Ten tijde van de coronacrisis wordt de kerk en de dominee als voorganger geconfronteerd met het feit
dat veel kerken en predikanten jarenlang als de grote roze olifant
in de kamer hebben proberen te vermijden.
En dat is het feit dat er in de samenleving de laatste vijftig jaar
een verschuiving heeft plaatsgevonden van woord- naar beeldcultuur.
Juist doordat kerkdiensten noodgedwongen door de coronamaatregelen mensen in de oude zin van het woord niet bij elkaar konden komen
werd deze verschuiving heel zichtbaar.
Massaal werd er een begin gemaakt om ‘kerkdiensten’
in geluid én beeld uit te zenden via de media.
Gevolg was dat voorgangers zich iets eigen moesten maken
waarvoor ze eigenlijk nooit goed opgeleid zijn.
Voorgangers moesten ineens rekening houden met een camera
die hen het wereldwijde web opslingeren.
Kon je in de voor-coronatijd nog proberen de kerk en de diensten
in de kerk als een soort tegencultuur
tegenover de heersende beeldcultuur neer te zetten,
nu ben je zelf onderdeel geworden van die beeldcultuur.
De cultuur van sound-bites en kort-en-bondigzijn
is bijna een vereiste geworden voor de prediking.
Niet meer ellenlang uitweiden of allerlei bij en omwegen bewandelen, maar binnen een korte tijd tot de kern komen is het devies.
Nu ik dit schrijf lijkt het een open deur, maar veel voorgangers
– waaronder ikzelf –
maken ons aan bovenstaande zaken nogal eens schuldig.
Wat ik merk is dat het voorbereiden van preken mij meer tijd kost:
‘tuurlijk weet ik waar de preek over moet gaan,
maar de vraag waar ik meer aan tijd besteed is ‘hoe zeg ik het’.
Drie dingen die ik meer toepas zijn:
1) ik heb het in de preek meer over mijzelf.
Ik merk dat mensen op zoek naar herkenning.
Gelukkig heb een goed voorbeeld namelijk de apostel Paulus:
‘Toen ik in uw stad rondliep’(Hnd 17,23) tot ‘Volg mij na’ (Fil. 3,17).
2) Nog meer dan ik al deed probeer ik een beeld te vinden
uit het dagelijks leven, waarin men zich kan herkennen.
3) de ‘hoevraag’ wordt belangrijk. Ik deed dat sowieso tijdens mijn preken, maar ik merk dat dat de vraag
‘hoe krijgt deze boodschap handen en voeten in mijn leven?’.
De bewuste beantwoording van deze vraag
maakt dat de verkondiging eerder en beter bij mensen landt.

Overall zou je kunnen zeggen het de kunst is om te weten
wat je wil zeggen en dat vervolgens met kracht en eenvoud te doen. Nogmaals moet ik opmerken dat dit open deuren lijken,
maar dat deze vaardigheid de meeste voorgangers niet is aangeleerd
en die zeker in de beeldcultuur waarin we ons nu moeten bewegen
zich moeten aanleren.