Deze week is de eerste van vier weken
die de kerk traditioneel viert als de adventstijd.;
de tijd voor Kerst.
Want met alle levende kerststallen en adventskalenders
zou je het bijna gaan denken dat advent
alleen over de geboorte van Jezus gaat.
Voor christenen over de hele wereld zijn dit dagen
van verwachting en voorbereiding.
Het woord ‘advent’ stamt af van het Latijnse ‘adventus’,
wat ‘komst’ betekent.
Tijdens deze tijd bereiden christenen zich dus voor
om de geboorte van Jezus Christus te vieren.
December is sowieso al vaak een donkere maand,
en in deze tijd zien velen de toestand in de wereld donker in.
We hunkeren naar het licht
en voor christenen breekt dat door
als ze samen vieren dat Jezus
als het Licht van de wereld ons bestaan binnenkomt.
Door stil te staan bij Advent,
verbinden we ons met een eeuwenoude traditie
die ons voorbereidt op het kerstfeest.
Advent nodigt je dus uit om
in een hectische tijd ruimte te maken
voor bezinning en verwachting.

Want – nogmaals – advent is veel meer dan alleen de stal van Bethlehem.
Historisch gezien heeft de kerk zich evenzeer gericht
op het vooruitzicht op de terugkeer van
Jezus als op het vieren van zijn geboorte.
Door de geschiedenis van advent te onderzoeken,
ontdekken we de verwaarloosde betekenis van deze tijd.

Eerst Pasen

De vroegste kerk centreerde haar liturgische kalender rond Pasen.
Sterker nog, er is weinig bewijs voor de viering van Jezus’ geboorte
in de eerste twee eeuwen van de kerkgeschiedenis.
Het Nieuwe Testament onthult immers
weinig details over het tijdstip van Jezus’ geboorte.
Van alle evangelieverhalen verwijst alleen Lucas
naar een bepaalde tijd van het jaar:
de lammertijd in de vroege winter,
wanneer herders over hun kuddes moesten waken (Lucas 2:8).

Waarover de Bijbel zwijgt, deden de vroegchristelijke auteurs dat ook.
Geboortevieringen worden niet genoemd
in christelijke geschriften uit de eerste en tweede eeuw.
De vroegste kerk concentreerde zich daarentegen
op wat het Nieuwe Testament zeer gedetailleerd beschreef:
de laatste dagen van Jezus de Messias.
Om deze reden was de viering van Pasen
ten tijde van het Joodse Pesach
vanaf de vroegste dagen van de kerk
het primaire aandachtspunt van de christelijke praktijk;
een viering die Paulus suggereert in 1 Korintiërs 5:7-8.

Ondanks de afwezigheid van kerstviering
was er tegen het einde van de tweede eeuw
aanzienlijke belangstelling voor het vaststellen
van een datum voor Jezus’ geboorte.
Deze belangstelling weerspiegelt waarschijnlijk
de apologetische nadruk die de kerk legde
op Jezus’ fysieke geboorte,
ondanks degenen die sceptisch stonden tegenover
Zijn volledige menselijkheid.
Hoewel er heftig werd gediscussieerd over mogelijke data,
ontstond er begin vierde eeuw
consensus over twee waarschijnlijke kandidaten:
25 december en 6 januari.
Na verloop van tijd werd de eerste de traditionele kerstviering
en de laatste de viering van Driekoningen.

 

Soms is het goed, wanneer de mens even moet wachten.
Want wij mensen leven vaak veel te gehaast.
Wij hebben geen tijd meer om te ‘wachten’,
om even tot bezinning te komen,
het even laten bezinken, tot inkeer komen
en alles opnieuw op een rijtje te zetten.
Zeker de grote dingen en beslissingen in je leven
hebben een tijd van wachten, verwachten, nodig.
Voorbereiding, bezinning, wikken en wegen.
Zo wachtte Johannes de Doper in de woestijn
en Jezus deed dat ook, veertig dagen lang.
En Israël moest 40 jaar wachten,
voordat zij het Beloofde Land mocht binnentreden.
En Paulus moest na zijn bekering 6 jaar wachten in de Arabische woestijn.
De woestijn is dus een wachtplaats,
waar mensen zich zelf leren vinden
en hun roeping en bovenal God Zelf!
Het is goed voor een mens om even in de woestijn te moeten verkeren,
letterlijk en figuurlijk.
In het Koninkrijk van God zijn tijden en gelegenheden,
maar ook wachttijden.
Laten we daar maar eens op letten!

Maar ‘wachten’ hoeft niet te betekenen, dat je dan niets doet.
Het is niet wachten op de trein of de bus.
Met de handen over elkaar!
Nee, je kunt in die tijd al vast vooruit lopen
op wat er gaat gebeuren.
Dat zie je hier bij de discipelen.
Zij werden actief:
‘Zij gingen naar de bovenzaal, en daar bleven zij eendrachtig bijeen.
(…) vurig en eensgezind wijdden ze zich aan het gebed.’
ten eerste springt het woord ‘eendrachtig’ er uit.
Allemaal zijn zij verdrietig, allemaal hebben zij troost nodig,
allemaal hielden zij zoveel van de Heer.
En dat verbindt hen, maakt hen eendrachtig.
Zij denken niet meer aan zichzelf,
maar aan de Meester
en hadden daarin ook oog voor elkaar, voor elkaars verdriet.
Eén gevoel leeft er in ieders hart, éénzelfde gemis houdt hen samen,
éénzelfde hoop houdt hen staande:
de vervulling van de belofte van de Vader.
Zij denken aan het afscheidswoord van de Heer:
‘Ik zal u niet als wezen achterlaten, zie, Ik kom tot u!’
Zo voelen zij zich ook, als wezen,
Daarom – ten tweede – volharden zij zo in het gebed:
zij bleven bidden dat de Heiland maar weer tot hen mag komen!
En zo wordt ook het verlangen in hen gewekt,
het verlangen naar de Geest,
die Jezus beloofd had. De Trooster,
Die hen in alle waarheid zou gaan leiden.
Wat hadden zij Die nodig!
Want, eerlijk gezegd, zij begrepen er niet veel van.
Er zou ook aan de discipelen nog heel wat uit te leggen zijn.
Ook daar hadden zij de Heilige Geest voor nodig.
Net als wij.
Die Geest moet ons de woorden van de Heiland indachtig maken
en ook Zijn daden en wat er met Hem is gebeurd.
Daar moeten ook wij om bidden.
Eendrachtig, ja, alle kerken en gelovigen met elkaar!