Uncategorized


‘Heilige Geest,
ik wil een spreekbuis zijn van U,
maar ik weet niet goed
hoe ik dat het best kan doen.
Schenk me inzicht,
help me op weg,
want ik wil getuigen
van de Blijde Boodschap.
Mensen mogen het weten
dat ik leef vanuit U.
U bent als een vuur
dat brandt in mij
en in onze gemeenschap.
Ik verlang dat anderen zien
welke kracht U kan zijn
welke trooster en bezieler.
Hoe U een thuis bent
voor al wie liefde zoekt
en die wil delen.’

Besef dat troosten niet het antwoord is
voordat je de vraag goed hebt beluisterd.
Het is niet het aanbrengen van allerlei goede adviezen.
Troosten is helpen te leven
met vragen waarop geen antwoorden zijn.

Een gave, die je doorgeeft, krijg je dubbel terug.
Een innerlijke stem, die je volgt, geeft je leven richting.
Een doel, wanneer het niet gedeeld wordt, is doelloos.
Een leven dat gedeeld wordt, is gevuld met overvloed.
Als het uiterlijk moeten wegvalt,
word je teruggegeven aan jezelf.

Oneindig is de stroom van het leven.
Elk moment heeft zijn eigen cadeau.

Het belang van de opstanding van Jezus is niet een soort algemeen bewijs voor leven na de dood. Wat het bewijst is dat God zijn belofte houdt:
de toewijding van God de Vader aan Jezus zijn geliefde zoon is absoluut en eeuwig;
het kruis haalt Vader en Zoon niet uit elkaar,
en het leven is hersteld aan de andere kant van het kruis,
een leven dat wel en niet hetzelfde is als het gewone fysieke leven dat Jezus had in Galilea.
En de Goddelijke belofte die Jezus, God onder de mensen, doet aan zijn vrienden,
de belofte van genade en vernieuwing, is absoluut;
zelfs de ontrouw van de leerlingen kan hem niet vernietigen.
Jezus’ leven is er opnieuw voor hen, de bron van hun vreugde en hoop.
De gewelddadige en vreselijke dood van Jezus weerhoudt God er niet van
om te geven wat hij wil geven, constant en voortdurend.
Als Jezus opgewekt is, kunnen we rekenen op Gods trouw.

Jezus’ woorden aan het adres van degenen die erop vertrouwen
dat hun geld hun een vorm van veiligheid kan bieden,
zijn net zo scherp als die aan het adres van degenen
die vertrouwen op een verzameling religieuze vormen.
De leerlingen zijn geschokt al ze merken hoe weinig respect Jezus heeft voor de rijken.
Als hij bijvoorbeeld zegt:
‘Het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan
dan voor een rijke het koninkrijk van God binnen te gaan’ (Mattheüs 19,24),
is dat zo’n fundamentele ondermijning van wat zij tot op dat moment onder macht hebben verstaan,    dat ze zijn woorden maar nauwelijks kunnen geloven.
Ze zijn er altijd van uitgegaan dat rijkdom en status tekenen waren van Gods goedkeuring,
en de basis van die overtuiging werd gevormd
door het onbewuste idee dat alle vormen van rijkdom en aanzien
in wezen hetzelfde zijn en dat God daardoor op de een of andere manier
een onderdeel is van de heersende elite.
Nu zie je ook waar je je op moet richten als je radicaal christen wilt zijn.
Namelijk op de liefde van je Vader in de hemel. Ga bij Vader in de leer.
Kijk naar zijn liefde. Bedenk wat Hij zich ontzegde voor jou.
Hij gaf zijn eigen Zoon. Zo zocht Hij jou, zo is Hij op jouw geluk gericht.
Wie radicaal wil zijn moet zich focussen op de wortel. Dat is Gods Vaderliefde.
Maar dan je christelijke levenshouding….
Daar loop ik vaak mee te worstelen. Hoe doe je dat nu?
Vooral toen ik in aanraking kwam met Filippenzen 2,5:
‘Laat onder u de gezindheid heersen die Christus Jezus had’.
Dit betekend een soort jas die als het ware gegoten om je heen zit.
Maar hoe doe je dat? Hoe onthoud je dat?
Kolossenzen 3,23 zegt:
‘Wat u ook doet, doe het van harte, alsof het voor de Heer is en niet voor de mensen’.
Alles in het teken te zetten van het koninkrijk?
Als je s ’morgens op staat, eten gaat, naar je werk of school gaat….
Ik probeer bij veel dingen dan te denken dat ik het voor Jezus doe, alsof hij staat te kijken.
Een soort Big Brother alleen dan op een hele positieve manier.
Wat als je alles doet voor Jezus?
Rijdt je dan nog harder dan 100 km per uur? Download je dan nog een film?
Roddel je dan nog over je familie of de buren? Praat je dan nog negatief over buitenlanders?
Voor mij is het een Bijbeltekst die inmiddels mijn leven bepaald.
Het schrijven van dit stukje, het maken van mijn preken maar ook de strijk en het huishouden,
doe ik voor de Heer. Het is niet meer een hele zware opgave. Ik ben er van gaan genieten.
Laat je keuzes hun oorsprong hebben in de genade van Vader.
In de Bergrede in Mattheüs 5 preekt Jezus geen werkheiligheid.
Hij legt geen last op je schouders van doe dit en doe dat.
Je kunt de toegang tot het hemelrijk niet verdienen.
Denk daarom in het beeld van de wortel en de plant.
Of een plant vrucht draagt hangt af van de wortel.
Wat is de grond waarin die wortel staat? God heeft je in goede grond geplant.
Daarom zegt Paulus:
‘blijf in hem (in Jezus, dat is Gods zichtbare Vaderliefde) geworteld en gegrondvest’.
Dan zal je leven vruchten voortbrengen van gerechtigheid.

barmhartig
Wanneer mensen om ons heen getroffen worden door een ramp, hongersnood of oorlog,
  ontwaakt de barmhartigheid in ons. Dan willen we geld, tijd en aandacht geven.

Maar barmhartigheid speelt op alle terreinen van het leven.
Overal hebben we te maken met imperfectie en de gevolgen ervan: verdriet, pijn, angst, miskenning, onmacht, ziekte, dood. Het overkomt ons, we doen het onszelf aan of anderen zijn er de oorzaak van.
Vaak weten we niet hoe we erop moeten reageren.
Het leven stokt. We kunnen niet vooruit, voelen ons alleen of niet gezien.
Hoe bemoedigend is het dan als we aan den lijve ervaren
dat iemand ons in barmhartige liefde nabij is.

Paus Franciscus zegt het zo:
‘Door mens te worden heeft de zoon van God ons uitgenodigd tot een revolutie van tederheid.’
Dat is de manier waarop Gods koninkrijk zichtbaar wil worden,
gestalte krijgt in zachte krachten van compassie.
In kleine maar veelbetekenende gebaren van vriendelijkheid en goedheid.
In een revolutie van tederheid. In Jezus doet God het ons voor hoe een revolutie van tederheid en uitziet. Door die ander te zien, ook in zijn diepste nood. Die ander tegemoet te treden, aan te raken.
Juist ook als hij of zij niet je vriend is of je type.
De evangelist Lukas benadrukt specifiek hoe Jezus juist mensen in de marge op het oog heeft.
De onaanraakbare, de melaatse, de prostituee, de Samaritaan, de gebogene, de verlamde,
Lazarus met zijn weerzinwekkende zweren,
de man in Gardara in wie vele boze geesten wonen en waar iedereen met een grote boog om geen leeft.
Jezus laat zien wat het is om het lef, het hart te hebben om heel bewust die grenzen te doorbreken,
over deze muurtjes heen de ander te zien de hand te reiken en te ontmoeten.
En zo het warme hart van God voor die ander even heel tastbaar, voelbaar te maken.

De stilte is verdwenen,
Misschien kwam de stilte weer een beetje terug,
door een mindere economie, of in tijden van een lockdown.
Maar zelfs daarin zie je de stilte verdwijnen.
Een paar maand terug nog accepteerden we die lockdown nog gelaten.
Iedereen snapte toen dat het nodig was.
Maar langzamerhand is er meer weerstand, het geduld is op,
mensen laten van zich horen; … en de stilte is verdwenen.
Mensen roepen en schreeuwen, soms uit nood, soms om aandacht.
Een vreugdekreet, als je bang bent, of een snik,
maar we laten van ons horen.

Als ik psalm 65 lees hoor ik ook iets anders:
‘De lofzang is in stilte tot U, o God, in Sion’

Dit raakte me.
Als stilte een loflied is voor God,
hoef ik het dus ook niet te weten of te snappen.
Mag ik bij God aangeslagen zijn, en even stil vallen.

Juist als je stil wordt, (en dat is wat Psalmen zo goed kunnen)
dan zie je opeens weer even het grote plaatje.
Psalmen helpen ook zo goed om God in dat grote plaatje te plaatsen.
En van daaruit, om Hem te loven, te bedanken,
niet alleen om de dingen die ik zelf bedacht,
maar ook om alles wat even aan mijn aandacht zou ontsnappen
als ik overspoelt ben door zorgen en angsten.

Stilte zie ik als de veronachtzaamde kracht
die ons kan terugbrengen naar een leven met zowel wortels als vleugels.                                                              Wanneer je de stilte uitnodigt, schuif je al het andere opzij.
Het is alsof je een holte, een open plek uithakt,
en als dat eenmaal is gebeurd,
is het de kunst om die niet met iets anders te vullen.
In elk geval niet direct.
Voordat je zelfs maar in de buurt komt van wat lijkt op activiteit,
moet je een vriend van de stilte worden.
Stilte is als een schuwe vogel, die je heel voorzichtig moet benaderen.

Alles bij elkaar, vind je een houding van ontzag, respect, dankbaarheid.
Waar je bij God mag komen:
Als de stormen bulderen, of je gedachten razen.
Als je vol bent om te juichen en te zingen. Totale jubelstemming.
Maar juist ook in totale rust,
in stille verwondering, of aangeslagen stilte,
En als je dat ziet, zal de doodse stilte echt verdwijnen.
En plaatsmaken voor ontzag:
Hoe dan ook: “U komt de lof toe, God”

Wie ontworteld is, nergens meer aan toe behoort,
of nergens meer houvast in kan vinden,
voelt zich bedreigd door de ander, de vreemdeling.
Dan hoeft er maar iets te gebeuren of de onderbuik gaat spreken.
Dan zien we, ook al willen we het niet,
dat we op de denkbeeldige lijn van angst aan de ene kant
en interesse aan de andere, gaan opschuiven richting de angst.
We voelen ons ontworteld,
we zijn niet meer zeker van onze religieuze overtuigingen,
het land waarin we opgroeiden is er niet meer
en dan komen er mensen
die wel allemaal vol overtuiging hun religie lijken te beleven,
die elkaar allemaal lijken op te zoeken,
die wel nog allemaal geworteld lijken te zijn in hun cultuur.
Dat is bedreigend.
‘Blijf in Jezus Christus geworteld en gegrondvest’
wordt er gezegd in Kolossenzen.
Dat is het beeld van een boom
waarvan de wortels diep de grond in zijn gegroeid.
Er moet heel wat gebeuren voor zo’n boom ontworteld wordt.
Wortelen in Christus betekent dat je Hem kent,
dat je op meerdere manieren met Hem verbonden bent,
niet langs één lijn maar langs veel lijnen.
Allerlei facetten van je leven zijn met Christus verbonden.
En je weet: wat er onder de grond aan wortels is,
is er boven de grond aan takken.
Dat geldt ook in je relatie met Christus:
hoe dieper en breder de band, hoe meer groei en vrucht.
In dit verband zegt Paulus er ook: ‘wees op je hoede’
voor menselijke tradities, voor de principes van deze wereld,
voor de richting waarin de samenleving beweegt.
Concentreer je op Christus alleen.
Maak goed onderscheid tussen wat bij Hem vandaan komt
en wat uit je eigen hart komt.
Je eigen hart dat zo vaak vol is van de dingen van deze wereld.
Behoed je hart.
Laat het gevuld zijn met Christus
en de dingen die Hij belangrijk vindt.

Als we voor Jezus kiezen, dan is dat niet zomaar iets.
Niet iets dat je doet in je vrije tijd of als je er zin in hebt.
Het is een ongewis avontuur. Het vraagt om een focus.
Je leven staat daar in dienst van.
Met scherpe woorden roept Jezus ons daartoe op:
‘Weet wat je doet als je voor mij kiest.’
Trouw zijn aan God gaat soms tegen de wereld in,
soms zelfs tegen je eigen familie of tegen je eigenbelang.
Het is geen gemakkelijke weg: je moet je kruis dragen.
Anderen verklaren je voor gek.
Want niet bouwen op mensen maar op God
is in onze tijd een vreemd fenomeen. We hebben de tijd niet mee.
De wetenschap komt met grootse inzichten,
terwijl religie als gevaarlijk wordt gezien.
‘De Kerk’ is regelmatig in opspraak.
Geloof wordt beschouwd als achterhaald.
Hoe moet je in deze tijd ‘radicaal christenzijn?’
of kun je beter stellen ‘laten we radicaal zijn’.
Geworteld in Gods Vaderliefde.
Stop maar met radicaal zijn vanuit een idee van de hemel verdienen
of vanuit angst voor de hel.
Radicaal word je door je zicht op Gods Vaderliefde.
Die liefde is de wortel van alles.
Het fundament voor je leven als christen, de grond waarop je staat.
Het is de oorsprong van alles en de geboorteplaats van je nieuwe leven.                                                                        Het was Christus zelf die zijn radicale gehoorzaamheid
ontleende aan de liefde van zijn Vader.
Die liefde van de Vader kende Hij zo goed, zo diep, zo van binnen uit,
zo van eeuwigheid af.
De Geest van de Vader maakte Hem bereid
de uiterste consequentie te ondergaan: sterven, omwille van de mens. Liefde maakt radicaal.
Alleen liefde.

In deze tijd is een veel gehoord adagium:
‘Weg met alle kleinburgerlijkheid.’
Verbreek de banden waarmee je gekluisterd zit aan je saaie bestaan.                                                                          Nieuw leven, nieuwe baan, nieuwe vrouw.
West-Europeanen, zo schreef Sergi Boelgakov
meer dan honderd jaar geleden, hebben een typische levensstijl
en dito manier van denken.
Ze zijn ‘kleinburgerlijk’, met hun ‘alledaagse deugdzaamheid’,
hun ‘intensieve arbeidseconomie’, en hun ‘ongeïspireerdheid’.
Ik moest grinniken toen ik het las.
Daar typeert iemand gewoon even mijn cultuur, en mijzelf,
en het menstype dat onze samenleving voortbrengt.
Mensen vooral gericht op ‘deugen’
(en genadeloos zijn naar wie volgens ons niet deugen).
Gericht op werk en productiviteit,
en erg ingenomen met de resultaten daarvan.
En daardoor, door die kleinheid en drukte, veelal ‘ongeïnspireerd’.
Ik zat te denken:
wie mag er eigenlijk in onze eigen cultuur
‘grote verhalen’ vertellen, ons inspireren?
Het aparte is dat we vrij selectief zijn
in de ‘grote verhalen’ die wij verspreiden.
Als miljardairs fantaseren, over hun decadente bevlieging
(om deze door ons uitgewoonde aarde te verlaten
en ergens anders een betere samenleving op te bouwen),
dan haalt die mythologie het Journaal.
Als we een collectieve adoratie hebben voor wetenschap,
voor maakbaarheid, voor samen onze grote ziektes
‘de wereld uitschoppen;’ is dat ‘inspirerend’ en ‘hoopgevend’.
Een boek over ‘wij, die deugen’ is geliefd en geloofwaardig.
Grote ideeën genoeg.
Maar zijn het niet vooral verhalen waarmee we onszelf pleasen?
Waarmee we klein blijven, zelfingenomen en ongeïnspireerd.
Ook in de kerk loert het risico van een kleinburgerlijkheid.
Daar moet het vaak vooral praktisch zijn, ‘mooi’,
toepasbaar, de deugdzaamheid bevorderen en niet te veel overhoop halen.                                                           

Maar… ik kom niet naar de kerk voor de aardigheid.
Ik hoop dat mijn onwil, het onvermogen, het verdriet wordt benoemd.
Ik hoop het grootse te horen, van een God die mens werd
om de dood, de zonde en heel de mensheid te redden.
Een toekomst wordt geschetst van een nieuwe wereld
waarin die krachten die ons leven overeind houden
verder groeien en sterker zijn.
Waarin banden niet verbroken worden, maar verstevigd worden.
Waarin niet conflicten en strijd een nieuwe wereld baren,
maar verzoening, liefde en vrede.
Een vrede die zo sterk is dat ‘wolf en lam naast elkaar grazen’,
een beeld dat grote agressieve staten en kleine landjes
vreedzaam naast elkaar leven.
Die andere wereld heeft Johannes de Doper in Jezus Christus gezien.
Hij roept de mensen op om zich om te keren naar God.
Johannes vraagt de mensen om geen slechte dingen te doen:
aan soldaten vraagt hij hun wapens niet te gebruiken
om van gewone mensen geld af te persen.
Hij vraagt hen te delen met elkaar en zich om te keren.
Johannes wijst op Jezus. Je kan zelfs zeggen: hij belichaamt die omkeer: hij leeft zelf als een kluizenaar in de woestijn.
Juist deze Johannes, die die beweging van omkeer in zijn lichaam voelt.
Juist hij heeft zijn ogen open en ziet dat er nog iets komt.
Iets dat verder gaat dan zijn omkeer en voornemens voor een ander leven.
Ik wil knielen, biechten, berouw tonen, me bekeren,
de aarde kussen en ieder mens die mijn pad kruist.

« Vorige paginaVolgende pagina »