‘Geloof is louter bijgeloof’
zo wordt het geloof door het atheïsme vaak karikaturaal beschreven.
Ze stelt er dan tegenover dat het atheïsme juist objectief en neutraal is.
Toch is het idee van seculiere objectiviteit op zichzelf een drogreden.
Secularisme is, net als elk wereldbeeld, een perspectief,
ironisch genoeg geënt op het christendom,
de geschiedenis van de mensheid van het verlaten van geloof
en de morele basis daarvan heeft rampzalige gevolgen gehad.

Want secularisme is ook een vooroordeel,
vaak gegrond in een ethische ijdelheid,
waarvan de zogenaamd universele principes
zeer christelijke wortels hebben.
Begrippen als persoonlijke autonomie
komen voort uit een traditie die het leven als heilig beschouwt,
gebaseerd op het geloof dat mensen
uniek geschapen zijn naar Gods evenbeeld.
Beroepen op mededogen
weerspiegelen Jezus’ leringen
en christelijke argumenten voor sociale rechtvaardigheid
door de geschiedenis heen.
Zelfs de scheiding van het seculiere en het heilige
is afgeleid van Jezus’ leer om ‘aan de keizer te geven wat van de keizer is
en aan God wat van God is’.
Een auteur als Tom Holland heeft in zijn boek Heerschappij laten zien
hoe westerse samenlevingen,
hoewel vaak losgekoppeld van hun christelijke wortels,
nog steeds opereren binnen kaders
die gevormd zijn door eeuwen van christendom.

Een politiek secularisme begon op te komen
na de Europese godsdienstoorlogen
in de zeventiende eeuw,
maar het veronderstelde historische conflict
tussen wetenschap en religie,
waarin de eerste zegeviert
over bijgeloof en een vijandige kerk,
is een mythe.
Deze ‘conflictthese’, die in de achttiende eeuw
werd gepromoot blijft bestaan,
ook al is deze uitgebreid ontkracht.
Historici benadrukken nu de complexe relatie
tussen geloof en wetenschap.

Geloof was niet zozeer een tegenstand
tegen intellectueel onderzoek,
maar juist de basis ervan.
Het middeleeuwse christelijke Europa
bracht de grote universiteiten voort;
dit was niet alleen omdat de kerk macht en rijkdom had,
maar omdat kennis van God werd gezien
als de basis voor alle begrip.
Deze verwevenheid van geloof en academie
voedde de Verlichting, toen wetenschappers als Newton of Kepler
de studie van de schepping
(wat Calvijn beschreef als ‘het theater van Gods glorie’)
benaderden als een bevestiging van de goddelijke orde
van een God die er behagen in schepte
dat Zijn schepselen ‘Zijn gedachten na Hem dachten’.

Hun christelijke overtuigingen gaven niet alleen
een impuls voor rigoureuze verkenning,
maar brachten hen ook nederigheid
bij over het menselijk intellect.
In tegenstelling tot de visie van de moderniteit op de geest
als een losstaand, alziend oog,
geloofden zij dat de cognitieve vermogens
van de mens waren verminderd,
zowel moreel als intellectueel,
door de val van Adam,
waardoor perfecte kennis onbereikbaar werd.
Blaise Pascal legt deze worsteling
met onzekerheid vast in zijn Pensées:
‘We verlangen naar waarheid, en vinden in onszelf alleen maar onzekerheid (…)
Dit verlangen is aan ons overgelaten, deels om ons te straffen,
deels om ons te laten inzien vanwaar we zijn gevallen.’

Voor Pascal en zijn gelovige tijdgenoten
was het tegengif tegen menselijke trots
en zelfbedrog te vinden in de Almachtige.
Ironisch genoeg was het deze nederigheid,
geworteld in een zeer theologische bezorgdheid
over de menselijke cognitieve feilbaarheid,
die de wetenschappelijke methode
het leven schonk,
het proces van systematisch experimenteren
gebaseerd op empirisch bewijs,
en dat later centraal kwam te staan
in het denken van de Verlichting.

Hoewel veel van de leidende figuren gelovigen waren,
versnelde het Verlichtingstijdperk
een verschuiving van God naar de mens
als het centrum van begrip en ethiek.
Filosofen als David Hume
marginaliseerden of elimineerden God helemaal,
wat de weg vrijmaakte voor Zijn latere afwijzing
als een spook van menselijke projectie (Freud)
of als een instrument van uitbuiting en onderdrukking (Marx),
terwijl Rousseau het aantrekkelijke idee populariseerde
dat de mens niet inherent gebrekkig was,
maar van nature goed,
alleen zijn omgeving deed hem slechte dingen doen.

Maar het was de nihilist Nietzsche,
de zoon van een lutherse dominee,
die het morele vacuüm voorspelde
dat ontstond door de dood van God
en de diepgaande gevolgen daarvan.
Ethische grenzen werden onstabiel,
waardoor nieuwe ideologieën alles konden rechtvaardigen
in het nastreven van hun utopische doelen.
Nietzsches profetieën over de opkomst van het totalitarisme
en concurrerende ideologieën
die de twintigste eeuw zouden kenmerken,
waren huiveringwekkend accuraat.
Duitse universiteiten leverden de intellectuele rechtvaardiging
voor nazi-gruweldaden tegen de Joden,
terwijl de door marxisten geïnspireerde revoluties
en het beleid van de Sovjet- en Chinese communistische regimes
leidden tot afschuwelijk lijden
en de dood van tussen de 80 en 100 miljoen mensen.
Zonder Goddelijke verantwoording
versterkten deze pseudo, mensgerichte religies
de menselijke kwaadaardigheid
en de destructieve impulsen van de mens.

Begin jaren negentig was de Sovjet-Unie ingestort,
wat Francis Fukuyama ertoe bracht
vanuit zijn ivoren toren te beweren
dat seculiere liberale democratie
het natuurlijke eindpunt was
in de sociaal-politieke evolutie
van de mensheid
en dat de geschiedenis ‘was geëindigd’.
Maar zijn optimisme was van korte duur.
De gebeurtenissen van 9/11
en de heropleving van een krachtig islamisme
gaven de leugen dat iedereen een seculiere liberale democratie in westerse stijl wilde,
terwijl in het Westen een herverpakte versie
van het oude marxistische onderdrukkersnarratief
op de campussen begon te verschijnen,
met zijn bedrieglijke utopische sirenenzang
dat de mens de auteur van zijn eigen verlossing kon zijn
die de academie betoverde.
Deze keer kwam het in de vorm
van verdeeldheid zaaiende
identiteitsgebaseerde ideologieën
bedekt met postmoderne machtsnarratieven
die de realiteit leken te tarten en Chestertons visie bevestigden
dat ‘wanneer de mens ophield in God te geloven, hij in alles kon geloven’.

Terwijl universiteiten ideologie boven bewijs
en conformiteit boven intellectuele vrijheid propageerden,
leek George Orwells kritiek
op intellectuele goedgelovigheid
en het duistere fanatisme
dat het vaak bevordert,
belichaamd in de distopische roman 1984
waar de realiteit zelf wordt gemanipuleerd door dogma,
relevanter dan ooit.
Orwell was niet de enige die dacht
dat sommige ideeën zo dwaas waren
dat alleen intellectuelen ze geloofden.
Andere commentatoren zijn net zo sceptisch
en bekritiseren de vaste academici
wiee levens geïsoleerd zijn
van het lijden van degenen
die moeten leven onder hun favoriete ideologieën,
en die theorieën verkiezen
boven werkbare oplossingen.
Intellect, zo merken zij op, is niet hetzelfde als wijsheid.
Meer recentelijk betwijfelt
de Amerikaanse schrijver David Brooks,
het nut van elitaire onderwijssystemen
die te veel nadruk leggen op cognitieve vaardigheden
ten koste van andere kwaliteiten,
en suggereert dat ze de neiging hebben
om een bekrompen heersende klasse
te produceren die blind is
voor hun eigen vooroordelen en valse overtuigingen.

Maar het seculiere vertrouwen lijkt af te nemen.
Sinds het hoogtepunt van het Nieuwe Atheïsme
halverwege de jaren 2000
is er een groeiende ontevredenheid
met wereldvisies
die beperkt zijn tot rede en materialisme.
Kunstenaars als Nick Cave
hebben kritiek geuit op het onvermogen
van het secularisme
om concepten als vergeving en genade aan te pakken,
terwijl mensen als Ayaan Hirsi Ali
het christendom openlijk hebben omarmd.
Het verlangen naar het transcendente
en een wereld die ‘opnieuw betoverd’ is,
lijkt wijdverbreid te zijn.

Het verhaal van de val, vergeving,
verbondenheid en de transformerende liefde van God
is het verhaal dat het meest aansluit
bij onze diepste menselijke verlangens
en geleefde ervaring,
terwijl het ons tegelijkertijd de hoop biedt
op verlossing en – met Goddelijke hulp –
betere versies van onszelf worden;
het soort mensen
waarvan het secularisme
denkt dat we dat al zijn.

Kortgeleden kreeg de preses van de Protestantse Kerk, ds. Van den Broeke, emmers vol kritiek over zich heen, omdat ze het waagde om koning Willem Alexander (belijdend christen) erop te wijzen dat hij in zijn publieke uitingen geen gewag maakt van zijn geloof in God. ‘Hoe ze het toch durfde’ was de mening van velen ‘geloof is immers iets privé, dat op z’n best achter de voordeur mag worden beleden en dus geen plaats heeft in het publieke domein’. Ik hoorde ik deze kritiek tot mijn verbazing ook van medechristenen ‘zoiets zeg je toch niet en helemaal niet in deze tijd waarin een IS (Islamitische Staat) met een beroep op een religie vreselijke terreurdaden begaat. Alsof wij en masse, christenen incluis, zijn gaan geloven in de verbeeldde werkelijkheid dat de mensheid zich verder heeft ontwikkeld tot een samenleving waar God geen plaats meer heeft, hooguit als folkloristische hobby die een kleiner wordend groepje mensen mag blijven beoefenen als andere mensen er maar geen last van hebben. Onze seculiere maatschappij, met praktisch atheïsme is gebaseerd op een seculiere moraal. Deze moraal bepleit het individuele geweten, de mens als hoogste maat der dingen en gaat voorbij aan God en Jezus Christus. Deze maatschappij waarin we alleen maar kunnen vertrouwen op eigen kracht, op eigen daden en waarin wij ons leven helemaal zelf kunnen en moeten vormgeven. God is weggeschreven uit de geschiedenis en zijn volgelingen ‘ach, de stumpers’.

Onze maatschappij gebaseerd op een christelijk-(modern)humanistische grondslag. ‘Wij hebben God vermoord, jullie en ik!’ liet Friedrich Nietzsche zijn dolle man zeggen in de vrolijke wetenschap ‘Wij zijn allemaal zijn moordenaars!‘. Maar meteen kwam hij ook met een analyse van die maatschappij zonder God ‘Dwalen we niet als door een oneindig niets? Gaapt de holle ruimte ons niet aan? Is het niet kouder geworden? Komt de nacht niet voortdurend sneller en sneller? Moeten er ‘s morgens geen lantaarns aangestoken worden?’ Onze samenleving is er een zonder ziel, zonder hoop. We zijn vrij, we zijn onze eigen meester… maar wat heeft ons dat opgeleverd? Ongelovigen geloven het ongelooflijksteWe zijn bang als mensen onze leefwijze afwijzen,als zij ons ongebreidelde ‘vrijheden’ veroordelen.

Vrijheid; de Duitse filosoof Rüdiger Safranski schreef hierover een belangwekkend boek:  Het kwaad of het drama van de vrijheid. In dit boek beschrijft Safranski – nadat hij allerlei filosofen heeft behandeld – de mens die leegte en chaos ervaart wanneer geen god of levensbeschouwing hem de weg wijst. Men dacht dat de mens vanwege het feit dat hij redelijk is op een normale wijze kan samenleven met de ander. Zolang ieder zich maar houdt aan de basisspelregels. Zolang de redelijkheid bewaard wordt, blijft ook het samenlevingssysteem overeind. Maar de redelijkheid weet niet iedereen meer te boeien. Het onredelijke, het kwaad blijkt diep in de mens verborgen te zitten. Het jezelf als middelpunt van het universum te wanen. Dat is uiteindelijk het kwaad, dat zich tracht zich ‘zich een goed geweten aan te meten’. Wat ik doe dat is in de regel toch goed? Vrijheid is het toverwoord. Maar vrijheid is geen gemakkelijkheidsoplossing, maar iets waarmee de uitdaging nog maar gesteld is.

Vrijheid zoekt ook naar ankerpunten, een ethiek en leefregels die haar mogelijk maken.Vrijheid zonder maat brengt enkel zelfvernietiging voort en oorlog. Ankerpunten zijn te vinden in de Tien Geboden, het evangelie van Jezus Christus. Dat zijn de richtlijnen die God ons gaf om mensen een leven te laten leiden in vrede, broederschap en eensgezindheid. Deze uitgangspunten, deze ankerpunten voor een maatschappij zullen echte rechtvaardigheid voortbrengen, echte ontwikkeling en vrede. Geloven, leven in afhankelijkheid van de door God gestelde normen, dat is pas vrijheid! Maarten Luther, de Duitse kerkreformator omschreef ‘vrijheid’ zo: Een christenmens is een vrij heer over alle dingen en niemands onderdaan; een christenmens is een dienstbare knecht van alle dingen en ieders onderdaan. Of zoals het in Romeinen 14 vers 17 staat: ‘Het Koninkrijk Gods is niet eten en drinken, maar rechtvaardigheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest.’  Ik stel mijn vertrouwen niet op ‘eten en drinken’, op ‘voedsel en kleding’, op ‘zekerheden, die ik in de hand heb’. Ik vertrouw op gerechtigheid, op het recht van en voor de ander die door God aanvaard is. Ik geloof in de keuze voor het recht van de armen, van de verdrukten en van hen die geen helper hebben. Ik vertrouw op vrede, ik kies voor het welzijn van de ander, en van Gods schepping. Mijn blijdschap is dat ik mij samen met de ander verheug in God, in het leven.

Houdt de radicale islam ons in wezen ook niet een beetje een spiegel voor. Zij willen gaan voor een radicale gehoorzaamheid aan hun God, helaas met hun  verwerpelijke uitwassen van terreurdaden. Maar waar gaan wij voor? Een beetje dit, een beetje dat. Steeds maar schipperen en vooral je kop niet boven het maaiveld uitsteken. Of gaan wij ook navolging, maar dan van Christus? Voor échte vrijheid.

Nederland ligt massaal in katzwijm door ‘dé hittegolf’ en meteen wordt het overgrote deel van het nieuws in beslag genomen door items als ‘hoe blijven de ouderen koel’ ‘heidebrand in …’ ‘vermiste jongen van 6 waar de gezamenlijke reddingsdiensten urenlang naar zoeken’ en andere berichten van die gading. (Een gedeelte van) de journalistiek rent met een ongekende hijgerigheid achter dit soort hot items (!) aan. Deze berichtgeving valt bijna een op een uit te wisselen tegen 2012, 2011 en 1999 .

Een andere valkuil waar journalisten soms intrappen is de ongenuanceerdheid ie ze overnemen van de nieuwsbron zonder zich te verdiepen in de context van hun onderwerp. Zo’n reflex zag ik bij het nieuws rondom de mazelen- en de ronde hondepidemie   die voor de zomerhitte de gemoederen warm hield. Geheel in lijn met de overheid richten de media zich op de halsstarrige houding van een achtergebleven bevolkingsgroep tot wie de moderne tijd maar niet wil doordringen. Alleen deze reformatorische christenen (ook wel – volledig verkeerd omschreven – als streng-gereformeerd) waren zo achterlijk om hun kinderen niet in te enten tegen de genoemde kinderziektes. Een beetje journalistiek spitten hadden de media ook op het spoor kunnen brengen op de ‘antiprik-‘groepen en in de antroposofische hoek, terwijl het juist in Duitsland de groep van hoogopgeleiden is die hun bedenkingen en bezwaren hebben tegen het vaccineren. Maar nee, laten we het nieuws makkelijk ‘framen’. Die toch wel wat vreemde subgroep van christenen moest toch maar eens aan de haren de 21ste eeuw ingesleept worden. Waar religieuze argumenten in het spel zijn in combinatie met kinderen is een brede opinie al snel op je hand en voorkom je een brede maatschappelijke discussie over nut, noodzaak en gevaren van preventieve vaccinatie. En het handige is: ook al zet je ze onterecht in het verdomhoekje, ze doen toch niets terug. Niemand hoeft bang te zijn voor aanslagen of doodsbedreigingen.

Ik wil even een paar jaar  teruggaan. Hoe reageerde de journalistiek op de weigeraars van de preventieve vaccinatie tegen baarmoederhalskanker van jonge meiden? Werd er toen niet veel genuanceerder gereageerd op de groep van weigeraars en heeft het RIVM op een gegeven moment het vaccineren niet stopgezet vanwege alle commotie? ‘De bevolking was slecht geïnformeerd er nog niet aan toe’ werd als reden aangevoerd. En hoorde ik de media in verband met deze epidemie over het feit dat politici zich enige tijd geleden nog  krachtig verzetten tegen de overmatige bemoeizucht van de overheid bij ongezonde levensstijlen als vetzucht en roken. Burgers kunnen immers uitstekend zelf bepalen wat goed voor hen is. Ik zie de overheid nog niet en masse mensen uit de ouderlijke bevoegdheid zetten omdat ze roken of er een andere ongezonde levensstijl op na houden. Maar rondom deze epidemie werden ouders door politici (Dupuis, Borst en Rutte) opgeroepen hun kinderen te vaccineren, want dat kinderen ziek zouden kunnen worden was volgens Rutte ‘niet Gods wil’. Er werd zelf gesproken over de verplichting kinderen te vaccineren.

Een achterliggend punt in deze hele discussie is mijns inziens dat de overheid  de vrijheden van burgers steeds minder respecteert.vrijheid van godsdienst?Aan de ene kant wordt het adagium van de terugtredende overheid steeds meer omarmt.  Er moet weer meer ruimte komen voor maatschappelijke initiatieven en burgers. Maar als er dan een minderheid een keuze maakt die de meerderheid van de mensen onwelgevallig is dan is dat niet de bedoeling?

Wat betekent dat nou: scheiding tussen kerk en staat? Houdt dat in dat de staat zich wel mag uitlaten over geloofszaken, maar dat uitspraken vanuit het geloof in het publieke domein ongewenst of zelfs ongrondwettig zijn?

Waar liggen de grenzen? Wanneer ouders hun kinderen laten besnijden is dat een ontoelaatbare aanslag op de integriteit van (onmondige) kinderen? Dat ouders hun kinderen opvoeden met geloofswaarheden… je puurste indoctrinatie? De mens is maakbaar en er kan oneindig aan gesleuteld en verbouwd worden? De mens is meester over zijn eigen lot?

Ja, misschien is dat wel een ergerpuntje dat me eigenlijk al een tijdje dwarszit en dat me tijdens deze mooie zomerdagen,  wanneer we met z’n allen weer veel buiten zijn, weer extra opvalt. Al dat zwerfvuil! ik hoorde laatst een item op tv dat de stranden na een mooie zomerdag weer vol liggen met allerlei afval. Gewoon neergekwakt terwijl er op een steenworp afstand afvalbakken staan. Gewoon om dat het kan; iemand anders moet het maar opruimen! Of erger nog: er wordt gewoon helemaal niet meer nagedacht.Samen-leving ammehoela, als ik, op de korte termijn,  maar lol heb! Er schijnen complete ‘eilanden’ van afval door de zeeën en oceanen te drijven.  Afval, dat als het niet opgeruimd wordt, een bedreiging vormt voor mens en dier. Voor een dier vaak acuut als ze plastic eten of verstrikt raken in het vuil, voor de mens op de midellange en lange termijn omdat uiteindelijke de natuur ernstig bedreigd en onleefbaar wordt.

‘Laat niet als dank voor het aangenaam verpozen, den eigenaar van ’t bosch de schillen en de dozen.’ Laat niet, als dank voor áangenaam verpoozen, den eigenaar van 't bosch de schillen en de doozenDit was vroeger een spreuk die prijkte aan het begin van een natuur- en recreatiegebied om te vermijden dat bezoekers hun rommel achterlieten. De aarde die ons in bruikleen gegeven is, die we van God gekregen hebben en mogen onderhouden, niet uitbuiten.Want uiteindelijk is het allemaal van Hem. Ons allemaal in goed vertrouwen te leen gegeven.

Vergelijk het eens met het huren van een vakantiehuisje. Aan het eind van de periode moet je dat dan weer zo schoon achterlaten als je het hebt aangetroffen. Logisch toch? Is het dan niet net zo logisch dat we de schepping van God, waarin en waarvan we mogen leven ook leefbaar achterlaten voor de generaties die na ons komen? Dat we niet ‘de schillen en de dozen’ of beter gezegd ‘het niet afbreekbare afval en de verpestte aarde’ overlaten aan anderen. Duurzaam leven betekent dat je je realiseert wat een goede heerser behoort te doen. Wij mensen zijn verantwoordelijk voor het wel en wee van al het leven op de aarde (Psalm 8: 7-9). Maar de aarde met al wat daar op leeft is er om te gebruiken, niet om te misbruiken!

Het is deze week de week van de euthanasie. Je wordt hier niet alleen door de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillige levensEinde (NVVE) aan herinnert, ook in de media wordt hier ruim aandacht aan besteed. In het actualiteitenprogramma Brandpunt bijvoorbeeld kwam de heliummethode voorbij. In een instructiefilm werd uitgelegd hoe je uit het leven kunt stappen met behulp van vrij verkrijgbare zaken zoals onder andere helium (bekend van het opblazen van ballonnen), flexibele slangen en dus ook een groot formaat braadzak die je ook kunt gebruiken voor het bereiden van voedsel. Strekking  is dat je met een beetje handigheid zo een euthanasieapparaat kunt maken, zodat je het tijdstip van je eigen overlijden kunt bepalen als jij vindt dat je leven voltooid is.

Eerlijk gezegd staat deze ontwikkeling in een lange traditie van de voortschrijdende menselijke autonomie. Nu de mens God de deur heeft gewezen eigent hij zichzelf de stoel van God toe. Zowel het begin als het einde van het leven ligt volgens veel mensen in eigen handen. Menselijke autonomie en individualisme in optima forma! Ooit schreef de VVD in 1981 het volgende:

in de eerste plaats heeft de mens feitelijk niet de vrije keuze over leven en dood. Ziekte of ongeval zullen voor een belangrijk deel het tijdstip bepalen waarop hij zijn leven zal beëindigen. Bovendien leeft de mens in een gemeenschap en draagt hij verantwoordelijkheid jegens de andere leden van de gemeenschap. Hij zal zijn rechten alleen kunnen uitoefenen in het licht van die verantwoordelijkheid.(…) Aangezien hij voor de beëindiging van zijn leven de hulp van een ander of anderen inroept, betrekt hij deze medemensen bij zijn levenseinde en maakt hen mede verantwoordelijk. Ook hun belangen en gevoelens moeten dus geaccepteerd worden

Hoewel deze argumentatie zich vooral richt op het intermenselijk aspect zet het het sterven wel degelijk in een breder aspect. In heel zijn leven leeft de mens in sociale verbanden die aan het eind van het leven niet zomaar ophouden. Als christen zou ik daar nog het volgende aan toe willen voegen: als geboren en sterven beiden tot de goede schepping horen, en als wij door het geloof beide weer als weldaad weten te ervaren, dan moeten we ook aanvaarden dat God ons op zijn tijd het – natuurlijke – einde aandoet. Hiermee wordt  het sterven verheven tot een ars vivificandi, stervenskunst, een onderdeel dat bij de kunst van het leven hoort.

Ik denk dat we als kerk, als christenen juist hierin een goed voorbeeld moeten geven en  kunnen laten zien dat het leven in een gemeenschap met je medemens en met God leeft in een wederzijdse verantwoordelijkheid en om elkaar bekommert. Zo kunnen we anderen laten zien wat zijzelf wat ze nou eigenlijk aan het doen zijn.

Kortgeleden hadden Pieter Jan Dijkman en Herman Oevermans een dubbelinterview met de directeur van het wetenschappelijk bureau van GroenLinks Dick Pels, en met Gert-Jan Segers, directeur van het wetenschappelijk bureau van de ChristenUnie. Het interview werd gepubliceerd in Wapenveld. Aanleiding voor dit interview is de idee dat wat afwijkt van de heersende seculiere norm meer en meer wordt verboden. Men denke hierbij aan de ruimte die religieuze groeperingen hebben om rituelen te kunnen uitoefenen vanuit hun traditie en geloofsovertuiging. In het interview legt Pels weinig begrip aan de dag voor mensen met een andere mening: alles en iedereen moet wijken voor het nieuwe dogma, de individuele vrijheid. Met dat recht in de hand mag, volgens hem,  PvdA-politica Ploumen een Rooms-Katholieke kerk binnengaan om te protesteren tegen de aantasting van de individuele vrijheid (een katholieke geestelijke had de hostie geweigerd aan aan homoseksuele gelovige, dit geheel in lijn met de officiële katholieke kerkelijke leer). In een ander voorbeeld stelt Pels dat SGP-vrouwen die geen probleem hebben met het vrouwenstandpunt van hun partij moeten worden ‘gedwongen’ tot vrijheid. Pels huivert van groeperingen die hun waarheid als de absolute waarheid propageren (en zeker wanneer die op godsdienstige overtuigingen berusten). Er is slechts één waarheid, namelijk het relativeren van je eigen waarheid. Over absolutistische waarheid gesproken (sic!)

Oude wijn in nieuw zak: het Pelserianisme. Moeten mensen met een afwijkende meningen, moeten christenen hun waarheid offeren op het altaar van de individuele vrijheid, zoals in de Oudheid christenen werden gedwongen een handvol wierook op het altaar van de staatsgoden te gooien om zich te onderwerpen aan de algemene mening?

Het klopt: het multiculturalisme is volledig dood. De monocultuur leeft: relativisme is het nieuwe dogma!

Kortgeleden publiceerde bureau Motivaction dat het onderzoeksrapport De grenzeloze generatie en de onstuitbare opmars van de B.V. IK  waarin wordt gesteld dat tweederde van de jongeren zichzelf  ‘een heel bijzonder persoon’ vindt.  Ze zijn überzelfverzekerd en ik-gericht. In het Nederlands Dagblad gaat politicoloog Monique Samuel in haar column in op de bevindingen van dit onderzoek. In haar schrijven breekt zij een lans voor deze generatie Y zoals die wordt genoemd. Zij stelt de vraag ‘of dit ambitieuze en wellicht wat arrogante zelfbeeld zo slecht is. Natuurlijk past ons (want ook zij behoort tot de generatie Y) bescheidenheid, maar gezien de uitdagingenwaar wij voor staan (vergrijzing, milieuproblematiek, groeiende sociale ongelijkheid, wereldmigratie) hebben we juist enthousiasme en ambitie nodig en zijn we gebaat bij borrelende creativiteit. Te lang zijn Nederlanders te bescheiden en te beschaafd geweest.’  Ze bevestigd het beeld van de generatie die ik-gericht is: ‘verwacht geen trouwe donaties of actieve (politieke) participatie in de gevestigde instituties. Generatie Y werkt op projectbasis. We trekken onze buidel als ons ego wordt gestreeld. Want wij zijn en blijven “Generatie IK”” Samuel verwoordt in feite wat Herman Wijffels in 2007 al zei in een interview in de Volkskrant, namelijk dat individualisering ook gezien kan worden als een positieve kracht. ‘Mensen die zich bewust worden van zichzelf, aanvaarden in zijn ogen als logische stap de verantwoordelijkheid voor het geheel. Het is een misvatting dat individualisering als vanzelf uitmondt in desintegratie.’

Maar wordt een samenleving dan niet steeds meer een egoleving waarin de eigen behoeftebevrediging het primaat heeft? Of moeten we individualisering, zoals die volgens Samuel tot belangrijke eigenschap van de jonge generatie heeft verheven, in de kerk niet alleen maar negatief tegemoet treden? Religie komt toch van het Latijnse woord religare, dat ‘verbinden’ betekent; maar wat valt er nog te verbinden als iedereen hedonistisch maximalisatie van het eigen genot nastreeft?

De neiging om de moderne individu te ‘pleasen’  zie ik soms ook terug bij (laagdrempelige) kerkdiensten. In een artikel op de site van het Christelijk Informatie Platform wordt een beeld geschetst van een zo’n ‘moderne’ kerkdienst: ‘Een kerk die enigszins op een theater lijkt, inclusief vloerverlichting, comfortabele stoelen, visuele effecten, een grote geluidsinstallatie en twee grote schermen. Tijdens de gelikte kerkdienst – de kerk moet immers laagdrempelig zijn – speelt de band op het podium met zo veel energie dat het er op lijkt dat de mensen in de zaal overbodig zijn. Alles is tot in de puntjes verzorgd. Tijdens het zingen flitsen de teksten van het lied synchroon over de schermen. De preek wordt gehouden met een presentatie, zodat de lijn van het verhaal kan worden vastgehouden door de hoorders. Bijbelpassages worden met prachtige illustraties getoond, al vinden weinig mensen de passages in hun Bijbel, omdat dat Boek vanwege de schermen op dat moment grotendeels gemist kan worden. Na de preek volgt een lied en de afkondiging waarna het normale licht aangaat en het tijd is voor koffie.’

Dit soort dienst laat zich het best omschrijven als een ‘rollercoaster van emoties’. Je voelt je er goed, veel van je zintuigen worden geprikkeld, je pikt eruit wat je interesseert, het sluit helemaal aan bij het moderne tijdsgevoel, maar… is dit het? Verbindt dit mensen met elkaar of is ieder op zijn eigen eilandje gelukkig?

Generatie Ygen geluk eerst.

De reclamejongens (en meiden) van het telecombedrijf BEN® flikken het elke keer weer, ze krijgen mijn attentie. Jaren geleden opgericht om de grote telecomaanbieders te beconcurreren met scherpe prijzen, zetten ze hun merk met prikkelende reclame-uitingen in de markt. En ook de huidige tv-spot is op zijn zachtst gezegd uitdagend. Eerst maar even het script:

Hallo, ik wil nergens aan vast zitten
En ik kan gaan waar ik wil
Ik zit niet vast aan Nederland, en de hokjes
Niet aan werk of een vriendje, gelukkig niet
Ik bepaal zelf waar ik in geloof
Ik ben vrij om mijn eigen weg te kiezen
Ik ben BEN
En ik ben verlost

Het leest als statement van de moderne, vrije mens: verlost zijn van welke band dan ook. Zit trouwens misschien heel subtiel in die een na laatste zin een verwijzing naar het tetragrammaton (de vierletterige Hebreeuwse aanduiding YHWH, de godsnaam, te vertalen met ‘ik ben die ik ben’)? De mens als God in zijn eigen gedachten zoals Willem Kloos dat ooit dichtte wordt mooi met woorden omschreven. Ik ben vrij, Ik bepaal zelf wel wat ik geloof, Ik ben verlost, Ik ben BEN!

Een vraagje met een verwijzing naar die reclameposter van hierboven: kom je daarmee echt terecht?

Ik vraag het me af…

Laatst werd er in een consumentenprogramma op tv aandacht besteed aan de grote keuze die consumenten als ze een bepaald product willen aanschaffen: er zij talloze mogelijkheden voor een zelfde product. Wat bleek na onderzoek: de consument laat bij zoveel keuze volledig dicht en kiest vervolgens voor het product dat hij al kent. In wezen kun je dus zeggen dat een mens helemaal niet gebaat is bij zoveel keuzemogelijkheden. Het brengt alleen maar onrust en verwarring!

Aan deze opmerkelijke, maar toch verwachtte uitkomst van dit onderzoek moest ik denken toen ik het interview met vicepremier Rouvoet las in het Reformatorisch Dagblad. Hij stelt dat het gangbare westerse vrijheidsbegrip heroverweging verdient. Als de overheid grenzen stelt, leidt dat uiteindelijk tot meer vrijheid.

André Rouvoet haalt Martin Simek aan die onlangs in het NRC Handelsblad schreef dat hij, toen hij in 1968 uit Tsjechië gevlucht was en aankwam in Nederland, had verwacht veel blije mensen aan te treffen die hun vrijheid vierden. Maar de radio- en tv-presentator zag sombere gezichten om zich heen: alsof niemand echt van de vrijheid genoot. ‘Het was alsof ze meer wilden van iets dat ze al hadden.’

Zou er dan toch voor mensen een te veel aan vrijheid kunnen zijn? Willen mensen misschien wat leiding hebben?

Vanmorgen was Victoria Koblenko (een Nederlandse actrice, presentatrice en columniste van Oekraïense komaf) op bezoek bij Dit is de dag, een programma op Radio 1. Ze was daar op bezoek om als lid van de groep Stoere vrouwen te pleiten voor het gebruik van ‘eerlijke’ chocolade. Voor dit product krijgt de cacaoboer dan een faire prijs en wordt niet uitgebuit door de opkoper. Op zich een nobel streven. Wat me echter opviel was dat Klobenko zei dat ze de leveranciers wilde overtuigen van het verkopen van alleen maar ‘eerlijke’ chocolade.  Alleen maar? ‘Ja’, zei ze, want ze was behoorlijk aan chocolade verslaafd en ze moest tegen zichzelf beschermd worden, want als ze de keuze moest maken tussen goedkope chocolade en het duurdere ‘eerlijke’ product, dan koos ze toch voor het goedkopere product. Verder had ze wel een vreemd idee over het ‘goede leven’. Zelf koopt ze geen vlees, maar ze wilde anderen niet voor hun hoofd stoten als ze haar vlees voorschotelden als ze op bezoek kwam. Tevens maakte ze veel gebruik van vliegtuig en auto omdat dat vanwege haar werk noodzakelijk was; daar kon ze toch niets aan doen. Ze had een keer een auto die op aardgas rijdt te leen, maar die auto al snel weer ingeleverd omdat ze zoveel moeite moest doen om aan brandstof te komen.

Eigenljk vreemd zo’n reactie dat je beschermd moet worden tegen jezelf. Zo’n verzoek om een gedeelte van je eigen autonomie ingeperkt te laten worden. Volgens mij buitelt iedereen over elkaar heen om te protesteren tegen een inperking van de vrije keuze en de eigen vrije wil (denk aan de moeizame debatten rondom de verkrijgbaarheid van allerlei soorten drugs), maar als er dan toevallig een BN-er zich schaart achter zo’n initiatief dan zet men gedwee het eigen ‘dikke ik’ zomaar opzij.

Als men toch het eigen ‘dikke ik’ opzij kan zetten ken ik een paar zeer nuttige leefregels:

  1. Ik ben de Heer, uw God die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb.
  2. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.
  3. Gij zult de naam van de Eeuwige, uw God, niet ijdel gebruiken.
  4. Gedenk de Sjabbatdag, dat gij die heiligt.
  5. Eer uw vader en uw moeder.
  6. Gij zult niet doodslaan.
  7. Gij zult niet echtbreken.
  8. Gij zult niet stelen.
  9. Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.
  10. Gij zult niets begeren wat van uw naaste is.

Je zult zien, het werkt! Verbeter de wereld, begin bij jezelf!