Uncategorized


volkskerstzang in de zestiger jaren van de vorige eeuw

 

Juist in deze tijd worden er allerlei
‘kerst en adventsactiviteiten’ georganiseerd,
uiteenlopend van klassieke concerten
van ‘The Messiah’ tot een volkskerstzang.
Zo’n volkskerstzang kan zich de laatste tijd
weer op een groeiende populariteit rekenen.
Waar komt het toch vandaan
dat velen zich aangetrokken voelen
tot het samen zingen van kerstliederen
en ook andere bijeenkomsten
met een sterke christelijke symboliek.
De afgelopen tijd heb ik al uitgebreid
geschreven over de ‘stille opwekking’;
statistisch bewijs uit een onderzoek
en anekdotisch bewijs van kerkleiders in het hele land,
dat steeds meer jongeren (vooral jonge mannen)
terugkeren naar de kerk.

Waarom komen ze? Wie weet?
Of Zoals Nick Cave onlangs zei:
‘Mensen hebben behoefte aan betekenis
en de seculiere wereld heeft die niet kunnen bieden.’
Mensen beginnen om allerlei redenen
naar de kerk te komen;
sommige goed, sommige slecht.
Maar onze taak in de kerk
is niet om ons zorgen te maken
over waarom ze komen,
maar om hen die komen te begeleiden
op de christelijke weg,
ongeacht hun achtergrond.

Er is een verhaal in de evangeliën (Lucas 19:1-10) over een tollenaar:
een man die alom gehaat werd als collaborateur van het Romeinse rijk,
die zijn eigen volk had verraden en bedrogen;
die uit nieuwsgierigheid in een boom klimt
om te zien wie Jezus is.
Nee, hij legt geen belijdenis van zijn geloof af
en zijn motieven zijn verre van duidelijk.
Toch toont hij enige nieuwsgierigheid,
voelt hij dat er iets ontbreekt in zijn leven
en komt hij opdagen.
En iedereen verwacht
dat Jezus zich bij de algemene veroordeling zal voegen:
je hebt hier geen recht, ga weg,
bekeer je eerst voordat je ook maar in mijn buurt komt.

Maar Jezus doet dat niet.
Hij nodigt zichzelf uit
om naar het huis van de tollenaar te komen
en er begint iets vreemds te gebeuren.
Zacheüs (want zo heet hij) begint te veranderen.
Hij begint te geven in plaats van te nemen,
hij geeft terug wat hij gestolen heeft.

In de kerk vinden we het over het algemeen prima
dat mensen uit de middenklasse naar de kerk komen
omdat ze willen dat hun kinderen
naar de plaatselijke kerkelijke school gaan,
of omdat ze een mooie gezinsdoop willen,
of – zoals ook deze kerst waarschijnlijk zal gebeuren –
omdat ze graag een paar kerstliedjes zingen,
zelfs als ze niet van plan zijn
om na afloop in de kerk te blijven.
We verwelkomen hen ondanks
hun gebrek aan begrip, hun gedrag
dat in hun gebruik van geld en privileges
verre van christelijk kan zijn.
In het beste geval zien we het als een kans
om met hen in contact te komen
en hen hopelijk te leiden naar een dieper geloofsleven.

Toch worden we nerveus
als minder verfijnde mensen naar de kerk komen
en de naam van Jezus gebruiken
met even duistere motieven;
misschien alleen maar om te klagen
over het verdwijnen van het christelijk geloof
uit het openbare leven,
zelfs als ze dat geloof nog niet goed begrijpen.

Ik vraag me af:
hoe zou een religieuze heropleving
onder de arbeidersklasse eruit kunnen zien?
Of misschien beter: hoe zou het kunnen beginnen?
Zou het kunnen beginnen
bij mensen die zich gemarginaliseerd
en vergeten voelen door de politiek
– zowel links als rechts –
die op de een of andere manier het gevoel hebben
dat er iets verloren gaat in hun culturele omgeving
door de achteruitgang van het christendom
en de vervanging ervan
door een saaie, seculiere leegte,
of in sommige buurten
door een steeds zichtbaardere
en onbekende aanwezigheid van moslims?
Zou het kunnen beginnen met zulke mensen
die denken dat ze naar de kerk moeten gaan
om te herinneren
en terug te winnen
wat verloren gaat en om het geloof te verkennen
dat ze vaag als het hunne voelen,
ook al zijn ze er niet bekend mee
en hebben ze er op dit moment
een vrij simplistisch beeld van?

Er valt veel te bekritiseren
op nationalistische benaderingen van het geloof.
Net zoals er kritiek was op het gedrag
en de denkwijze van Zacheüs.
Maar Jezus’ eerste woord
is geen veroordeling, maar genade.

Als de kerk haar werk goed doet,
zal iedereen die haar serieus neemt
leren zijn naasten lief te hebben;
zelfs zijn moslimburen.
Ze zullen leren bidden,
een Bijbel te lezen
die spreekt over het verwelkomen
van vreemdelingen,
zelfs over het liefhebben van vijanden.
Ze zullen, daar ben ik van overtuigd,
patriottisch blijven en wellicht
vragen blijven stellen
over het tempo en de omvang van de immigratie
en de gevolgen daarvan
voor de stabiliteit van hun eigen gemeenschappen,
wat volkomen terecht is.
Maar dat zal steeds meer gebeuren
met een zekere mate van empathie en mededogen,
waardoor de complexiteit
van onze debatten over immigratie wordt bezien.

Soms wordt het christelijk geloof
mogelijk cynisch gebruikt
voor verdeeldheidzaaiende doeleinden.
Motieven zijn wellicht menigmaal verre van zuiver.

Maar wat zou Jezus zeggen?
Vooral tegen degenen die voelen
dat er iets mis is en verlangen naar iets anders?

Tegen de tollenaar doet Jezus
niet wat hem wordt opgedragen.
Hij doet het onverwachte.

 

Eén van de kersttradities die wij thuis hebben
is het kijken van 1 of meerdere delen
van Home Alone.
We leven elke keer weer mee met Kevin McAllister;
de jongen die ongewild in z’n eentje Kerst viert
en samen met een inbrekersduo
in allerlei avonturen belandt

Is hij gewoon een jongen?
In de Bijbel is dat zeker de indruk die we krijgen
– de enige indruk – van Jezus
tussen de kindertijd en de volwassenheid.
Er is weinig geschreven over de jonge Jezus
en dan vrijwel alleen in de apocriefe geschriften.
en er zijn ook overeenkomsten van Kevin McAllister van Home Alone
met Lucas’ verslag van Jezus in de tempel op twaalfjarige leeftijd.

Toegegeven, er waren geen ‘sticky bandits’,
noch een John Williams-soundtrack;
maar denk eens aan Jezus’ ouders
die hun zoon achterlieten tijdens een feest.
Toen ze terugkwamen uit Jeruzalem
voor het feest van Pesach, zoals ze elk jaar deden,
realiseerden ze zich dat ze de Messias kwijt waren.

Oeps!

Stel je voor dat Maria de naam van haar zoon schreeuwde,
en de ongemakkelijke driedaagse tocht
om erachter te komen waar hij was.
Ze vinden hem uiteindelijk in de tempel,
en licht geïrriteerd vragen
ze hem waarom hij daar was.
Hij was gehoorzaam aan hen
(het vermelden waard)
en vertrok naar huis.

Maar zijn antwoord op die vraag
laat zien hoe Jezus thuis begrijpt,
terwijl het idee van
‘thuis zijn voor de feestdagen’
voor ons omstreden kan zijn.
Hij antwoordde:
‘Wist je niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn’,
of ‘bezig moest zijn met de zaken van mijn Vader?’
Dit is echt sterk. Wat een lef.
Niet alleen dat hij twaalf jaar oud is
als hij met zijn ouders praat,
maar niemand zou God ‘mijn Vader’ noemen.
Het is buiten deze plek,
of beter gezegd deze relatie,
waar Jezus ‘[groeit] in wijsheid en gestalte, en in gunst bij God en de mens.’

Thuis is waar we onszelf kunnen zijn,
maar ook onze hoede kunnen laten varen,
vragen kunnen stellen
en het vertrouwen hebben
om de wereld in te gaan,
zeker van wie we zijn.

En omdat dit het enige inzicht is van een groeiende Jezus,
die leert, studeert en vragen stelt,
is er misschien ook inzicht in
hoe we als mensen kunnen groeien,
wat we onder thuis verstaan
en hoe we ons tot God kunnen verhouden.
In veel opzichten zou Jezus’ volwassen leven nomadisch zijn,
maar zijn gevoel van thuis ging niet over geografie,
maar over een relatie met zijn Vader,
waarin hij vrij kon zijn om nieuwsgierig te zijn.

In tegenstelling tot Macaulay Culkin (Kevin McAllister),
is onze blijvende indruk van Jezus
misschien niet die van een jongen.
En de tijd (advent) die zijn komst aankondigt,
is een tijd geworden om ons te verdiepen
in onze roots en om naar de toekomst te kijken.
Maar misschien nog wel meer dan we ons realiseren,
geeft de jonge Jezus
ons een hint dat er geen plek is als ‘thuis voor de feestdagen’.

de titel van deze webpost is ontleend aan de titel van de roman ‘For Whom the Bell Tolls’ van Ernest Hemingway 

 

Eerder schreef ik al eens over de ‘stille opwekking’ die gaande is.
Volgens onderzoek zou het zo zijn dat jongeren
meer belangstelling hebben voor het christendom.
Veel van hen lijken meer open te staan
voor geloof in het bovennatuurlijke
dan ooit tevoren in de afgelopen decennia.

En gelovig zijn is dan helemaal in de mode met Kerst.
Het is te vinden in bijna elk kerstliedje,
prijkt op winkelruiten en is verwerkt in feestelijke truien.

‘Geloof je?’ wordt aan kinderen gevraagd,
vaak met een vleugje magie.
In de film The Polar Express bijvoorbeeld
draait het hele verhaal om geloof.
Geloven de kinderen nog in de Kerstman?
In iets wat niet te zien is?
En de fluit wordt alleen gehoord
door degenen die geloven;
de anderen weten niet wat ze missen.

In zulke verhalen worden volwassenen
vaak afgeschilderd als mensen die verloren zijn
en ten prooi zijn gevallen aan cynisme, rationalisme en frustratie.
De boodschap is duidelijk:
zelden zijn volwassenen geneigd om dieper na te denken over geloof.

Maar deze openheid voor geloof is complex.
Het onderzoek suggereert dat
het aantal bekeringen tot het christendom
onder jongeren voortkomt uit een bredere interesse in spiritualiteit.
Anderen hebben opgemerkt dat jonge mannen beïnvloed worden
door een vermeende verschuiving
naar waarden die lijken op een soort van patriarchaat.
Toch suggereren sommigen
dat het christendom
waartoe jongeren massaal toestromen
geen ‘echt christendom’ is,
maar een verwrongen beeld van de Jezus
waarover in het Nieuwe Testament wordt gelezen.

De vraag is niet of mensen geloven,
maar wat ze geloven
en hoe dat geloof, soms achteloos,
wordt ver- of gevormd door ideologie of verlangen.

In een maatschappij die gekenmerkt wordt
door polarisatie
en de constante behoefte aan boegbeelden
om die op het schild te hijsen of af te kraken,
is het misschien tijd dat wij volwassenen
de kunst van het geloven herontdekken.

Deze gedachte begon bij mij deze adventsperiode:
Het was een kalme, vredige zondagochtend in de kerk.
De kaarsen brandden en we zongen bekende adventsliederen.
De kerststal was al opgesteld. Prachtig.

Terwijl we weer een lied zongen,
kwam er een figuur door het middenpad.
Het was een vrouw
die goed bekend was in het kerkcafé.
In eerste instantie dacht ik nieuwsgierigheid te zien
en was ontroerd door haar bereidheid
om naar voren te komen.

Totdat ze met één hand het kindje Jezus uit de kribbe greep,
hem in haar zak stopte en snel door de zijdeur verdween.

Het was even aanstootgevend, onmiskenbaar grappig
en vreemd genoeg ook onthullend.

Want hoe gemakkelijk was het voor Jezus
om weggehaald te worden,
uit het middelpunt te worden verwijderd,
en zomaar ergens anders neergezet te worden?
Ondanks tweeduizend jaar aan afbeeldingen van Jezus
als het hulpeloos kind van Kerst,
leerde deze ontvoering uit de kerststal
me de verantwoordelijkheid van goed geloven;
met integriteit, respect en zorg.

Als een christen immers zijn geloof niet onderzoekt,
loopt hij het risico het karakter van Jezus
te herinterpreteren naar zijn eigen ideologieën en verlangens.
Of het weg te geven aan iemand anders;
waardoor de integriteit ervan verloren gaat.
Geloof kan dan worden behandeld
als iets draagbaars,
waarbij overtuiging wordt vervangen
door voorkeur en Jezus wordt overgeleverd
aan de zaak die het hardst schreeuwt.

In de huidige culturele context zien we
een toe-eigening van geloof in de politiek.
Steeds meer publieke figuren beroepen zich
op de naam van Jezus
om hun agenda te ondersteunen,
en Jezus wordt voor eigen gebruik ingezet
naar gelang als liberaal, mannelijk, progressief of nationalistisch,
zonder veel respect te tonen voor zijn ware karakter.

Geloof is minder gericht op de ontmoeting
met de Jezus die we in de Bijbel lezen
– een man uit het Midden-Oosten
zonder vaste woonplaats
die als baby de vervolging ontvluchtte
en zich als volwassene aansloot
bij mensen aan de rand van de samenleving –
en meer op het inpassen van Hem
in ieders unieke categorie
van de strijd in de 21e eeuw.

Onze cultuur accepteert over het algemeen
dat Jezus heeft bestaan
– en staat positief tegenover het idee dat hij bestaat –
maar wat we geloven over de betekenis hiervan,
en waarom we erom geven,
is een meer controversiële kwestie.

De realiteit is dat geloven vaak rommelig is.

Toen ik dit jaar een kerstboom uitkoos,
zag ik gezinnen de selectie
met bijna forensische precisie inspecteren:
perfecte puntige toppen, gelijkmatig verdeelde takken,
geen zwierige twijgen.

Maar dé perfecte kerstboom bestaat alleen in plastic.
Levende bomen zijn onvoorspelbaar.
Hun schoonheid schuilt in de geur van dennen,
de tijd die je besteedt aan het bewonderen
van hun vorm
en hoe hun karakter zich ontvouwt
naarmate de feestdagen vorderen.

Het valt me op dat geloof hierop lijkt.
We verlangen naar iets dat perfect gepolijst is,
vacuüm verpakt en immuun voor twijfel.
Maar echt geloof is complexer:
het hoort levend te zijn, te groeien en geworteld in veerkracht.
Het kost tijd en vereist regelmatige aandacht.

Als we perfectie eisen,
kunnen we uiteindelijk een geloof overhouden
dat er misschien enorm indrukwekkend uitziet,
maar oppervlakkig en gemakkelijk te wankelen is.

Voor volwassenen is Advent en Kerst
een tijd om geloof te koesteren
dat niet met de versieringen wordt meegesleept.
Laten we, net als de kinderen in The Polar Express
die wachten op de fluit,
erop vertrouwen dat er nog meer te ontdekken valt,
dat er nog meer wonderen te zien zijn.

 

Van Kerst tot Advent

De precieze oorsprong van de adventsvieringen
is moeilijker te bepalen.
Tegen het midden van de vierde eeuw
werden in het Westen steeds vaker
vieringen van Jezus’ geboorte op 25 december gehouden.
Een langere periode van viering,
zoals de Vastentijd
(de periode van vasten en bezinning voorafgaand aan Pasen),
ontwikkelde zich er al snel omheen.
In 380 stelde het concilie van Zaragoza
drie weken in december vast,
met als hoogtepunt de viering van Driekoningen.

Zo begon ook de kerk in Rome
de adventsvieringen te formaliseren.
Het Gelasiaanse sacramentarium van de late vierde eeuw
omvat liturgieën voor vijf zondagen voorafgaand aan Kerst.
Tegen het midden van de zesde eeuw
hadden bisschoppen in Frankrijk
een vasten afgekondigd op maandag, woensdag en vrijdag,
van 11 november tot Kerst.
Paus Gregorius I (540-604)
ontwikkelde de adventsliturgieën verder
door gebeden, liederen, lezingen en antwoorden
te componeren voor de eredienst.
In de daaropvolgende eeuw
verspreidden deze gebruiken zich verder over Europa.
Rond de eeuwwisseling standaardiseerde Gregorius VII (1015-1085)
ten slotte de vier zondagen
voorafgaand aan 25 december
als de periode van Advent.

 

Laatst werd er in een enquête aan respondenten gevraagd
wat ze leuk en niet leuk vonden aan Kerst en de resultaten waren opvallend.
Mensen vonden de kosten en uitgaven rond Kerst het meest vervelend.
De drie meest voorkomende antwoorden
in de categorie ‘niet leuk’ hadden betrekking op geld.
De klachten waren dat het ‘te commercieel’ is, ‘het duur is’
en dat het te druk is.

Daarentegen genieten mensen ervan
om tijd door te brengen met dierbaren
tijdens de feestdagen
(hoewel ‘spanningen met de familie’
ook op de lijst met ‘niet leuk’ voorkwam.
Geen verrassing daar).

De adventstijd is de periode waarin we
ons voorbereiden op de feestdagen.
De adventsdagen verstrijken terwijl de takenlijst groeit.
Hoe dichter we bij 25 december komen,
hoe groter de druk wordt om alles gekocht te hebben,
eten te bestellen
en contact op te nemen met familie.
Of je doet het natuurlijk allemaal al in november;
hoewel respondenten ook vonden
dat Kerst ‘te vroeg begint’.

Maar het is moeilijk om er niet door meegezogen te worden.
Kijk maar naar de reclames op tv.
Het verhaal dat ze vertellen is ambitieus:
het gaat over verbondenheid met familie en vrienden
en het vieren van die verbondenheid, met lekker eten.
Ze tonen een geromantiseerde kerstdag:
een prachtig versierd huis,
klaar om onvergetelijke herinneringen te creëren.
De druk is hoog voor mensen
om hun verhaal van verbondenheid waar te maken.
Dat is immers wat we volgens onderzoek het meest waarderen.

Dit is niet per se een slecht verhaal:
het idee van familie en plezier, spelletjes en vreugde is goed.
Maar de druk om dit beeld
van feestelijke pracht te creëren is potentieel enorm.
Het kost een hoop geld
om een huis te versieren,
naar verre familie te reizen
en gasten te ontvangen.
Het kost ons ook mentaal veel
om te plannen en voor te bereiden.
Voor mensen zonder familie
of die recent een familielid hebben verloren,
voor mensen die zich eenzaam voelen,
het financieel niet breed hebben,
ziek zijn of onder werkdruk staan,
kan het een emotioneel zware tijd zijn.

Wat is er mis met zulke planning en commercialisering?
Waarom hebben de respondenten
van het onderzoek er een hekel aan?
Misschien is het de gestage afdwaling van de kern
van wat Kerst werkelijk betekent.
Want de ‘ware betekenis van Kerst’
wordt elk jaar aangedragen als oplossing hiervoor.
Het is misschien dat ‘liefde overal is’
of iets dat te maken heeft met familie en vrienden.
Alleen als je een kerk binnenstapt,
hoor je misschien dat het gaat
om de geboorte van een verlosser.

De oplossing is om het verhaal van Advent
te transformeren van een verhaal van voorbereiding
naar een verhaal over een reis.
Christenen gebruiken tijden en seizoenen in het jaar
om het verhaal van God aan zichzelf en anderen te vertellen.
Je voorbereiden om Jezus te ontmoeten
en deel te nemen aan het kerstverhaal
is een heel andere reis
dan de reis die ons naar de winkels brengt,
naar het einde van onze to-do-list.

We herinneren ons de reis
die Maria, Jozef maakten
om zich te laten registreren voor de volkstelling.
Ze zoeken een plek om te overnachten
en ontdekken dat er niets anders beschikbaar is
dan een lege stal.
Dan is er de eerdere reis van Maria,
die een tegengeluid vormt
tegen de overheersende thema’s
van begin december.
Ze krijgt het nieuws
dat ze een heel belangrijk kind verwacht.
De engel die het nieuws brengt,
probeert haar gerust te stellen (‘wees niet bang’),
maar dat lijkt geen effect te hebben.
Maria haast zich
om haar bejaarde nicht Elizabeth te bezoeken,
die op haar oude dag ook een kind verwacht;
een langverwacht kind.
Elizabeth had in een maatschappij
die dat van haar eiste,
geen kind kunnen krijgen.
Angst was haar dus niet vreemd.

Maria arriveert bij Elizabeths huis
en wordt hartelijk verwelkomd door haar nicht.
Beide vrouwen,
wier levens vol druk en onzekerheid zijn,
begroeten elkaar met de verwachting
dat er iets hoopvols gaat gebeuren.
Elizabeth zegt bij het zien van Maria
dat ze gezegend is.
Geen standaard kerstgroet,
maar waarschijnlijk wel geruststellend
voor de overweldigde Maria.
Vervolgens wordt Maria het huis van Elizabeth
binnengebracht en verzorgd.
Maria zingt een loflied voor God
over wat komen gaat met de geboorte van haar kind.
In dat lied, bekend als het Magnificat,
beschrijft ze de transformatie van de samenleving
die op het punt staat te beginnen.
De geboorte van het kind zal het begin inluiden
van een ander soort gezin,
waar mensen erbij horen,
ongeacht hun status, macht of rijkdom.

Of je nu dus van Kerst houdt
of het verafschuwt,
Maria’s reis naar de veiligheid van Elizabeth
is een verhaal waar we allemaal deel van kunnen uitmaken.
Wanneer we ons zorgen maken
over de commercialisering van Kerst,
de overmatige uitgaven,
het falen dat inherent is
aan het nastreven van onze status,
kunnen we het verhaal
dat we over onszelf vertellen opnieuw ontdekken.
Het aftellen naar Kerst
kan gaan over de verwachting van iets hoopvols.
Niet alleen over prestatiedruk.

 

Wat is de verwachting van Advent?
Ja, dat het straks Kerst wordt, zul je zeggen.
Maar dat weten we al, al 2000 jaar.
Je kunt er de klok op gelijk zetten.
Als we doen alsof we door dat kerstcadeautje
nog verrast zijn,
dan spelen we een spel.
Niks mis mee,
maar echte verwachting in spirituele zin
gaat over wat anders.
Echte verwachting is open,
is dat je iets verwacht wat je niet verwacht.
Klinkt paradoxaal, of ook weer Cruijffiaans,
maar probeer maar eens even
met me mee te denken.

Echte verwachting is open,
is een manier van leven met het onverwachte,
met het oningevulde,
met dat wat op je afkomt of op je pad komt.
Het is een vorm van ontvankelijkheid,
ruimte laten voor het onbekende,
het nieuwe, het andere
dat jouw leven zomaar
een andere wending kan geven,
of een andere kleur aan je dag.

Voor sommige mensen is dat heel moeilijk.
Leven met het onverwachte.
Want de meeste mensen vinden het prettig
als je een zekere controle over je leven hebt.
Als er vaste patronen zijn en stabiele zekerheden.
Op een bepaalde manier heeft ieder mens dat nodig.
Overzicht. Structuur. Afspraken.
Vaak leven we zo,
alsof we zoveel mogelijk
de verrassing buiten sluiten,
want dat brengt je maar van je stuk,
dan ben je de controle kwijt.
Maar … als je geen cadeautjes verwacht, zie je ze ook niet.

De Vlaamse hoogleraar Rik Torfs houdt een pleidooi houdt voor onzekerheid.
Het is inspirerend om daar even bij stil te staan.
‘Hoe meer we over ons leven
volledige controle trachten te verwerven,
hoe verbetener we op zoek gaan
naar duidelijke, keurige zekerheid,
des te verder drijven we weg
van wat waarachtig menselijk is.
Zekerheid is een vergissing.
Zij verduistert wat wij verlangen.
In wat wij zeker achten,
schuilt de beperktheid van onze denkkracht.’

Het is geen koketteren
met je onzekerheid.
Want dan is het onecht, gespeeld, gemaakt.
Maar als het verbonden
wordt met dat echte van verwachting,
van een levenshouding die open en ontvankelijk is
voor wat zich aandient,
dan kan het vruchtbaar zijn om met die dubbelzinnigheid te leven.
Er is een dubbelzinnigheid die doodslaat,
die je vast doet lopen, als de twijfel de overhand houdt,
en alles van een vraagteken wordt voorzien
en je als het ware jezelf opsluit
in een voortdurende onzekerheid.
Maar er is ook een dubbelzinnigheid die ruimte geeft,
die niet doodslaat maar het juist levend houdt,
open, vanuit het onderliggende verlangen
naar heelheid en naar uitzicht.
Dat laatste is aan de orde als we het hebben
over de spiritualiteit van de verwachting van de Adventstijd.
Dat is de verwachting waar Jezus
in het evangelie ons op wil attenderen.
Dat de zomer in aantocht is,
om dat beeld van de vijgenboom (Mattheus 24)
maar eens aan te halen.
Dat het einde op handen is,
en het einde
is in het geloof het nieuwe begin.
Of, met een ander beeld uit het evangelie (Marcus 13),
Wees dus waakzaam, is het ’s avonds, 
of midden in de nacht, of bij het eerste hanengekraai,
of ’s morgens vroeg, maar hij komt!

 

Van Pasen tot Kerst

Maar waarom 25 december?
Gebaseerd op hun begrip van Daniëls profetie
redeneerden sommige vroegchristelijke schrijvers
dat Jezus werd verwekt op dezelfde dag
waarop Hij later werd gekruisigd.
Tertullianus (ca. 155–220)
berekende dat Jezus werd gekruisigd op 14 Nisan,
overeenkomend met 25 maart
op de Romeinse (zonne)kalender;
precies negen maanden vóór 25 december.
Christenen berekenden de datum van Kerst
daarom op basis van hun viering van Pasen.
Augustinus van Hippo (354–430) gaf deze interpretatie
weer in Over de Drie-eenheid:

Men gelooft dat Hij werd verwekt op 25 maart,
op welke dag Hij ook leed(…)
maar Hij werd, volgens de traditie, geboren op 25 december.

Dat Jezus werd verwekt op dezelfde dag
waarop Hij uiteindelijk zijn leven zou geven,
lijkt op het eerste gezicht onwaarschijnlijk.
Maar bedenk, net als de vroege kerk,
de even onwaarschijnlijke mogelijkheid
dat de verzoenende dood van de Messias
exact zou samenvallen met de viering van Pesach.
Zoals Petrus erkende, worden alle gebeurtenissen,
of ze nu ogenschijnlijk onbeduidend
of onschatbaar belangrijk zijn,
geleid door Gods ‘vaste plan en voorkennis’ (Handelingen 2:23).
Zijn werken in de schepping en zijn wegen
in de geschiedenis zijn prachtig (Jesaja 46:10).

Hallgrimskirkja, Reykjavik

 

‘wie gelooft heeft hoop, punt’?
Ten diepste is het waar, zeker.
Maar laten we wel de duisternis onder ogen zien.
Geloven is niet je ogen dicht doen.
En daarnet gebruikte ik het woord hoop,
dat klinkt nogal mooi en vrolijk.
Hoop.
Maar misschien is het woord verlangen
toch wel beter op zijn plek vandaag.
Verlangen, daar zit ‘lang’ in.
En hoe lang duurt de winter wel niet inmiddels?
Hoe lang zijn de dagen al donker?
Er lijkt weinig veranderd te zijn sinds de dagen van Jesaja.
Nog steeds (oorlogs)dreiging op allerlei plaatsen,
nog steeds onrecht en armen die onderdrukt worden op aarde…
Er lijkt ook weinig veranderd te zijn sinds de tijd van Jezus,
het kind dat werd geboren, de zoon die werd gegeven.
Ja, hij deed wonderen, hij stond op uit de dood.
Maar nog steeds heerst de dood over alle andere mensen,
en nog steeds zijn er zoveel zieken die op genezing wachten.
Hoe lastig is het dan om te geloven dat met Jezus
echt Gods licht in de wereld is gaan schijnen.
En al geloof je in hem, al zie je in hem Gods gezicht,
hoe lastig is het om echt uit verwachting te leven!
Uitziend te leven, hoopvol in het leven te staan in plaats van moe en mat.
Als je ziet hoe de wereld donker is,
de kerk ook een stelletje kneuzen,
als mensen om je heen God niet nodig hebben,
en je eigen hart ook onverbeterlijk blijkt te zijn?
Geloven is niet simpel,
Het is soms ook leeg zijn en verlangen
en voelen dat het lang duurt.
Heel lang.

Geloven is een leven van verlangen.
Uitzien naar voren, al duurde het soms lang.
En gelukkig,
soms mag je ook nu al
iets merken van zijn licht en liefde.

En tegelijkertijd: Het is nog winter in de wereld.
Soms zelfs een barre donkere winter.
Je kunt zelf zo in het donker leven.
Dan is geloven verlangen – lang, volhoudend wachten.
Dan is het hopen, hoopvol leven door Gods Geest.
En soms is het ook gewoon zuchten.
De nacht duurt lang, de aarde is oud.
Maar laat het donker de hoop niet doven.
Laat het ons des te meer doen uitzien naar die beloofde dag.
Gods grote lente, als het kind Koning zal zijn: Jezus, onze Heer!

titel webpost Efeziërs 5,21

 

Vandaag – 7 december – de dag van de vrijwilliger
moest ik terugdenken aan een lezing
van de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij (KNRM).
De historie van de KNRM gaat terug tot 1824.
Het redden van schipbreukelingen was in 1824
geen vanzelfsprekendheid.
Pas na een scheepsramp en een zeldzame reddingspoging,
waarbij zes redders verdronken,
ontstond een georganiseerd reddingswezen
met reddingstations langs de kust.

Volgens het CBS zette in 2024 ongeveer de helft van de Nederlanders
van 15 jaar en ouder zich minstens één keer in als vrijwilliger.
Dat is ongeveer 50% van de Nederlandse bevolking. In 2023 was dit 49%
De voordelen van vrijwilligerswerk zijn tegenwoordig goed gedocumenteerd.
De mentale en fysieke gezondheidsboost.
Een gevoel van zingeving.
De kans om nieuwe vaardigheden te leren.
Een manier om contacten te leggen met anderen.

De voorlichter van de KNRM vertelde dat het
om een vrijwilliger te worden
veel tijd en energie zal vergen
en dat je bepaalde vaardigheden moet opdoen.
En dit allemaal middels veel trainingsmodules
en tenslotte de bereidheid periodiek 24/7 beschikbaar te zijn.
En toch blijven vrijwilligers zich aanmelden.
Hij vergastte ons op verhalen van mensen,
die op oproepen reageren
terwijl hun bedden warm waren en de nacht onbekend was.
We hoorden veel opmerkelijke verhalen.
Bijvoorbeeld dat van een vrouw
die vertelde dat ze haar hoogtevrees had overwonnen
om langs de rand van een boot te klimmen;
een ander had een opmerkelijk verhaal
over een aanval van een dolfijn.
Maar elke keer kwam dezelfde vraag naar voren:
waarom doen ze het?

En het viel me op dat niemand een volledig zinnig antwoord gaf.
Ze konden er onderdelen van noemen:
zorg voor mensen, teamwork, liefde voor de zee.
Soms waren de redenen waarom ze begonnen
(‘Papa deed het’)
niet de reden waarom ze bleven
(‘Ik kon een tastbaar verschil maken’).
En er was niemand die niet van het water genoot.
Maar in elk geval leken de antwoorden
altijd een beetje tekort te schieten.
Spel en gevaar kunnen samengaan en – zo werd gezegd –
we moeten onderweg momenten
van vreugde ervaren als we het lang willen volhouden.
Om vervolgens ineens te reageren op een oproep van de kustwacht:
‘er is iemand in de problemen!’
De stemming slaat dan onmiddellijk om;
de actie wisselt van strijden naar samenwerken.
Ergens heeft iemand een heel slechte dag!
‘Daar bestaan we voor’ wordt dan gezegd.
Geen van de bemanningsleden van de reddingsboot,
leek zichzelf als iets anders dan gewoon te beschouwen.
Ze waren vol bewondering
voor de verhalen van hun medebemanningsleden,
maar zagen zichzelf als volkomen menselijk
en noemden alledaagse behoeften en vertrouwde gemakken.

‘De bereidheid van een moedig persoon
om afstand te doen van gemak, veiligheid,
het comfort van thuis, en zelfs om zijn leven en lijf te riskeren,
komt niet voort uit haat jegens een van die dingen’.

Dit is misschien wel het verschil
tussen vrijwilligerswerk en een hobby hebben
(ook prijzenswaardig vanwege de gezondheidsvoordelen,
het gevoel van zingeving en de mogelijkheden tot verbinding).
Op een gegeven moment kost vrijwilligerswerk je iets.
Dat offer dat nodig is, toont de mate van zorg aan;
anders is het gewoon weer een daad van zelfontplooiing
ten dienste van de vrijwilliger zelf.

In de oorsprong van de term ‘vrijwilliger’
klinkt iets door van een geest van ‘offerande’.
Het Latijnse grondwoord ‘voluntares’
draagt namelijk een betekenis in zich van ‘geven uit vrije wil’.
Dit is misschien waar we de weg kwijt zijn geraakt met het hele idee.
Als er een gevoel van dwang is bij vrijwilligerswerk,
ontneemt het de vrijgevigheid zijn kracht.
Waar aan de ene kant verplichting
en aan de andere kant eigenbelang is,
kunnen we de middenweg vinden
die gekenmerkt wordt door toewijding,
doordat we ervoor gekozen hebben
om te dienen en daardoor de inzet hebben
om het vol te houden.
Dat is de belofte die vrijwilligerswerk ons kan bieden.

In een brief aan de zeevarende stad Efeze
in het oude Griekenland
moedigde de kerkleider Paulus mensen aan
om ‘zich aan elkaar te onderwerpen’ (Efeziërs 5,21),
wat een andere manier is om te zeggen elkaar opofferend te helpen.
Mensen worden aangemoedigd
om zich aan elkaar te onderwerpen,
maar dit is niet in een onderdrukkende zin.
Het betekent dat we, als leden van de gemeente,
elkaar respecteren
en het welzijn beogen van de ander.
Het is een teken van nederigheid en liefde.
Hoe dan ook, de beslissing is hetzelfde: er zijn.
De redenen waarom we het doen,
kloppen niet altijd.
Er zijn smaken van mededogen,
van de wens om nuttig te zijn,
om deel uit te maken van iets groters.
Maar er lijkt ook iets anders te zijn.
Een toewijding om in een behoefte te voorzien.
Met andere woorden,
we zouden het liefde kunnen noemen.

 

Deze week is de eerste van vier weken
die de kerk traditioneel viert als de adventstijd.;
de tijd voor Kerst.
Want met alle levende kerststallen en adventskalenders
zou je het bijna gaan denken dat advent
alleen over de geboorte van Jezus gaat.
Voor christenen over de hele wereld zijn dit dagen
van verwachting en voorbereiding.
Het woord ‘advent’ stamt af van het Latijnse ‘adventus’,
wat ‘komst’ betekent.
Tijdens deze tijd bereiden christenen zich dus voor
om de geboorte van Jezus Christus te vieren.
December is sowieso al vaak een donkere maand,
en in deze tijd zien velen de toestand in de wereld donker in.
We hunkeren naar het licht
en voor christenen breekt dat door
als ze samen vieren dat Jezus
als het Licht van de wereld ons bestaan binnenkomt.
Door stil te staan bij Advent,
verbinden we ons met een eeuwenoude traditie
die ons voorbereidt op het kerstfeest.
Advent nodigt je dus uit om
in een hectische tijd ruimte te maken
voor bezinning en verwachting.

Want – nogmaals – advent is veel meer dan alleen de stal van Bethlehem.
Historisch gezien heeft de kerk zich evenzeer gericht
op het vooruitzicht op de terugkeer van
Jezus als op het vieren van zijn geboorte.
Door de geschiedenis van advent te onderzoeken,
ontdekken we de verwaarloosde betekenis van deze tijd.

Eerst Pasen

De vroegste kerk centreerde haar liturgische kalender rond Pasen.
Sterker nog, er is weinig bewijs voor de viering van Jezus’ geboorte
in de eerste twee eeuwen van de kerkgeschiedenis.
Het Nieuwe Testament onthult immers
weinig details over het tijdstip van Jezus’ geboorte.
Van alle evangelieverhalen verwijst alleen Lucas
naar een bepaalde tijd van het jaar:
de lammertijd in de vroege winter,
wanneer herders over hun kuddes moesten waken (Lucas 2:8).

Waarover de Bijbel zwijgt, deden de vroegchristelijke auteurs dat ook.
Geboortevieringen worden niet genoemd
in christelijke geschriften uit de eerste en tweede eeuw.
De vroegste kerk concentreerde zich daarentegen
op wat het Nieuwe Testament zeer gedetailleerd beschreef:
de laatste dagen van Jezus de Messias.
Om deze reden was de viering van Pasen
ten tijde van het Joodse Pesach
vanaf de vroegste dagen van de kerk
het primaire aandachtspunt van de christelijke praktijk;
een viering die Paulus suggereert in 1 Korintiërs 5:7-8.

Ondanks de afwezigheid van kerstviering
was er tegen het einde van de tweede eeuw
aanzienlijke belangstelling voor het vaststellen
van een datum voor Jezus’ geboorte.
Deze belangstelling weerspiegelt waarschijnlijk
de apologetische nadruk die de kerk legde
op Jezus’ fysieke geboorte,
ondanks degenen die sceptisch stonden tegenover
Zijn volledige menselijkheid.
Hoewel er heftig werd gediscussieerd over mogelijke data,
ontstond er begin vierde eeuw
consensus over twee waarschijnlijke kandidaten:
25 december en 6 januari.
Na verloop van tijd werd de eerste de traditionele kerstviering
en de laatste de viering van Driekoningen.

« Vorige paginaVolgende pagina »