Matteus 11

naar aanleiding van Matteüs 11,30

Juist in deze tijd van de coronacrisis zijn heel wat mensen vermoeid en gaan ze onder lasten gebukt.
Dat is niet alleen opgekomen door de crisis maar ook daarvoor leefden wij volgens psychiaters vandaag de dag in het Westen met ongezond hoge stresslevels. Niet alleen bij tegenslag of gevaar maar voor veel mensen altijd. We zijn managers van ons eigen geluk en zelfontplooiing en de lat leggen we zo hoog dat we er nooit echt klaar mee zijn. Mensen tussen de 35 en 44 worden door de Economist omschreven als ‘de generatie uitgeput’. Anderen zeggen dat het juist de twintigers zijn van nu die een hoog risico lopen op een burn-out. We hebben een manier van leven ontwikkeld waarin we onszelf en elkaar niet aanzetten tot zelfbeperking. Iemand merkt op: deze wereld lijkt nooit ‘nee’, ‘kan niet’ of ‘mag niet’ te zeggen, maar zij wakkert onze verlangens juist aan.’

En in zo’n stressvolle samenleving zegt Jezus: als je een juk draagt, draag dan het mijne. Het beeld dat Jezus hier gebruikt is goed gekozen. In zijn tijd werd een oudere ervaren os altijd gekoppeld aan een jongere os en samen liepen ze onder één juk. Zodat het ervaren dier het jongere beest kon leren hoe je je energie zo verdeelt, hoe je ritmes ontwikkelt waarmee je het ploegen langere tijd kunt volhouden en ook de hitte van de dag kunt doorstaan. Kijk zegt Jezus, als je onder lasten gebukt gaat en het moe bent om altijd maar te piekeren en te tobben. Als je ergens diep van binnen op zoek bent naar rust, naar een vorm van geloven die meer een lust is dan een last dan bied ik je aan om samen op te trekken. Samen onder één juk op weg te gaan. En rust te vinden.

Wat voor soort rust is dat eigenlijk, waar Jezus over spreekt? Het is niet een permanente feeling good-gevoel. Het is ook niet een stoïcijnse rust waarmee je jezelf afschermt, je afstand bewaart, van alles uitfiltert en je onbewogen leeft. Welnee, we komen juist bij Jezus diepe emoties tegen. Hij kan buikpijn krijgen van ellende, in huilen uitbarsten. Hij kent het bloed, zweet en tranen van geestelijke strijd, hij kent heilige woede, maar ook intense vreugde.
Wat bedoelt Jezus dan als hij zegt dat hij ons juist wil leren wat rust is? De rust die hij zelf leeft en aanbiedt is van een heel eigen soort. Het is de innerlijke rust en stabiliteit van een nieuwe verhouding tot God. Waar het onzekere zwoegen, de angst of het wel genoeg is plaats maakt voor een leven vanuit de goedheid en genade van God.
Jezus verbindt zelf deze rust hier met zachtmoedig zijn en nederig. Dus niet egocentrisch, dominant, veeleisend, streberig, ambitieus. En dit is wat we in Jezus’ levenshouding proeven. Want hij ademt in zijn hele manier van zijn eigenlijk nooit stress uit, of overprikkeldheid of overbelasting. Hij heeft een innerlijke rust van waaruit hij ieder mens en iedere situatie alle aandacht kan geven die nodig is. Vanuit een innerlijke rust leert hij ook om te onderscheiden waar het in zijn leven op aankomt. Juist in de rust, in de stilte ontdekt hij zijn roeping.

Een juk is zacht als het je als gegoten zit, als het je past. Een last is licht als het berekend is op jouw draagkracht. Je je niet vertilt, jezelf niet overvraagt, niet boven je kunnen reikt. Jezus zegt: kom bij mij. Laat mij heer en meester zijn ook over je sabbat. Waar ben jij zo moe van, zo belast? Welke heren en meesters dien jij eigenlijk? Welke druk leg jij jezelf eigenlijk op? Van wie moet jij je eigenlijk zo op je tenen lopen? Hoe en waar is die permanente rusteloosheid deel van je levensstijl geworden? Voor wie doe je wat je doet? Welk juk draag je. Voor God hoeft het er in elk geval niet zo uit te zien. Hij is niet over-kritisch, overvragend, afwijzend, afkeurend, maar mild, vriendelijk, tegemoetkomend, welwillend. Geen reden dus voor gepieker en getob.

Als je vermoeid bent en onder lasten gebukt gaat. Kom dan naar Mij, ik zal je rust geven. Letterlijk staat er in het Grieks: ‘Ik zal je een anapauzoo geven. Dat spreekt mij aan. ‘Ik zal je pauze geven.’ Jezus zegt niet in de eerste plaats: doe dit, doe dat. Maar: kom naar mij. Het juk van Jezus is niet de zoveelste zware last. Het is niet: doe meer. Maar: doe minder. Het juk van Jezus begon niet bij: doe dit voor mij dan hoor je erbij. Maar het begon bij wat Hij deed voor jou. Kom naar mij, ga eens zitten aan de voet van het kruis en wees stil. In het licht van alles wat Hij heeft gedragen, de last van mijn zonde en schuld, van menselijk lijden en nood is dat wat ik mag dragen met recht een lichte last, een zacht juk.

houd vol houd vast

naar aanleiding van Klaagliederen 3

‘Wij leven nog.’ Dat zeggen mensen, die een ernstig ongeluk of een coronabesmetting hebben overleefd.
‘Wij leven nog. God zij dank.’ In zulke woorden klinkt dankbaarheid door. En verwondering.
Het had immers heel anders kunnen aflopen.
‘Wij leven nog.’ Dat kunnen we allemaal zeggen, als we het breder trekken.
De wereld bestaat ook nog. Als je het programma ‘Frontberichten’ op de publieke omroep af en toe ziet, dan weet je dat dit bepaald niet vanzelfsprekend is.

Wij leven nog. ‘Zolang er leven is, is er hoop,’ zeggen we.
Voor gelovige kinderen van God dus altijd, dagelijks.
Want zij hebben een belofte van eeuwig leven door Jezus Christus.
In dit gedeelte van Klaagliederen worden we door de HEER meegenomen naar de fundamenten van ons bestaan. Naar de vaste grond onder ons leven, zelfs als we in nood zijn. Daarbij staat de hoop centraal. Hoe komt het, dat wij nog leven? Hopen op de HEER, dat willen we blijven leren. Want er is ondanks alles reden voor verwondering en dankbaarheid jegens de Heer.

In de eerste hoofdstukken van Klaagliederen wordt het lijden van de bevolking van Jeruzalem uitvoerig beschreven. Het lijden van de gemeenschap.
In hoofdstuk 3 vinden we de worsteling van de gelovige met het lijden.
De dichter van dit derde klaaglied maakt zich tot tolk van die gelovigen in Israël in de nood van de ballingschap. Hij ondervindt lijfelijk hoe de hand van de HEER zich tegen hem keert. Hij zegt:
‘Ik ben de mens die te lijden heeft onder de stok van zijn toorn.
Hij leidt mij en voert mij – in een lichtloos duister.
Tegen mij heft hij zijn hand op, steeds opnieuw, dag na dag.’
Deze dichter is geen journalist, die met camera en microfoon de ellende van anderen
verslaat, zonder lijfelijke betrokkenheid. Ellende zien is voor hem ellende meemaken,
ervaren aan den lijve. Gods hand heeft zich tegen hem gekeerd.
Hoe verschrikkelijk erg dat is, werkt hij uit in de verzen 4-18. Moet je eens lezen en
tot je laten doordringen wat hij van de HEER zegt:
‘Als een beer loert hij op mij, als een leeuw in het verborgene.
Hij dringt me opzij, hij verscheurt me en verwoest mijn leven.
Hij spant zijn boog en kiest mij als doelwit voor zijn pijlen.’
Deze man gaat er bijna onderdoor.Die ervaring, die schreeuwende ellende.
Hij is zijn geluk kwijt, is vergeten wat geluk is.
Hij is zo ongeveer de wanhoop ten prooi.
‘Steeds denk ik: Verdwenen is mijn glans, vervlogen mijn hoop op de HEER.’
Dat is het dieptepunt. De hopeloosheid. Maar het is niet het laatste woord.
Maar er volgt in zijn denken en in zijn lied een omslag in vers 19-21.
Want hij gaat aan de HEER denken en hoe Hij werkelijk is.
Dat de HEER een God is die toornt, maar ook een God van ontferming,
van liefde en van trouw.

En als hij dat weer beseft en zich daarop richt, dan weet hij:
‘Er is hoop!’
Wat doet hem dan hopen op de HEER? Wat wil hij zich te binnen brengen en er hoop
en troost aan ontlenen? Dit:
‘Genadig is de HEER: wij zijn nog in leven! Zijn ontferming kent geen grenzen.’
Wij zijn niet omgekomen, dringt ineens tot hem door. Wij zijn nog in leven. Ik kan zelfs een klaaglied dichten en zingen en de HEER aanspreken en de nood van mij en mijn volk klagen.
Het lijden heeft niet het laatste woord. Juist door je nood te klagen en je lijden te beleven voor het aangezicht van God ontstaat er nieuwe hoop. Vers 21 zegt: Toch geef ik de hoop niet op, want hieraan houd ik vast.
Op de bodem van zijn hart weet de gelovige dat God het goede verlangt voor de mensen (vers 33). Dat is het diepste van zijn wezen. Slechts met tegenzin brengt Hij leed en rampspoed over de mensen. Het is niet naar zijn hart. Naar zijn aard is Gods hart vol vriendelijkheid en goedheid. Het gaat Hem aan het hart als Hij de dingen recht moet zetten door het oordeel.

Deze taal van de hoop staat niet los van de taal van het lijden in het eerste gedeelte. Maar juist het uitspreken van de nood en het lijden en de zonde voor het aangezicht van God brengt tot het inzicht van vers 24: Ik besef: mijn enige bezit is de Heer, al mijn hoop is op Hem gevestigd.
Wij hebben de taal van het klaaglied, in het boek Klaagliederen en in de Psalmen, nodig om door ons lijden heen en via de taal van de klacht terug te kruipen naar onze hoop op God. Wij hebben in de kerk niet alleen een theologie van de gloria nodig maar ook een theologie van de hoop, niet alleen aanbiddingsliederen maar ook klaagliederen.

Soms kan je leven uitzichtloos lijken. Lichtloos duister (vers 2). Je voelt je verstoken van vrede en geluk (17). De glans verdwenen, de hoop op God vervlogen (18). Weet dan één ding: God is niet afwezig in het lijden. Gegronde hoop dus in Christus alleen. Dat stelt niet teleur. Want deze hoop slaat het anker uit omhoog in de vaste bodem van Gods beloften. Daarom zal ik op Hem hopen. Morgen is Gods ontferming weer nieuw, net als gisteren. En overmorgen. Hopen op de HEER heeft dagelijks zin. Voor zijn aangezicht mogen wij onze nood uitspreken. Om daardoor weet moed te vatten en met de dichter van Klaagliederen te zeggen:

Toch geef ik de hoop niet op!

The_Triumph_Of_Christianity_Over_Paganism.Gustave_Doré

naar aanleiding van 2 Timoteüs 2:8

Timoteüs heeft het moeilijk. Want in de gemeente, waarin hij werkt, wordt het kerkelijke leven afgebroken en is er geweldig veel onrust. Veel mensen keren zich af van het evangelie, dat door Paulus verkondigd is.

De taak van Timoteüs is om de dwaalleraars te bestrijden, mensen terecht te wijzen. Hij moet duidelijk positie kiezen en hun zeggen, waar het op staat.
Maar daar heeft Timoteüs het moeilijk mee. Hij is bedeesd, schuchter zelfs. Heel snel is hij uit het veld geslagen als mensen hem uitdagen. Bovendien heeft hij ook een zwakke gezondheid. Dat maakt het er voor hem ook niet gemakkelijker op. Zo worstelt deze kwetsbare ambtsdrager met de taak, die hem opgelegd is.

In deze situatie schrijft Paulus hem deze brief om hem te bemoedigen. Met allerlei beelden uit het dagelijkse leven spoort hij hem aan om vol te houden en om trouw te blijven aan zijn roeping. Een soldaat van Jezus, een dienstknecht van Christus moet zich aan de voorschriften van zijn Zender houden. Een boer zal alleen maar van de vruchten van de oogst kunnen genieten als hij zich ervoor ingespannen heeft. Anders komt er van die oogst niets terecht. Zo geldt dat ook voor een werker in Gods koninkrijk.

Al die aansporingen van Paulus om Timoteüs te bemoedigen, lopen uit op het geweldige houvast; op het allesbeheersende besef: Houd in gedachtenis, dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt.
Met dat ‘houd in gedachtenis’ bedoelt Paulus niet slechts, dat je je herinneren moet, dat Jezus uit de dood is opgestaan. Misschien vieren wij zo Pasen. We hebben stil gestaan bij de herinnering aan Jezus’ opstanding. We hebben het feit, dat Jezus niet in het graf kon blijven nog eens in onze gedachten teruggeroepen. Maar dat bedoelt Paulus niet met het ‘houd in gedachtenis’.
Houd in gedachtenis, dat is meer dan in je herinnering terugroepen. Houd in gedachtenis dat is veel meer dan stil staan bij iets dat in het verleden gebeurd is. Houd in gedachtenis betekent, dat we het voortdurend voor onze geest hebben en dat we het geen moment uit onze gedachten bannen. De Bijbel heeft het over: gedenken. Iets wat je gedenkt, dat vergeet je geen moment en dat verlies je nooit uit het oog. Het beheerst je helemaal en steeds weer laat je je daardoor bepalen.

Dit jaar vieren we het feit dat 75 jaar geleden bevrijd zijn. Daar hoort ook bij dat we de doden herdenken. We staan er bij stil dat mensen hun leven hebben gegeven voor onze vrijheid. Dat gedenken van die doden, dat doet ons iets als het goed is. Dat raakt ons tot diep in ons innerlijk. Dan houden we er ook rekening mee in hoe we met onze vrijheid omgaan. Zo roept Paulus Timoteüs op om Jezus’ opstanding te gedenken. Om het van dag tot dag als uitgangspunt te nemen voor zijn doen en laten.

Jezus is uit de doden opgewekt zegt Paulus. Hij heeft het niet over de dood, maar over de doden. Uit al die generaties doden uit de hele wereldgeschiedenis is Jezus de eerste die opgewekt is. Hij is als Enige uit al die miljarden aan de dood onttrokken. Dat is zo’n geweldig wonder, dat we bij alle moeiten en teleurstellingen en tegenslagen – ook die in het kerkelijke leven – een houvast hebben, waardoor we er tegen kunnen. Pasen is het maar van God. Pasen is leven in plaats van dood.
Pasen is vergeving in plaats van veroordeling. Pasen is vreugde in verdriet.
Pasen ‘doet ons in vrijheid ademhalen en leven voor Gods aangezicht’.

Zo goed is God.

als alles duister is

God, van U is de toekomst, kome wat komt!

Soms hult het leven zich in duisternis.
Dan lijkt het alsof de wereld om ons heen alleen maar zwart en donker is.

We kennen allemaal van die momenten in ons leven:
als een dierbare overlijdt; als iemand iets ergs overkomt;
als vriendschappen uit elkaar vallen;
of als we een hevige teleurstelling moeten verwerken.
Het is dan alsof we in een donkere tunnel rijden,
waaraan geen einde schijnt te komen.
De nacht lijkt niet meer over te gaan in daglicht. Duisternis alom.
Het licht lijkt voorgoed te zijn gedoofd.
‘Maar in het holst van de nacht, begint de nieuwe dag.’ heeft eens iemand gezegd.
Toen wij in het diepste donker zaten, kwam Christus als het verlossende licht.
Toen Hij stierf en in het graf werd gelegd leek alles voorbij.
Zijn volgelingen waren radeloos
Maar in het holst van de nacht, begon ook voor hen de nieuwe dag.
Want bij het ochtendgloren bleek het graf leeg. De steen was weggerold.
Christus was verrezen. Het leven had de dood overwonnen.
Het licht bleek sterker dan de duisternis.

Niet ondanks zijn lijden,
maar juist dankzij het feit dat Christus niet voor het lijden wegliep,
Zijn kruis oppakte, was hij in staat om – zelfs – de dood te overwinnen.
Dát is de boodschap van Pasen.
Wij maken in ons leven allemaal moeilijke momenten mee. Ieder van ons persoonlijk. En wij als geloofsgemeenschap, wij als Gods Volk onderweg.
Die momenten doen pijn. Soms heel veel pijn.
Maar het heeft geen zin om in de duisternis te blijven ronddolen.
‘Zoekt de levende niet bij de doden,’ lezen we bij de evangelist Lucas.
Christus is niet in het graf te vinden, niet in de dood, niet in duisternis.

Als wij het geloof willen vinden,
moeten we door het donker heen op zoek naar het licht.
Letterlijk op zoek naar lichtpuntjes in ons leven.
Ooit is het in ons hart ontstoken. Soms lijkt het gedoofd. Geblust.
Maar als wij geloven in Christus, als wij geloven in Zijn kracht,
dan kan dat licht weer oplaaien. Dan kunnen we de duisternis overwinnen.
Dan kunnen we lijden en verdriet achter ons laten.
Het is niet gemakkelijk. Het gaat niet vanzelf. Maar het kan wel.
Want wij hoeven het niet alleen te doen. God zal óns nooit verlaten!
Pasen vertelt ons over Jezus die is opgestaan.
Pasen vertelt ook over vrouwen die zijn opgestaan.
De mannen leggen zich er – zo blijkt het – bij neer dat Jezus gestorven is.
De vrouwen niet, zo hoorden we in het evangelie.
Eerst dus zijn het vrouwen die zijn opgestaan. Pas daarna zijn anderen opgestaan.
Pasen vraagt ook dat wij opstaan.
Pasen vraagt dat wij opstaan tegen al wat mensen kwaad doet en onnodig verdriet. Pasen vraagt dat wij opstaan uit de verlammende idee
dat geloven uit de tijd is en dat samen kerk-zijn voorbij is.
Pasen vraagt dat we opstaan en fier en trots zingen
over licht dat ons aanstoot in de morgen.
Geloof in opstanding en geloof dat je ook zelf tot die opstanding kunt komen.
Ga ermee aan de slag om in veel situaties nu vandaag al op te staan.
Het is waar! In het holst van de nacht begint de nieuwe dag.
Pasen: Het feest vieren van de Opstanding uit alle ellende.
Hij zegt ons aan dat en nieuwe wereld kan!
Gods verbond schept nieuwe verbanden
Roept ons tot leven.
God, van U is de toekomst, kome wat komt!

‘In het holst van de nacht, begint de nieuwe dag.’
Laten wij reikhalzend uitzien naar het nieuwe licht, het Licht van Christus.

Screenshot_20200409-204310

Naar aanleiding van Matteüs 20:17-28

Ik ga lijden en sterven, zegt Jezus Christus. Lijden, dat doen we allemaal. Dat is een ervaringsgegeven: voor niemand van ons loopt het leven altijd op rolletjes. Soms hele perioden wel, maar dan plotseling kan er sprake zijn van ziekte, van crisis. Zoals nu, de coronacrisis. En sterven, tja, sterven doen we ook allemaal. Een leven zonder lijden en dood bestaat dus niet.

De vraag is dan: hoe ga je met dat feit om? De leerlingen van Jezus, zeker hier in dit verhaal Jakobus en Johannes, zien het lijden als een nare bijkomstigheid, waar ze zo snel mogelijk doorheen willen om te gaan regeren samen met Jezus over een nieuwe wereld. Ze schakelen hun moeder in om alvast hun plekken te reserveren. Regeren is vooruitzien. Herkenbaar: we zijn liever gelukkig, welvarend en gezond, en als dat even niet zo is, proberen we hard er zo snel mogelijk uit te komen. Intelligente lockdown om zo snel mogelijk weer terug naar normaal te gaan. We proberen lijden te minimaliseren.

Je zou dat ons instinct kunnen noemen, onze natuurlijke neiging om te overleven. Zo gaat het om je heen in de wereld. Zo wijst Jezus naar de koningen en mensen met macht. De struggle for life en survival of the fittest bepalen niet alleen het dierenrijk, maar ook de menselijke samenleving. Maar is dat het beste waar wij toe in staat zijn? Of is er een betere manier, een menselijkere manier?

Jezus wijst zijn leerlingen de weg van het ‘dienen’, het bewust kiezen voor de minst aantrekkelijke route, de route van lijden. Zo kiest Jezus ook zijn eigen weg naar Jeruzalem, waarvan hij blijkbaar al voorvoelt dat het zijn leven gaat kosten, dat hij gaat eindigen aan een kruis.
Het is opvallend dat Jezus zélf deze weg wil gaan, maar die niet oplegt aan zijn volgelingen. Hij probeert Jakobus en Johannes er eerst bijna vanaf te houden. ‘Jullie weten niet wat je vraagt! Ik – zegt Jezus – zal zwaar moeten lijden. Kunnen jullie dat soms ook?’ Zelf gaat Jezus deze weg naar zijn kruisiging en dood willens en wetens, omdat Hij gelooft dat hierdoor de wereld gered zal worden. Maar Hij verwacht niet automatisch van ons dat ook wij die diepe weg willen en kunnen gaan. Je kunt nooit van een ander verwachten, laat staan iemand verplichten, dat hij voor jou gaat lijden. Als dienen immers verplicht wordt, dan wordt het slavenwerk. Waarom zou je die route dan gaan? Het gaat om vrijwillige dienstbaarheid, van binnen uit. Dat heeft het een waarde die bevrijdend is. Zo doet Jezus het zelf en zo wordt de wereld gered. Jezus ís gekomen, om ons te dienen! Niet om ons op onze wenken te bedienen, dat niet. Maar om ons te dienen met wat we werkelijk nodig hebben. Met vergeving en bevrijding. Vergeving van al ons zoeken de eerste te zijn, en vernieuwing tot een andere leefrichting, die van Hem! Want als dit mogelijk is, dan is alles mogelijk!

De uitdaging van Jezus is om het lijden in je leven niet als nare bijkomstigheid te zien, maar als kans om werkelijk mens te zijn voor anderen. Zoek niet naar een antwoord op het lijden, maar wees zelf een antwoord op het lijden.
Veel belangrijker dan bezig te zijn de vraag waarom er zoveel ellende is, is dat je er zelf wat aan probeert te doen. Nadat Jezus zijn discipelen geroepen had, om achter Hem aan te gaan, stuurde Hij ze op pad de wereld in. Hij riep ze niet alleen om Zijn liefde te ontvangen, maar ook om die door te geven, in woord en daad, daar waar nood is. Je kunt dat nooit een ander opleggen, maar wel zelf beleven. Ik hoorde van iemand die een familielid had dat opgenomen was op de intensive care met het coronavirus. Als overige familieleden had je alleen elkaar. Achteraf gezien – zo hoorde ik het – waren dat toch niet de slechtste momenten geweest: het samen zijn, het elkaar steunen, voor elkaar bidden, het maakt dat je intens beleeft hoeveel je van elkaar houdt, hoezeer je elkaar nodig hebt, en hoeveel kracht en moed je op dat soort momenten ook ontvangt om vol te houden. Natuurlijk was het vreselijk, maar het was ook ongelooflijk waardevol. Dat mag je beleven als iets heiligs, als iets van God.

voetwassing

Je zou het bijna vergeten, maar we zitten midden in de Lijdensweek, ook wel Stille of Goede Week genoemd. We bereiden ons voor het herdenken van dood en opstanding van onze Heiland Jezus Christus. Daarom de komende dagen een aantal meditaties in de traditie van de drie dagen voor Pasen en één op Paaszondag. Daarna kunnen we ons met de meditaties weer richten op de tijden van corona.

Op Witte Donderdag kijken we naar het ‘sacrament’ van de voetwassing.
Een belangrijk aspect dat zich vertaalt zich in een dienende en gastvrije kerk.
Waarom sacrament. Omdat dat een gewijde handeling is (dat is de definitie van het woord) die juist in de voetwassing als dienst aan elkaar een voorbeeld geeft voor ons handelen.

In de oude tijden, moesten de Joden voordat ze aan tafel gingen voor de Paasmaaltijd
de handen en voeten gewassen.
Deze onbedekte ledematen zaten na de wandeling door de straten van een land
met een heet en droog klimaat onder het stof. Vandaar.
Het wassen van de voeten was het werk van de minste slaaf.
Het was zulk laag werk,
dat een Joodse slaaf niet eens verplicht werd neer te knielen bij een volksgenoot.
Als dus Jezus zijn bovenkleed aflegt, een linnen doek om slaat,
water in de waskom giet, de voeten van zijn leerlingen wast en afdroogt met de doek, die hij omgeslagen had, gaat hij diep, diep door het stof.
En Hij zegt erbij ‘Ik heb een voorbeeld gegeven,
wat ik voor jullie heb gedaan, moeten jullie ook doen.’
Zo verklaart Jezus aan zijn volgelingen het waarom van deze verrassende daad.
Dat is en blijft een lastige voor ons.
Bukken, buigen voor de ander, zit niet in ons bloed. Jezus, wat doe je ons aan?

De kerk als gastvrije gemeenschap is de praktisch invulling van de voetwassing.
Dat betekent allereerst dat de gemeenteleden zich openstellen voor gasten,
voor vreemdelingen, voor niet-leden. Dat kost inspanning.
Vreemdelingen kunnen als bedreigend ervaren worden
voor onze vanzelfsprekendheden,
voor onze rust en gehechtheid aan het oude vertrouwde.
Een écht gastvrije gemeente probeert die angst de overwinnen,
stelt zich open op alle terreinen van het kerkenwerk en verwijdert barrières,
die gasten, anderen, vreemdelingen belemmeren om mee te doen in de dienst,
in de gemeenschap en in de omgang met God.
De gast krijgt geen plaatsje aan de rand, maar in het centrum.
Wordt opgenomen in, verbonden met de anderen.
Op basis van wederzijds vertrouwen stellen zich open voor elkaar.
Wij mogen elkaar ontmoeten en gasten zijn in het levensverhaal van elkaar.
Met soms gedeelde vragen. Gedeelde zorgen. Gedeelde vreugden.
Bij elkaar te gast gebeurt in het tweegesprek op huisbezoek.
Bij elkaar te gast gebeurt in het gesprek in kleine groepen.
Het sacrament van de voetwassing wijst ons dus op drie aspecten van een kerk
een kerk met dienende gastvrijheid hoog in het vaandel:
1) openheid naar de ander, naar vreemdelingen, 2) bij elkaar te gast zijn
en 3) gast zijn van Jezus Christus, verbonden zijn.

Gonzalo_Carrasco_-_Job_on_the_Dunghill_-_Google_Art_Project

de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer zij geprezen.

(Job 1,21b)

Job is de rijkste bewoner van de aarde. Maar van de ene op de andere dag zit Job aan de grond.
En dán komt die uitspraak:
‘de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer zij geprezen.’
Stel het je even voor.
Je bedrijf gaat failliet – net als dat van Job. Je gaat door een huwelijkscrisis – net als Job:
Jobs vrouw is hem niet bepaald tot grote steun. Je moet je kinderen begraven – net als Job.
Je hebt de hele dag een niet te negeren pijn – net als Job.
En vul de tegenspoed uit jouw leven maar in.
Wat zeg je dan?
‘De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer zij geprezen’?!
Hoe kun je de naam van de Heer prijzen, als je zo diep in de put zit?
Dat kan een vlucht zijn:
de grote boze wereld is tegen jou, maar gelukkig kun je altijd nog bij God terecht.
Maar Job zegt niet: ‘de Heer heeft gegeven, de bliksem, de Chaldeeën, de storm hebben genomen,
de naam van de Heer zij geprezen.’
Nee: ‘de Heer heeft genomen.’ Job houdt God verantwoordelijk.
En tóch prijst hij zijn naam.
Of beter: zegent hij de naam van de Heer. Tot grote verbijstering van Satan die toekijkt.
Maar Job doet het doet het écht: hij zegent de Heer.
Satan heeft het nakijken.
Job zegent de naam van de Heer. Hij prijst zijn God.
Maar zegenen is meer: het is uitspreken dat je wilt dat iedereen goed over God praat,
dat met dankbaarheid, verwondering en ontzag over hem gesproken wordt.
Job wil niet dat als mensen het verhaal van zijn leed horen negatief over God gaan praten:
‘wat is dat voor God die zijn dienaar zo laat zitten?’
Nee, God moet gezegend worden! Hoe Job dat kan zeggen?
Omdat Jobs geloof niet draait om wat God geeft of neemt. Het gaat Job om God zelf!
Job is geen aanhanger van het welvaartsevangelie, dat je gouden bergen belooft als je maar gelooft.
Hij is niet iemand die het wel zonder God afkan maar als het noodlot toeslaat opeens gaat bidden.
Er zijn duistere machten aan het werk in deze wereld, kwaad dat niet discrimineert.
Ziektes, waar topsporters even veel kans op hebben als ‘gewone’ mensen.
Jobs gelooft, daar verandert zijn situatie niets aan.
Voor Job is God gewoon alles. Degene die geeft én die neemt.
Ik zeg daarbij dat de woorden van Job in 1,21 niet zijn laatste woorden
zijn. Bepaald niet. Er volgen nog 41 hoofdstukken.
Maar het is wel het begin van een gevecht met God. De God die hij kent, maar niet begrijpt.
Job had een ander soort relatie met God dan wij vaak hebben.
Job had een relatie waarin het niet ging om de spullen. Of de familie. Of de goede gezondheid. Maar om God zelf. Een relatie van aanbidding. In goede, en in slechte tijden.
Job dankt God niet voor alle tegenspoed.
Maar dankbaarheid blijft wel de grondtoon van zijn leven.
Wie is God voor ons? Is hij er alleen in de zegen. Of is Hij er in alles?
Ook als je even geen antwoord hebt? En als je cynisch dreigt af te haken:
mag God ook daardoor breken? En jouw God blijven?

kruisduif

Voor veel christenen valt de komst van het coronavirus met haar beperkingen – zoals geen school, geen culturele evenementen, geen Mattheüspassion, social distancing – samen met de Veertigdagentijd.
De Veertigdagentijd staat bij hen in het teken van vasten op enigerlei wijze, om zich beter te kunnen opmaken en te concentreren op het aankomende Paasfeest. Maar de beperkingen die men zich normaliter zou opleggen in het kader van de Veertigdagentijd vallen in het niet bij de beperkingen vanwege het coronavirus.
We kunnen elkaar in deze tijd niet fysiek ontmoeten en deze ‘vastentijd’ heeft geen vastgesteld einde.

Wat deze ‘vastentijd’ in ieder geval kan doen is overdenken of we dit virus moeten of kunnen verklaren.
Want ik merk bij mezelf en om me heen dat de – rationalistische – drang om deze ‘coronacrisis’ te duiden, te verklaren, erg groot is.
Maar stel stel je het eens voor dat het niet verklaard kan worden?
Stel dat je moet toegeven dat je niet alles wat er gebeurd in het leven niet kunt verklaren, dat niet alles een verklaarbare reden heeft?
Kunnen we ons als christenen dan niet beter beperken tot alleen klagen ald de waaromvraag niet beantwoord kan worden? Dat klagen is dan breder dan de corona pandemie zoals die zich voltrekt, soms dicht bij onze voordeur. Dit klagen heeft ook oog voor andere wereldwijde rampen zoals bijvoorbeeld de vluchtelingen- of klimaatcrisis.
Ligt dus de roeping van een christen in deze tijd is juist om niet te verklaren, maar om te klagen?
Klagen zou bijvoorbeeld kunnen verbinden met de psalmen. Juist in het boek van de psalmen komen we talloze klaagliederen tegen. Ik verwijs hier naar bijvoorbeeld psalm 6, 10, 13 of psalm 22.
‘Heb erbarmen, HEER, want ik kwijn weg.
Genees mij, HEER, ik ben doodsbang, ik vrees voor mijn leven.
Hoe lang, HEER, moet ik nog wachten?’(psalm 6)
‘Waarom, HEER, bent u zo ver en verbergt u zich in tijden van nood?’(psalm 10)

Maar er zijn meer psalmen dan alleen de zogenaamde ‘klaagpsalmen’.
Wanneer ik een psalm als psalm 13 lees, dan komt het geklaag en de pijn recht op mij af.
David ervaart Gods nabijheid niet en hij weet het niet. Maar hij spreekt van klagen ook nog een totaal andere taal.
Kijk naar het laatste vers: ‘Ik vertrouw op uw liefde. Mijn hart zal juichen omdat u redding brengt, ik zal zingen voor de HEER, hij heeft mij geholpen.’
Het geklaag wordt naar de achtergrond verdrongen. Niet omdat David ineens God ervaart en het allemaal weet en kan verklaren. Er is niets veranderd in zijn situatie. Maar wat er plaats vindt, is dat zijn gevoel en zijn verstand het veld moeten ruimen voor geloof en vertrouwen. Zoals God er geweest is, zo zal Hij er zijn. ook al zie, voel en begrijp ik er niets van.
Zo’n zelfde vertrouwen komen we ook tegen bij de kruisiging van Jezus.
Hij citeert psalm 22. Jezus klaagt. Maar zijn laatste kruiswoord is:
‘Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest’.
Hier is het klagen verdwenen en verdreven door geloof en vertrouwen.
Jezus weet, dat Zijn Vader er voor Hem is.

Alle reden dus niet alles te willen verklaren,
maar ook om je niet alleen te verliezen in het klagen.
Nee, ik weet het niet, maar ik weet wel dat God nabij is.
Ik kan mijn leven in Zijn handen leggen.
Daar mag ik op vertrouwen. Helemaal in het licht van de opstanding van Jezus.
Op Paasmorgen liet God zien, dat Hij er is.
Dat is voor mij het allerbelangrijkste in deze tijd.
Ik kan niet duiden maar ik wil niet alleen klagen.
Dankbaar stel ik het vertrouwen op de Heer, mijn God.
Zo lees ik ook de psalmen en laat ik ook het Nieuwe Testament meeklinken.
Er mag geloofsvertrouwen zijn. Jezus leeft en ik met Hem.
Een bemoedigende en troostvolle gedachte.

kruis lucht

Romeinen 8 (met name 31-37)

Het is een prachtige tekst die we vanuit de brief aan de Romeinen krijgen aangereikt.
Een loflied op de liefde van God. en loflied dat begint met deze woorden:
‘Wat zullen wij dan van deze dingen zeggen? Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn?’
Paulus, die deze woorden schrijft aan de gemeente in Rome, staat met beide benen op de grond.
Hij heeft het gezien, hoe mensen die in Jezus geloven soms moeten lijden en moeten strijden.
En hoe hou je dan stand in je geloof? Hoe hou je het vol om te blijven geloven?
Want je kunt soms – ook als christen, ook als iemand die gelooft in Jezus Christus,
dat gevoel dat je er helemaal alleen voor staat. Dat benauwende gevoel hebben:  God is tegen mij!
Maar Paulus zegt het met kracht: ‘God is niet tégen je, God is vóór je!’
Je mag het geloven. God is vóór je. En waar zou je dan nog bang voor zijn?
‘Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn?
Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven
heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken?’
Aan een kruis op Golgotha. Daar brengt God zélf het offer van de verzoening.
Het liefste, het kostbaarste dat Hij kon geven. God houdt van ons.
En Hij laat ons dat zien aan het kruis van Golgotha en in het geopende graf van Pasen.
Verzoening door voldoening. Opstanding uit de doden.
‘Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte,
die ter rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit.’

Paulus ziet een wereld bezeten door machten en krachten.
Hij worstelt zelf net als anderen met tegenslagen, ellende, vervolging,
honger, armoede, gevaar, geweld.
En toch komt hij tot die ene krachtige uitspraak in vers 37:
Wij zegevieren in dit alles glansrijk dankzij hem die ons heeft liefgehad.
Heel precies staat er: In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem die ons heeft liefgehad. In dit alles zegt Paulus: niet er na.
Midden in dit onzekere bestaan met alles wat er zich in voordoet gaan we niet ten onder,
zullen we toch de eindstreep halen. En niet maar ternauwernood, op het nippertje.
Maar ruimschoots, glansrijk, met vlag en wimpel.
Dat is geen misplaatste zelfoverschatting. Dat is geen wereldvreemd halleluja-christendom.
Het is de taal van een gelovig man.
Die heeft geleerd om verder te kijken. Die ook meer ziet en hoort dan een wereld in pijn en nood. Het is de taal van een mens die zijn identiteit vindt in Christus. In Christus Victor om precies te zijn. Dat is:Christus de overwinnaar. Hij heeft de beslissende slag geleverd op Golgotha.
Hij heeft glansrijk overwonnen en is op Pasen glorieus verrezen.
In dit alles, zijn we meer dan overwinnaars, door Hem die ons heeft liefgehad.
En niets kan ons daar nog van scheiden.

‘(Want) Ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd
in geen verhouding staat tot de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard.’
Dat wil alweer niet zeggen dat het gemakkelijk is om het vol te houden. Maar tegelijk heel hoopvol.
En in ons lijden zijn we niet alleen.
Jezus zelf riep ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?’
Maar daar eindigde zijn leven niet. Hij stond op uit de dood. Dat geeft hoop.

jesaja-53-4

Sommige berichten zijn moeilijk om te geloven.
Toen ik in januari filmpjes zag van inwoners van de Chinese stad Wuhan,
die werkten in ruimtes die helemaal in plastic waren ingepakt,
kon ik niet geloven dat we later zelf met quarantaine te maken zouden krijgen.
Ook het RIVM kon dat nog niet geloven.
Eind januari las ik nog een bericht, waarin gemeld werd dat het virus niet besmettelijk was.
Ook deskundigen dachten dat het hier niet zo’n vaart zou gaan lopen.

Jesaja 53 begint ook met een bericht dat niet werd geloofd:
Wie heeft onze prediking geloofd?
Het antwoord is: er is niemand die destijds geloofde wat er werd gezegd.
Al werd het door een profeet aangekondigd als Gods eigen woord,
niemand hechtte er geloof aan,
niemand kon zich voorstellen dat die boodschap waar zou zijn.
Wat de profeet hier verwoordt is een belijdenis die hij namens het volk uitspreekt
en hij sluit zichzelf erbij in:
Ook al hebben wij van tevoren horen zeggen dat we God aan het werk konden gaan zien,
we hebben het niet gezien, we hebben het niet willen zien.

In deze dagen van crisis zien we hoe belangrijk het is
als een regeringsleider uitstraalt dat hij weet wat er gedaan moet worden in crisistijd,
dat hij verstand van zaken heeft, met kracht leiding kan geven,
het vertrouwen kan geven dat hij weet wat hij doet en dat het daardoor goed komt.
Maar voor de Messias die gekomen is, was het tegendeel het geval:
geen krachtige leider, die je als volk kon meenemen de crisis uit,
Die voorop ging met maatregelen nemen, die je ook opvolgde
omdat je wist dat je deze leider kon vertrouwen – dat straalde hij uit.
Maar nee, zo was deze Messias niet.
Geen leider, geen koning die leiding gaf en maatregelen afkondigde,
bij wie je wist dat het goed zou komen,
maar eerder een patiënt, die ziek geworden is, lijdend,
zoals een coronapatiënt ernstig ziek het ziekenhuis werd binnengedragen,
in eenzaamheid, zoals dat in Italië gebeurt,
Waar de mensen alleen worden binnengedragen in het ziekenhuis,
zonder familie, omdat ze bang zijn zelf ook ernstig ziek te worden.
een Man van smarten, bekend met ziekten.
Dat was niet de Messias waar ze op hadden gewacht.
Dat was niet de redder, die hen uit deze crisis kon redden en in veiligheid kon brengen.
In zo iemand kun je Gods werk toch niet zien.

Dat de mensen niet konden geloven, dat die lijdende Man de Messias was,
was niet omdat ze niet geloofden in Gods macht.
Ze geloofden in God, ze klampten zich vast aan Hem, juist in deze onzekere tijd,
maar ze konden zich niet voorstellen dat God zich op deze manier liet zien.
Zo in zo’n kwetsbare gestalte:
Had iemand Gods arm, die krachtig is om te redden, in deze Man gezien?
Dat verwachtte je toch niet? God werkt toch krachtdadig?
Voor niemand was het duidelijk dat juist Hij de Messias is die door God gezonden werd.
De eerste christenen hebben in deze Messias,
die te kwetsbaar zou zijn om Gods Knecht te zijn, Jezus herkend
en begrepen dat dit over Hem ging, hun Heer die aan het kruis ging,
en een weg van lijden ging, van Gethsemané waar Hij worstelde, streed, leed,
tot Hij aan het kruis Zijn einde vond en stierf.
Op dat moment keek je liever een andere kant op, omdat je het niet kunt aanzien,
zoals je nu niet teveel verhalen moet horen, van het enorme drama wat zich aan voltrekken is,
of niet te veel verhalen uit vluchtelingenkampen, omdat je er toch niets aan kunt doen,
zo was dat verhaal van die Jezus aan het kruis iets dat je niet kon aanzien,
Waar je voor weg moest lopen, het was te pijnlijk – je zag er zo weinig van God in.

Maar Hij werd door God verlaten, opdat wij nooit meer door God verlaten zouden worden.
Ook niet als wij getroffen worden door een virus, of als elders het virus slachtoffers maakt.
Bekend met ziekte, zegt Jesaja 53, op zich genomen, gedragen,
dat betekent dat God zich ermee inlaat,
zich in risicogebied begeeft en zich niet in quarantaine begeeft om pas op te duiken
als alles voorbij is en de quarantaine is opgegeven omdat het gevaar voorbij is.
Nee, dat Christus de ziekten draagt, zoals hier voorspeld en in Mattheüs vervuld,
laat zien dat God komt, ook waar de ziekten van deze wereld zijn,
of het nu het coronavirus is of in de vluchtelingenkampen op Lesbos,
of het nu de ebola of malaria is, die in Afrika zoveel slachtoffers kan eisen.
Heeft God ons dan in de steek gelaten? In de crisis, in de diepte?
Bij de onzekerheid of we er ooit nog uit zullen komen en of er nog een leven is.
De Man van Smarten, die ook onze smarten droeg.
Maar daar in dat lijden is Hij niet zomaar, niet alleen maar solidair – dat ook!
Maar ook om het te dragen en weg te dragen, zoals Hij dat kruis wegdroeg buiten de stad.
Dan is het een lofzang, al begrijp je wellicht Gods wegen nog niet
en toch een lofzang, omdat je in je ziekzijn, in je lijden niet alleen bent, maar Hij er is
en Hij draagt, jou, u draagt en ook jouw ziekten draagt:
Onze ziekten heeft Hij op Zich genomen en ons leed heeft Hij gedragen.