Marchanderen is de volgende fase van de 5 fasentheorie van Kübler-Ross. Achter het marchanderen ligt de machteloosheid om de zaken weer te herstellen naar de oude situatie of de situatie naar de hand te zetten. Dit maakt dat mensen bewust of onbewust, rationeel of irrationeel gaan polderen. Zoals ‘Als ik me houd aan de anderhalvemetersamenleving, dan mag ik toch wel bij mijn moeder op bezoek in het verzorgingstehuis.’ Of ‘Wanneer ik meerdere keren per dag 20 seconden lang mijn handen was, dan kunnen de kleinkinderen toch wel op bezoek komen.’ In deze fase is de ernst van de situatie helder, maar de alles veranderende doorwerking van het gebeuren niet. In deze situatie wil de rouwende mens onderhandelen, want erkennen en accepteren is nog lang niet aan de orde. Zover is de weg van het rouwproces nog niet bewandeld. In eerder genoemde voorbeelden zien we vormen van marchanderen. We komen het ook tegen bij hen die onder het mom van de economie scholen en bedrijven weer willen openen. Je ziet het nu in verkiezingstijd voor je ogen gebeuren. Er wordt onderhandelt en zijn bijvoorbeeld de ouderen en de zwakkeren in de samenleving het wisselgeld. Zo iets als ‘wanneer wij hen isoleren, dan kan de rest van de samenleving toch wel weer gewoon opgestart worden?’ De ontkenningsfase en de woede is voorbij en er wordt geprobeerd weer grip op alles te krijgen, voordat de grip op het eigen leven wordt kwijtgeraakt. Het marchanderen is hiermee een vorm van zelfbehoud. De angst om op de een af andere manier er aan onder door te gaan. Zo wordt van alles gewogen om het gewaardeerde leven dat er was weer voort gang te laten vinden. Binnen de kerk zal er voor deze fase opgepast moeten worden. Het marchanderen ligt voor de hand. We zijn vaak erg creatief om allerlei zaken te bedenken, zodat het oude leven toch op de een of andere manier doorgang kan vinden. We willen vasthouden aan wat was en niet aanvaarden dat de tijden veranderd zijn. Het is allemaal heel begrijpelijk. Toch vind ik dat we hier als kerken al echt een slag geslagen hebben. Nu zijn veel van de kerken dicht voor erediensten ‘oude stijl’, is zingen on hold gezet en proberen kerken hun steentje bij te dragen aan de indamming van het virus. Maar het marchanderen ligt ook in de kerk op de loer. Creatieve geesten die wegen zoeken om het bij het oude te houden in een iets andere situatie. Want gewoon willen doen wat we gewoon waren. Dat past ons het beste. Al met al is het marchanderen een onderdeel van het rouwproces. Er zal een bewustwording op gang moeten komen, dat men oude wijn in oude zakken doet en nieuwe wijn in nieuwe zakken. De tijden zijn aan het veranderen en al veranderd. Maar dit moet wel eerst binnenkomen.
De tweede fase in het rouwproces is die van de woede. Woede steekt in het licht van het rouwproces de kop op wanneer zelf of een geliefde besmet is geraakt met het coronavirus of dat de angst leeft, dat dit gebeurt. In het begin van de coronacrisis is de woede duidelijk aanwezig bij hen bij wie de ernst van het hele gebeuren doorgedrongen was. Woede dat de overheid en het RIVM niet eerder maatregelen getroffen hebben, het op z’n beloop lieten. Woede dat evenementen, bijeenkomsten en kerkdiensten doorgingen. Woedend op hen die op dat moment niet doordrongen waren van de ernst van de situatie. Deze woede is zichtbaar geworden richting hen die door zijn gegaan met het houden van kerkdiensten, maar was er ook andersom. Woedend op hen die terechtwezen. Want was het kerkgebouw niet vele malen groter dan de plaatselijke supermarkt en ze mochten er toch met 30 mensen in. De woede begrijp ik wel als je ziet hoe erg het leed kan zijn. Ook ik ken die woede jegens hen \die zich niets van de maatregelen aantrokken. ‘Hoe haal je het in je stomme kop om in deze situatie door te gaan met …………’ Ach… vult u maar in. Woede is echter een fase in het rouwproces, die niet in stand gehouden moet worden. De pijn die onder de woede ligt zal wel benoemd behoren te worden. De pijn van hen die direct te maken hebben met de gevolgen van het coronavirus. Doordat ze zelf besmet zijn geraakt en er ernstige gevolgen van ondervinden of doordat ze werken op een ic-afdeling en met eigen ogen gezien hebben wat het virus kan aanrichten. Dood en verderf. Deze pijn moet niet verdrongen worden, maar uitgesproken worden. Iets dat in bij de eerste golf in het voorjaar door de #frontberichten werd gedaan.
De eerste fase die ik bespreek is die van de ontkenning. In het licht van het coronavirus is de eerste fase uitermate herkenbaar. In het begin vooral door de ontkenning dat het een groot probleem is of zal worden. Het niet onder ogen willen en kunnen zien, dat ook de Nederlandse samenleving ontwricht zal raken.
Ontkenning kwamen en komen we ook volop tegen bij mensen die niet onder de indruk zijn van het coronavirus. Maatregelen vinden zij maar overbodig. Elkaar ontmoeten en begroeten, waarom zou je dat beboeten? Alle informatie komt niet binnen. Het idee dat het allemaal wel mee zou vallen en dat alle maatregelen maar overbodig waren, was sterk. Langzaam, heel langzaam drong het door. Het is mogelijk dat mensen in deze fase blijven hangen en de ernst van het coronavirus blijven ontkennen. Op kerkelijk gebied zagen we een tijdje het ontkennen terug in het door laten gaan van kerkdiensten. Wel of niet met de gedachte dat God zal beschermen tegen de verderfelijke pest. Ook zagen we het in de duiding van het coronavirus als een straf van God vanwege zondige gedragingen. Dan leeft het idee dat alleen anderen geraakt zullen worden. Gelukkig is zo’n beetje heel kerkelijk Nederland deze fase nu wel voorbij
Vele woorden zijn er inmiddels al gewijd aan het coronavirus. Hoe er mee om te gaan? Hoe het te duiden? Nieuwe woorden zijn aan het Nederlands toegevoegd, zoals anderhalvemetersamenleving en coronacrisis. Discussies laaien op over de waarde van de mens en die van de economie. Voorzichtig wordt er gesproken over de tijd na het coronatijdperk.
Als je het goed bekijkt lijken we als Nederlandse samenleving uit een glorieuze tijd te komen. Misschien wel een soort Gouden Eeuw. Alles was mogelijk en bereikbaar. Je kon doen wat je wilde. De mogelijkheden leken onbegrensd. Maar ineens was alles niet meer mogelijk en bereikbaar. Niet alles wat je wilde kon. Er werden grenzen gesteld. Dit doet wat met de mens. Terwijl de mens zich machtig waande en het leven onder controle dacht te hebben, maakte een onzichtbaar virus aan alle illusies een eind. De machtige mens wordt schijnbaar machteloos en dreigt de controle te verliezen. Het leven is niet meer als hiervoor en de vraag is of het wel weer wordt zoals het was. De ‘punt op de horizon’ mist. Dit brengt allerlei gedachten en gevoelens los bij de mens en ik meen dat het goed is wanneer we ten volle beseffen dat we als samenleving een rouwproces doorgaan.
Dit besef bracht mij ertoe om op een andere manier naar de huidige tijd te kijken. De Zwitsers-Amerikaanse psychiater Elisabeth Kübler-Ross heeft vijf fasen van rouwverwerking omschreven die de meeste mensen geheel of gedeeltelijk doorlopen om na een traumatische ervaring weer tot rust te komen. Deze fasen zijn niet voor iedereen even intensief en ook verschilt de volgorde vaak. Dit proces kan optreden bij het verlies van een baan, een geliefde, een woning, ouders of kinderen, of een wedstrijd. Kübler-Ross onderscheidde in het rouwproces 5 fasen.
De indeling die zij hanteert is als volgt:
• Ontkenning “Dit gebeurt niet bij mij.” Ontkenning is een bewuste of onbewuste weigering om de realiteit onder ogen te zien. Het is een natuurlijke vorm van zelfbescherming. Het helpt om zelf te bepalen in welk tempo het verdriet wordt toegelaten. We laten niet meer binnen dan we aankunnen.
• Woede “Waarom met mij?” Als de waarheid tot iemand is doorgedrongen ontstaat er vaak boosheid. Onder de woede ligt de pijn.
• Marchanderen “Ik beloof een betere persoon te worden als…” In deze fase probeert men te onderhandelen. Men belooft het één te doen als er iets anders tegenover staat.
• Verdriet en depressie “Ik geef het op.” Wanneer men de realiteit begint te accepteren komen gevoelens van verdriet, spijt, angst en onzekerheid naar boven.
• Aanvaarding “Ik ga verder met mijn leven.” Als iemand voldoende tijd en vaak ook enige hulp heeft gehad om door de genoemde fasen te gaan begint men de realiteit te accepteren. Het is het verlies een plaats geven in het leven en verder gaan.
Vanuit deze fases van de rouwverwerking van Kübler-Ross wil ik in komende blogs mij buigen over het omgaan met met de coronacrisis.
Het lijkt wel of corona een spaak in het wiel van de zogenaamde vooruitgang heeft gestoken. Voor veel mensen markeerde corona een knik in het bewustzijn. Corona begrenst het maakbare leven dat rimpelloos en glansrijk moet zijn. Het enig legitieme antwoord op de vraag: ‘hoe gaat het?’, kan volgens velen niet anders luiden dan: ‘goed’. Of: ‘fantastisch’. Maar is dat zo? Is dit Westers adagium nog langer houdbaar? Je zou kunnen stellen dat het biologische leven wel een godheid lijkt, een absolute grootheid waaraan alles ondergeschikt wordt gemaakt. We lijken niet meer te aanvaarden dat een mensenleven eindig is. Maar waarachtig menselijk leven is in Bijbelse zin meer dan een biologisch leven: een leven dat bijdraagt aan menselijkheid.’
Zouden daarom theologen dan niet wat vaker in praatprogramma’s moeten optreden, om de waan van de dag met die westerse denktradities te pareren? Zou er niet een debat moeten plaatsvinden over de vraag wat er onder de oppervlakte van corona en andere actuele thema’s écht speelt. Moet er niet een Bijbels weerwoord worden geboden tegen de leukigheidssamenleving vol ‘ikkigheid’?
Momenteel zie je dat het vertrouwen van mensen in de instituties en de wetenschap wankelt. Coronavermoeidheid en het potten-en-pannenprotest tijdens de rede van de premier doen daar niets aan af. We zitten nu in de woestijntijd, waar het Joodse volk na de uittocht uit Egypte ook doorheen ging. Eerst waren zij ook vol goede moed en zongen ze opgewekte liederen. Toen het allemaal wat lang duurde, vervielen ze in geklaag. Enerzijds is dat natuurlijk gezond, want de mens moet vragen stellen. Maar we zijn onze ankerpunten kwijtgeraakt. Ik vind dat de kerk moet meer een rol spelen in het bieden van ruimte tot reflectie vanuit haar eeuwenoude traditie. Aan het begin van de coronacrisis schreef Ad van Nieuwpoort een boek over Job, de oudtestamentische figuur die van zijn weelde, zijn nakomelingen en zijn gezondheid werd beroofd, maar toch het geloof in zijn God behield. Wat van dit oeroude verhaal de relevantie kan zijn voor de mensen die gebukt gaan onder corona? En de waarheid dat het leven slechts tot op zekere hoogte maakbaar is?
Het zijn interessante vragen die ik graag de komende tijd op mijn weblog verder wil uitdiepen.
We hebben een raar jaar achter de rug. Halverwege maart kwam alles er opeens heel anders uit te zien. Er kwamen allerlei beperkingen om een mysterieus virus tegen te houden. Wat er nu eigenlijk op ons af ging komen, wisten we niet. In het nieuws was er al wel enige tijd aandacht voor. Ik herinner me van het begin van het jaar dat ik een filmpje zag van Chinezen uit Wuhan die werkten op een kantoor, waarbij elke werkplek met plastic folie afgeschermd was waarbij ze zelf ook ook in plastic waren ingepakt. Toen was het nog iets van ver weg. Al vrij snel kwam het dichterbij en kwam het virus in Europa. Met name vanuit Italië kwamen verhalen die stil maakten: veel overlijdens, waardoor er geen tijd was voor een begrafenis. Een beetje onwennig werden kerkdiensten op een andere manier gehouden. was en wie moest worden opgenomen in het ziekenhuis. Uiteindelijk kwam het virus ook in Nederland Er was even een tijd geweest waarin ik de paniek voelde: dit gaat maar door. Wanneer houdt het op? Wie gaan we nog meer kwijt raken? Ik denk dat iedereen wel een moment kan bedenken, waarbij je stil werd en niet meer wist wat je moest zeggen, omdat er zoveel gebeurde, dat je er niet onbewogen bij kon blijven. Een intensief jaar, een bewogen jaar.
Toch was in 2020 God er ook. In dat ingrijpende jaar met zoveel verlies en spanning en zorg. De ellende heeft niet het laatste woord. Er komt een andere tijd door God. Hij zal er zijn, zal redden en helpen en mij er nu doorheen helpen. God is sterker dan de dood en dan alle zorg en nood en zal er zijn en helpen en dragen. Dat is wat ook bijvoorbeeld een profeet uit het Oude Testament – Habakuk – zo diep raakte in wat hij zag en hoorde, wist. Dat is iets wat je in de Bijbel steeds weer tegenkomt: Juist als je heel diep zit en voor je gevoel niet dieper kan, kun je daar God ontmoeten, in de diepte. Het is een voorafschaduwing van Christus die zelf neerdaalde in de dood en in de hel, dieper kon Hij niet gaan en toch stond Hij op uit de dood en verbrak de macht van de dood.
Het is één van de grootste problemen die veel mensen ervaren tijdens deze coronacrisis: hoe houd ik afstand? Want dat is het dringende advies: Houd anderhalve meter afstand! We ervaren steeds meer afstand van veel dierbare medemensen, en de mens van oorsprong een sociaal wezen is dat behoefte heeft aan nabijheid. Die afstand kunnen mensen ook ervaren ten opzichte van God. Zeker in deze tijd. Hij is ver en hoog in de hemel. Afstand, verbijstering, verwijt. Waarom laat Hij dit alles toe! Het is een vaak gedeelde ervaring in de gemeente van nu. Afstand ervaren, ja tot elkaar en misschien daardoor ook tot God, minder beleving. ‘Ik beleef veel minder aan de dienst’. Maar je kunt ook los van de pandemie kun je geconfronteerd worden met je eigen moeheid om te geloven. Probeer die impasse voor je te zien. Iemand die merkt dat het niet meer werkt, die zichzelf ziet verharden. Dat is misschien een enkeling maar die heeft dan een signaalfunctie. Iemand die van zichzelf durft te zeggen: het is alsof er niets gebeurd is en alles is kwijt. Ik bid nog en ik hoor mezelf en tegelijk denk ik dat het niet helpt. Vroeger wel maar nu niet. Ik wen eraan, ik geniet nog van de kinderen in de kerk maar innerlijk word ik onbewogen, minder ontvankelijk. Die eenling toont misschien wat meer christenen vandaag ervaren. Waarom houdt God die als de Almachtige volop bezig is zich als de Genadige zo ver van mij, nu. Dat is spannend en het kan een valkuil zijn: opgaan in zelfbeklag, je hart toesluiten. Maar juist met Kerst komt deze God in Jezus naast ons staan. Hij bevrijdt van zonden, die geen fouten zijn maar een impasse waar je jezelf niet uit gelooft. Hij komt daarom zelf in een lichaam dat het onze is. Jezus is echt iets nieuws, iets onmogelijks (maagdelijke geboorte) voor mensen die met geen mogelijkheid nog bij God uitkomen. Dit is God. Immanuel. Het lichaam van Jezus is belangrijk. Hij brengt je op een lichamelijke manier bij de Vader. Zo mag dat iets los te maken, het verlangen naar een eerlijk leven aanwakkeren, een biecht die niet alleen oplucht maar die ons meer aan Christus verbindt. Zijn ogen op de mijne, zijn hart tegen het mijne aan. Zulke woorden mag je gebruiken omdat je ook met je lichaam Jezus Christus toebehoort? Jezus is de Bevrijder van zonden door zijn lichaam en bloed maar ook door de Geest die Hem geboren deed worden. Bevrijd zijn van zonden is vergeving hebben maar ook vrij zijn om nu, in dit heden, het goede te doen. Om een Jozef te zijn, die in een complexe realiteit doet wat zijn roeping is. Niet gemakkelijk, voor hem betekent het dat hij moet vertrekken, reizen, vluchten en een tijd in onthouding leven. Dat is gehoorzaamheid misschien ook voor ons nu. Dat je opgeroepen wordt het uit te houden met jezelf voor het aangezicht van God. Daarin blijven we adventsmensen. Mensen op weg, levend van verwachting!
Soms kan je een gevoel van somberheid bekruipen, als je het nieuws een beetje volgt. Coronadoden, gijzelingen, moord, corruptie geweld van allerlei aard. Het gaat maar door. Het ene slechte nieuws is nog niet gekomen of andere slecht nieuwsberichten staan al weer klaar. Crisis, problemen, tegenslagen, ze verdringen het goede en mooie dat er ook is zomaar naar de rand. En dat in de grote wereld, maar soms ook zo akelig dichtbij. De teleurstelling in je relatie, de lastige dingen op je werk, je gezondheid die zo ineens anders loopt. Je komt er niet los van. Een documentaire over oorlogsveteranen die voor de VN waren uitgezonden op missie kreeg als titel: oorlog in je hoofd. Deze mannen en vrouwen zijn teruggekeerd uit de strijd maar worden sindsdien geplaagd door PTSS: post traumatische stress stoornissen. Zij vieren weliswaar thuis kerst met geliefden rond de kerstboom. Maar in hun hoofd, hun hart, hun onderbewuste woedt de oorlog volop voort. Om moedeloos van te worden. We maken ons klaar om Kerst te vieren, maar is er sinds de komst van Jezus wel echt wat in deze wereld veranderd?
Je hoeft geen oorlogsveteraan te zijn om dit te herkennen. Die oorlog, die onvrede kun je tegenkomen in je eigen hart. De monnik en schrijver Anselm Grün schrijft ergens: we verlangen allemaal rusteloos naar iets, vooral naar rust, tevredenheid en acceptatie. Naar God dus. En, zegt Grün, steeds weer zoeken we onze eigenwaarde in bezit, geld, zekerheid, aandacht, erkenning, bewondering, seks, eer en macht. Maar, zegt hij, dat leidt tot ‘hebzucht, jaloezie, controledwang, geroddel, narcisme en geweld. Of altijd maar de lieve vrede willen bewaren. Of geen minuut zonder die smartphone kunnen. Eindeloos veel diploma’s willen halen. Altijd iets nuttigs willen doen. Door je werk geen tijd voor je gezin hebben. Voor alles een verzekering afsluiten. Piekeren over of je het wel goed genoeg doet.’ Aldus Grün
Wat zijn uw en mijn vijanden? Hebben wij vijanden? Van welke vijanden zouden we verlost willen worden? Misschien zegt iemand: voor zover ik weet heb ik geen vijanden en daar ben ik blij mee. In onze belevingswereld nu klinkt veelmeer de roep om verbinding. Het woord ‘verbinding’ is het woord, dat nu meteen referenties oproept, niet het woord vijandschap. Het woord ‘vijandschap’ lijkt ons terug te brengen in een wij-zij denken, waarvan de meeste mensen in het beschaafde Westen vinden, dat we daarvan af moeten.
Moeten we dan misschien veelmeer aan geestelijke machten denken, zoals vanouds de doodsvijanden, de duivel , de wereld en ons eigen vlees, beschreven werden. Of zouden we nog een andere kant op moeten denken: vijanden als samenvattend woord voor alle machten en krachten in de schepping en de geschiedenis, die het goede leven kapot willen maken? Dan komen we in onze tijd snel uit bij het Covid-19 virus. Vooral in het begin van de pandemie werd vaak oorlogsretoriek gebruikt om de strijd tegen dit virus aan te duiden. In de dagelijkse werkelijkheid hebben ook wij het er over, dat we samen het corona virus eronder zullen moeten krijgen. Maar wie hier publiek durft te spreken over een vijand waarvan we verlost moeten worden, wordt meewarig aangekeken of erger: ervan verdacht te behoren tot een gevaarlijke sekte. Dat geldt niet alleen het coronavirus. Wij moeten als mensen met en voor elkaar dingen oplossen: natuurwetenschap, medische wetenschap en techniek kunnen ons daarbij helpen. Ook de geesteswetenschappen, zoals psychologie en psychiatrie kunnen behulpzaam zijn. Het woord verlossen behoort tot het vocabulaire van de theologie, een wetenschap die buiten de christelijke bubbel geen enkele indruk lijkt te maken. Spreken wij niet vanuit een luxe positie? Wanneer wij het niet op een akkoordje willen gooien met de machten van het kwaad, krijgen we dan niet als vanzelf vijanden? Wanneer wij door het geloof, door de goede keuze te maken aan Gods kant komen te staan, dan begint de strijd allereerst al in ons eigen hart. ‘Het goede dat ik wil, doe ik niet, het kwade, dat ik niet wil, doe ik’. Vervolgens lopen we ook op tegen alles wat in strijd is met Gods wil in deze wereld: onrecht, vernietiging van Gods schepping, machtswellust, onderdrukking en al die andere dingen, waar onze wereld vol van is, vlakbij soms ook op ons werk, in onze kring van bekenden. Probeer er maar eens iets van te zeggen, probeer maar eens even het sluiten van compromissen te vermijden en je zult merken dat je vijanden hebt eer je er erg in hebt en soms helemaal in strijd met je vredelievende karakter.
Verkijk je dan niet op dat kind in de kribbe. Jezus Christus. Je eerste indruk is misschien: vertederend, schattig en een klein beetje zielig. Maar hier in de kribbe ligt iemand die als namen krijgt: Wonderbare Raadsman, Goddelijke held, Eeuwige vader, Vredevorst. Hij zal al snel deze kribbe en de doeken achter zich laten en op een heel eigen manier zijn heerschappij zichtbaar maken. Een vorst van de vrede zijn. Ja, vrede zal van zijn leven echt de kern zijn. Hij zal vrede mét God tot stand brengen en ook de vrede ván God realiseren.
Hij zal de strijd aanbinden met de diepere oorzaken van onze onvrede. De zonde die ons onze bestemming doet missen zal hij op zich nemen naar het kruis, het daar verzoenen en wegdragen. De boze machten die ons bezetten en binden. Ons van onze vreugde en vrede beroven zal hij onttronen en overwinnen.
Vrede op aarde, scanderen de engelen. Het Bijbelse woord vrede betekent meer dan afwezigheid van oorlog. Het Griekse woordje dat hier staat: ‘eirene’ gaat terug op het Hebreeuwse shalom. Het betekent zoiets als: op orde brengen, alles op zijn plaats zetten. Kerkvader Augustinus zei dat heel mooi: vrede is de kalmte die komt uit orde.
Vrede is daar waar evenwicht is, balans. Alle dingen de juiste plaats en proporties hebben. Deze vrede zorgt ervoor dat je als mens in al je relaties tot je volle bestemming mag komen. In verhouding tot God, tot jezelf en de ander. Hoor hoe de hemelse strijders het uitroepen. Eer aan God in de hoge, vrede op aarde. Eerst: eer aan God. En dan en op die manier ook: vrede.
We moeten het dit jaar ook zonder die typische kerstsfeer doen.
Dit jaar even niet met elkaar in een volgestopte kerk,
met lichtjes en een uitbundig Ere zij God.
Ook dat zal behoorlijk gemist worden.
Kerst is normaliter een feest van eensgezindheid en warmte,
maar nu zit iedereen ergens anders, in eigen huizen,
eigen bubbels, eigen zorgen.
We zijn verspreid en geestelijk is er ook verstrooiing.
‘Ik bespeur ook veel verlangen’,
zei één van de collega’s uit de werkgemeenschap van predikanten.
Dat herken ik wel.
Ook ik proef verlangen naar een betere tijd.
Verlangen naar de fysieke ontmoeting van de geloofsgemeenschap.
Verlangen ook naar gedeeld geloof, misschien?
Zou dat verlangen, hoe diffuus ook,
een aanknopingspunt bij Maria kunnen zijn?
Die verwachting komt dan tot klinken wanneer Maria gaat zingen.
Daarbij treedt Maria toe tot een rijtje zingende vrouwen in de Bijbel: Mirjam, Debora, Hanna, en Judith.
Het is belangrijk om hier oog voor te hebben,
want hieruit blijkt dat Maria’s lied niet voortkomt
uit haar persoonlijke gemoedstoestand of bevinding.
Het gaat om het juiste perspectief.
God heeft niet zozeer een rol gekregen in Maria’s leven,
maar Maria heeft een rol gekregen in Gods plan met Israël.
Maria zingt mee in het koor van de verdrukten.
Haar Magnificat is een regelrecht protestlied.
Alles wordt op losse schroeven gezet en omgekeerd.
Dat ‘alles’ heeft vooral betrekking op macht en vermogen,
politiek en economie. God neigt naar berooide mensen.
In dit lied, dit gebed kiest Maria positie voor de vromen,
de nederigen en de hongerigen.
De gelovige staat samen met berooide mens tegenover de hoogmoedigen, de machtigen en de rijken.
Het jaar 2020 was een jaar van verstrooiing en versloffing.
We zijn moe en snakken naar de aanraking van boven,
want die ervaren we minder nu de volle kerk ontbreekt,
nu we geen daverend slot– of morgenlied zingen.
God kan ver weg voelen en we verlangen nu juist Zijn nabijheid.
Maar dit verlangen – als we het hebben – vraagt om gebed,
en veel spirituele toewijding.
Het evangelie komt niet zomaar ons leven binnenfietsen.
Er moet wel plek zijn om te landen.
Geloven wij wel werkelijk dat God zich in ons leven zal melden
als wij ons net als Maria toeleggen op het gebed?
In het spoor van kerkvader Augustinus kun je zeggen
dat mensen niet gevormd worden door kennis, maar door verlangen.
Niet ‘wat wij weten’ vormt en verandert ons, maar wat wij liefhebben.
Niet het hoofd, maar het hart maakt wie wij zijn.
Maria zingt in het koor van de verdrukten.
Wie hoog en droog zit, valt naar beneden, en wie laag
bij de grond stond, wordt verhoogd.
Dat is heel radicaal en bij Lucas is armoede ook echt armoede.
Ik denk dat het goed is om het appel van Maria’s protestlied te laten staan: ‘Wees maar niet al te verknocht aan je mooie, geïsoleerde huis met visgraatvloer, want God keert alles om.’
Hoe ik deze tijd beleef? Ik ervaar wat denk ik iedereen van ons ervaart. Een verlangen naar verlossing. Verlost te worden van de angst op besmettingen en van protocollen die alle spontaniteit noodgedwongen wegdrukken. Verlost te worden van de constante stroom aan berichten over besmettingen, ziekenhuisopnames, overlijdens, maatregelen en overtredingen. Verlost te worden van de eenzaamheid. Verlost te worden van het afstand houden. Verlost te worden van een kerk waarin je maar een beperkt aantal mensen ziet en niet mag zingen. Het valt me op hoe vatbaar wij mensen zijn, ook wij kerkmensen. Vatbaar voor berichten over nepverlossing. Vatbaar voor complotdenken, ook in de kerk. Ook mensen die hoogopgeleid zijn, een prima baan hebben en een fijn sociaal netwerk. Ze hebben grootste kritiek op de regering, op de maatregelen, op nieuwe vaccins en ontwikkelaars daarvan. Ze prediken een ‘verlossing’, nog met een christelijk sausje ook.
Maar wat is de boodschap die verlost? Deze weken en deze dagen staan bol van gesprekken over Kerst: hoe gaan we Kerst vieren? Hoeveel mensen mogen aanschuiven bij het Kerstdiner? De gesprekken domineren persconferenties en talkshows. En ik begrijp het, maar ervaar het ook als bevreemdend, nog meer dan vorige jaren. Wat me opvalt is dat ik weinig hoor over Advent. Oftewel: we willen snel doorspoelen, fast forward, naar ‘verlossing’ zonder eerst de tijd te beleven van wachten, stil worden, inkeer, en voorbereiding. Misschien omdat we denken dat we die al ruimschoots hebben gehad als samenleving. Toch wordt het geen Kerst zonder Advent. Geen feest zonder wachten, stil worden voor God en inkeer, en vergeving vragen voor wat scheef zit.
In het begin van de coronacrisis las ik een reactie op de situatie waar we in verkeren. Bisschop Steven Charleston schreef: ‘Nu is de tijd waarvoor ons geloof ons heeft voorbereid. Nu is het moment dat we alles wat we geloven, kunnen inzetten. (..) we zijn niet bang voor deze crisis want we zijn erop voorbereid. We hebben ons leven gewijd aan het geloof dat er iets is dat groter is dan angst en ziekte. We hebben geleerd en gebeden en zijn gegroeid in de Geest. Nu kunnen we in de praktijk brengen wat we geloven. Onze mensen hebben hoop nodig, vertrouwen, moed en compassie. Precies de dingen waar wij voor zijn getraind. Wij zijn de kalmte middenin de storm. Dus laat je licht schijnen zodat andere mensen het zien en ook vertrouwen krijgen.’ Toen ik het voor het eerst las vond ik het mooi. Het sprak me aan, want het is positief; het is hoopgevend. En dat hebben we nodig, juist nu.
Als je het Bijbelse verhaal van Zacharias uit Lukas 1 er naast legt wordt je is echter ontnuchterd. Daar aan moest ik denken bij de reactie van Charleston op de crisis. Zacharias behoorde tot de priesterorde. Hij was zijn leven lang betrokken op de dienst aan God. Je zou kunnen zeggen dat hij zijn leven lang had uitgekeken naar dit moment om dient te doen in de tempel, en het reukoffer te brengen. Dat hij zijn leven lang juist hierop voorbereid was. Maar op wat er dan gebeurt is hij juist niet voorbereid. Hij hapt naar adem. Hij kan de boodschap niet geloven. Hij wordt met stomheid geslagen. En na zijn tempeldienst zou hij buiten het volk de zegen geven. Na het moment van het reukoffer brengen, het andere moment suprême van zijn tempeldienst. Als er één moment is waarop hij zou moeten spreken, dan hier wel. En hij kan het niet. Hij, die zo was voorbereid.
Dat wij als gelovigen dus voorbereid zijn op de huidige crisis, dat wij erop getraind zijn, dat wij het nu in praktijk kunnen brengen. Dat wij de kalmte zijn in de storm. Dat is nogal een uitspraak. Ik vraag het me af of het waar is. Zacharias beleeft het grote moment waarop hij gewacht heeft, hij al die jaren voor klaargestoomd was. En dan… je valt door de mand… Is het erg dat we door de mand vallen? Nee, want juist dán komt het evangelie. Juist dan blijkt waar onze kracht vandaan komt. Juist dan blijkt wie werkelijk het verlossende woord spreekt: de gezant van God en daarmee God Zelf, niet ik.