Uncategorized


Witte Donderdag

 

Iemand die begint om jouw voeten te wassen, komt dicht bij je.
Iemand komt jou je voeten wassen en dat moet je laten gebeuren.
Je hebt niet zelf meer de controle.
En je wilt graag de mens zijn die zelf handelt, die actief is.
Zelf handelen, zelf bepalen wat er gebeurt geeft je een gevoel van controle.
Jij bepaalt wat er gebeurt met je lichaam,
jij bepaalt wat er gebeurt met je leven.
Maar nu moeten de leerlingen toelaten dat Jezus hen aanraakt
en zoiets volstrekt ongewoons als het wassen van voeten bij hen doet:
Hij de leraar, de meester stelt zich op als dienaar.
Ook daar kunnen ze niet in ingrijpen, dat moeten ze ondergaan.
Als het mij was overkomen,
ik zou er zeer ongemakkelijke en verkrampt bij gezeten hebben.

Petrus – altijd Petrus – probeert er nog een eigen draai aan te geven.
Hij probeert meteen weer het initiatief te grijpen.
Hij probeert terug te komen in de rol van handelende en controlerende mens.
Hier vindt een reiniging plaats, denkt hij,
o, maar dan moeten ook mijn handen en mijn hoofd, roept hij.
Maar nee, Jezus wijst hem terug,
Petrus moet deze voetwassing ontvangen.
‘Alleen als je dit toelaat, kan je bij me horen’ zegt Jezus.

In het evangelie van Markus lees je hoe een vrouw olie uitgiet over het hoofd van Jezus.
Dat heeft iets van wijding en heiliging – een priester of een koning worden gezalfd –
en het heeft ook iets begrafenisachtigs,
want een dode wordt gezalfd om hem nog even de geur van het leven te laten houden.

In het evangelie van Johannes, wordt Jezus ook gezalfd.
Alleen in het evangelie van Johannes wordt niet zijn hoofd,
maar worden zijn voeten gezalfd.
Een vrouw zalft zijn voeten.
En in een intiem gebaar van liefde
droogt ze de voeten van Jezus met haar eigen haar.
De vrouw zalft hem – ze maakt hem de gezalfde, de Christus –
en ze bereidt hem voor op zijn begrafenis.
Als Jezus de voeten van zijn leerlingen wast,
dan doet hij iets soortgelijks als de vrouw aan hem heeft gedaan.
Hij geeft iets van wat met die zalving te maken heeft door.
Het is wel net anders, maar het staat in dezelfde lijn.

Jezus wast de voeten van zijn leerlingen.
Eigenlijk wast hij onze voeten.
Hij geeft ons op die manier iets van zijn zalving door,
hij betrekt ons bij zijn gang naar het kruis.
‘Als je dit toelaat, kan je bij me horen’ zegt Jezus.

Soms kom je op je eigen weg van lijden.
Je verliest een baan, je verliest gezondheid, een geliefde van je sterft.
Je kan je leven dan onaangedaan vervolgen.
Er gebeuren nu eenmaal nare dingen, maar ja, die gebeuren nu eenmaal.
‘Shit happens’.
Je parkeert ze, kadert ze in, dat was het en je gaat verder.
Je doet alsof er verder niets aan de hand is.
En dat vind je mooi want op die manier houd je je leven in je hand,
blijf je de mens die je was.

Maar je kan er ook anders in staan. Je kan het ook toelaten.
Het verdriet, het lijden het ongeluk in je leven
is niet iets dat geparkeerd staat,
je kan het toelaten als onderdeel van je leven.
Als iets wat ook bij je leven hoort.
Niet van: dat hoort nu eenmaal bij het leven.
Nee, in al zijn vreselijkheid hoort het bij jouw leven.
Is het daar onderdeel van geworden.

Maar het staat er niet alleen.
Het is onderdeel van het leven van Christus geworden.
Hij heeft je betrokken bij zijn gang naar het graf.
Hij heeft jouw voeten gewassen,
Hij heeft ze gewikkeld in zijn linnen doodsdoek
en je hebt het toegelaten.
Je bent met hem mee gegaan in zijn gang.
Oké, net even anders, het is niet jouw kruisiging,
maar je hebt in je eigen leven je eigen portie wel en dat is genoeg.

Jezus nodigt je uit, om jouw verdriet en de moeilijke dingen van jouw leven
te zien als iets dat te maken heeft met zijn lijden.
Het is jouw manier om zijn kruis te dragen
en zijn lijden is zijn manier om jouw kruis te dragen.
Hij nodigt je uit om jouw verdriet te zien
als iets dat net als zijn dood en lijden bij God terecht komt.
Met de belofte dat hij het verzorgen zal,
dat hij je vernieuwen zal als een mens van pijn en een mens van verdriet,
maar wel als Zijn mens, hersteld, herrezen.

En zoals het is tussen Christus en jou, zo is het tussen ons, als zijn leerlingen.
Wij gaan met elkaar om in de geest van dit voeten wassen.
Hij wast onze voeten en wij wassen de voeten van een ander.
We gaan met elkaar om in deze geest van dienstbaarheid.
En in het besef dat we elkaar zo betrekken
bij de gang van Christus door de dood en naar het leven.
Dat we zo elkaar dragen naar het leven.

 

In de naam Israël zit iets dubbels.
De Bijbelschrijver mag dan wel vertellen
dat de naam betekent dat Jakob strijdt met God en mensen.
Maar taalkundig betekent Israël: Gód strijdt.
God strijdt voor en met Jakob.
Dat is het diepste geheim van de zegen die Jakob ontvangt.
Dat dubbele zat wellicht ook al in in zijn eerste naam Jakob.
Die vertalen we doorgaans als hielenlichter, bedrieger
en dat is ook wat Bijbelschrijvers doen.
Maar die naam kwam in oude Semitische talen vaker voor
in verschillende varianten op Jakob of Jakob-El,
steevast afgeleid van het werkwoord beschermen.
Dat zou betekenen dat ook in deze naam al de betekenis schuilgaat
van ‘moge God hem beschermen’ of ‘God heeft hem beschermd’.

De kern van het gevecht bij Pniël is dat Jakob Ezau leert loslaten.
Zodat hij innerlijk echt vrij is voor God.
De volgende dag geeft hij Ezau letterlijk zijn zegen terug
en gaat hij nu heel bewust echt zijn eigen pad.
En als alles achter de rug is en Jakob Sichem bereikt,
noteert de Bijbelschrijver in Genesis 33,18:
‘en Jakob kwam als een heel mens aan.’(vertaling Jonathan Sacks)

Een heel mens.
Dat is nogal wat voor een man die heel zijn leven in tweestrijd is.
Een heel mens.
Dat klinkt als iemand die zichzelf is tegengekomen.
Zichzelf in de ogen heeft leren kijken.
Niet langer wegkijkt van wat hem niet bevalt.
Zijn schaduwzijde niet verdringt en wegdrukt in zijn onderbewuste
waar het dan rondspookt en ongecontroleerd
en op de gekste momenten naar boven en naar buiten kan komen.
Een mens die niet langer leeft in een gefantaseerde werkelijkheid.
Zich niet blind staart op zijn ideaalbeelden
en hoe het zou moeten zijn.
Maar zich kan verhouden tot de complexe, weerbarstige werkelijkheid,
met zichzelf kan leven en in het reine is gekomen.

Hoe word je dat eigenlijk, een heel mens?
Ooit leerde ik dat heel worden niet iets groots en eenmaligs is
dat je overkomt en dan af is.
Heel worden gebeurt in talloze kleine momenten
wanneer je ervoor kiest je toe te wenden naar de ander
en in verbinding te treden.

 

Onder en achter Jakobs uiterlijke strijd met anderen ligt een innerlijke tweestrijd.
Een strijd die hij vooral voert met zichzelf.
Een strijd om de waarheid.
Twee zielen wonen, ach, in zijn borst.
Jakob verlangt er zijn hele leven naar Esau te zijn.
Rabbijnen lezen in de naam Esau zoiets als:
volledig ontwikkeld.
Esau is alles wat Jakob niet is.
Hij is een sterk man, vol energie.
Een bekwame jager, een man van het veld.
Een homo naturalis, man van de natuur.
Iemand die zijn mannetje staat. Staande blijft in de struggle for life.

Jakob is geroepen tot een heel ander soort leven.
Hij is niet bedoeld een man te zijn van de natuur
maar een mens van wie de oren en vooral het hart zijn afgestemd
op een stem voorbij de natuur.
Op de oproep van de Schepper om te leven uit een verbond met Hem.
Te bouwen aan een samenleving gebaseerd
op rechtvaardigheid en mededogen, op recht en liefde.

Deze strijd tussen de twee zielen die wonen in Jakobs borst
komt tot een ontknoping bij Pniël.
Daar strijdt Jakob met de existentiële waarheid
over wie hij ten diepste is en zou moeten zijn.
De man die er altijd maar naar blijft verlangen om Esau te zijn.
Of de man die zich geroepen weet mens van God te zijn
en de weg van het verbond te gaan.
Bij Pniël krijgt Jakob een heel eigen zegen.
Niet die van rijk zijn of sterk of veilig.
Niet een leven zonder conflicten.
Ook Jakobs nieuwe naam, Israël, wijst immers op strijd.
Maar in plaats van een strijd om Esau te zijn
mag Jakob er nu voor strijden zichzelf te zijn.
In plaats van zich vast te klampen aan Esaus hiel,
mag hij zich vasthouden aan God.

 

Tweestrijd is in de Bijbel een regelmatig terugkerend thema.
Ik proef het bij Paulus in Romeinen 7,18-19:
‘Ik wíl het goede wel, maar het goede doen kan ik niet.
Want ik doe niet wat ik wil, het goede,
maar juist wat ik niet wil, het kwade, dat doe ik.’
Ik denk aan Jezus’ tweestrijd in Getsemané:
‘Neem deze beker van Mij weg.
Maar laat niet gebeuren wat Ik wil, maar wat U wilt.’ (Markus 14,36)
Tegen zijn slapende leerlingen zegt hij daar en toen:
‘De geest is wel gewillig, maar het lichaam is zwak.’

Ook in het eerste deel van de Bijbel kom ik tweestrijd tegen.
Het oorspronkelijke Hebreeuws van de Thora
kent zelfs een apart leesteken waarmee tweestrijd wordt uitgedrukt.
Het is de Sjalsjelet, die eruit ziet als een kleine bliksemschicht, soort zigzagbeweging.
Het geeft aan dat het personage besluiteloos is en onzeker
en worstelt met een innerlijk conflict.
Deze sjalsjelet zien we in de Hebreeuwse Bijbel vier keer opduiken.
Bij Jozef in Genesis 39,8
als hij weigert om met de vrouw van Potifar het bed te delen.
Bij Lot die in Genesis 19,16
aarzelt als hij alles moet achterlaten om Sodom te ontvluchten.
Bij Abrahams knecht Eliëzer die bij de put voor Isaak een vrouw zoekt.
Hij verkeert in Genesis 24,12
in tweestrijd omdat hij mogelijk zelf in beeld zou komen als erfgenaam,
als hij zonder huwelijkskandidaat terugkeert.
En in Leviticus 8,23 krijgt Mozes een sjalsjelet
wanneer hij Aäron inwijdt als hogepriester en door die taakverdeling
zelf niet meer deze intimiteit met God in de tempel zal ervaren.
Telkens staat er iets op het spel.
Een tweestrijd tussen hebben of loslaten, claimen of dienen, houden of gunnen.

Zelf denk ik bij tweestrijd aan de Bijbelse figuur Jakob.
Strijd typeert zijn hele leven.
Al voor zijn geboorte vecht hij met zijn broer Esau.
Hij strijdt met Esau om het eerstgeboorterecht en de zegen.
Hij strijdt met Laban om diens dochters Lea en Rachel
en om een eigen deel van de veestapel.
En de meest bepalende ervaring van zijn leven
is een worsteling in de nacht met God.
Zijn beide namen roepen de sfeer van strijd op: Jakob: hij die de hiel vastpakt.
Israël: hij die strijdt met God en mensen en wint.

 

Het leven wordt achterwaarts begrepen, maar het moet voorwaarts worden geleefd.
Dat zei de Deense filosoof en theoloog Søren Kierkegaard.
We voelen allemaal op onze klompen aan dat dat niet zo eenvoudig is.
Als je bijvoorbeeld reist met navigatie helpt het je niet verder
als het schermpje je alleen de afgelegde route toont.
Je houdt je bezig met het traject dat voor je ligt.
Een achteruitkijkspiegel is best handig,
Maar je moet er niet te vaak en te lang in turen.
Ogen op de weg, handen aan het stuur dus.

Het leven wordt achterwaarts begrepen. Maar het moet voorwaarts worden geleefd.
Een uitspraak die ook past in het Bijbelse denken.
Het leven wordt inderdaad achterwaarts begrepen.
Bijbelschrijvers nemen ons steeds opnieuw mee naar vroeger tijden.
Naar wat vorige generaties gelovigen met God hebben beleefd.
Wat ze erin hebben geleerd en afgeleerd.
En de hele Bijbel is een aansporing om in die keten te staan.
Heel bewust te putten uit een rijke traditie van getuigenissen en liederen,
verhalen en profetische stemmen.
Het is bagage die helpt om iets te begrijpen van het leven
en van de God die de Bron en het Doel is van dit leven.
En het is een valkuil om te weinig terug te kijken.
Alsof je de eerste zou zijn die voor levensvragen staat.
Alsof niet al sporen zijn getrokken en wegen gebaand
door al degenen die voor ons uit zijn getrokken.
Alsof God in vroeger tijden zijn glorie niet heeft getoond.
Niet heeft bewezen wie Hij was, is en zijn zal.
Inderdaad, het leven wordt achterwaarts begrepen.

Maar er is ook een andere valkuil denkbaar.
Namelijk dat je vooral achterwaarts georiënteerd bent
en vergeet dat het leven toch echt voorwaarts geleefd wordt.
Er zit in ons menselijk bestaan een instinctieve behoefte aan geborgenheid
en zekerheid een vasthouden aan oude zekerheden van vroeger tijden.
Een hang naar wat bekend is en vertrouwd.
Waardoor we terugschrikken voor de weg die voor ons ligt.
In heel wat Bijbelverhalen proeven we juist de spanning
tussen verder trekken of terugkeren, tussen omzien of vooruitkijken.

Het leven wordt achterwaarts begrepen, het moet voorwaarts worden geleefd.
Het is de strekking van de leefregel uit Filippenzen 3.
Paulus zet er de zaak op scherp.
Hij heeft het niet eens meer over achterwaarts begrijpen.
Hij heeft het over loslaten, afleggen, wegwerpen, prijsgeven.
Ik vergeet wat achter me ligt en richt me op wat voor me ligt.
Ik ga recht op mijn doel af: Christus kennen, de kracht van zijn opstanding ervaren
en leren delen in zijn lijden.
Je proeft in deze verzen de houding en focus van de sportman.
De hardloper die alles wat hem hindert kwijt moet
zodat hij vrij is om ongehinderd de eindstreep te halen.
En zo zijn roeping als christen te vervullen
en volledig tot zijn bestemming te komen.

 

Paulus laat zijn identiteit niet afhangen van hoe anderen hem zien.
Dat kan nogal variëren zo blijkt op Malta.
Waar men hem eerst beschouwt als een slecht mens
wordt hij, als de slangenbeet hem niet deert,
van de weeromstuit opgehemeld tot een soort god.
Maar Paulus blijft in dit alles eenvoudig zijn weg vervolgen.
Hij stelt zich dienstbaar op, gaat in op aangeboden gastvrijheid.
Hij is ondanks alles vrijmoedig genoeg om initiatief te nemen
en een zieke onder gebed de handen op te leggen.
En dat daarna ook bij velen anderen te doen.
Er vinden genezingen plaats.
Zo wordt er op Malta ineens iets zichtbaar van het koningschap van Jezus.
Ook verkeerde afslagen, zijsporen en schijnbaar doodlopende wegen
vallen Godzijdank onder Zijn heerschappij.

Je zou het misschien zelfs kunnen omdraaien.
Stormen, schipbreuken en struggles,
het zijn vaak Gods voorkeursplaatsen en voorkeurstijden
om iets zichtbaar te maken van wie Hij is.
Hier zijn het juist de geketende handen van een aangespoelde drenkeling,
waar zich even eerder nog zich een giftige slang in vastbeet,
die hier de handen van Jezus worden.
Die van een onverwachts intermezzo een tijd maken van heel veel zegeningen.

Na drie maanden Malta keert Paulus alsnog terug naar zijn plan A, zijn bestemming:
zijn reis naar Rome.
In veel andere situaties in de Bijbel kan zo’n plan B route heel veel langer duren.

Denk aan Mozes die na een veelbelovende opleiding
aan het hof van Farao wordt geparkeerd in de woestijn
en daar compleet uitgerangeerd
en in de volstrekte anonimiteit veertig jaar lang
het leven leidt van een simpele schaapherder.

Of neem David,
hij werd al jong gezalfd tot koning
maar kwam vervolgens ook op een zijspoor
en moest maar liefst tien jaar wachten
voordat hij er daadwerkelijk aan mocht beginnen.

De Israëlieten zwierven maar liefst 40 lange jaren door de wildernis
voordat zij het hun beloofde land binnen konden trekken
en zeg maar op plan A aankwamen.
En eeuwen later verbleven hele generaties
maar liefst zeventig jaar als ballingen op plan B in Babel
voordat ze weer terug konden keren naar waar ze thuis hoorden.

Misschien is het eerlijker om te zeggen
dat niemand van ons werkelijk op zijn of haar plan A leeft.
Geen mens beantwoordt immers volkomen aan hoe God zijn of haar leven had bedoeld.
Iedere dag opnieuw missen we kleine of grote afslagen.
Maken we in ons denken, doen en laten vreemde bochten.
Maar kennelijk staat het God niet in de weg om zich met ons te verbinden
en met ons mee te bewegen op onze kronkelpaden.
Het wonderlijke verhaal van Paulus op Malta
herinnert ons eraan dat voor God iedere tijd en iedere plaats in ons leven
een gezegende tijd en een gezegende plaats kan zijn
op het moment dat wij besluiten om ondanks alles en in alles
ons hart op Hem te blijven richten.

Misschien is dat wat ik leer van Paulus op Malta.
Om in wat je ook overkomt altijd naar boven te blijven kijken.
En te bedenken dat welke ongelukkige afslag je ook hebt genomen
en op welk gek kronkelpad je je ook bevindt,
de plek waar je bent beland altijd nog een plek is onder de sterren.
In de goot belanden en ondanks alles toch blijven kijken naar boven,
het is als een soort van psalm 121-momentje:
‘Ik sla mijn ogen op naar de bergen, van waar komt mijn hulp?
Mijn hulp komt van de HEER, die hemel en aarde gemaakt heeft.’

4 juni 1976 – 16 februari 2024

 

In de rechtszitting kort na zijn arrestatie,
waarin zijn voorwaardelijke straf werd omgezet in echte gevangenisstraf,
vertelde Navalny het gerechtshof in Moskou dat hij christen was geworden.

Tijdens dat proces in 2021 zei hij:
‘Feit is dat ik christen ben…
Ik was zelf ooit een behoorlijk militante atheïst…
Maar nu ben ik een gelovige, en dat helpt mij enorm bij mijn activiteiten…
Er zijn minder dilemma’s in mijn leven,
omdat er een Boek is waarin over het algemeen
min of meer duidelijk staat welke actie in elke situatie moet worden ondernomen.

‘Het is natuurlijk niet altijd gemakkelijk om dit Boek te volgen,
maar ik probeer het echt. En dus is het, zoals ik al zei,
waarschijnlijk gemakkelijker voor mij
dan voor vele anderen om zich met politiek bezig te houden.’

Navalny citeerde vaak verzen uit de Bergrede van Jezus, in het bijzonder:
“Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden”           (Matteüs 5:6).
‘Ik heb altijd gedacht dat dit specifieke gebod min of meer een instructie tot activiteit is’,
merkte Navalny op.

Aleksej Navalny vocht onbevreesd tegen de corruptie in Rusland
en werd vergiftigd, gevangengezet en op 16 februari 2024 vermoord door de staat.

Sinds het nieuws over zijn dood bekend werd,
heb ik nagedacht over de woorden van Navalny.
Hij zag de instructie van Jezus niet alleen als een belofte
die in de toekomst vervuld zou worden,
maar als een zeer actuele oproep tot actie.
Het motiveerde hem niet alleen om op te komen voor gerechtigheid,
maar ook om zich uit te spreken tegen onrecht.
Het gaf hem de moed om zijn eigen leven op het spel te zetten in het belang van anderen.

Zijn honger en dorst naar gerechtigheid
waren niet alleen spiritueel, maar letterlijk:
soms koos hij voor een hongerstaking
om de aandacht van de wereld te trekken,
soms werd hij uitgehongerd als straf in de gevangenis.
Hoe dan ook, hij bleef zich inzetten
voor het teweegbrengen van verandering
in het politieke systeem van zijn land.

Als Navalny zijn geloof kan vasthouden,
gerechtigheid kan blijven nastreven
en anderen kan uitdagen om de leer van Jezus te volgen,
zelfs terwijl hij gevangen wordt gezet,
gemarteld en zelfs vermoord,
moeten we misschien allemaal heroverwegen
hoe we de vrijheden en kansen die we hebben gebruiken.

Misschien moeten ook wij ons meer uitspreken
als er sprake is van misbruik van publieke middelen,
ongepaste invloed van de media,
het oppotten van rijkdom door enkelingen,
of om de verslaving aan geld, seks en macht aan te pakken.

Kunnen we nog meer doen om te pleiten voor de gemarginaliseerden
en om ervoor te zorgen dat degenen die aan de macht zijn,
werken ten behoeve van degenen die dit het meest nodig hebben?
Hoe kunnen we pleiten voor een goed landsbestuur
en onze leiders ter verantwoording roepen,
en eisen dat degenen die leiding geven
dit met integriteit en mededogen doen?

Navalny’s leven, dood en geloof dwingen de vraag af:
wat kunnen we vandaag de dag in de naam van Jezus
en met behulp van de Bijbel doen
om rechtvaardigheid en gerechtigheid na te streven?

In zijn eigen woorden: ‘You’re not allowed to give up!’

 

Misschien hebben we iets van houvast aan hoe het Paulus vergaat op Malta.
Hij spoelt daar letterlijk aan op een stuk wrakhout.
Zijn bagage, het hele schip waar hij op reisde, het bleef achter op zee.
En daar is hij dan. Op Malta.
Zonder bezittingen, te midden van andere drenkelingen.
Kwetsbaar, afhankelijk, op onbekend terrein.
Hij is nog maar nauwelijks aan land of hij wordt gemeen gebeten door een gifslang.
En de lokale bevolking denkt dat hij een slecht mens is.
Iemand die ternauwernood aan de zee is ontsnapt
en dan door een giftige slang gebeten wordt.
Zo iemand zijn de goden niet goed gezind.
Het moet hem een miserabel gevoel gegeven hebben.
Hij werd op het schip als gevangene
natuurlijk al nauwelijks serieus genomen.
En nu op Malta, pijnlijk gebeten, is er een tijd lang het isolement.
Eerst maar eens afwachten wat voor vlees we in de kuip hebben.
Het zal ook iets met Paulus gedaan hebben.
De slangenbeet, de argwaan, de afstand.
En wat doe je dan, aangespoeld op Malta.
Bezeerd. Beschadigd. Aangeslagen.

Het eerste wat we Paulus zien doen is doen wat zijn hand vindt om te doen.
En dat is in dit geval: houtsprokkelen.
We lezen: “de plaatselijke bevolking gedroeg zich buitengewoon vriendelijk:
ze verwelkomden ons en staken een vuur aan
omdat het was gaan regenen en koud was.
Paulus sprokkelde een grote bos dor hout en legde die op het vuur.”
Een mooie nuchtere, praktische opstelling is dit.
Hij verliest zichzelf niet in gepieker, gesomber.
Nee het is koud, het is nat.
Er brandt al een vuurtje, dus handen uit de mouwen en hout sprokkelen.
Je dienstbaar opstellen, kijken wat er gaande is
en zien waar je iets kunt bijdragen, iets kunt betekenen.

We lezen nog even verder.
“Paulus sprokkelde een grote bos dor hout en legde die op het vuur,
door de hitte kwam er een gifslang uit kruipen,
die zich in zijn hand vastbeet.
Paulus schudde de slang echter van zich af in het vuur en bleef volstrekt ongedeerd.”
Je kunt dit lezen als:
die Paulus hé, het zit hem ook niet mee? Wat een pechvogel.
Ternauwernood aan de dood ontsnapt en nu dit.
En de manier waarop anderen hem hierin framen
zal hem niet geholpen hebben.
Maar in plaats van dat dit hem uit zijn evenwicht brengt
en het onder zijn huid zijn huid gaat zitten
en hij meegaat in het beeld dat anderen van hem creëren,
schudt hij de giftige slang resoluut van zich af.
En uit het verdere verloop blijkt dat hij dat ook mentaal doet.

Dat afschudden is iets dat bij een leven als christen hoort.
Jezus doet ons dat voor.
Hij schudt de slang van zich af en zegt:
‘Ga weg achter mij Satan!’
Hij staat daarmee in de traditie van de psalmisten
die giftige stemmen buiten zichzelf en in zichzelf aanspreken:
‘Wat ben je bedroefd, mijn ziel, en onrustig in mij.
Vestig je hoop op God, eens zal ik Hem weer loven,
mijn God, die mij ziet en redt.'(psalm 42).
‘HEER, hoe talrijk zijn mijn belagers, velen vallen mij aan, velen zeggen van mij:
‘God zal hem niet redden.’
U, HEER, bent een schild om mij heen,
U bent mijn eer, U houdt mij staande.’ (psalm 3)

Paulus leeft in deze zelfde traditie.
Je proeft dat in zijn brieven, bijvoorbeeld in 2 Korintiërs 4:
‘We worden van alle kanten belaagd, maar raken niet in het nauw.
We worden aan het twijfelen gebracht, maar raken niet vertwijfeld.
We worden vervolgd, maar worden niet in de steek gelaten.
We worden geveld, maar gaan niet te gronde.
We dragen in ons bestaan altijd het sterven van Jezus met ons mee,
opdat ook het leven van Jezus in ons bestaan zichtbaar wordt.’

En hier op Malta blijkt dat dit niet zomaar loze woorden zijn,
maar blijkt Paulus hier ook echt in te wortelen en te wandelen.
Het geeft hem in uitermate belabberde omstandigheden
iets van incasseringsvermogen, veerkracht en koersvastheid.

 

In zijn boek ‘Onder de wonderboom’ verkent theoloog Eugene Peterson
de kloof die er vaak is tussen onze fraaie idealen en de weerbarstige realiteit.
Het boek gaat over Jona die we aantreffen tussen Tarsis en Nineve.
Tarsis is waar hij zelf in wil wegvluchten, een soort droombeeld,
een door hem zelf gecreëerde ideale situatie.
Nineve staat voor de weerbarstige werkelijkheid van zijn feitelijke werkplek.
Volgens Peterson bevindt ieder mens zich in deze spanning
tussen Tarsis en Nineve, tussen droom en realiteit.
En het evangelie speelt zich niet af op de laag van ideeën en idealen.
Het is nadrukkelijk geografisch.
Het gebeurt op specifieke, concrete plaatsen:
Hebron, Machpela, Sinaï, Nazareth, Samaria, Galilea.
En altijd weer is er in verschillende gedaanten de verleiding
van wat we ook wel gnostiek noemen.
Een manier van denken die zich afkeert van de beperkingen van plaats en tijd
en weinig op heeft met de rotzooi en wanorde van het dagelijks leven.
Het richt zich op verheven ideeën, op hoger en dieper.
Op het bijzondere in plaats van het alledaagse, op ingewijden en geestelijke virtuozen
in plaats van op dwarse, eigenwijze en ploeterende medemensen.

Ik las laatst in de biografie ‘a burning in my bones’
hoe Eugene Peterson zelf zich een leven lang heeft verzet
tegen dit wegvluchten uit de weerbarstige realiteit
naar ‘meer uitdaging’ of ‘grotere mogelijkheden’.
Hij diende als pastor maar liefst 29 jaar
Christ Our King Presbyterian Church in Bel Air, Maryland,
een dorpje met niet meer dan 10.000 inwoners,
hoewel hij van tijd tot tijd in de verleiding kwam
om er weg te trekken en ook wel solliciteerde naar een functie elders.
Peterson is in zijn biografie pijnlijk eerlijk
over wat het van hem heeft gevraagd om te blijven.
Over hoezeer hij daar soms tijdenlang in tekort schoot.
Maar ook hoe hij juist zo leerde wat Jezus volgen betekent.

‘Life is What Happens To You While You’re Busy Making Other Plans.’
Een uitspraak die ook van toepassing is op Paulus in Handelingen 27 en 28.
Hij is bezig met zijn reis naar Rome
en wordt onderweg keer op keer bevestigd in deze bestemming
en het hogere doel daarvan.
Maar dan is daar een heftige storm en een schipbreuk
en spoelt hij letterlijk aan op het eiland Malta.
Malta was op geen enkele manier deel van zijn reisplan.
Je zou kunnen zeggen: een rare, onbedoelde afslag.
Malta was zeg maar plan B, een zijspoor.

Ik denk dat heel wat mensen dat gevoel hebben bij hun leven.
Je stapte samen in het huwelijksbootje en vormde een gezin
maar ergens onderweg strandde dat bootje en brak het in stukken.
En sindsdien leef je verder op een ander spoor, plan B zeg maar.
Je verloor onderweg een dierbare aan de dood of aan het leven
en sindsdien voel je je geamputeerd
en je leeft wel verder maar met een gat in je hart.
Verlies van je gezondheid, je bedrijf, je goede naam,
het kan je het gevoel geven dat je op een zijspoor bent beland.
En wat kun je nog verwachten van een leven op plan B?
Ging met alles wat je bent kwijtgeraakt, niet ook je levensbestemming overboord?
En is er op dit zijspoor ook iets te vinden van God?
Beweegt Hij mee van plan A naar plan B?

 

In de wereld van coaching en trainingen was lange tijd een belangrijke vraag:
kijk je naar de wereld door een bril van schaarste of door een bril van overvloed?
En het pleidooi was dan dat denken vanuit schaarste ongelukkig maakt.
Je bent dan gefocust op wat er niet is. Je stop energie in wat je nog niet hebt.
Je ziet het leven vooral als een gevecht, een strijd. Ik moet vechten voor mijn aandeel.
Ik moet me onderscheiden ten opzichte van anderen.
En je belandt al te snel in een ratrace.

En tegenover dit schaarste-denken werd dan het denken en leven vanuit overvloed geplaatst.
Ga uit van overvloed, geloof erin dat er genoeg is en dat het jou ten deel valt.
De extreme uitingsvorm daarvan is manifesteren.
Als ik iets maar hard genoeg wil,dan komt mijn droom vanzelf uit.
Word ik vast de beste versie van mijzelf. Name it, claim it.

We stuiten in onszelf en in elkaar op onze schaduwzijden, ons falen.
Op ons onvermogen om echt te veranderen.
We zitten gevangen in systemen die op allerlei manieren beschadigend zijn.
Zijn deel van een mensheid en een generatie die collectief faalt.
Het lukt ons vaak van geen kanten om te leven van genoeg.

En we beseffen met elkaar steeds meer dat het tij begint te keren.
Dat we in plaats van een bril van overvloed eerder behoefte hebben aan een bril van genoeg.

Vanuit christelijk oogpunt vind ik dat daar iets blijmoedigs inzit.
Want boven de mensheid die verwikkeld is is in de ratrace van rupsje-nooit-genoeg
hangt de Jezus Christus de Gekruisigde,
licht en kalm, te midden van de donkerte, de pijn, nood en schuld van de hele mensheid.
De man aan het kruis deelt in dat menselijk bestaan maar gaat er niet in onder.
Hij overstijgt het, wordt verhoogd. En draagt het weg, verzoent het, overwint het.
Er schemert ook altijd iets van ochtendlicht in door.
Op Golgotha volgt Pasen. Er hangt de belofte in de lucht van opstanding.
Van een ander, nieuw bestaan.
Vader, vergeef het hen want ze weten niet wat ze doen. Ze hebben werkelijk geen idee.

Apostelen hebben het evangelie van de Gekruisigde
vertaald in raadgevingen, aansporingen, leefregels.
Denk aan het pleidooi op diverse plaatsen in de Apostolische brieven voor gematigdheid:
maat weten te houden.
En voor zelfbeheersing (jezelf niet verliezen, niet overvragen of overschreeuwen).
Denk aan het gebed in Filippenzen 1
om ‘inzicht en fijnzinnigheid om te kunnen onderscheiden waar het op aan komt’.
Of de aansporing in 2 Timoteus 1 vers 7:
‘God heeft ons niet een geest van lafhartigheid gegeven,
maar een geest van kracht, liefde en bezonnenheid.’
In bezonnenheid zit iets van gevoel voor wat passend is, gevoel voor proporties, voor wat genoeg is.   Niet teveel, niet te weinig.
Mensen op zoek naar een ander, nieuw bestaan, een leven van genoeg.

Hem volgen is ons oude bestaan met Hem te laten sterven
en met Hem opstaan in een nieuw leven.
Onszelf oefenen in omdenken.

« Vorige paginaVolgende pagina »