vuur staat voor enthousiasme, ergens ‘in vuur en vlam’ voor staan.

En olie staat voor toegewijd worden aan God,

zoals in de Rooms-katholieke kerk nog steeds gebeurt,

bijvoorbeeld bij het vormsel.

Alles bij elkaar geven deze symbolen tóch een beeld.

Niet zozeer van wat de Heilige Geest ís, maar van wat Hij doet.

Met Pinksteren vieren christenen dat de Geest van God gekomen is.

Jezus ging weg, dat gedenken we met Hemelvaart,

maar met Pinksteren kwam de ‘vervanger’: God als Geest.

Onzichtbaar en ontastbaar, maar toch aanwezig.

Zelfs nog dichterbij dan toen Jezus op aarde was.

God komt met zijn Geest ín ieder die gelooft.

Een intieme band ontstaat tussen een mens en zijn God – dát is Pinksteren.

En dan ga je ervaren hoe passend

al die symbolen zijn die ik hierboven noemde.

Je wordt enthousiast voor het leven met de Heer

alsof er een vuur is ontstoken!

Er waait een frisse wind in je leven, je durft dingen te veranderen.

Het is alsof er fris water op je innerlijke tuin regent, zodat je opbloeit!

Is dat niet heerlijk?

Pinksteren is een feest van ervaring, van gevoel.

Want geloof is niet slechts iets wat je aanneemt met je verstand,

nee, het is een levensveranderende ervaring.

Die ervaring wens ik u allen toe.

Goede Pinksterdagen gewenst!

 

Thomas van Aquino,

de grote filosoof en theoloog uit de 13e eeuw

voegde aan de vier klassieke deugden,

drie ‘theologale’ of goddelijke deugden toe:

geloof, hoop en liefde.

Die drie deugden komen

uit de eerste brief van Paulus aan de gemeente in Korinthe.

Daar schrijft Paulus

‘Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie,

maar de grootste daarvan is de liefde’ (1 Korintiërs 13,13).

De grootste, de belangrijkste is de liefde,

en met die deugd zullen we deze serie dan ook afsluiten.

Geloven is volgens Thomas

een gerichtheid op het ultieme goede, op Gód.

Maar geloof is volgens hem ook een geschenk,

een genadegave van God.

God is oorsprong en doel en zin.

We zijn van nature gericht op het goede,

maar dan wel het goede voor onszelf.

Het gaat er om dat wij ons richten op het goede

voor de gemeenschap.

Er is een kracht of een impuls buiten onszelf nodig

die ons richt op dat goede dat ons overstijgt.

« Vorige paginaVolgende pagina »