Van Henri Nouwen heb ik geleerd dat bidden eigenlijk niet iets is wat je erbij doet.
Hij zegt: Bidden is niet een deel van je leven.
Bidden ís je leven, als christen.
Bidden kan zozeer deel worden van jezelf dat het wordt als ademhalen.
Ja, dat is het!
Bidden is het ademhalen van je ziel.
Nouwen zegt het ergens heel mooi:

‘Volgens mij is bidden niet aan God denken
in plaats van aan andere zaken
of tijd doorbrengen met God in plaats van met anderen.
Bidden is eerder: denken en leven ín Gods aanwezigheid.’

Bidden is nog iets anders dan een gesprek voeren met jezelf.
Zeker, tot jezelf komen, jezelf onderzoeken.
Dan hoort er zeker ook bij.
Maar bidden is een voortdurende gerichtheid van jezelf af op God.
Een voortdurende liefdevolle conversatie met God.
Zoals dat zo mooi is verwoord in dat ene vers uit Genesis.
En Henoch wandelde met God.
Alles wat hij iedere dag meemaakte nam hij door
en besprak hij met zijn hemelse vriend.
In volstrekte openheid en eerlijkheid.

Bidden zonder ophouden, dat is niet iets wat je zomaar komt aanwaaien.
We hebben als mensen van nature de neiging
om juist hele stukken van ons leven af te schermen voor God.
Daar zijn we dan voor onszelf begonnen
en zoeken we het graag allemaal zelf wel uit.
En naast onze eigen natuur
is ook onze cultuur niet per se een gebedscultuur.
We zijn vaak zo in beslag genomen
en onder de indruk van de waarneembare wereld
dat de werkelijkheid van de levende God
naar de achtergrond wordt gedrongen.
We hebben zo onze momentjes van gebed
maar gedurende hele stukken van de dag en de week
is er dan op geen enkele manier sprake van
een blijvende verbinding met God.
Ongemerkt leven we te vaak en te lang naar onze eigen inzichten
en putten we uit onze eigen kracht.

Bidden is nooit vanzelfsprekend.
Vandaag de dag niet en ook niet in de tijd van de Thessalonicenzen.
En tot zulke mensen, zoals wij zijn, van huis uit geen geboren bidders,
klinkt deze aansporing: bid zonder ophouden.
Het gebed is Gods geschenk,
juist aan mensen die vaak aan alle kanten langs Hem heen leven.

Gebed is de manier waarop God óns verandert.
Vaak denken wij dat we door bidden
Gods aandacht op ons kunnen richten.
Maar bidden is Gods handreiking om ons te helpen
om onze aandacht op Hém te richten.
Het doel van bidden is niet in de eerste plaats dat God verandert.
Het doel van bidden is eerst en vooral dat wij zelf veranderen.
Tot mensen die zich leren richten op Hem
en leven van zijn genade.
En ja, dan kan God ook in ons leven
en door ons heen op het gebed grote dingen doen.

Er zit in ons allen vaak iets van een zwoeger.
Een doe-het-zelver, die bij zo’n tekst als bid zonder ophouden
al snel kan denken:
oké, geef eens wat tips, dan ga ik er mee aan de slag.
Dat is niet wat deze woorden willen bewerken.
Bidden zonder ophouden is niet iets
dat je even op je eigen houtje kunt fixen.
Je kunt je niet opwerken tot zo’n biddende levensstijl.

Je kent misschien het verhaal van die Russische pelgrim:
Hij gaat op een dag een kerk binnen
en wordt daar diep getroffen
door juist dit vers uit 1 Thessalonicenzen 5: ‘Bid zonder ophouden’.
Er groeit in zijn hart een sterk verlangen
om te gaan doen wat deze woorden van hem vragen.
Om te gaan bidden zonder op te houden.
Maar hoe doe je dat?
Hij zoekt in boeken en vraagt priesters ernaar
maar niemand kan het hem uitleggen.

Tot hij op een dag een eenvoudige monnik ontmoet
die het niet alleen weet maar ook zelf doet.
Hij leert van die eenvoudige monnik
om eenvoudigweg het Jezusgebed te bidden.
Het is een gebed van één zin
en dat begint hij te bidden:

Heer Jezus, Zoon van God, ontferm U over mij zondaar.

Eerst bidt de pelgrim dit Jezusgebed hardop, later in het hart.
En langzaam wordt het iets van een tweede natuur.
Hij draagt dat ene korte Jezusgebed
als het ware op zijn adem mee.
Op den duur komt dat ene gebed steeds opnieuw
als vanzelf in zijn binnenste tot klinken.
Zo leert hij wat het is om te bidden zonder ophouden.

Laat je je voor het eerst of weer opnieuw
inschrijven op de school van gebed.
En je toeleggen op bidden zonder ophouden.
Je hoeft niets anders mee te brengen dan verlangen.
Verlangen naar God.
Augustinus zag het hartstochtelijk verlangen
als het onophoudelijke gebed bij uitstek.
Hij zegt:

Wij zijn niet in staat om voortdurend bewust tot God te spreken
of onze handen op te heffen of neer te knielen.
Maar het hartstochtelijke verlangen kan wel altijd in ons zijn.
Wanneer je het bidden niet wil onderbreken,
onderbreek dan het verlangen niet

 

Soms is het goed, wanneer de mens even moet wachten.
Want wij mensen leven vaak veel te gehaast.
Wij hebben geen tijd meer om te ‘wachten’,
om even tot bezinning te komen,
het even laten bezinken, tot inkeer komen
en alles opnieuw op een rijtje te zetten.
Zeker de grote dingen en beslissingen in je leven
hebben een tijd van wachten, verwachten, nodig.
Voorbereiding, bezinning, wikken en wegen.
Zo wachtte Johannes de Doper in de woestijn
en Jezus deed dat ook, veertig dagen lang.
En Israël moest 40 jaar wachten,
voordat zij het Beloofde Land mocht binnentreden.
En Paulus moest na zijn bekering 6 jaar wachten in de Arabische woestijn.
De woestijn is dus een wachtplaats,
waar mensen zich zelf leren vinden
en hun roeping en bovenal God Zelf!
Het is goed voor een mens om even in de woestijn te moeten verkeren,
letterlijk en figuurlijk.
In het Koninkrijk van God zijn tijden en gelegenheden,
maar ook wachttijden.
Laten we daar maar eens op letten!

Maar ‘wachten’ hoeft niet te betekenen, dat je dan niets doet.
Het is niet wachten op de trein of de bus.
Met de handen over elkaar!
Nee, je kunt in die tijd al vast vooruit lopen
op wat er gaat gebeuren.
Dat zie je hier bij de discipelen.
Zij werden actief:
‘Zij gingen naar de bovenzaal, en daar bleven zij eendrachtig bijeen.
(…) vurig en eensgezind wijdden ze zich aan het gebed.’
ten eerste springt het woord ‘eendrachtig’ er uit.
Allemaal zijn zij verdrietig, allemaal hebben zij troost nodig,
allemaal hielden zij zoveel van de Heer.
En dat verbindt hen, maakt hen eendrachtig.
Zij denken niet meer aan zichzelf,
maar aan de Meester
en hadden daarin ook oog voor elkaar, voor elkaars verdriet.
Eén gevoel leeft er in ieders hart, éénzelfde gemis houdt hen samen,
éénzelfde hoop houdt hen staande:
de vervulling van de belofte van de Vader.
Zij denken aan het afscheidswoord van de Heer:
‘Ik zal u niet als wezen achterlaten, zie, Ik kom tot u!’
Zo voelen zij zich ook, als wezen,
Daarom – ten tweede – volharden zij zo in het gebed:
zij bleven bidden dat de Heiland maar weer tot hen mag komen!
En zo wordt ook het verlangen in hen gewekt,
het verlangen naar de Geest,
die Jezus beloofd had. De Trooster,
Die hen in alle waarheid zou gaan leiden.
Wat hadden zij Die nodig!
Want, eerlijk gezegd, zij begrepen er niet veel van.
Er zou ook aan de discipelen nog heel wat uit te leggen zijn.
Ook daar hadden zij de Heilige Geest voor nodig.
Net als wij.
Die Geest moet ons de woorden van de Heiland indachtig maken
en ook Zijn daden en wat er met Hem is gebeurd.
Daar moeten ook wij om bidden.
Eendrachtig, ja, alle kerken en gelovigen met elkaar!

Still uit The Great Dictator met Charlie Chaplin (1940)

 

Het einde van een dictator,
kan – wanneer het komt –
akelig, bruut en op film vastgelegd zijn.

Moammar (Mohammed al-) Qadhafi, zelfbenoemd Broeder Leider en Gids van de Revolutie,
bracht de laatste momenten van zijn leven ineengedoken door
in een Libisch riool na een luchtaanval op zijn konvooi.
Toen hij werd ontdekt,
onderwierp een menigte hem aan een aantal
gruwelijke laatste mishandelingen voor zijn dood
– het soort einde waartoe hij duizenden genadeloos had veroordeeld.
Het was bijna bijbels en het werd vastgelegd met een beverige camera.

Maar het was niet het eerste in zijn soort in deze generatie.
Op eerste kerstdag 1989 werd het misvormde gezicht
van Nicolae Ceausescu op tv uitgezonden
na zijn standrechtelijke executie
door haastig verzamelde oppositietroepen in Roemenië.
Slechts enkele dagen daarvoor was hij een onaantastbare dictator geweest.

Vladimir Poetin heeft gesproken over Qadafi’s einde,
en dat verontrust hem duidelijk,
maar misschien zit Ceausescu’s dood diep in zijn gedachten
omdat het het bloedige einde was
van alle communistische leiders in Oost-Europa.

Dictator zijn is een allesverslindende baan.
Er worden onderweg te veel binnenlandse
en buitenlandse vijanden gemaakt
om de waakzaamheid te laten varen.
En hun ondergang komt vaak door toedoen van degenen
die het dichtst bij hen staan;
deze mensen kennen de bewegingen en zwakheden van de dictator
per definitie beter dan anderen en zijn het best geplaatst om die uit te buiten.
Het leger moet uitgerust zijn om afwijkende meningen te onderdrukken,
maar geef het te veel macht
en de generaals vormen een risico voor de dictator.
Maar als het leger niet over de juiste wapens beschikt,
wordt de controle over de bevolking moeilijker.
Veel dictators omringen zich met speciaal getrainde,
loyale bewakers om zich tegen het leger te verdedigen,
maar de terreurregel betekent
dat niemand de eerlijke waarheid spreekt
en dus overal risico’s dreigen.
Geen wonder dat dictators meestal paranoïde zijn
en zelf gekweld worden door de angst
die een cultuur van grillig geweld bij hen oproept.

Deze en andere theorieën worden onderzocht
door Marcel Dirsus in zijn boeiende boek
How Tyrants Fall.
Dirsus merkt op hoe dictators geld, wapens en mensen nodig hebben
om te overleven en hoe de elites om hen heen geloven
dat deze goederen zullen blijven bestaan.
Ze moeten de omringende elites ook onderdompelen in bloedschuld,
zodat hun lot verweven raakt met dat van de dictator;
Saddam Hoessein dwong anderen om zich bij hem aan te sluiten
in de moord en executie van tegenstanders.

Voor Dirsus zijn er twee manieren om een tiran omver te werpen.
De meest directe is om ze uit te schakelen,
maar dit is zelden eenvoudig.
Pogingen tot staatsgreep zijn vaak chaotisch in hun planning
en zelfs goed georkestreerde pogingen mislukken meestal;
de gevolgen voor de betrokkenen zijn altijd verschrikkelijk.
De tweede route is geduldig en pragmatisch,
gericht op het verzwakken van de tiran,
het versterken van alternatieve elites
en het machtiger maken van de massa.
Externe machten hebben vaak minimale invloed,
tenzij, zoals de VS in Irak,
het land wordt binnengevallen en de tiran wordt afgezet.
Sancties zijn vaak niet effectief genoeg om de elite te raken;
de geografische nabijheid van een staat
tot het land van de tiran kan nuttig zijn,
omdat het een basis biedt
van waaruit tegenstanders van het regime kunnen werken.

Moderne technologie verandert het politieke handelen
en maakt het voor grote groepen
gemakkelijker om zich tegen regimes te mobiliseren,
zoals te zien was in de kortstondige Arabische Lente.
Het stelt dictators ook in staat om tegenstanders beter te volgen
dan zelfs de gevreesde Stasi in Oost-Duitsland.
Op dit moment lijkt het erop
dat de tirannen een voorsprong hebben in dit spel.

Kort na de grootschalige Russische inval in Oekraïne
in februari 2022
zei een vriend tegen me dat hij bad
voor Poetins dood of ondergang.
Ik vroeg hem hoe zeker hij ervan was dat de persoon
die Poetin zou vervangen beter zou zijn.
Als de pragmatische route om een dictator omver te werpen
bestaat uit het versterken van verschillende elites
en het machtiger maken van de massa,
is de kans groot dat de elites het overnemen, niet de massa.
Dictators staan nooit toe dat de onderdelen
van de burgermaatschappij zich vormen;
democratische instellingen hebben decennia nodig om op te bouwen.
En ze benoemen zelden van tevoren opvolgers,
uit angst dat er alternatieve machtsbases ontstaan.
Wanneer dictators vallen,
leidt dit meestal tot aanvankelijke chaos en geweld
voordat een andere elite zich kan vestigen
van waaruit een nieuwe dictator zal voortkomen.

In haar geïnspireerde lofzang op het nieuws
dat ze de langverwachte Messias ter wereld zou brengen,
merkt Maria op hoe God
‘de machtigen van hun tronen heeft gestoten en de nederigen heeft verheven’.
Het is een omkering van rollen
die typerend is voor Lucas,
de het lied van Maria heeft opgetekend.
Het is een soort van eschatologie
die velen vandaag de dag willen verwezenlijken,
niet alleen in de toekomstige wereld.
Want wanneer de machtigen vandaag van hun troon worden gestoten,
worden ze doorgaans vervangen door de op één na machtigste persoon.
En als de troon vacant blijft of wordt betwist,
voelt wat volgt vaak als de geest
die uit een persoon in het evangelie van Mattheüs vertrok
en terugkeert met zeven andere geesten
die nog erger zijn dan hijzelf,
wat betekent dat
‘de laatste staat van een persoon erger is dan de eerste’.

Dit hoeft geen wanhoopsgebed te zijn,
maar een oproep tot een geïnformeerde voorbede,
dat weinig sturend advies biedt
voor Gods geopolitieke strategie,
maar veel wijsheid en geduld
van de ene Troon die standhoudt.

 

Onder een seculiere Franse regering is € 700 miljoen uitgegeven
aan de renovatie van de Notre Dame na de brand van 2019.
Het geld is echter niet afkomstig van Franse belastingbetalers,
maar van grote en kleine donaties
van mensen in Frankrijk en van over de hele wereld.
Wat is er toch met kathedralen?
(en misschien in bredere zin: christelijke gebouwen)
Want het aantal mensen dat kathedralen bezoekt om te bezoeken,
om te bidden of anderen te ontmoeten, blijft stijgen,
zelfs terwijl het kerkbezoek afneemt
en religie uit de mode lijkt te raken.
Dus wat is er aan de hand?

Het bouwen van een grote kerk
is een lang en zeer kostbaar proces,
en christelijke gemeenschappen
konden een eeuw of langer nodig hebben
om een kathedraal te bouwen
of te upgraden naarmate er middelen beschikbaar komen.
In landen waar het christelijk geloof
werd omarmd door de machthebbers,
hielpen overheden bij het bouwen van kathedralen.
Het waren niet alleen centrale punten voor erediensten
en het kerkelijk leven in hun gebied,
maar waren ook grote overdekte ontmoetingsruimten
die ook door de staat werden gebruikt voor
synodes, kroningen, vergaderingen
of diensten die het politieke leven ondersteunden
en de sociale cohesie versterkten.
Gemeenschappen en heersers wilden het beste
en grootste gebouw dat ze konden hebben,
tot eer van God (en ook die van de bouwers):
en kathedralen waren een focus voor het beste dat te vinden was
in architectuur en kunst, preken in steen en glas-in-lood,
kleurrijke hoogbouwwonderen
die de bewoners van een vaak lelijke
en sombere laagbouwwereld inspireerden.

Wat verklaart dan de blijvende aantrekkingskracht van kathedralen
en de emotionele banden tussen deze gebouwen en ons
die de herbouw van Notre Dame heeft benadrukt?

Om te beginnen zijn deze gebouwen
de dragers van verhalen en identiteiten.
Wij mensen houden van een goed verhaal.
We willen verhalen horen, zien en vertellen;
een verhaal maken van ons eigen leven;
deel uitmaken van een groter verhaal
dat ons identiteit en betekenis geeft.
In kathedralen kun je bezoekers en pelgrims ontmoeten
die graag de geschiedenis wilden weten,
met andere woorden het verhaal
van zo’n geweldige plek en alles wat het bevat.
Er zijn de bezoekers die hun eigen verhalen schrijven
en op elke toeristische bestemming
een foto maken van hun knuffel.
En er zijn de mannen en vrouwen op een crisispunt,
die in hun eigen verhaal die op zoek gaan
naar vergeving of hoop of liefde,
en die beginnen te vinden in het grote verhaal van God, van Jezus
en het christelijk geloof waarvan een kathedraal getuigt.

Dat vasthouden aan identiteit is natuurlijk niet alleen individueel.
De ramp van 2019 met de Notre Dame in Parijs
werd over de hele wereld gevoeld,
omdat deze kathedraal met haar glorieuze architectuur
en haar schatten deel uitmaakt
van het verhaal van de wereld
waar miljoenen mensen
door hun bezoeken
en begrip bij betrokken zijn geraakt;
een tragedie die natuurlijk het diepst wordt gevoeld in Frankrijk,
waar de kathedraal verweven is
met de Franse geschiedenis en identiteit.
Elke kathedraal, ongeacht haar leeftijd of grootte,
draagt het verhaal
van haar gemeenschap en haar mensen,
maakt deel uit van ons menselijke verhaal,
van het jouwe en het mijne.
Hun erfgoed is ook het onze.
Het verhaal dat een kathedraal vertelt over identiteit,
geloof en hoop kan verlevendigen en inspireren.

Aan de andere kant zijn kathedralen getuigen.
Kathedralen zijn niet alleen gastheer
van staatsgelegenheden:
hun rol is om een plek te zijn voor mensen
uit een breed geografisch en sociaal gebied
om elkaar te ontmoeten en te vieren,
te aanbidden, te rouwen,
te luisteren en te leren.
Het zijn plekken waar we zowel bevestigd als uitgedaagd worden.
Of het nu gaat om een lokaal liefdadigheidsconcert
om mensen in nood te helpen,
een groot bedrijfsjubileum, een seminar
of een protestlocatie voor mensen
die zich zorgen maken over een actueel politiek,
sociaal of religieus onderwerp,
de rouwenden van een belangrijke publieke figuur
of een dakloze die op zoek is naar waardigheid en onderdak;
kathedralen getuigen van de waarde
van het menselijk leven voor God.
Voor een kathedraal zijn alle mensen geliefd door God
en worden er verwelkomd.
Terwijl kathedralen een verhaal en identiteit hebben,
terugkijken en getuigen van en focussen op
een lokale of nationale gemeenschap,
kun je je ook een andere aantrekkingskracht voorstellen;
die van vooruitkijken en omhoogkijken:
‘vlaggenschepen van de Geest’.
Uit een enquête onder bezoekers
die kathedralen binnenkwamen,
bleek dat slechts 10 procent van hen van plan was
om iets spiritueels te doen;
maar toen ze naar buiten kwamen,
had 40 procent van hen gebeden,
een kaars aangestoken, met een geestelijke gesproken
of had een dienst bijgewoond.

Kathedralen zijn, net als alle kerken,
metaforische voetafdrukken van God in de wereld:
spirituele ruimte die is gereserveerd
om buiten onszelf en ons dagelijks leven
te stappen, om te reflecteren, te bidden en te aanbidden,
om een ontmoeting te hebben,
de aanwezigheid van God te zoeken.

 

De moeite van gebed en geloof is een heel specifieke moeite.
Het is niet de moeite van het leren
van nieuwe dingen, die vraagt om oefening.
In die zin is bijvoorbeeld het leren zeilen, preken moeilijk.
Het is ook niet de moeite van de inspanning en motivatie,
die vraagt om vastberadenheid en doorzettingsvermogen.
In die zin kost, letterlijk,
bijvoorbeeld het spitten van de tuin moeite;
in figuurlijke zin geldt dat bijvoorbeeld voor een moeilijk gesprek.
Ten slotte is het ook niet de moeite van het begrijpen,
die vraagt om aanleg en om intellectuele helderheid.
In die zin kost, voor sommigen, bijvoorbeeld
de abstractie van de wiskunde moeite.
De moeite waar het hier over gaat,
de moeite van de Godsontmoeting,
is de moeite van de innerlijke ervaring,
die een mens vooral overkomt.
Het gaat hier om een ‘passieve’ moeite,
in de Griekse betekenis van het woord:
ondergaan, ervaren.
Daarin spelen de andere elementen natuurlijk wel een rol,
maar zij vormen niet de diepste betekenis.
Oefening, vastberadenheid en doorzettingsvermogen,
intellectuele verheldering:
het zal de moeite ten diepste niet wegnemen.

De moeite van deze innerlijke ervaring
heeft te maken met de ongrijpbaarheid van God,
en die ongrijpbaarheid is blijvend.
Ook de christelijk beleden genadevolle mogelijkheid
om God zélf te ontmoeten neemt haar niet weg.
Integendeel: dat verscherpt juist.
Blijkbaar is de God die ons wil ontmoeten
ook een God die onkenbaar blijft.
Karl Rahner, een Duits rooms-katholiek theoloog,
heeft hier over nagedacht en zegt dan dat God zich ‘mededeelt’ en bekendmaakt:
maar dat God altijd ook ‘onderscheiden’ en dus onbekend blijft.

Dat dubbele van God probeert Rahner te begrijpen
met de woorden ‘het heilige geheim’.
God is een geheim, in de zin dat het begrip van God
en het contact met God nooit alomvattend en volledig zijn.
Dat die God zich toch laat kennen, ja:
de mens bevestigt in de openheid voor Hem,
kan alleen maar als pure liefde beschouwd worden.
Dat is volgens Rahner het ‘heilig’ geheim’.

Maar dat laat onverlet
dat de moeite met God heel concreet voorkomt.
Ook Rahner observeert het bij tijdgenoten die proberen te bidden:

Het gebed schijnt voor de mensen van deze tijd een monoloog
of, in het beste geval, een gesprek met zichzelf,
en niet een gesprek dat men serieus
en zonder al te veel voorbehoud een tweegesprek,
een dialoog, zou kunnen noemen. (…)
Dat de persoonlijke God door ons aangesproken kan worden,
dat blijft duister; en vooral dat hij antwoordt
als hij aangesproken wordt, en niet blijft zwijgen,
dat zou in ieder geval duidelijker gemaakt moeten worden’.

Men ervaart heel duidelijk, dat God anders is dan al het andere,
anders dan de vele concrete dingen in het bestaan.
Ook Rahners eigen ervaring getuigt van moeite met God.
Hij bidt en schreeuwt tot God:

‘God van mijn leven!
Maar wat zeg ik dan, als ik u mijn God,
de God van mijn leven noem?
Zin van mijn leven?
Doel van mijn levenswegen? …
God van mijn broeders? God van mijn voorvaders? …
nooit zou ik u met één van die woorden volledig uitdrukken.
Maar waarom begin ik er dan eigenlijk aan
om met u over u te spreken?
Waarom kwelt u mij met uw oneindigheid,
als ik die toch nooit kan uitmeten? …
Heer, wat wordt mijn geest radeloos,
als ik over u met u praat!
Hoe kan ik u anders noemen dan de God van mijn leven?
Maar wat heb ik daar dan mee gezegd,
als immers toch geen naam u benoemt?’

Het kennen van God
blijkt meteen ook de ‘kwelling’ van de ervaring
dat God mijn kennen overstijgt.
Dat geldt bovendien niet alleen voor het gebed,
maar voor heel het christen-zijn.
Rahner aarzelt niet om te stellen dat christenzijn
ons brengt naar de

donkere afgrond van de woestijn,
ja zelfs: dat God die donkere afgrond is.
En die donkere afgrond wordt niet straks, ooit eens,
tot een met licht overgoten vlakte,
als we namelijk God in zijn hemelse heerlijkheid mogen aanschouwen
van aangezicht tot aangezicht.
Integendeel: dan zal de stekel van Gods onbegrijpelijkheid
pas echt duidelijk worden’.

De hemel biedt volgens hem in dezen dus geen hoop.

(dit draadje pak ik begin volgend jaar weer verder op)

 

Al lange tijd speelt er een discussie over de vraag hoe wij als christenen
moeten omgaan met de sociale media en de moderne technologie.
Theoloog Ad de Bruijne bijvoorbeeld pleitte laatst in een krant ervoor
dat een christen X rigoureus moet afwijzen
omdat er veel misselijks gebeurt
zoals anti-feministische en anti-democratische roeptoeterij.
Daarin verschilt X niet trouwens niet bijster van het echte leven.
Maar er gebeurt zoveel meer op dat medium.
En dan – zoals De Bruijne doet – gelovigen een decreet opleggen
om niet op X te blijven, dat zou ik niet kunnen geven.
Ik blijf op X, zolang deze zich houdt
aan de Europese regelgeving voor social media.

Maar hoe wordt er over moderne technologie gedacht,
en daar komt sociale media natuurlijk ook in mee.
Martin Heidegger was een Duits filosoof en heeft interessante dingen gezegd
over de moderne technologie.
Hij stelt bijvoorbeeld dat moderne technologie niet bestaat uit neutrale gereedschappen
die voor goede of slechte doeleinden kunnen worden gebruikt,
en ook niet simpelweg een natuurlijke uitbreiding is van menselijke activiteit
die we al sinds de steentijd doen.
Moderne technologie heeft een technologische samenleving
en de leden van die samenleving gevormd,
zodat we alles in de natuurlijke wereld (inclusief wij zelf en onze buren)
positioneren als bronnen die kunnen worden ontgonnen.
Heidegger zag het technologische tijdperk waarin we leven
als ‘een manier van zijn’ en die onder alle technologie ligt
die ons leven vult en dat we als leden van een technologische samenleving zijn gevormd,
of je zou kunnen zeggen gedwongen wordt om te volgen,
om op een bepaalde manier te leven.
Deze ‘manier van zijn’, de essentie van technologie,
is om alles in de wereld primair te zien
als een verzameling gereedschappen en bronnen.

Maar als dit Heideggers diagnose van moderne technologie is,
wat kunnen we er dan aan doen?
Wat is Heideggers oplossing voor het probleem dat hij identificeerde?
Is er een manier om vrij te leven van dit ‘zijn’ van moderne technologie?

Voordat we echter bij die vraag komen,
moeten we ons eerst afvragen of het eigenlijk wel mogelijk is om iets te doen.
Want als Heideggers visie op moderne technologie juist is
en ons denken en zijn in de wereld zo gevormd zijn door de essentie van technologie,
dan zitten we misschien vast in een manier van denken
die ons gevormd heeft en die we niet kunnen veranderen.

Er zijn volgens mij zeker twee redenen waarom we het technologische probleem
dat Heidegger ons heeft onthuld, niet kunnen oplossen.

Ten eerste het probleem van gevangen zitten in een systeem
dat ons denken heeft gevormd:
hoe kunnen we ons een weg uit dit technologische tijdperk denken
als we al gevormd zijn door de manier waarop dat tijdperk in de wereld staat?
Als het technologische systeem zo totaliserend is
en de geesten van mensen in de samenleving zo krachtig heeft gevormd
als Heidegger suggereert,
lijkt het bijna onmogelijk om voorbij of om het systeem
heen te denken en er dus uit te breken.

Ten tweede is er het probleem van het gebruik van technologisch denken
om het probleem van technologisch denken op te lossen.
Dit tweede punt is een natuurlijke uitbreiding van het eerste:
binnen een technologische samenleving zal het het meest natuurlijk aanvoelen
om een reeks technieken of methoden te bedenken
die gebruikt kunnen worden om mensen te bevrijden
van het technologische tijdperk,
maar omdat het technieken zijn,
zouden ze niets anders doen dan de problemen van technologisch denken versterken.
Of om het anders te zeggen,
we hebben een nieuwe manier van denken en in de wereld staan nodig
die niet leidt tot zomaar een andere methode.
Een methode of techniek is simpelweg een technologie
van zelftransformatie, jezelf veranderen,
en houdt ons daarom gevangen in de technologische essentie.
Zelfhulpboeken zijn hiervan het meest voor de hand liggende voorbeeld.
Want het probleem van technologie ligt
in de verslaving aan methoden van denken en waarnemen.

Een voorgestelde oplossing van Heideggers is
om mensen uit te nodigen het verlangen te verwerpen
dat ze in zichzelf vinden om de natuurlijke wereld te dwingen
zich aan hun behoeften aan te passen.
Ten tweede, en op dezelfde manier,
om de wereld om zich heen uit te nodigen
zich aan de persoon te presenteren in plaats van voor de persoon.
Heideggers oplossing voor het probleem is
om leden van een technologische samenleving uit te nodigen
om vrijgevig te leven in plaats van naar de ‘echte’ wereld te grijpen.
De oplossing die hij biedt, ligt op het niveau van verlangen in plaats van activiteit.
De enige optie die Heidegger geeft is de diagnose,
die als hij een stapsgewijze oplossing zou bieden
voor dit probleem is het ‘omkaderen’,
je er van doordrongen weten van het feit dat je in dit tijdperk leeft.
Je kunt simpelweg geen technieken gebruiken
om de problemen van een technologisch tijdperk op te lossen.

Als christen vind ik veel in Heideggers analyse van ons technologische tijdperk erg overtuigend.
Ik begrijp instinctief zijn existentiële beschrijving van de essentie van moderne technologie
als ‘zijn’.
Wanneer ik mijn eigen gewoonten observeer en wanneer ik luister
naar de verhalen van de mensen om mij heen,
zie ik voorbeeld na voorbeeld van de technologie in ons leven
die ons traint om de ‘echte’ wereld te behandelen
als niets meer dan een hulpbron die geplunderd kan worden
voor onze behoeften en genoegens.

Ik denk dat Heidegger een echt inzicht geeft in
waarom we er tot nu toe niet in slagen
om ons gebruik van fossiele brandstoffen in te dammen,
ondanks de bijna wereldwijde consensus dat het een goed en juist iets zou zijn om te doen.
Als samenleving zijn we geconditioneerd om de natuur te zien
als niets meer dan een bron van brandstof die benut kan worden.
Onze maatschappelijke verslaving aan koolwaterstoffen
begint met de veronderstelling dat olie er is voor ons gebruik.
De mentaliteit van het ‘zijn in een technologisch tijdperk’ zou die aanname doen:
olie is er niet om voor zichzelf te zijn,
maar wordt in plaats daarvan in de inventaris geplaatst
als een nuttig en daarom waardevol product om te winnen en in te zetten.

Naast de natuurlijke hulpbronnen van de schepping waarin we leven,
zie ik Heideggers analyse aan het werk
in de houding van mensen ten opzichte van elkaar.
Het wordt steeds moeilijker om andere mensen niet te behandelen
als niets meer dan hulpbronnen die gebruikt of weggegooid kunnen worden,
afhankelijk van of ze hun doel vervullen of niet.
De ‘intentie’ van het algoritme van sociale media is
om elk van zijn gebruikers om te zetten in makers van content.
We worden aangemoedigd om te posten, te liken en te delen
en we merken vaak niet dat de content die we ‘creëren’ wijzelf zijn.
Sociale media veranderen de mensen die het gebruiken
in de content die het verkoopt,
wij zijn de hulpbron geworden die de machine aan het delven is.
En hoewel sociale media een duidelijk voorbeeld zijn
van mensen die weinig meer zijn dan hulpbronnen die geoogst kunnen worden,
beperken de effecten van deze technologische mindset zich niet tot de virtuele omgeving.

Ik denk dat een oplossing baat zou kunnen hebben
bij een diepere reflectie op de christelijke traditie:

Ten eerste is er binnen de christelijke traditie al lang sprake
van de erkenning van concurrerende krachten van discipelschap.
In het christelijke wereldbeeld is er geen neutrale ruimte van bestaan,
onze houdingen en verlangens worden altijd door het een of ander getraind.
In zijn brief aan de kerk in Rome zegt Paulus het zo:
‘U moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld,
maar u veranderen door uw gezindheid te vernieuwen,
om zo te ontdekken wat God wil en wat goed, volmaakt en Hem welgevallig is.’
Paulus vertelt ons dat ‘de wereld’, of in ons geval ‘de essentie van de moderne technologie’,
ons denken voortdurend in overeenstemming met haar trekt.
Maar Paulus wijst ons vervolgens op iets dat Heidegger niet kan,
de stem van buiten het systeem.
In het licht van een totaliserende en allesomvattende technologische samenleving
die alles bejubelt als een hulpbron die wacht om gebruikt te worden, is
heeft Heidegger geen andere hoop dan de wilskracht van het individu
om zichzelf te bevrijden van het systeem, omdat hij geen andere hoop heeft,
niets buiten het systeem.

Maar Paulus wijst ons daarentegen op God.
Een bron van transformatie en leven die niet is aangepast aan de wereld
en niet afhankelijk is van de wereld voor zijn bestaan,
maar die desondanks, door een daad van genade,
ervoor heeft gekozen om zichzelf te openbaren in de wereld ter wille van de wereld.
Hier vinden we een persoon door wie onze geest kan worden getransformeerd,
die ons kan bevrijden van de denkpatronen van deze wereld, die onze verlangens kan hervormen.

Dit is de gave van gebed, een ruimte om te zijn en God en de wereld te laten zijn.
Voor veel christenen is de ervaring van gebed
dat ze door pure inactiviteit en stilte (langzaam, soms onmerkbaar) worden getransformeerd.

Heidegger waarschuwde ons voor een aanzienlijke moeilijkheid
om onze weg te vinden uit de technologische mindset.
Suggereer ik dat we God veranderen in een methode om onze geest te transformeren,
zodat we kunnen ontsnappen aan de valkuilen van modern technologisch denken?
Ik hoop het niet.
Hoewel het zeker mogelijk is om te proberen gebed om te zetten
in een techniek om God te laten geven wat je wilt,
is dat niet wat ik hier suggereer.
Ik doel in plaats daarvan op het soort gebed dat Moeder Teresa beroemd beschreef
toen haar ooit in een interview werd gevraagd:
‘Wat zeg je als je bidt?’
Ze antwoordde: ‘Niets, ik luister alleen.’
De verslaggever vroeg toen: ‘Nou, wat zegt God dan tegen je?’
Waarop ze antwoordde: ‘Niets bijzonders, Hij luistert ook.’

Ten slotte volgt dan de fase van aanvaarding.
Aanvaarden dat de Nederlandse samenleving
sinds half maart 2020 niet meer gelijk is als daarvoor.

Aanvaarden dat heel de wereld veranderd is
en dat zaken niet meer gaan zoals we ze gewoon waren.
Dat een anderhalvemetersamenleving van deze tijd is.
Dat dit grote consequenties heeft voor evenementen
zoals concerten, festivals, sportwedstrijden en kerkdiensten.

Aanvaarden betekent loslaten van wat was
en het nieuwe normaal omarmen.
Al blijft het voelen als abnormaal.
Want aanvaarden en loslaten
is wat anders dan vergeten hoe het was.
Toch realiseer ik me dat ik
de nieuwe situatie niet aanvaard heb.
In deze fase ben ik niet beland.
Ik houd en wil teveel vasthouden aan mijn oude leven.
Ik vraag me zelfs af of ik de fase hiervoor al in ben gegaan. Veel meer ontdek ik bij mij zelf het marchanderen.
Want als dat medicijn er nu is
en mensen er tegen gevaccineerd kunnen worden,
dan is het toch klaar en dan gaan we toch gewoon verder
zoals we in 2019 gewend waren.
Ik hoop van harte dat er een moment komt
waarop we als samenleving opgelucht
en met vreugde in het hart kunnen zeggen:
‘Dit is zo 2019’. Ik verlang er naar.
Een normale samenleving waarin mensen
misschien op gepaste afstand dicht bij elkaar leven
en gevaar van besmetten of besmet worden geweken is.

Ik weet niet of die tijd komt.
Als het lukt om binnen een korte periode
met medicijnen mensen die besmet zijn te genezen
en door vaccinatie te voorkomen dat mensen ziek raken,
dan lijkt deze periode tijdelijk te zijn.
Dan hebben we ‘slechts’ het verlies te verwerken van geliefden die gestorven zijn door het coronavirus,
van bedrijven die omgevallen zijn
en van een tijd waarin we niet bij elkaar
over de vloer kwamen.
Dan rest het de samenleving slechts om dit te aanvaarden. Voor talloze mensen zal het persoonlijk moeilijk zijn
om tot aanvaarding te komen,
maar als samenleving zal deze stap niet zo groot zijn.
Er zal een nieuw ‘goed’ moeten komen.
In de kerk zal nagedacht moeten worden
over de invulling van kerk zijn in de komende jaren.
Voor kerkdiensten lijken online diensten een goed alternatief. Tegelijk is dit het doorgaan op oude voet.
Zal er een ander ‘normaal’ komen?
Zover zijn we nog niet,
maar ik laat me graag verleiden om verder te denken.
Bovenal wil ik me laten leiden door de Geest van God.
Want Hij die hemel en aarde geschapen heeft,
blijft dezelfde tot in alle eeuwigheid.
God verandert niet en is en blijft betrokken bij deze wereld
en in het bijzonder bij de kerk op aarde.
Voor een kerk die niet weet hoe het verder moet,
maar wel door heeft dat het niet bij het oude kan blijven,
is het gebed tot Hem en om leiding door de Heilige Geest
het enige wat rest.
Het brengt de gedachten bij de volgelingen van Jezus
die na de hemelvaart van de Here Jezus
eensgezind bijeen waren in bidden en smeken.
God vulde hen met Pinksteren met de Heilige Geest
en gaf en de mogelijkheden
om het Evangelie van Jezus Christus te delen
met allerlei mensen en in allerlei talen.
In dit vertrouwen wil ik leven.
Dat God ook nu door Zijn Geest geeft wat nodig is
om het Evangelie van Zijn Zoon te delen.
Zo mogen we te midden van een rouwproces
de Heer dienen met blijdschap.

naar aanleiding van Kolossenzen 4:2-6

Paulus roept de gemeente te Kolosse op om volharden in het gebed.
Hij vraagt ook voorbede voor zichzelf,
of dat God deuren wil openen voor het Woord.
Blijf volhouden met bidden is belangrijk;
al te snel schiet het gebed erbij in.
Leven met de Heer kan echter niet zonder gebed.
En in dat gebed moet er ook ruimte zijn voor dankzegging,
schrijft Paulus,
anders lopen we het gevaar met verlanglijstjes bezig te zijn.
Ook worden we geroepen wijs om te gaan met de mensen om ons heen,
voorzichtig en op het juiste moment met de goede woorden.

Gebed en dankzegging.
Als de dank ontbreekt, mist er iets wezenlijks.
Dank richt zich op God. Op wat Hij schenkt.
Zijn grootste geschenk: Jezus Christus.

Die mensen in Kolosse waren niet zo lang christen.
Net de Alpha cursus afgerond en net gedoopt.
Paulus schrijft een brief. Hij is de gevorderde christen.
Dé apostel.
En toch deze grote Paulus vraagt hulp. We zijn hulpeloze mensen.
Aangewezen op God en op medegelovigen. We zijn aan elkaar gegeven.
Dat vind ik bijzonder aan de christelijke gemeente.
Er is geen hoger of lager.
Als we wel zo naar elkaar kijken, is het helemaal scheef.
Misschien beweeg je je op de voorgrond,
of je schuift achteraan aan. Maar principieel zijn we één.
Eén in de Heer. Allemaal aangewezen op Hem.
Welke plek je in het leven je hebt:
hoe veel geld je ook verdiend, hoe vitaal ook.
Allemaal aangewezen op Christus.

Paulus had dat geleerd.
Ik ben niet meer dan de christenen in Kolosse.
In hoofdstuk 1 dankt hij voor hen. Nu vraagt hij gebed.
Waarvoor? In vers 3 staat: dat God de deur van het Woord opent.
Je kunt ook vertalen:
dat God voor ons de deur voor het Woord opent.
Paulus opent de deur,
maar de deur van hun leven moet ook open gaan.
Dat gebeurt niet automatisch. Dat wist Paulus als geen ander.
Hij vraagt gebed.
Als ik de woorden breng, luisteren ze niet vanzelf.
Ze geven zich niet vanzelf over.
Ik denk dat wij dat dit herkenbaar is.
Als de woorden van God klinken,
als je ze leest, komen die woorden niet automatisch in je hart?                 

Zelfs als je je best doet, kan er van alles mis gaan.
Misschien realiseer je dat je 5 minuten
aan iets anders hebt zitten denken.
Afgeleid worden, weerstand, luisterhouding?
Je kunt naar de kerk gaan en met andere dingen bezig zijn.
Daarom is er gebed nodig, zegt Paulus.
Ook zegt hij nog iets over hoe je kan omgaan
met die mensen die je tegenkomt,
mensen buiten de gemeente.
Vers 5 en 6. Misschien niet zo spectaculair.
Daar staat dat je in wijsheid met elkaar moet omgaan.
Goede moment kiezen.
Woorden spreken die verbinden.
Niet heel spannend, maar daarom niet minder waar!
Buit de geschikte tijd uit.
Paulus gebruikt het beeld van een marktkoopman.
Die weet het moment om naar voren te treden.
Inspelen op de behoeften van de klant.
Het gaat om het goede moment. Soms in wijsheid je mond houden.

Want woorden doen ertoe!
Ze kunnen gemeenschap maar ook verwijdering geven.
Hoe je benaderd wordt, maakt heel veel uit.
Het doet er toe hoe je mailt, appt, praat.
Luisteren, je verdiepen in de ander, nadenken.
Zorgvuldig met onze woorden zijn.
En nee, Paulus leert geen maniertje. Geen stappenplan voor succes.
In Kolossenzen wordt hoog opgegeven van Jezus Christus.
Zijn macht en wijsheid.
Het gaat om het geheim van Christus.
Wij kunnen alleen van betekenis zijn
als we dicht bij Christus leven.
‘Blijf in Mij!’ zegt Hij ‘Zonder Mij kan je niets doen.’

Onlangs hoorde ik van het nieuws dat een onderwijzer uit – ik meen –  Iran een robot in elkaar had geknutseld die de leerlingen van de school moest helpen met bidden. En door die robot moest het voor hen ook leuker worden om te bidden. Voor alle duidelijkheid, het gaat hier om een islamitische leraar en islamitische kinderen. Zoals veel mensen wel weten wordt er in de islam veel geknield gebeden en gaat deze buiging ook, volgens sommigen, samen met bepaalde voorschriften. Dus om het zijn leerlingen duidelijk te maken hoe het een en ander gaat had die meester dus een bidrobot gemaakt.bidrobot

Maar voordat wij christenen nu misschien proestend in lachen uitbarsten, ga eens bij je zelf na hoe vaak en hoe veel je zelf mechanisch, voorgeprogrammeerd bid en hoe het vaak voorkomt dat we ‘snel nog even bidden’ voordat we hurry-up weer doorrennen, op naar de volgende afspraak? Hoe vaak nemen we nog echt tijd voor een goed gesprek met God of zonderen we ons af voor stille tijd met je Vader die graag contact met je wil hebben?

Zijn we soms zelf ook geen ‘christelijke’ bidrobots?

Het nieuwe jaar is al weer een goede week oud. Nog steeds wordt je met reclames bestookt om de overbodige pondjes van de afgelopen feestdagen er af te trainen met een voordelig sportschoolabonnement. Meer bewegen, dat is het devies. Dat zou je natuurlijk ook op andere manieren kunnen doen. Te denken valt aan om in je vrije tijd meer te wandelen en misschien dus ook meer de natuur in te gaan. En wat daar misschien bij hoort is goede kleding en schoeisel. Als je in een sportzaak rondloopt zie je daar ook vaak verschillende soorten goede schoenen. Geschikt voor de wandelsport want goed voorbereid op pad gaan is het halve werk. Zo geldt dat ook voor de reis van je leven, de wandeltocht met jouw Heer.Efeze 6 Pray In de Bijbel wordt die ook wel eens vergeleken met een gevecht. Je moet immers opboksen tegen wat je afhoudt van je eindbestemming. In Efeziërs 6: 13-18 wordt een je een complete kledinglijn aangereikt die je aan moet trekken op die tocht, in die strijd. Geen overbodige adviezen! En bovenal: bid in de Geest, niet gedachteloos, maar bid bezield en levend! Waakzaam voor de gevaren op de weg, want leven met God is ook een strijd.