In de wereld van coaching en trainingen was lange tijd een belangrijke vraag:
kijk je naar de wereld door een bril van schaarste of door een bril van overvloed?
En het pleidooi was dan dat denken vanuit schaarste ongelukkig maakt.
Je bent dan gefocust op wat er niet is. Je stop energie in wat je nog niet hebt.
Je ziet het leven vooral als een gevecht, een strijd. Ik moet vechten voor mijn aandeel.
Ik moet me onderscheiden ten opzichte van anderen.
En je belandt al te snel in een ratrace.

En tegenover dit schaarste-denken werd dan het denken en leven vanuit overvloed geplaatst.
Ga uit van overvloed, geloof erin dat er genoeg is en dat het jou ten deel valt.
De extreme uitingsvorm daarvan is manifesteren.
Als ik iets maar hard genoeg wil,dan komt mijn droom vanzelf uit.
Word ik vast de beste versie van mijzelf. Name it, claim it.

We stuiten in onszelf en in elkaar op onze schaduwzijden, ons falen.
Op ons onvermogen om echt te veranderen.
We zitten gevangen in systemen die op allerlei manieren beschadigend zijn.
Zijn deel van een mensheid en een generatie die collectief faalt.
Het lukt ons vaak van geen kanten om te leven van genoeg.

En we beseffen met elkaar steeds meer dat het tij begint te keren.
Dat we in plaats van een bril van overvloed eerder behoefte hebben aan een bril van genoeg.

Vanuit christelijk oogpunt vind ik dat daar iets blijmoedigs inzit.
Want boven de mensheid die verwikkeld is is in de ratrace van rupsje-nooit-genoeg
hangt de Jezus Christus de Gekruisigde,
licht en kalm, te midden van de donkerte, de pijn, nood en schuld van de hele mensheid.
De man aan het kruis deelt in dat menselijk bestaan maar gaat er niet in onder.
Hij overstijgt het, wordt verhoogd. En draagt het weg, verzoent het, overwint het.
Er schemert ook altijd iets van ochtendlicht in door.
Op Golgotha volgt Pasen. Er hangt de belofte in de lucht van opstanding.
Van een ander, nieuw bestaan.
Vader, vergeef het hen want ze weten niet wat ze doen. Ze hebben werkelijk geen idee.

Apostelen hebben het evangelie van de Gekruisigde
vertaald in raadgevingen, aansporingen, leefregels.
Denk aan het pleidooi op diverse plaatsen in de Apostolische brieven voor gematigdheid:
maat weten te houden.
En voor zelfbeheersing (jezelf niet verliezen, niet overvragen of overschreeuwen).
Denk aan het gebed in Filippenzen 1
om ‘inzicht en fijnzinnigheid om te kunnen onderscheiden waar het op aan komt’.
Of de aansporing in 2 Timoteus 1 vers 7:
‘God heeft ons niet een geest van lafhartigheid gegeven,
maar een geest van kracht, liefde en bezonnenheid.’
In bezonnenheid zit iets van gevoel voor wat passend is, gevoel voor proporties, voor wat genoeg is.   Niet teveel, niet te weinig.
Mensen op zoek naar een ander, nieuw bestaan, een leven van genoeg.

Hem volgen is ons oude bestaan met Hem te laten sterven
en met Hem opstaan in een nieuw leven.
Onszelf oefenen in omdenken.

Hemelvaart

naar aanleiding van Handelingen 1, 1-14
(met name vers 11)

Ik kan dan ook heel goed begrijpen, dat zij naar de hemel staarden…
helemaal verbijsterd.
Misschien hoopten zij wel, dat Hij weer zou terugkeren vanachter de wolk.
Dat staren is veelbetekenend. Zij stonden aan de grond vastgenageld. Hoe lang?
Er is dan geen tijd meer.
Dan bestaan alleen nog maar die ander en jij,
die ander die je niet missen kunt en die je nu kwijt raakt.
Maar terwijl zij zo staan en opzien naar de hemel,
worden zij tot zichzelf gebracht
doordat twee mannen ineens naast hen stonden. Twee mannen in witte kleding.
Zij zeiden: ‘Waarom staan jullie daar zo naar de hemel te staren?
Deze Jezus, Die van jullie is opgenomen, zal op dezelfde wijze terugkeren
zoals jullie Hem naar de hemel hebt zien varen.’
Ze krijgen dus een verklaring en een bemoediging.
Jezus is wel weg, maar zal weer terugkomen, precies zo,
uit een wolk van de hemel.
Nu nog niet, later. Nu hoef je daarop nog niet te wachten, maar, wees zeker,
Hij komt terug, eens.
Maar dat “wachten” hoeft niet te betekenen, dat je dan niets doet.
Het is niet wachten op de trein of de bus. Met de handen over elkaar!
Nee, je kunt in die tijd al vast vooruit lopen op wat er gaat gebeuren.
Dat zie je hier bij de discipelen. Zij werden actief:
‘Zij gingen naar de bovenzaal, en daar bleven zij eensgezind bijeen,
volhardend in het gebed,
met de vrouwen en Maria, de moeder van Jezus, en met Zijn broers.’
Het woord “eensgezind” springt er uit.
Allemaal zijn zij verdrietig, allemaal hebben zij troost nodig,
allemaal hielden zij zoveel van de Heer.
En dat verbindt hen, maakt hen eensgezind.
Zij denken niet meer aan zichzelf, maar aan de Meester
en hadden daarin ook oog voor elkaar, voor elkaars verdriet.
Eén gevoel leeft er in ieders hart, éénzelfde gemis houdt hen samen,
éénzelfde hoop houdt hen staande: de vervulling van de belofte van de Vader.
Zij denken aan het afscheidswoord van de Heer:
‘Ik zal u niet als wezen achterlaten, zie, Ik kom tot u!’
Zo voelen zij zich ook, als wezen,
Daarom volharden zij zo in het gebed:
dat de Heiland maar weer tot hen mag komen!
En zo wordt ook het verlangen in hen gewekt, het verlangen naar de Geest,
die Jezus beloofd had. De Trooster, Die hen in alle waarheid zou gaan leiden.
Wat hadden zij Die nodig!
Want, eerlijk gezegd, zij begrepen er niet veel van.
Er zou ook aan de discipelen nog heel wat uit te leggen zijn.
Ook daar hadden zij de Heilige Geest voor nodig.
Net als wij.
Die Geest moet ons de woorden van de Heiland indachtig maken
en ook Zijn daden en wat er met Hem is gebeurd.
Daar moeten ook wij om bidden.
Eensgezind, ja, alle kerken en gelovigen met elkaar!

Laten wij op Hemelvaartsdag, ook eensgezind zijn, met één verlangen vervuld:
dat de Geest ook op ons mag komen, wie en wat we ook zijn of denken of geloven,
hoe we ook in het leven staan, allemaal verschillende mensen,
maar met één en dezelfde Geest vervuld.
Het is immers het éne geloof dat wij belijden, de éne Heer
die wij terugverwachten en willen dienen, de éne hoop,
waaruit wij leven en die ons kracht geeft in leven en sterven,
de éne liefde, van wie niets en niemand ons scheiden kan:
de liefde van God, welke is in Jezus Christus onze Heer en Heiland.

De Heer is ten hemel gevaren.
Wij moeten wachten en ondertussen uitzien naar wat komen gaat,
eensgezind bijeen, de Heer tegemoet.