Uncategorized


 

De Kroatische theoloog Miroslav Volf

vertelt ergens het volgende, waargebeurde verhaal.

Toen hij klein was, paste zijn oude tante Milica vaak op hem.

Milica was zijn lievelingstante.

Altijd deed ze leuke dingen met hem en ze liet hem nooit alleen spelen

terwijl zij iets anders ging doen.

Na zijn ouders hield Miroslav het meest van haar.

Bij haar voelde hij zich veilig,

en hij kom merken dat ze ook graag voor hem zorgde.

Toch was er iets dat Miroslav niet wist.

Tante Milica was verantwoordelijk voor de dood

van zijn oudere broertje Daniël,

dat maar vijf jaar was geworden.

Hij hoorde dat pas na haar dood van zijn ouders,

toen hij zelf al een student was.

Wat was er gebeurd?

Tante Milica moest eens passen op Daniël

en de kleine Miroslav,

die toen nog nauwelijks meer was dan een baby.

Maar ze lette niet goed op.

Daniël, de oudste, sloop de poort uit om te gaan kijken

bij de soldaten in de kazerne naast het huis.

Dat vond hij enorm interessant.

En de soldaten vonden hem ook leuk.

Eén van de soldaten liet hem een eindje meerijden

op een paardenkar waarmee ze brood vervoerden.

Toen gebeurde het vreselijke:

Daniël viel van de kar, werd overreden en stierf.

Zijn ouders waren bijna gebroken van verdriet.

Maar ze joegen tante Milica niet boos weg uit hun leven.

Nee, toen ze na een paar maanden hun leven weer oppakten

en een oppas nodig hadden, vroegen ze… Milica.

Ze werd de meest toegewijde oppas die er maar te bedenken is.

De ouders pasten wel op dat Miroslav

nooit iets meekreeg wat zijn lievelingstante meedroeg.

Hoe konden die ouders deze keuze maken?

Alleen omdat ze iets wisten

van de nieuwe kansen die God ons allen geeft.

Hun keuze laat iets van Jezus zien in deze wereld:

niet boosheid en schuld, maar liefde verspreidde zich.

Zo zijn zij heiligen, al staan ze in geen enkele almanak.

Moge God ons ook maken tot mensen

die iets van zijn liefde tonen in deze wereld!

 

 

Maar er is nog een reden om in elke preek

het hele verhaal van het evangelie te vertellen.

Als predikant moet je er volgens mij altijd van uitgaan

dat er ook ongelovigen in de kerk zitten.

Dat kunnen buitenkerkelijken zijn,

die om wat voor reden dan ook voor het eerst een kerkdienst meemaken.

Het kunnen ook kerkleden zijn die hun leven lang al elke week preken horen,

maar toch nog nooit echt tot geloof gekomen zijn.

Ze hebben het evangelie wel gehoord.

Maar het heeft ze nog nooit echt geraakt.

Ze hebben het nog nooit echt begrepen.

Of ze hebben het nog nooit van harte aangenomen.

Bovendien zijn we allemaal sterfelijke mensen.

Je weet nooit wie van de aanwezige kerkgangers

bij de volgende kerkdienst nog in leven is.

En anders kan er iemand zijn die simpelweg afhaakt

en de volgende keer niet meer komt.

En dan heb ik het nog niets een gehad over de reële mogelijkheid

dat Jezus vandaag of morgen terugkomt

en de genadetijd voor iedereen voorbij is.

Hoe dan ook,

elke preek kan voor één of meer aanwezigen niet alleen de eerste,

maar ook de laatste preek zijn die hij in zijn leven te horen krijgt.

Alleen om die reden al mag je als predikant volgens mij

geen kans voorbij laten gaan om de aanwezigen op te roepen,

nee te bevelen, om zich te bekeren!

Elke preek moet de luisteraar naar huis laten gaan met de wetenschap:

ik moet me nú bekeren. Nu meteen.

Want als ik nog heel even wacht, kan het te laat zijn.

Bovendien is dit in elke preek terugkerend bevel tot bekering

ook heel belangrijk voor hen die wel tot de ware gelovigen behoren.

Want ook als opnieuw geboren christen,

moet je je elke dag opnieuw bekeren.

Bovendien is het belangrijk

dat je jezelf regelmatig onderzoekt of je wel echt een kind van God bent.

Zeker, je mag erop vertrouwen dat je dat bent.

Je mag onbekommerd Gods beloften geloven.

Maar dat mag nooit iets vanzelfsprekends worden.

Want juist dan is de kans groot dat je geloof verdort

en uiteindelijk toch geen echt geloof blijkt de zijn.

Het steeds opnieuw gehoor geven aan de oproep tot bekering

is juist het middel dat Gods Geest wil gebruiken

om de ware gelovigen tot het eind tot te laten volharden

in hun geloof en voor afval te bewaren.

Ik besef dat dit soort preken decennialang juist werd afgekeurd.

Als predikant moest je er juist van uitgaan

dat er alleen echte gelovigen in de kerk zaten.

Maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken

dat dit geleid heeft tot een klimaat

waarin eenzijdig het verstand werd aangesproken,

ten koste van het gevoel,

en waarbij het geweten van de mensen onterecht werd gesust

met het idee dat het allemaal wel goed zat.

Kerkgangers werden niet of nauwelijks opgeroepen

zichzelf te onderzoeken óf ze wel echt kinderen van God waren.

Nee, hun werd simpelweg verteld dát ze dat waren.

Zo’n klimaat biedt volgens mij een ideale voedingsbodem

voor luie, oppervlakkige christenen

met weinig besef van de ernst van de zonde

en de diepte van Gods genade.

Daar plukken we nu de wrange vruchten van.

Velen zijn op zoek naar meer bezieling

en meer beleving in het geloof.

Maar in plaats van het te zoeken in de rijke traditie

zoeken ze het in een armoedig surrogaat.

 

 

Als een preek bedoeld is om Gods Woord te brengen,
dan betekent dat dus dat
in een preek in de eerste plaats de Bijbel uitgelegd moet worden.
Tegenwoordig wordt die stap nogal eens overgeslagen.
Het lijkt wel alsof de gekozen Bijbeltekst vaak alleen nog dient
als een kapstok om de preek aan op te hangen.
Het is niet meer de voedingsbodem waar de preek uit opkomt.
Sommigen zeggen ook ronduit dat de exegese, de uitleg van de tekst,
in de studeerkamer moet gebeuren
en dat je daar de kerkganger niet mee moet lastig vallen.

Maar ik ben het daar echt niet mee eens.
Hoe kun je de gemeente Bijbelkennis bijbrengen,
als je ze niet voordoet hoe je de Bijbel moet lezen en interpreteren?
Hoe kun je preken met gezag, als je niet duidelijk maakt
hoe je argumentatie precies in de Bijbel geworteld is?
Wil de luisteraar je woorden als gezaghebbend aanvaarden,
dan moet je hem in de gelegenheid stellen je na te rekenen.
Dat kan alleen als je de luisteraar
de belangrijkste stappen van je exegese laat meebeleven.

Verder leer je volgens mij het meest van een preek als je laat zien
hoe het gekozen Schriftgedeelte past in het geheel van de Schrift
en in het geheel van de geloofsleer.
Leren doe je door wat je nog niet weet te verbinden met wat je al wel weet.
Dat geldt ook voor de geloofsleer en Bijbelkennis.
Om een voorbeeld te noemen,
hoe kun je preken over de menselijke verantwoordelijkheid
zonder expliciet het verband te leggen met leer over uitverkiezing en voorzienigheid?
Misschien dat veel predikanten ervan uitgaan
dat doorgewinterde christenen die verbanden zelf wel leggen.
Maar ik vrees dat de meeste kerkgangers
inmiddels zo weinig kennis hebben dat hun dat niet meer lukt.

Vervolgens een waardevolle drieslag uit de Heidelbergse Catechismus:
ellende, verlossing en dankbaarheid.
Dat wil zeggen dat elke preek moet vertellen hoe zondig we zijn,
hoe we gered worden
en hoe we als bekeerde christenen moeten leven.
Veel mensen willen alleen nog maar het laatste horen.
De eerste twee delen vinden ze gepasseerde stations.
We zijn immers al gered? Dus daar hoeven we het niet meer over te hebben.
Dat is alleen maar deprimerend.
Nú moeten we horen hoe we voortaan als christen moeten leven.
En het liefst op een manier die ons helpt om enthousiaste christenen te worden
die vol vreugde in het leven staan.

Het probleem is alleen dat het zo nu eenmaal niet werkt.
Ook als bekeerde christenen hebben we elke dag weer vergeving nodig.
Preken die ons alleen maar aansporen om als goede christenen te leven,
ervaren we daarom zo maar als een zware last die ons wordt opgelegd
en die we nauwelijks kunnen dragen.
Er worden ons normen voorgehouden waar we niet aan kunnen voldoen.
In plaats van te bemoedigen, ontmoedigen zulke preken juist.

Soms wordt er voor gekozen om de normen maar af te zwakken.
Maar dat lijkt me niet de goede oplossing.
De enige manier om te voorkomen dat een preek ontmoedigt in plaats van bemoedigt,
is het evenwicht bewaren tussen de drie elementen ellende, verlossing en dankbaarheid.
We moeten voldoen aan Gods normen. Maar we kunnen het niet.
Dat wordt ons vergeven.
En we worden vernieuwd, zodat we toch meer willen
en ook gaan voldoen aan Gods normen dan we anders zouden doen.
Dat complete verhaal moet in elke preek terugkomen.
Alleen dan wordt je als gelovige echt bemoedigd
en gesterkt om als christen te leven.
Omdat alleen dit complete verhaal in een christelijk leven ontspanning brengt
en het bewaart voor overspanning.

Wordt vervolgd…

 

Laatst las ik een artikel waarin Nederlanders als volgt worden omschreven:
‘ “we” zijn een raar, roekeloos volkje geworden, op zoek naar kicks en sensatie.’

Misschien dat het zelfde geldt voor ons als we luisteren naar een preek.
Want tegenwoordig willen mensen graag dat de preken hun iets doen.
Natuurlijk is dat begrijpelijk en ik kan daar weinig verkeerds van zeggen.
Preken moeten emotioneel raken. Maar preken dienen ook intellectueel uitdagend zijn.
Toch wil men ook graag iets nieuws leren, of geprikkeld worden

om ergens verder over na te denken of er verder op te studeren.

Het geloof is dus een zaak van het hart.
Maar in de Bijbel is het hart de plek waar gevoel én verstand samenkomen.
Een preek moet daarom zowel het verstand als het gevoel aanspreken.
Een dorre dogmatische verhandeling zonder beroep op het gevoel is geen preek.
Maar een emotioneel beladen verhaal dat je tot tranen toe roert,
brengt je uiteindelijk geen stap verder als het niet gebaseerd is
op een betrouwbare uitleg van wat er in de Bijbel staat.

Om te beginnen moet elke preek volgens mij gebracht worden met de pretentie:
‘Zo spreekt de Heer!’
niet te veel afzwakkingen tot het niveau van ‘ik denk, ik vind, volgens mij,’ enzovoort.
Natuurlijk zijn er soms meerdere interpretaties mogelijk
van een bepaald Bijbelgedeelte en dat mag je noemen in de preek.
Een de dominee is een feilbaar en zondig mens die niet boven de gemeente staat
en het is goed als hij dat ook op de preekstoel laat zien.
Maar de boodschap die hij brengt, moet uiteindelijk toch gebracht worden als Gods Woord:
‘Dit is Gods bevel! Dit is wat God van ons vraagt!
En wie hieraan ongehoorzaam is, is ongehoorzaam aan God!
Wie dit niet gelooft, gaat verloren!’
Dat is een enorme lading.
Maar zonder die lading, is de preek niet meer dan een menselijk praatje
waar je een positieve of een negatieve mening over kunt hebben,
maar dat je gemakkelijk naast je neer kunt leggen.

Verder moet een preek echt een preek van nu zijn.
In de eerste plaats qua taalgebruik. Geen ouderwetse taal.
De boodschap moet begrijpelijk zijn voor iedereen die modern Nederlands verstaat.
Maar in de tweede plaats moet een preek ook ingaan
op de vragen en problemen waar mensen nu mee zitten.
Maar dat moet wel gebeuren zonder water bij de wijn te doen.
En met gezag.
Een predikant mag best begrip tonen voor het feit dat kerkmensen
het tegenwoordig moeilijk vinden om zich in hun leer en leven te houden
aan duidelijke Bijbelse normen.
Maar hij moet die normen wel onverkort blijven verkondigen als Gods wil.
Hij moet niet bang zijn om de confrontatie aan te gaan
met het moderne levensgevoel en met populaire opvattingen.

En daarbij is het belangrijk dat een predikant duidelijk en concreet is.
Geen vage termen, om vooral geen ergernis te wekken.
Noem de dingen bij de naam!
Want anders laat je de gemeente in de kou staan.

Wordt vervolgd…

 

Twintig keer wordt Gaza in de Bijbel genoemd, en dat is eigenlijk altijd negatief. Dat kán geen toeval zijn,’ denkt de Amerikaans-Israëlische prediker Joel Rosenberg. Rosenberg staat erom bekend dat hij het nieuws duidt

in het licht van Bijbelse profetieën.

En heeft wat betreft de Gaza-oorlog de profeet Amos het niet al voorzegd?

God zal de muren van Gaza ‘in vlammen doen opgaan’,

omdat de stad ‘misdaad op misdaad heeft begaan’ (Amos 1, vers 6-7).

Volgens Rosenberg lijdt het geen twijfel:

Gaza speelt een rol in Gods plan aan het einde van de geschiedenis.

Hoe verleidelijk het ook is om de Bijbel en de krant

op die manier naast elkaar te lezen, er schuilen wel een aantal fikse gevaren in.

Over hoe je de Bijbel moet uitleggen,

en of je daaruit werkelijk voorspellingen voor oktober 2023 kunt halen,

zijn christenen het onderling niet eens.

Voor veel gelovigen wereldwijd vertelt de Bijbel

eerder hoe de geschiedenis keer op keer blijkt te werken,

dan dat ze een spoorboekje is voor het einde der tijden.

Voor wie de Bijbel toch graag zo leest,

heeft de geschiedenis van het geloof wel een paar tips:

– Voorspellingen op grond van de Bijbel zijn vaker níet dan wel uitgekomen.

Meestal moet je teksten geweld aandoen

om ze in de mal van de actualiteit te laten passen.

Dat zou de profetische duiders van vandaag bescheiden moeten maken.

– Mensen zijn geen duivels.

Misschien zijn ze soms kwaadaardige, sadistische zondaren.

Maar geen door God geschapen mens is puur duivels.

Groepen (moslims of Joden of wie ook) demoniseren doet niemand recht,

en is ronduit gevaarlijk.

– Het kwaad zit zeker ook in vrome, christelijke harten.

De geschiedenis is niet zwart-wit,

en het is geen uitgemaakte zaak dat wie Jezus wil volgen

aan de goede kant ervan staat.

Dat vraagt om voortdurend zelfonderzoek.

Zij zijn fout, en wij zijn goed’ is een te simplistische kijk op de wereld.

– Volgelingen van Jezus kunnen moeilijk anders dan vredestichters zijn. Onafhankelijk van hun kijk op de eindtijd.

Welke christen verlangt niet soms naar Jezus’ terugkomst?

Toch is het christelijker te ijveren voor vrede in het Midden-Oosten

dan te hopen op een groots en kosmisch gevecht

dat talloze mannen, vrouwen en kinderen het leven zal kosten.

‘Hodie Mihi, Cras Tibi’, vandaag ik, morgen gij.

Deze tekst zie je nog wel eens op rouwborden in oude kerken of boven begraafplaatsen.

De mens wordt er aan herinnerd dat de dood niemand uitsluit.

Ook in tijden van crises zijn we uiteindelijk aan elkaar gelijk.

In haar boekje Crisis! uit 2022 schrijft Beatrice de Graaf

over de noodzaak tot een nieuwe vorm van crisisbeheersing.

‘In de eeuwen vóór de moderne tijd werd het crisisverhaal wel verteld

aan de hand van de metafoor van de “de dodendans”.

Jong en oud, arm en rijk is met elkaar verbonden

in een dodendans, want sterven gaan we allemaal.

En vanwege die gezamenlijke lotsbestemming

is het zaak elkaar bij de hand te houden.

De dans was een “memento mori”,

zorg dat je tijdens je leven eerzaam, eerlijk en oprecht leeft.

Dat je aalmoezen geeft, en omziet naar elkaar.

Want in een dodenhemd is iedereen gelijk. (…)

destijds wisten burgers wel dat er niets anders op zat

dan om met het onheil te leren leven. (…)

de dodendans moest gedanst worden.

Die voormoderne burgers wist eveneens allang

dat rampen nooit alleen kwamen. (…)

heldere simpele uitwegen uit de crisis waren en zijn er niet.

Er ziekt altijd wel iets door. Of breekt weer uit.’

De maakbaarheid van de mens en het menselijk leven

blijkt steeds weer duidelijk begrenst en/of maakt niet gelukkig.

Laatst las ik een artikel over een man die koste wat het kost

zolang mogelijk wil doorleven en het ultieme doel was eigenlijk eeuwig leven.

Gevolg wel was dat hij om die reden

invloeden van buitenaf zo veel mogelijk tegen te gaan,

geen tot extreem weinig contact heeft met de buitenwereld.

Hij is extreem eenzaam, maar alles voor het ultieme doel: eeuwig leven.

Maar eigenlijk heeft hij géén leven.

Aanvaarding van je lot maakt je – mijns inziens – tot een beter mens.

En ja, als christen geloof ik een een beter leven na dit leven,

namelijk het eeuwig leven in Gods koninkrijk.

 

Het is herfst, prachtig najaarsweer.
Strakblauw is soms de hemel en de lucht is fris
maar niet bijtend koud.
Wat is het dan heerlijk om dan een eind te lopen of te fietsen.
Daarbij weet je natuurlijk dat het zó over kan zijn.
Misschien word je zo overvallen door gure regens!

Ik vind de seizoenen één van de mooiste dingen
die God heeft uitgedacht,
een voortdurende afwisseling
waar je nooit genoeg van krijgt!
Soms ga je  een eindje fietsen.
en zie overal de prachtigste herfstkleuren,
je kijkt je ogen uit.
Grote lanen geflankeerd door rijen bomen,
waarvan de bladeren prachtig goudgeel waren.
En als de wind even blies
daalde er een regen van bladeren als gouden muntstukken neer.
Ik moest intussen aan een zin uit gedicht van Jacqueline van der Waals:

‘Waar gouden de portalen zijn,
Hoe zullen daar de zalen zijn!’

De schoonheid van de wereld in herfstpracht
als een vooruitwijzing naar Gods wereld die komt!
Soms wordt er wel eens gezegd dat verlangen naar de hemel
een soort ‘escape’ is voor mensen die het moeilijk hebben.
‘Opium van het volk’ zoals Marx zei.
Maar dit gedicht leert wel anders!
Niet ellende of pijn doet de dichteres verlangen naar de hemel.
Nee, juist de mooiste dingen van deze wereld kunnen
soms het verlangen oproepen naar iets dat we niet kennen.
Een andere wereld voorbij de horizon waar dit een reflectie van is.

Hebt u dat nooit?
Zou dat niet de stille roep zijn van God,
om op zoek te gaan naar zijn rijk voorbij deze wereldrand?

‘In welk een grote heerlijkheid
Zal ik dàn binnengaan,
Indien van goud de gangen zijn,
Hoe groot moet mijn verlangen zijn,
De zalen in te gaan!’

 

U hebt misschien wel eens uitspraken gehoord als de volgende:
de rijkste 10% van de wereldbevolking bezit 90%,
en de armste 90% bezit 10% van de welvaart.
Als je daar even over denkt, is dat natuurlijk krom,
het voelt oneerlijk.
Onlangs echter was het volgende in het nieuws:
‘de 62 rijkste mensen ter wereld bezitten samen
evenveel als de armste helft van de wereldbevolking’.
Verbijsterend bericht!
Ik heb het eens goed gecheckt, en het klopt echt.
62 mensen die samen even rijk zijn als 3,5 miljard anderen.
Ofwel: de eigenaars van de helft van de wereldrijkdom passen samen in één bus;
of misschien toepasselijker: één bescheiden vliegtuig.
Zegt dit meer over hun rijkdom,
of over de armoede waar miljarden in leven?
Tegelijk is denk ik dan:
wat moet je ermee, behalve je hoofd schudden in verbazing?
Je kunt natuurlijk wijzen op grote zaken
zoals de structuur van de wereldeconomie,
of de belastingontduikende trucs van de grootste bedrijven.
Zeker waar!
Alleen: zo blijft het ver bij ons vandaan.
Immers, ik schat in dat géén van mijn lezers
bij het kleine groepje superrijken hoort,
en gelukkig ook niet bij die grote groep van zeer armen.
Kunnen wij iets doen?
Ja en nee.
Nee, U en ik kunnen de wereldproblemen niet oplossen.
Maar, – Ja – we kunnen wel zoeken hoe wij kunnen delen van wat we hebben.
Daar hoef je niet superrijk voor te zijn.
Wie twee tientjes per maand kan missen,
kan een kind in Bangladesh een schoolopleiding geven,
ik noem maar wat.
Eén van de rijkste mensen ter wereld is Bill Gates,
de oprichter van Microsoft.
Hij heeft plechtig beloofd
om vrijwel zijn hele miljardenvermogen weg te geven bij zijn leven.
Wordt hij daar arm van?
Nee, hij zal vast wel wat miljoenen overhouden,
al heeft hij nu miljarden.
Maar ook in een ander opzicht wordt hij niet armer.
Delen maakt rijker dan bijeenharken!
Daarom, ook voor ons:
zorg dat je zó rijk wordt!
Een rijkdom die niet in geld is uit te drukken.

 

Religie wordt over het algemeen gezien als iets inherent gewelddadigs
omdat het gebaseerd zou zijn
op irrationele overtuigingen,
terwijl secularisme wordt voorgesteld
als een rationele manier om meningsverschillen te organiseren.
Is religie nu dus echt de bron van geweld?
Ach, U kent wellicht Arjan Lubach wel.
Hij had eens iets bedacht op dit vlak:
de heilige boeken-legger.
Deze boekenlegger zou wat hem betreft
verplicht als bijsluiter bij elk heilig boek gevoegd moeten worden.
Erop staat een eenvoudig stroomschemaatje:
‘ik wil iets doen uit naam van mijn geloof’
→ ‘beïnvloed ik er levens van anderen mee?’
→ ‘gaan die anderen akkoord?’
De laatste vraag is cruciaal.
Alleen als het antwoord bevestigend is,
geeft de boekenlegger groen licht om tot actie over te gaan.
Als iedereen de stappen op zijn boekenlegger maar volgt,
is religieus gemotiveerd geweld volgens Lubach zó de wereld uit!
Over deze boekenlegger zijn heel wat vragen te stellen.
Bijvoorbeeld: kan ik volgens Lubachs richtlijnen
mijn kinderen nog wel christelijk opvoeden?
Het lijkt me dat die keuze van mij grote invloed op hen heeft.
En waarom deze vragen alleen stellen aan religies
– niet bijvoorbeeld aan een ideologie als het liberalisme?
Wat mij echter meteen inviel is dit:
christenen hebben zo’n bijsluiter helemaal niet nodig.
In de Bijbel is zo’n bijsluiter allang gegeven door Jezus zelf!
Hij zegt namelijk ergens het volgende:
‘behandel anderen dus steeds zoals jij zou willen dat ze jullie behandelen.
Dat is de Wet en de Profeten.’
Deze woorden komen uit zijn zogenaamde Bergrede,
de grondwet voor al zijn volgelingen.
Dit is volgens Jezus dus waar het op neerkomt in de Wet en de Profeten
– de heilige boeken van zijn tijd.
Heb je dan nog een boekenlegger nodig van Arjan Lubach?
En natuurlijk, er zijn genoeg voorbeelden te noemen
waar christenen akelige dingen hebben gedaan
uit naam van hun geloof.
Maar doe nu niet alsof iedereen die de Bijbel leest
een potentiële terrorist is die vermaand moet worden met een boekenlegger!
Ik geloof dat de woorden,
en nog meer het voorbeeld van Jezus,
een stuk méér helpen tegen terreur en intolerantie
dan zo’n stukje karton…

 

‘Van krantenjongen tot miljonair’
zo wordt de Amerikaanse droom wel uitgedrukt:
iedereen kan ver komen,
als je de kansen maar benut en een beetje geluk hebt.
Maar is dat wel zo in ons land?
Uit onderzoek blijkt dat de afstand tussen rijkeren en armeren
steeds groter wordt,
en de kans om van de ene groep in de andere te komen steeds kleiner.
Wat dat betreft lijkt er een Bijbels gezegde van toepassing
‘aan wie heeft, zal gegeven worden’.
Een paar voorbeelden maken het principe wel duidelijk.
Als je rijk genoeg bent om een huis te kopen,
heb je na dertig jaar geen hypotheeklasten meer,
maar wel een huis dat je kunt verkopen.
Als je je echter geen koophuis kunt veroorloven,
hebt je na je pensioen nog steeds de maandelijkse huurkosten,
en géén huis dat geld waard is…
Ander voorbeeld: als je geld hebt,
kun je het je veroorloven
om het maximale risico te nemen bij de zorgverzekering,
en ben je maandelijks goedkoper uit.
Iemand zonder buffer kan dat niet doen en betaalt meer.
En zo is het met opleiding ook:
wie geld heeft kan bijles voor de kinderen betalen,
zodat ze een hogere opleiding voltooien
en meer gaan verdienen dan de kinderen van iemand met weinig geld.

‘Aan wie heeft zal gegeven worden’ – het is wel waar.
Maar waarom staat zo’n cynische wijsheid in de Bijbel?
Of is dit anders bedoeld?
Als je het nazoekt, gaan deze woorden in elk geval niet over geld.
Het gaat over hoe je in het leven staat.
Het gaat over groeien in een leven met God.
En daarin werkt het inderdaad zo:
als je daar eenmaal iets van kent dan neemt het gaandeweg
een steeds grotere plek in in je leven.
Het wonderlijke is: juist wie veel ‘heeft’ op aards vlak
is in spiritueel opzicht vaak nogal arm.
Wat dat betreft keert God de rollen om.
Maar de gift is beschikbaar, voor iedereen.
Strek je er maar naar uit,
dan begint er een sneeuwbal te rollen!

« Vorige paginaVolgende pagina »