Uncategorized


 

In de Lijdensweek, op weg naar Goede Vrijdag, beweeg ik me vaak tussen toewijding en afstand.
Er zijn momenten dat ik een stap naar voren doe.
Dan kniel ik in gedachten neer op Golgotha, aan de voet van het kruis.
Ik wil mijn hele leven, met hart en ziel, geven en wijden aan de Gekruisigde.
Die mij zo liefheeft, dat Hij zichzelf helemaal gaf voor mij. He died for me, I live for Him.

Maar als ik eerlijk ben, zijn er ook andere momenten.
In plaats van daar te knielen, zet ik soms stappen naar achteren, beweeg ik ervan weg.
Ik bedenk hoe weinig ik ervan bak. Van mijn toewijding, mijn navolging en dankbaarheid.
Dan durf ik er niet opnieuw aan te beginnen.
En blijf ik op afstand van het kruis en de Gekruisigde.

Het zijn twee uitersten, knielen in totale overgave of op afstand blijven uit schaamte.
En met deze twee uitersten in gedachten, denk ik een poosje na over woorden uit Galaten 2.
Met Christus ben ik gekruisigd. Ikzelf leef niet meer. Maar Christus leeft in mij.
Mijn leven hier op aarde leef ik in het geloof in de zoon van God,
die mij heeft liefgehad en zich voor mij heeft prijsgegeven.’ (Galaten 2,19b-20)

Ja, vaak hink ik op twee gedachten.
En keer op keer laat ik me overtuigen en overweldigen
door de Gekruisigde die mij liefheeft en zich voor mij heeft prijsgegeven.
En niet alleen voor mij, maar voor ons allen.
Godzijdank is de wereld al gered. Dat hoef ik dus niet meer te proberen.
Deze ontspanning nodigt ons iedere dag opnieuw uit
om ‘iets’ van Christus in ons vorm te laten krijgen, tot leven te laten komen.
Deze Galaten worden even verderop in deze brief als volgt aangesproken:
Mijn lieve kinderen, van wie ik opnieuw in barensnood ben, totdat Christus gestalte in u krijgt.

Dat ‘iets’ van Christus in ons zichtbaar wordt, gaat kennelijk niet vanzelf.
Het is en blijft een hele ‘bevalling’.

Maar toch!

 

Voor ons, mensen die leven in een tijd
waarin iedereen mag begeren wat hij wil en van alles mag opeisen, is vragen moeilijk.
Het roept diepe spanningen in ons wakker.
We ervaren vragen als vernederend, vragen maakt ons kwetsbaar,
omdat we weten dat het nooit zonder risico is.
Maar steeds klinkt tot ons de bevrijdende roep: ‘Vraag en er zal je gegeven worden’.
Vragen is de ander toelaten om op jouw spoor te komen. Vragen is je bekend maken.
Het is verbondenheid zoeken en in verbinding willen staan.
Vragen is belangrijk in deze wereld van groeiende polarisatie.
Vragen oftewel bidden daar gaat het om.
In de Bijbel begint het niet met óns verlangen naar God, óns bidden, óns zoeken, óns kloppen.
God is de eerste.
Hij verlangt naar u en jou, om je als verloren zoon en dochter in Zijn Vaderarmen te sluiten.
Het begint met Zijn verlangen dat het weer goed zal zijn tussen Hem en ons.
En daarom zoekt Hij ons op, klopt Hij op de deur van ons hart.

De hele Bergrede tekent voor ons hoe geweldig mooi het leven met God is.
Dat is werkelijk een eeuwig gelukkig leven.
Dat we ernaar zijn gaan verlangen om zo te mogen leven!
In navolging van Jezus, met God door het leven.
Maar dat we vooral hebben gemerkt dat dat allemaal te hoog gegrepen is voor ons,
als God ons daarbij niet helpt, ja, als Hijzelf niet bij ons is.

En daarom: Vraag, zoek, klop. Bid tot God, zoek God, klop aan bij God.
En je zult van Hem krijgen wat nodig is om Jezus te kunnen volgen.
Dat is in feite wat Jezus belooft. Het gebed werkt gegarandeerd.
Niet dat je alles zomaar krijgt wat je bidt,
maar je krijgt in ieder geval God zelf en wat nodig is om Hem te dienen.

Keer op keer heeft Jezus het in de Bergrede over de ‘Vader die in de hemel is’.
Hier legt Hij ons uit, waarom Hij God zo noemt:
Om te leren vertrouwen dat God ons zal verhoren.
Hij leert ons dat elk kind een vader nodig heeft, om niet van honger om te komen.
En dat je als kind mag vertrouwen dat een vader ook voor je zorgt.
Zo gaat het precies tussen u en God: U heeft God nodig, of u het weet of niet.
En God wil er dan ook als Vader voor u zijn.

Wat ga je vervolgens doen met die ‘goede gaven van de hemelse Vader’? Houd je dat voor jezelf?

‘Alles dan wat u wilt dat mensen u doen, doet u hun ook zo, want dat is de Wet en de Profeten.’
Wet en Profeten, daarmee bedoelt Jezus het Oude Testament.
Die is niet voor op de boekenplank om als schat bewaard te worden.
Die is ook niet alleen om in gelezen te worden. Al begint het daarmee wel.
Je moet ermee aan de slag.
Zoals de Hemelse Vader ons zijn gaven geeft en niet wacht tot wij Hem komen zoeken,
maar zélf de eerste is.
Zo wil Jezus ook, dat wíj de eerste zullen zijn om er te zijn voor onze naaste.
We mogen niet blijven hangen in de theorie als het om het geloof in God gaat.
We mogen niet stil blijven staan. We worden erop uit gestuurd.

Als je bidt om vrede in de wereld, zul je zelf een vredestichter moeten zijn.
Als je zoekt en verlangt naar het Koninkrijk van God, zul je zelf leven als een Koningskind.
Als je aanklopt bij God en Hij heeft opengedaan,
zul je zelf ook openstaan voor wie er ook bij je aanklopt.

‘Gegroet, koning van de Joden,’ en ze spuwden op Hem,
pakten Hem de rietstok weer af en sloegen Hem op het hoofd. ’.
Mattheüs 27: 30

Wat deze opgefokte Romeinse soldaten schreeuwen is zeker waar:
Jezus ís de koning van de Joden!
Nee. niet een koning naar onze maatstaven gemeten.
Niet een koning zoals de Romeinen en de Joden van zijn tijd zich dat voorstelden.
Niet een koning op een paard, maar een koning op een ezelsveulen.
Niet een koning die over de ruggen van zijn vijanden loopt,
maar een koning die zijn eigen rug laat doorploegen door zijn vijanden.
Niet een koning die er op los hakt en slaat,
maar een koning die zelf tot bloedens toe wordt geslagen.
De lijdende dienaar van de HEER bespot en bespuwd.
Ondanks alles blijft hij trouw aan zijn roeping.
Hij is een leerling van de HEER.
Elke ochtend luistert hij aandachtig naar de stem van de goddelijke Meester
om toegerust te worden tot zijn taak.
De lijdende dienaar van de HEER. Bespot en bespuwd. Zo wordt Hij onze Bevrijder.
‘Voor ons welzijn werd Hij getuchtigd, zijn striemen brachten ons genezing.’
Omdat Hij ons – zijn onderdanen – zo intens liefhad,
heeft Hij de spot en de striemen gedragen.
De lijdende dienaar van de HEER …
wat houdt Hij toch intens veel van ons.

‘Wat betekent dan wat er geschreven staat:
“De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden?”
Iedereen die over die steen struikelt zal gebroken worden,
en iedereen op wie die steen valt zal worden verpletterd.’
Lucas 20: 17

Als je een huis gaat bouwen kies je met zorg de stenen uit die twee muren
– die haaks op elkaar staan – met elkaar verbinden.
Hoekstenen noemen we die.
Het verrassende is nu dat God een door de bouwers afgekeurde steen gebruikt
als hoeksteen van het gebouw van zijn liefde. Die steen is Jezus.
De bouwers zijn de geestelijke leiders van het volk van Israël.
Zij hebben Jezus afgekeurd. Zij hebben Jezus verworpen.
In de tijd van Jezus was er een spreekwoord:
‘Valt de steen op de lemen pot, wee de pot;
valt de lemen pot op de steen, wee de pot.’
De tegenstanders van Jezus, zij die Hem zullen verwerpen,
zullen als een lemen pot die op een steen valt gebroken worden.
En als steen op de lemen pot valt zal deze verpletterd worden.

De geestelijke leiders van het volk van Israël weten precies wat Jezus bedoelt.
Zij zijn het die de Zoon en de Steen verwerpen.
Het liefst willen ze Jezus gevangen laten nemen
en Hem laten veroordelen voor Godslastering.
Maar wat zijn ze bang voor de reactie van het ‘gewone’ volk.
Jezus is hier dé Struikelsteen van God.
Iedereen die Hem verwerpt zal als een lemen pot gebroken worden.
Het alternatief: Je laten verpletteren door zijn liefde.
Een liefde die gaat tot het uiterste.
Tot in de dood aan het kruis!

‘Ík ben het Licht voor de wereld. Wie Mij volgt loopt nooit meer in de duisternis,
maar heeft het Licht dat Leven geeft.’
Of met andere woorden: ‘Zoals God in de woestijn het Licht was voor het volk van Israël,
zo ben Ik nu het Licht dat Leven geeft aan iedereen.’
Dat was vele generaties terug. De mensen in de tijd van Jezus denken:
‘Onze tempel, dat is de plaats waar God nú woont.
Hier moeten de mensen naar toe komen om God – het Licht – te ontmoeten.
Onze tempel … dat is het Licht voor de wereld!’
Begrijp je hoe woedend de geestelijke leiders van Israël op die rabbi uit Nazareth zijn?
Juist op déze plek, de plek waar de kandelaars en de vuren zijn aangestoken, zegt Jezus:
‘Ík ben het Licht voor de wereld. Wie Mij volgt loopt nooit meer in de duisternis,
maar heeft het Licht dat Leven geeft.’
‘Wie denkt Hij wel Wie Hij is?’
De Farizeeën en de andere geestelijke leiders kunnen die rabbi uit Nazareth niet uitstaan.
Al hun heilige huisjes gooit Hij omver. Hun haat wordt met de dag groter.
Uiteindelijk zullen ze Hem monddood maken. Ze zullen zijn Licht voorgoed doven!
‘Weg met Hem!’
Het is best wel opvallend hoe vaak Johannes het in zijn evangelie over ‘de wereld’ heeft.
Voor Johannes was de aanduiding ‘de wereld’ gelijk is aan het ‘rijk van de duisternis’.
Het is de wereld waarin mensen leven zonder God. De wereld waarin het donker en duister is.
Waar de zonde het voor het zeggen heeft.
In díe wereld, die God-vijandige en donkere wereld, is Jezus gekomen.
Hij is de strijd aangegaan met de heerser van deze wereld
en Hij heeft uiteindelijk het rijk van de duisternis verslagen.
Dat wordt ook duidelijk als op Goede Vrijdag
na een drie uur durende angstaanjagende duisternis God zijn Licht weer op aarde laat schijnen.
Wie een volgeling van Jezus wil zijn kan deze wereld niet ontlopen.
Wie echter in Jezus gelooft, wie in Jezus God de Vader heeft leren kennen,
wandelt niet langer meer in het donker, in de woestijn van het leven.
Jezus, het Licht wijst je de weg naar het land van Gods beloften.
Het land waar het Licht … Leven is!

Om je te keren naar Pasen
moet je je omkeren …
Zoveel oud vuil, zoveel oud zeer
moet eerst aangekeken worden
wil je ook werkelijk vrij
de weg naar Pasen gaan.
Denk niet: dat doe ik wel even …
Omkeren is een levenshouding
want zodra je je gekeerd hebt,
zul je iedere keer weer tegenkomen
hoe vastgeroest gewoonten kunnen zijn.

Keer om en om en om …
Houd het hoofd koel en het hart warm
omdat je dan goed kunt onderscheiden

waar het in het leven-met-God om draait.

Hij wil zijn nabijheid aan ons kwijt

en staat steeds gekeerd naar ons, op de uitkijk.

 

 

 

We leven allemaal van genade.
Als we elkaar niet zouden vergeven, zou geen van ons kunnen bestaan.
Hoe meer je met mensen samenleeft, hoe meer je vergeving nodig hebt.
Voor alle stommiteiten die je begaat, voor elk onnadenkend kwetsend woord, voor elke nalatigheid.

Genade hebben we nodig van anderen.
Genade heb je ook nodig van jezelf.
Kijk hoe belangrijk de nederigheid en zachtmoedigheid van Jezus zijn. Hoe het je leven verlicht.
Dit heeft ook met genade te maken. Door nederigheid besef je dat je genade nodig hebt.
Door zachtmoedigheid geef je genade geven aan jezelf en anderen.
Het woord ‘vinden’, in het Grieks ‘heuriskō’, is een favoriet woord van de evangelist Lucas.
Maria hoefde niets te presteren om genade bij God te vinden.
Ze hoefde het alleen aan te nemen en ermee in te stemmen.
Lucas herhaalt dit woord zoveel keer dat het wel een belangrijk woord moét zijn.
Ook jij kunt genade bij God vinden. Niet maken, niet verdienen, maar vinden.
Durf jij nederig genoeg te zijn om die genade te accepteren?
Ben jij zachtmoedig genoeg om die genade bij jezelf toe te laten?
Dan kan er, naar het voorbeeld van Maria, ook in jou nieuw leven ontstaan.
In de woorden van de engel: ‘Wees niet bang, je hebt genade gevonden bij God.’

Naast zorg om de aarde groeit een nieuw verantwoordelijkheidsbesef,
met meer liefde voor de aarde, voor de natuur, de flora en de fauna.
‘Hier en nu’ is opnieuw actueel, maar wel toe aan verdieping.
Het eenzijdige geluksstreven krijgt tegenwind van ‘de kunst van het ongelukkig zijn’.
Veel vereenzaming lijkt het gevolg van het evangelie van de zelfredzaamheid,
waarin het eerste gebod is dat we elkaar niet tot last zijn.
In de maatschappij waarin we leven is autonomie een groot goed.
Er wordt verwacht dat we in staat zijn om onze eigen weg te kiezen, onafhankelijk van anderen. Tegelijkertijd leren we in de Bijbel om afhankelijk te zijn en onszelf te verloochenen.
Paulus durft zelfs te zeggen: ‘Ik leef niet meer, maar Christus leeft in mij.’
Het zijn bekende woorden.
Maar loop je met die houding niet het gevaar dat
afhankelijkheid van God een vlucht wordt,
zodat je zelf geen verantwoordelijkheid hoeft te nemen
voor de keuzes die je nu eenmaal moet maken?
En loop je niet het risico dat je jezelf helemaal wegcijfert of zelfs verliest?
Zo lijkt autonomie het adagium voor mensen in de 21ste eeuw.
Zelf bepalen hoe je je leven leeft, dat is een hoog goed.
Gelovigen hoeven dat niet direct af te wijzen;
tegelijkertijd knaagt te veel autonomie
aan onze overgave en gehoorzaamheid aan God.
Leven we als gelovigen niet onder de zeggenschap van onze Heer?
Maar we krijgen ook oog voor autonomie in verbondenheid.
We zijn geen losse mensen, maar we zijn met elkaar, de natuur en de dieren verweven.
We leven van dag tot dag, maar kunnen niet zonder dromen en verhalen
die zin geven aan ons bestaan.
Autonomie betekent niet dat we onaantastbaar zelf bepalen hoe we onze weg gaan.
Maar een gezonde autonomie is nodig om goede keuzes te maken in ons leven,
waartoe we als verantwoordelijke wezens geroepen zijn.
Autonomie ontwikkelen is wat mij betreft:
vrijheid in denken en handelen
om je als gelovig mens te kunnen bewegen in relatie met de Schepper.

Jezus sprak tot hen over vele dingen in gelijkenissen.
‘Eens – zo begon Hij – ging een zaaier uit om te zaaien.’
Mattheüs 13,3

Wie is de zaaier en waarom deze opmerkelijke voorstelling van zaken?
In Psalm 126 is de zaaier ieder mens en verbeeldt het zaaien en oogsten
de gang van een mensenleven.
‘Zij die in tranen zaaien, zullen oogsten met gejuich.
Wie in tranen op weg gaat, dragend de buidel met zaad, zal thuiskomen met gejuich,
dragen de volle schoven.’
Voor deze gelijkenis lijkt iets soortgelijks te gelden, hij brengt ons menselijk leven in beeld.
Zij houdt ons een spiegel voor en laat ons zien hoe wijzelf vaak in ons leven reageren.                        Kleine tegenvallers maken vaak grote indruk op ons.
Zij nemen onze aandacht in beslag en bederven onze levensvreugde.
Maar ze horen er eigenlijk gewoon bij, zonder lichte tegenslagen kom je niet door het leven.
In zeker zin zijn het niet meer dan bijverschijnselen, maar zo ervaar je het niet.
En terwijl je je druk maakt over de kleine tegenvallers,
heb je nauwelijks oog voor de zaken die goed lopen
en voor de overvloed die het leven ondanks die geringe tegenspoed biedt.

‘Heilige Geest,
ik wil een spreekbuis zijn van U,
maar ik weet niet goed
hoe ik dat het best kan doen.
Schenk me inzicht,
help me op weg,
want ik wil getuigen
van de Blijde Boodschap.
Mensen mogen het weten
dat ik leef vanuit U.
U bent als een vuur
dat brandt in mij
en in onze gemeenschap.
Ik verlang dat anderen zien
welke kracht U kan zijn
welke trooster en bezieler.
Hoe U een thuis bent
voor al wie liefde zoekt
en die wil delen.’

« Vorige paginaVolgende pagina »