Uncategorized


 

Op een bepaalde leeftijd val je van je van je geloof.
Kleuters geloven nog heilig in Sinterklaas en zijn goede gaven.
Iets oudere kinderen weten van ‘hulpsinterklazen’
maar geloven toch ook nog in een échte.
Maar ergens in de onderbouw blijkt dat niet meer dan een verhaal.
Wil je cadeautjes, dan zullen we die elkaar moeten geven!
Op een bepaalde leeftijd van je van je geloof.
Tenminste, als je de hoofdlijn van krant en televisie volgt.
In veel artikelen in tijdschriften en kranten
vertelt bijna wekelijks iemand hoe hij of zij ergens in de tienertijd
stopte met geloof serieus te nemen.
Geloven in God als fase in de ontwikkeling naar volwassenheid,
zo wordt het vaak in de media neergezet, ook bijvoorbeeld bij verscheidene praatprogramma’s.
Over geloof en geloven wordt een beetje smalend gedaan. Grow up!!
Een weldenkende volwassene die nog gelovig is?
Dan is er zeker iets mis gegaan!
Lijkt Sinterklaas op God? In bepaalde opzichten wel.
Alwetend over ieders daden, het goede belonend en het kwade straffend.
In het bezit van een groot boek.
Wensen verhorend, vanwaar die ook worden opgezonden.
Als contrast een duistere figuur
– Zwarte Piet is echt geen ‘onderdrukte slaaf’
maar oorspronkelijk een symbool van duistere machten.
Is het dan niet logisch dat je na je geloof in Sinterklaas
ook van je geloof in God afvalt?
Er zijn genoeg mensen die God zien als een soort hemelse Sinterklaas,
met eerbied gesproken.
Doe je goed dan word je beloond, doe je fout dan zwaait er wat.
Echter, is dat nu de God waar christenen in geloven?
Zo’n god is slechts een projectie van het gevoel voor goed en kwaad.
Ik wenste wel dat meer mensen van dat geloof vielen!
De God waar ik in geloof is heel wat meer.
Hij leert me wat liefde is, en genade.
Hij geeft geen cadeautjes,
maar Hij geeft zichzelf – in de kribbe en aan het kruis.
Hij komt niet ééns per jaar, maar is er altijd.
Hij inspireert mensen tot goede daden,
in plaats van ze erop af te rekenen.
Nee, God is geen Sinterklaas.
En ik geloof nog steeds.
In Hem.

Wij protestanten zijn hebben het zo op met heiligen,
maar de Engelsman William Wilberforce zou je wel zomaar een ‘protestantse heilige’ kunnen noemen.
Nee, hij stierf geen marteldood, maar kreeg een praalgraf en een staatsbegrafenis!
William werd in 1759 geboren in een rijk Engels gezin,
en was al op zijn 21e lid van het parlement.
Hij was algemeen bekend vanwege zijn scherpzinnigheid en debatteerkunst.
In 1785 had hij een bekeringservaring, waardoor hij zijn leven aan God toewijdde.
Hij vroeg zich af of hij nog wel in de politiek moest blijven met al haar gekonkel.
Op advies van vrienden bleef hij echter, om dáár God en mensen te dienen.
William werd al snel een groot voorvechter van de afschaffing van de slavernij.
In zijn dagboek schrijft hij dat hij dit ervoer als Gods speciale roeping voor hem.
Hij organiseerde met anderen de eerste mensenrechtencampagne ter wereld,
waarin bijvoorbeeld het plaatje van hiernaast werd ingezet.Blake10

De Engelsen werden zelfs opgeroepen om af te zien van hun geliefde ‘cup of tea’
omdat die ongetwijfeld door slaven was geproduceerd!
William hield zich vooral bezig met de politieke strijd.
Maar liefst 20 jaar moest hij strijden om alleen de hándel in slaven afgeschaft te zien.
Maar nooit gaf hij op, want God had hem doen inzien dat het verkeerd is
om een mens als een ding te behandelen.
Een maand na zijn dood werd de slavernij helemaal afgeschaft.
Zijn levenswerk was geslaagd!
Hij is begraven in Westminster Abbey in Londen, bij andere beroemde Engelsen.
In de film Amazing Grace is zijn levensverhaal en strijd prachtig verbeeld.

In Nederland waren Nicolaas Beets en Julien Wolbers
voorbeelden van de strijd voor afschaffing van de slavernij.
Wolbers vond hiertoe inspiratie in het Reveil,
een internationale christelijke beweging die hulp gaf aan armen,
prostituees en de ontspoorde jeugd.
Wolbers was ook diep onder de indruk van
De hut van oom Tom van de Amerikaanse schrijfster en abolitioniste
Harriet Beecher Stowe uit 1852.
Dit boek speelde een belangrijke rol
bij de afschaffing van de slavernij in de Verenigde Staten.
In de jaren daarna publiceerde Wolbers twee brochures:
In 1853 De slavernij in Suriname, of dezelfde gruwelen der slavernij
die in de ‘Negerhut’ geschetst zijn,
bestaan ook in onze West-Indische Koloniën!
En in 1854 De Surinaamse Negerslaaf.
Wolbers toonde daarin aan dat slavernij in strijd is
met de waardigheid en de rechten van de mens.

In zijn grote werk De geschiedenis van Suriname uit 1860wolb002gesc01_01_tpg
geeft Wolbers de volgende kritische beschrijving
van de achttiende-eeuwse planters en slavenhouders:
Ruw, slecht onderwezen, door hartstochtelijke neigingen vervoerd,
zich meermalen aan twist, spel en onzedelijkheid overgevende,
terwijl wreedheid, laatdunkendheid en domme trots
in ruime mate onder die bevolking gevonden werden,
ja hunne hoofdgebreken uitmaakten.

Ook zo kun je dus een ‘heilige’ zijn,
iemand die iets laat zien van God en zijn bedoelingen.
Geloof is niet alleen iets diep in je hart,
maar geeft ook motivatie om onrecht te lijf te gaan.
Jezus volgen geeft kracht om vol te houden
voor iets waar je zelf niet beter van wordt.
Ik hoop van harte dat er ook vandaag de dag zulke gelovigen opstaan!

 

Wie wil er nou een baan die een zware wissel trekt op je gezin?
Met onchristelijke werktijden en hoge stressniveaus.
Wie wil er nou een baan waarbij iedereen een mening over je heeft?
Waar de morele fouten uit je werk- of privéleven
in de media kunnen worden uitvergroot.
Wie wil er een baan die wantrouwen oproept
onder een groot deel van de Nederlandse bevolking?
Een baan die in het verleden enig gezag met zich meedroeg,
maar tegenwoordig vooral een lege huls lijkt geworden.
Ik merk dat om mij heen veel – vooral jongere – dominees afhaken.
Ze geven er soms na een korte tijd de brui aan.
Vaak hebben ze een nieuwe uitdaging gevonden:
directeur van een christelijke stichting, docent of noem het maar op.
Veel jonge collega’s verwachten
dat hun predikantschap een beperkte houdbaarheidsdatum heeft.
Hun toekomst ligt bij maatschappelijke organisaties,
het kerkelijke bestuursapparaat, de academie
of een niet-ambtelijke carrière in het bedrijfsleven.
Deze veranderingen worden vaak toegejuicht. ‘Wat mooi dat je je hart volgt!’

En natuurlijk, er kan sprake zijn van een nieuwe roeping die op je pad komt.
Maar voor het predikantentekort is deze uitstroom slecht nieuws,
en soms lijkt een carrière switch een makkelijke uitweg uit de sleur van het ambt.
Aan de andere kant heeft ‘de kerk’ ook een gave om predikanten
die soms door omstandigheden tijdelijk geen vaste gemeente hebben
het extreem lastig te maken om gemotiveerd te blijven.
Ook kunnen gemeenteleden zich als een wolf gaan gedragen
en willen ze de herder verslinden.
Je voelt de last van de onmogelijke verwachtingen van gemeenteleden,
bijvoorbeeld dat de dominee ‘de jeugd weer in de kerk brengt.’
Gemeenteleden willen dat de dominee in elke eredienst
aandacht besteedt aan de dertigers en de jongeren en de ouderen.
De conclusie kan dan zijn dat als ik mijn roeping wil volgen,
de gemeente misschien niet de plek is waar je die roeping kan ontwikkelen.
In een enquête die gehouden werd 50 procent (!)
van de ondervraagde voorgangers aan
te hebben overwogen om te stoppen met het predikantschap.

Maar de kerk heeft echter baat bij honkvastheid.
Predikanten die volhouden, niet voor even, maar – ondanks alles – voor het leven.
Die het ‘gewone’ werk doen: preken, bezoeken,
bouwen aan gemeenschappen van Christus.

 

Laatst las ik een column in de NRC (02082023) van de hand van Nicolien Mizee.

Eerst even een korte samenvatting van deze column

‘Een hindoeïstische mevrouw gaat uit eten in een hip, vegan restaurant in Amsterdam.
In de wc van het restaurant staat een beeld van Ganesha naast het fonteintje.
Ganesha, zoon van Shiva, is een god met een olifantskop.
Dat heeft iets grappigs, dat begrijpt die mevrouw ook.
Toch hindert het haar en als de ober komt vragen of alles naar wens is, zegt ze er iets over.
De ober stelt voor Ganesha naar een respectvoller plek te verplaatsen.
Naast de plantenbak in de hoek?’
(…)
Op een gegeven moment gaat de columniste naar een pizzeria.
Ik laat Mizee weer aan het woord:
‘ik ga met mijn twee zusjes naar onze favoriete pizzeria.
Na een uurtje ga ik naar de wc en wat zie ik?
Een kruisbeeld is tot wc-rolhouder gemaakt:
Jezus heeft aan elke arm een wc rol en een derde rol over zijn hoofd.
Terug aan tafel, overleg ik fluisterend met mijn beide zusjes. Wat moeten we doen?
Een foto op Instagram zetten? Maar we zitten niet op Instagram.
Mijn jongste zusje haalt haar schouders op. „Ik snap niet waar jullie je druk om maken. Ik wil een dame blanche en daarna koffie.”
“Het kan Jezus natuurlijk niks schelen”, zegt mijn oudste zus.
“Die is wel erger bespotting gewend. Ik wil een sorbet.”
“Nog iets toe, dames?” Daar is de ober.
“Een dame blanche, twee sorbets”, begin ik, „iets anders: dat kruisbeeld op de wc…”
“Dat heeft mijn vader gemaakt! Ik vind het zó geinig!
Altijd aan het knutselen, die ouwe! Een dame blanche, twee sorbets.”
We zijn direct verzoend.’

Waar ik met deze blog naar toe wil?
Ik vraag mij oprecht af in hoeverre iets ons als christenen nog kan shockeren
als het om onze godsdienst en symbolen gaat?
Natuurlijk weet ik niet of de hier boven aangehaalde columniste christelijk is,
maar dat doet er ook niet toe.
In een tijd dat moslims in bepaalde landen de straat op gaan
als een stel radicalen in een ander land misschien de koran dreigen te verbranden,
vraag ik me af waar de grens bij christenen ligt.
En moeten we ergens een grens trekken?
Is het de vrijheid van een ander mensen te beledigen?
Tot mijn verbazing zie dat cabaretiers zichzelf bevragen en beperken
als het gaat om over de islam, omdat er dan misschien bedreigingen kunnen worden geuit.
Dat geldt meestal niet als christenen of het christendom worden beledigd.
Dan is vaak prijsschieten met de meest gevatte ‘opmerkingen’.
Heeft dit te maken met het feit dat ook wij westerse christenen
door de wasmachine van de Verlichting zijn gegaan
waarbij grote ideologieën en godsdienstige overtuigingen
niet meer ‘onkwetsbaar’ zijn.

 

‘De brutalen hebben de halve wereld’, zegt een spreekwoord.
Mondigheid wordt hoog aangeslagen,
en wie zijn mond niet genoeg open doet laat over zich heenlopen, vindt men.
Assertiviteit is in. Je kunt er trainingen in volgen.
Maar is dat nu allemaal alleen positief?
Het gevaar bestaat dat iedereen alle aandacht wil voor zijn of haar persoonlijke punt,
terwijl het algemeen belang op de achtergrond verdwijnt.
Veel christelijke deugden worden algemeen aanvaard als goed in onze maatschappij:
eerlijkheid, trouw, liefde…
Voor één ding geldt dat echter niet:
de waardering die het christelijk geloof heeft voor nederigheid.
Nederig, wie wil dat nu zijn? Het roept al snel negatieve associaties op.
Dan heb je zeker een laag zelfbeeld – tijd om daar iets aan te doen!
Wat is echter ware nederigheid?
Dat is niet minder van jezelf denken, het is minder áán jezelf denken.
Een leven leiden waarin niet alles ten diepste om jezelf draait.
Aan nederige, bescheiden mensen is volgens mij grote behoefte in deze tijd van het ‘dikke ik’.
Maar hoe word je zo? In veel hedendaags denken lijkt het een onmogelijke optie.
Zelfs als je goed doet, zo wordt wel gezegd, is dat tenslotte verkapt eigenbelang,
of een evolutionaire aanpassing die de kansen van onze soort vergroot.
Ik denk dat je ten diepste God nodig hebt om voorbij eigenbelang te komen.
Sowieso, als er iemand boven je is, ben je zelf niet meer de maat van alle dingen.
Maar ook omdat de Allerhoogste zelf de allerminste werd in Jezus, gekruisigd als misdadiger.
Hij doet het voor!
Jezus zei eens: ‘gelukkig zijn de zachtmoedigen, zij zullen de aarde beërven’.
Brutale mensen mogen de halve wereld hebben,
maar wie Jezus volgt op de weg van nederigheid zal de héle wereld hebben!

 

Het is verkiezingstijd.
En één van de grote onderwerpen die ook de komende strijd bepalen
is het topic over de instroom van vluchtelingen.
Het kabinet is er zelfs over gevallen.
Mensen die wegvluchten voor de onveiligheid, onvrijheid
of simpelweg een boterham willen verdienen.
Wie zou in zo’n onzekerheid willen leven?
Maar de ze mensen moeten we buiten de deur houden, want…

Een groot voorbeeld voor zo’n hardvochtige opstelling is dan
de Hongaarse premier Orbán is een persoon
die altijd als hardliner de harten van heel veel mensen wint.
Hij zegt namelijk: we moeten geen vluchtelingen opnemen,
want de grote toestroom van moslims bedreigt de christelijke identiteit van ons continent.
En op 3 mei jl. stemde dus een overweldigende meerderheid van het Hongaarse parlement,
gecontroleerd door de partij van premier Viktor Orbán,
voor een resolutie met daarin klip-en-klaar de verklaring:
‘Wij willen geen immigratieland worden.’
De media sprongen er bovenop, gezagsdragers deden ronkende uitspraken op radio en tv.
Inmiddels zijn deze woorden opgepikt door landen als Polen en Slowakije,
die met zo’n redenering de asielzoekers weigeren die de EU hen wil toebedelen.
Deze woorden maken mij echt boos en verdrietig.
Want bedreigt deze instroom je identiteit, als er in Europa allang zo’n 50 miljoen moslims wonen?
Weet u trouwens wat verbazend is?
Op dezelfde dag nam hetzelfde Hongaarse parlement
ook een wet aan die het stukken makkelijker moet maken
om gastarbeiders van buiten de Europese Unie
op tijdelijke arbeidscontracten naar Hongarije te halen.
Dat gebeurde heel stilletjes en kreeg amper aandacht in de media.
Want Hongarije heeft tussen 2010 en 2023 300.000 inwoners verloren
door emigratie en lage geboortecijfers.
En als lagelonenland waar veel westerse bedrijven afgelopen jaren fabrieken hebben gevestigd,
is het land nu begonnen hoge aantallen Aziatische arbeidskrachten te importeren.
Volgens het Hongaarse statistiekbureau waren dat er in 2022 86.000
– een stijging van 14 procent ten opzichte van het jaar ervoor.

Maar goed, het eerste nieuws is uitermate droevig en ik word er boos van.
Vooral word ik boos en droevig, omdat uit deze woorden
een totáál onbegrip blijkt van wat ‘christelijke identiteit’ inhoudt.
Houdt dat niet in dat je een volgeling van Jezus bent, en zijn woorden serieus neemt?
En wat, denkt u, zou Jezus doen als hij geconfronteerd werd met zoveel mensen in nood?
Ik zal een paar woorden van Jezus aanhalen.
‘Wees barmhartig, zoals uw hemelse Vader barmhartig is’.
‘Ik had honger en jullie hebben mij te eten gegeven,
dorst en jullie hebben mij te drinken gegeven.
Ik was een vreemdeling en jullie namen mij op…
want alles wat jullie gedaan hebben
voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan’.

Als een continent, een land of een premier zich ‘christelijk’ noemt
en er komen vluchtelingen op zijn pad,
dient dan niet de eerste gedachte te zijn hoe je kunt helpen?
Daarná komen pas de moeilijke vragen over wat je samen aankunt en waar grenzen liggen.
Het startpunt ligt geheel anders: niet bij ‘houden wat we hebben’
– want ik vrees dat Orbán ten diepste dat bedoelt – maar bij bewogenheid.

 

Om liefde te laten ontwikkelen, zijn minstens twee andere dingen nodig:

vrijheid en verantwoordelijkheid.

Vrijheid speelt in het Nieuwe Testament een belangrijk rol,

vooral bij Paulus als vrijheid ten opzichte van de wet, maar ook bij Jezus.

Ik zie de houding van Jezus heel duidelijk

in het verhaal over het ‘arenplukken op de sabbat’.

Jezus loopt tijdens een sabbat met zijn leerlingen langs een korenveld.

De leerlingen hebben honger en plukken een paar aren,

wrijven de tarwekorrels eruit en eten die op.

De farizeeërs hebben het gezien en roepen Jezus ter verantwoording.

Niet wegens broodroof,

maar omdat het plukken van een paar aren al als oogst geldt,

en oogsten is evenals andere arbeid verboden op sabbat. (…)

Geen uiterlijk vastgelegde geboden

die met pijnlijke precisie opgevolgd moeten worden,

maar een nieuwe instelling daar moet hem gaan:

God verandert mensen.

Dat blijkt in de relatie tot elkaar en tot de mensen om ons heen.

Het nieuwe leven dat God geeft bruist op vanuit de liefde van God

en bewijst zich in liefde naar elkaar en naar buiten.

Die liefde bestaat in oprechtheid, onderscheidingsvermogen, innigheid,

hoogachting, enthousiasme, standvastigheid, vrijgevigheid,

gastvrijheid, goedheid, sympathie, eensgezindheid en nederigheid…

Je ziet Jezus als het ware voor je ogen opdoemen.

Zo wil God ons leven veranderen. Nu al een echt begin.

Niet meer aangepast aan deze tijd en

waar wij mensen allemaal maar achter aan rennen,

maar veranderd naar wie Jezus is.

Hij komt in je wonen.

Hij komt door ons heen naar buiten.

Onze woorden zijn eigenlijk zijn woorden.

Onze blik is eigenlijk zijn blik.

Ons luisterend oor is eigenlijk zijn luisterend oor.

Onze arm om de schouder van de ander is zijn arm om de schouder.

Onze echte kleur is Christus!

Hij straalt van je gezicht af,

maar dat komt omdat Hij woont in je hart

en je van binnenuit verandert door zijn Geest!

Vraag Hem elke dag daarom.

dat is het nieuwe verbond.

Zo zal het koninkrijk God zijn.

 

Hebt u iets met zelfbeheersing, met discipline?
Ik denk dat velen van ons zullen zeggen:
Natuurlijk is zelfbeheersing iets belangrijks.
Je kunt niet leven vanuit impulsen.
Iets doen vanuit een opwelling is meestal niet zo verstandig.
We leren het ook onze kinderen:
denk eerst even na voordat je iets besluit.
Mijn volgende vraag is dan:
is zelfbeheersing ook van belang in uw leven als christen?
Hoort discipline voor u bij een christelijke levensstijl?

Wellicht dat sommigen nu wat aarzelen.
Misschien dat u denkt:
mijn geloof draait meer om dankbaarheid, blijdschap en vrijheid.
Vroeger lag er teveel nadruk op wat niet mocht.
Of op wat juist wel moest.
Maar gelukkig heb ik dat achter me mogen laten.
En dat woord discipline, dat doet me teveel daaraan denken.
Het klinkt zo dwingend, zo streng…
Juist in onze tijd kom je ook veel mensen tegen
die het helemaal gehad hebben met zelfbeheersing.
Zij hebben het veel liever over zelfexpressie.
Doe de dingen op je gevoel. Volg je hart.
Kies eindelijk eens voor jezelf.
Leef niet zo met de rem op, zo verkrampt.
Laat jezelf eens lekker gaan. Mens durf te leven…

Iemand schreef pas ergens:
Vaak was de kerk iets van een oase in de woestijn.
Maar in onze cultuur en in onze tijd
zou de kerk eerder een woestijn moeten zijn.
Een woestijn te midden van de overvolle oases van deze wereld.
Een plek waar je de zegen leert van de eenzaamheid en de stilte.
Waar je niet alleen leert feesten maar je ook oefent in vasten.
In de kerk zouden we er niet op gericht moeten zijn
om elkaar zo tevreden mogelijk te maken.
Waar we niet elkaars honger proberen te stillen.
Waar alles leuk moet zijn en fijn en gezellig.
Zou de kerk vandaag niet vooral een plaats mogen zijn.
Waar we iets opsnuiven van het aroma van een goede maaltijd.
En ons dan realiseren dat we een hart hebben dat honger heeft.
En dat we elkaars honger niet kunnen en ook niet hoeven te stillen.
Omdat een mens leeft niet van brood alleen,
maar van ieder woord dat klinkt uit de mond van God.

Jezus zegt:

‘Ik sta voor de deur en klop aan.

Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik binnenkomen, en we zullen samen eten,

Ik met hem en hij met Mij.’

Openbaring 3,20

Laten wij Jezus binnen? Is Hij welkom?

Of hebt u als Hij aanklopt of belt voor een afspraak niet het lef om ‘nee’ te zeggen?

Maar eigenlijk zit je niet op Hem te wachten.

Want je bent druk, je hebt geen zin in kritische vragen.

Het kan ook zijn dat je Jezus in je huis binnen laat omdat je wilt weten wie Hij is.

Wat heeft Hij jou te bieden?

Of jullie vrienden worden hangt er maar net van af

of Jezus een beetje in jouw straatje past.

Want we willen wel zelf blijven bepalen wat er in ons huis gebeurt.

Dat gebeurde ook in het leven van Zacheüs. Dat Bijbelverhaal staat in Lucas 19.

Jezus liep door de stad Jericho. Daar was een man die Zacheüs heette.

Zacheüs was een rijke belasting ambtenaar voor de Romeinen.

Zacheüs wilde Jezus zien en omdat er veel mensen waren en hij klein van stuk was,

klom hij in een vijgenboom om Jezus te kunnen zien.

Toen Jezus daar langskwam, keek Hij naar boven en zei:

Zacheüs, kom vlug naar beneden, want vandaag moet Ik in jouw huis verblijven.’

Zacheüs kwam naar beneden en ontving Jezus vol vreugde bij zich thuis.

Ook Zacheüs is dus zo’n iemand die te weten wil komen wat voor iemand Jezus was.

En hij klimt daar zelfs voor in een boom.

Als Jezus dan passeert en onder die boom staat kijkt Hij omhoog en zegt:

vandaag moet ik in jouw huis zijn.’

Wilde Zacheüs dat?

Nee, het zal vooraf wel niet de bedoeling van Zacheüs zijn geweest.

Maar Jezus nodigt zichzelf uit

en door dat binnen laten van Jezus wordt z’n hele leven op zijn kop gezet,

verandert het leven van Zacheüs totaal.

Wij leven in een wereld waarin we volop met ons zelf

en onze eigen belangen bezig kunnen zijn.

Waarin we veroordelen wie anders is of anders denkt dan wij.

Maar Jezus is naar de aarde gekomen om ons een andere wereld te brengen,

een nieuwe wereld.

De wereld waarin God centraal staat, waarin we oog hebben voor elkaar,

waarin recht gedaan wordt en alles eerlijk verloopt.

Een wereld waarin niemand wordt buitengesloten,

vernederd wordt of tekort gedaan of benadeeld.

Die wereld komt Jezus bij Zacheüs brengen

en Hij wil die wereld ook achter jouw voordeur brengen.

Laat Jezus binnen in alle aspecten van je leven: in je relaties (slaapkamer),

je prioriteiten (de weekplanner in de keuken), je omgang met je bezit (zolder).

Laat Jezus je vuile was doen (badkamer).

Ga met Jezus de kelder in om donkere herinneringen op te ruimen,

zodat jij de deur niet meer krampachtig dicht hoeft te houden.

Laat Jezus toe in je bijkeuken, waar je iedere keer struikelt

over de niet-opgeruimde rommel in je leven.

Laat Hem helpen om zonden en verleidingen op te ruimen.

Vaak laten we Jezus buiten de deur staan, op de stoep. De regie opgeven is voor ons moeilijk.

Je wilt je leven graag houden zoals het is.

En als we Jezus al in ons huis binnen laten,

dan is het vaak alleen in de gang of in de opgeruimde woonkamer, waar Hij nauwelijks kwaad kan.

Kapsel jij Jezus in of kapselt Hij jou in?

Probeer jij Jezus in jouw straatje te passen of ga jij de weg die Hij wijst?

Jezus wil bij ons binnenkomen, Hij wil ons leven binnenkomen.

Hij staat voor de deur en Hij klopt.

Jezus wil in ons leven komen als brenger van een nieuwe wereld,

Gods nieuwe wereld.

‘En toen Barnabas daar gekomen was en de genade van God zag,
werd hij verblijd en spoorde hij hen allen aan
om met een hartelijk voornemen bij de Heer te blijven.’
(Handelingen 11,23)

 

Hoe kijk je naar de dingen, de situaties, de mensen die je tegenkomt?

En welke woorden geef je eraan?

Barnabas heeft daarin een heel eigen stijl.

 

In Handelingen 11 lezen hoe het christendom zich verspreidt

vanuit Jeruzalem naar onder meer de stad Antiochië.

Daar ontstaat een gemeenschap van gelovigen

waaronder ook mensen met een niet-Joodse achtergrond.

Deze geruchten bereiken de moedergemeente in Jeruzalem.

Daar bevinden zich ook alle apostelen

die zelf met Jezus zijn opgetrokken en door Hem zijn aangesteld.

En vanuit het hoofdkwartier van de kerk

wordt iemand naar Antiochië gestuurd

om eens poolshoogte te namen en te zien wat daar gaande is.

 

En de man die gestuurd wordt is Barnabas.

Zelf is hij een Leviet, houdt zich strikt aan de wetten.

En dan ziet hij daar in Antiochië voor het eerst van zijn leven

niet-Joden, onbesnedenen, die zich laten dopen,

die Jezus willen volgen, een gemeente vormen.

Het ziet er allemaal zo anders uit, zo niet vertrouwd.

En je kunt je helemaal voorstellen dat bij Barnabas alle alarmbellen afgaan.

Dit is allemaal zo niet kosher, zo niet hoe hij het gewend is.

Hij had ze tot de orde kunnen roepen en

uit kunnen leggen hoe we dat in Jeruzalem doen.

Hij had kunnen wijzen op het hellend vlak.

Jullie weten toch:

van het een komt het ander en waar zal dit allemaal toch toe leiden.

 

Misschien kunnen we ons eens spiegelen aan iemand als Barnabas.

In hoeverre kijken wij op deze manier?

Zijn wij in de ander op zoek naar sporen van genade?

Kunnen wij ook oprecht blij zijn als we iets waarnemen van genade bij de ander?

En: durven we dat dan ook als zodanig te benoemen?

 

We leven in een tijd van secularisatie

waarin veel van wat te maken heeft met geloof

en God wordt verdrongen naar de marge van de samenleving.

Geloof wordt steeds meer gezien als iets wat thuishoort in de privésfeer.

Het gevolg er van kan zijn dat je je ontwent

om op een geestelijke manier naar de dingen te kijken

en op een geestelijke wijze erover te spreken.

 

Wat zeg je tegen elkaar in de gemeente: Succes? Zet hem op? Of: zegen van God.

Als je diep wordt aangesproken door woorden van God, zeg je:

fijne dienst, mooie preek, wat een spreker is dat.

Of: ik denk dat de Heer me vandaag iets wilde duidelijk maken.

 

Hoe vertel je over je genezing? Wat kunnen ze tegenwoordig toch veel hé?

Ja, ik ben echt een bijtertje, mij krijgen ze niet klein.

Of: het is de Heer die mij draagt, en heelt en geneest.

Slaan we elkaar bemoedigend op de schouder

of durven we ook eens de ander een hand op het hoofd om hem, haar

te zegenen in de naam van Jezus?

Zeg je tegen iemand die je de vrede van God brengt:

bedankt voor je bezoek, een beetje aandacht doet goed.

Of: ik heb in jou vandaag iets van Jezus gezien.

 

‘We leven niet in een tijdperk van verandering,

maar beleven de verandering van een tijdperk’, zegt paus Franciscus.

Daarbij veranderen ook de vormen van religie

en hun rol in de afzonderlijke samenlevingen en culturen.

De secularisatie heeft niet het einde van de religie gebracht,

maar een transformatie.

Terwijl sommige vormen van religie heftig door elkaar worden geschud,

zijn andere zo vitaal dat ze zich juist uitbreiden, over hun eerder grenzen heen.

Traditionele religieuze instellingen hebben hun monopolie op religie verloren.

In de geschiedenis openbaart God zich in het geloof,

de liefde en de hoop van mensen, ook van mensen in de marge van de kerken

en buiten de zichtbare grenzen daarvan.

De zoektocht naar God ‘in alle dingen’ en in alle historische situaties

bevrijdt ons leven van een ik-gerichtheid en leidt ons naar een openheid.

Hierin zie ik een teken van de tijd, een licht van hoop, zelfs in moeilijke tijden.

 

Deze wereld heeft en houdt Barnabassen nodig.

Mensen in wie de Geest van God woont en werkt.

Mensen die door de dingen heen kunnen kijken

en zien waar God zijn werk aan het doen is.

En die dat ook bij anderen opmerken, benoemen en versterken.

Je bent een gezegend mens als je iets hebt van Barnabas.

Dat als mensen jou ontmoeten en meemaken

ze zich gezien voelen en gekend, bemoedigd, versterkt.

En we zo bij elkaar verlangen oproepen

om samen nog veel meer te gaan zien en meemaken

van de genade en glorie van onze God.

« Vorige paginaVolgende pagina »