Still uit de film Bonhoeffer. Pastor. Spy. Assassin.

 

Dietrich Bonhoeffer heeft zijn 40ste verjaardag nooit gehaald.

Hij werd ter dood veroordeeld in een schijnproces
in het concentratiekamp Flossenbürg.
Hij werd naakt, naar de galg geleid en in april 1945
op direct bevel van Adolf Hitler geëxecuteerd;
officieel wegens verraad.

Sindsdien zijn Bonhoeffers leven en gedachten
onderhevig geweest aan projecten en wensvervulling.
Bonhoeffer is geseculariseerd, geliberaliseerd,
geradicaliseerd en gepopulariseerd
door mensen uit het hele religieuze en politieke spectrum,
op manieren die slechts een oppervlakkige zorg
voor historische feiten en weinig (of geen) begrip
van zijn literaire nalatenschap laten zien.
Onlangs en opmerkelijk genoeg, in feite weerzinwekkend,
is Bonhoeffers naam zelfs gebruikt door de Amerikaanse rechtse Heritage Foundation
om het zogenaamde ‘open-grenzenactivisme’ en ‘milieu-extremisme’
van Amerikaanse links te veroordelen in hun Project 2025,
een verlanglijst voor het presidentschap van Donald Trump.

Het was dan ook met gemengde gevoelens
dat ik de nieuwe film Bonhoeffer: Pastor. Spy. Assassin ben gaan kijken.

Uitgebracht door het christelijke productiebedrijf Angel Studios
heeft de film de volgende trailer:

‘Terwijl de wereld op de rand van vernietiging balanceert,
wordt Dietrich Bonhoeffer meegesleurd
in het epicentrum van een dodelijk complot
om Hitler te vermoorden.
Met zijn geloof en lot op het spel,
moet Bonhoeffer kiezen tussen
het hooghouden van zijn morele overtuigingen
of alles op het spel zetten
om miljoenen Joden te redden van genocide.
Zal zijn verschuiving van het prediken van vrede
naar het beramen van moord
de loop van de geschiedenis veranderen of hem alles kosten?’

De bijbehorende afbeelding toont
de pacifisme predikende Bonhoeffer met een pistool in zijn hand.

Zoals elke biopic voor het grote scherm,
mengt de film Bonhoeffer
feiten en fictie met een flinke scheut artistieke en filmische vrijheid.
Deze vrijheid is natuurlijk noodzakelijk voor de kunst
van het scenarioschrijven:
tijd moet worden gecomprimeerd;
biografie moet worden verlevendigd;
karakters van mensen moeten worden gedemonstreerd;
want uiteindelijk moet de film worden bekeken.

Het lijdt geen twijfel dat Bonhoeffer tijd doorbracht
aan het Union Theological Seminary in New York
en dat hij daar klaagde over de staat van de Amerikaanse theologie;
dat hij actief deelnam aan de Abyssinian Baptist Church in Harlem
en goede vrienden werd met een Afro-Amerikaanse student genaamd Frank Fisher.

Maar leren jazzpiano spelen in een nachtclub in Harlem?
Met de kolf van een geweer worden geslagen door een racistische hoteleigenaar?
En een vurig voorvechter worden van Afro-Amerikaanse burgerrechten?
En de fictieve Harlem-preek
bevat ook een verwijzing naar de executie
van 33.000 Joden nabij Kiyv – het bloedbad van Babi Yar,
dat pas in september 1941 plaatsvond.
Bonhoeffers verblijf in Harlem
stond inderdaad centraal in zijn denken,
met name over kwesties die verband hielden met ras.
Toch bagatelliseert de vermenging
van gebeurtenissen die plaatsvonden
rond het hoogtepunt van de genocide
(de meeste Joden die tijdens de Holocaust
werden vermoord, stierven in 1942 en 1943)
met gebeurtenissen en geschriften uit de zomer voor de oorlog
de ontwikkeling van Bonhoeffers theologie;
zoveel van zijn denken was een nauwgezette maar directe reactie
op wat hij met eigen ogen zag.

Er bestaat ook geen twijfel over dat toen Hitler aan de macht kwam,
dat Bonhoeffer zich uitsprak tegen de gevaren
die inherent waren aan het Führer-concept
en dat hij in de jaren dertig onverzettelijk kritiek uitte
op het nazisme en de nationaalsocialistische ideologie.

In de film krijgt hij de volgende woorden in de mond gelegd:
‘Ik kan niet blijven doen alsof bidden en onderwijzen genoeg is.’
‘Vuile handen … Dat is alles wat ik te bieden heb.’
Of, als antwoord op de vraag
van zijn vriend en student Eberhard Bethge,
of Hitler de eerste kwaadaardige leider
is sinds de Schrift werd geschreven:
‘Nee. Maar hij is de eerste die ik kan stoppen.’

Waren dit ooit zijn woorden?

Nee, niemand zal ook betwisten dat Bonhoeffer
een ondergronds seminarie leidde in Finkenwalde
om toekomstige predikanten
van de Bekennende Kirche in Duitsland op te leiden;
of dat hij zei:
‘Elke roep van Christus leidt tot de dood’.
Maar de film verdraait ook enkele belangrijke aspecten
van de bredere historische context.
Cruciaal is dat Hitler en de nazipartijleiding,
net als – foutief – in Eric Metaxas’ Bonhoeffer-biografie,
worden afgeschilderd als degenen
die de Deutsche Evangelische Kirche
(Duitse Protestantse Kerk, DEK)
overnemen en die hun greep daarop
blijkbaar nooit opgeven, waarmee ze een Reichskirche creëren.
Ondertussen bestrijdt de Bekennende Kirche
– hier geleid door Bonhoeffer en Niemöller –
moedig de nazi’s,
met name hun anti-joodse beleid en acties,
waaronder de Holocaust.
Dit misleidende verhaal suggereert
dat er twee kanten aan de Kerkstrijd waren:
de (ogenschijnlijk onverschrokken) Bekennende Kirche en de Reichskirche,
die in de film het restant van de DEK vertegenwoordigt,
die zogenaamd door Hitlers ‘brute nationalisme’ was ingelijfd.

Deze versie van de kerkstrijd
versmelt de Rijkskerk,
de aanzienlijke minderheidsfractie van de DEK,
de Duitse christenen,
die gretig vele aspecten van het nazisme omarmden
en ‘gedejudaïseerde’ Bijbels
en gezangboeken creëerden en gebruikten.
Toch laat ze de meerderheid
van de Duitse protestanten volledig buiten beschouwing,
die ervoor kozen zich niet aan te sluiten
bij de Duitse christenen of de Bekennende Kirche.
Ze verzwijgt ook het feit dat Hitler
uiteindelijk het idee van een Rijkskerk opgaf.

Maar wat wel betwistbaar is, is dat (zoals de film suggereert)
Finkenwalde een veilige haven was
van waaruit een complot om Hitler te vermoorden werd gelanceerd,
en dat Bonhoeffers meest memorabele aforisme
van christelijk discipelschap
bedoeld was om te worden samengevoegd, zoals in de film gebeurd,
met beelden van een samenzweerder die een zelfmoordbom voorbereidde.

En Bonhoeffer sloot zich zeker aan bij de Duitse militaire inlichtingendienst
en fungeerde als een soort dubbelagent.
Hij gaf zeker informatie over de samenzwering
door aan internationale kerkleiders
tijdens zijn reizen buiten Duitsland.
Hij wist zeker van zowel ‘Unternehmen Sieben’
(een plan om een kleine groep Joden en Joodse christenen
uit Duitsland te smokkelen naar veiligheid in Zwitserland),
als het geplande complot om Hitler te vermoorden.

Maar om, zoals de film ook doet, te suggereren
dat Bonhoeffer centraal stond in deze plannen
en er persoonlijk bij betrokken was,
of dat hij via bisschop George Bell aan Winston Churchill vroeg
om te lobbyen voor het leveren van een bom
die de samenzweerders konden gebruiken om Hitler te doden,
is niets meer dan een zeer omstreden en zelfs samenzweringstheorie.
Andere scènes zijn – onbedoeld –
onnauwkeurig of ‘metaforisch’.
Wanneer Martin Niemöller
het (inmiddels beroemde) gedicht
‘Als die Nazis die Kommunisten holten..’
voordraagt, doet hij dat met een donderende preek
op profetische wijze,
alsof hij die beroemde woorden al uitsprak
voordat de nazi’s ‘hem kwamen halen’.
In de film wordt de preek blijkbaar in 1944 gehouden,
hoewel Martin Niemöller in 1937 werd gearresteerd
en in 1944 in Dachau zou zijn geweest
(de Niemöller in de film verklaart
tijdens de preek dat hij ‘dertien jaar’
hun predikant was geweest;
Niemöller werd in 1931 predikant in Berlijn-Dahlem).
Wat bekend zou worden als Niemöllers ‘bekentenis’
werd pas na de oorlog uitgesproken,
dus na zijn zeven jaar durende opsluiting
in eerst een Berlijnse gevangenis,
vervolgens Sachsenhausen
en uiteindelijk Dachau.

Zeker, Bonhoeffers leven en gedachtegoed zijn duidelijk boeiend,
maar het is ook complex.

Bonhoeffer liet een reeks boeken, essays, preken,
onafgemaakte manuscripten, werknotities en brieven na,
die allemaal notoir moeilijk te interpreteren zijn.
Bonhoeffer walst over deze moeilijkheid en complexiteit heen
en trivialiseert daarmee de erfenis
van een hedendaagse, gemartelde christelijke heilige.
De film vertelt ook gedeeltelijk een onwaar verhaal:
het verhaal van een man die voorbestemd is,
ja vastbesloten, om een leven van gebed, onderricht en diplomatie te verloochenen
om een potentiële huurmoordenaar te worden
en zich koste wat kost bezig te houden
met gewelddadige politieke spionage en activisme.

Dit alles is (heel) ver verwijderd van de man die in 1930
Amerikaanse christenen aanspoorde
om te onthouden dat ze broeders en zusters hebben
‘in elk volk,’ niet alleen in hun eigen volk,
en dat als het volk van God verenigd zou zijn,
‘geen nationalisme, geen haat van rassen of klassen
zijn plannen kan uitvoeren en (…) de wereld vrede zal hebben.’

Zeker, het is gebruikelijk dat filmmakers
gebeurtenissen samenvoegen
om een verhaal efficiënter
te kunnen vertellen.
Maar het verhaal van de film
is een heel eind verwijderd van de man
die in november 1940 schrijft
dat ‘radicalisme,’ en ‘christelijk radicalisme’
in het bijzonder,
‘voortkomt uit een bewuste of onbewuste haat (…)
jegens de wereld,
of het nu de haat is van de goddelozen of van de vrome.’

En het is een heel eind verwijderd van de man die met Kerst 1942
reflecteert op de ‘onvergelijkbare waarde’ van het hebben geleerd
‘de grote gebeurtenissen van de wereldgeschiedenis
van onderaf te zien,
vanuit het perspectief van de verstotenen, de verdachten,
de mishandelden, de machtelozen, de onderdrukten en verguisden,
kortom vanuit het perspectief van het lijden.’

de film Bonhoeffer loopt daarom het risico Bonhoeffers erfenis
als theoloog, pastor en man van verzet
bloot te stellen aan nog meer misbruik.
In een tijd waarin het politieke en religieuze discours
steeds meer doorspekt is met xenofobe,
autoritaire en nationalistische retoriek,
en in het slechtste geval christelijk nationalistische retoriek,
is dit niet wat nodig is.
Het is niet verrassend dat Bonhoeffer-experts
over de hele wereld
en Bonhoeffers eigen familie zich zorgen maken.

Maar is Bonhoeffer desondanks de prijs van een kaartje waard?
Na het zien van de film blijft het bij mij toch knagen.
Want naast het pathetisch overdreven Amerikaans-Duitse accent
van de acteurs,
naast de enorm vrije omgang met situaties en teksten uit de Bijbel,
de enorm vrije filmische brei en fouten van fictie en geschiedenis,
blijf ik het mij afvragen:
is dit nu wel of niet een goede kennismaking met
de figuur van Dietrich Bonhoeffer?
‘Tuurlijk, er is inhoudelijk heel, heel veel mis met deze film,
– maar dat geldt voor mij ook met de jaarlijkse The Passion op tv –
kan het dan toch niet een ingang vormen voor mensen
als kennismaking met Dietrich Bonhoeffer?

Misschien verrassend genoeg denk ik dat het dat wel is:
al was het maar vanwege de ontknoping.

In een opeenhoping van verfraaide feiten
zijn de laatste scènes van de film
ook enorm aangrijpend en diep ontroerend.
Kort voor zijn executie gaat Bonhoeffer zijn medegevangenen
voor in het ochtendgebed,
waarbij hij brood breekt en wijn met hen drinkt
als herdenking van de dood van Jezus Christus.
Vervolgens loopt Bonhoeffer in vrede naar de galg,
wetende dat voor hem,
als discipel van Jezus Christus,
zijn dood slechts het begin van het leven is.

Het is zo’n standvastige hoop,
in het aangezicht van alle vernederende absurditeit
van menselijke tegenstrijdigheden
(om wat woorden van Fjodor Dostojevski te lenen),
waar de kerk en onze wereld vandaag de dag
misschien het meest wanhopig behoefte aan hebben.

Laatst kwam ik een artikel tegen in een christelijk blad.
Daar werd de toekomst in donkere kleuren geschetst. Terecht. Aardbevingen en tsunami’s, kernrampen, sprinkhanenplagen, ontbossing, klimaatverandering, milieuvervuiling, overbevissing,
plastic soep en opwarming van de aarde … het komt allemaal langs.
Het staat volgens de schrijver allemaal al in de Bijbel.
Die plastic soep ben ik er trouwens niet in tegengekomen,
sprinkhanen en aardbevingen wel. Daar val ik niet over.
Maar dan wordt het artikel zo afgesloten:
‘Het enige wat wij kunnen doen is beseffen
dat de Bijbel waar is en dat God tot Zijn doel komt met deze wereld.
Als we in Hem geloven, mogen we uitzien naar een nieuwe aarde.
In het Nieuwe Testament van de Bijbel kun je hier meer over lezen.’

Dat vind ik nou een te gemakkelijk evangelie.
Dit is wat Bonhoeffer ‘goedkope genade’ noemde,
waarvan niet duidelijk is dat ze ons wat kost.
Ja, aan aardbevingen kunnen we niets doen,
aan overbevissing en plastic soep wel.
Alle dreigende rampen worden opgesomd
en vervolgens wordt gezegd dat wie gelooft,
weet dat alles in Gods hand is
en dat we zo ‘ware rust en vrede’ kunnen vinden.
Er wordt niet opgeroepen tot bekering,
in elk geval wordt niet concreet gezegd wat bekering is.

De profeet Amos sprak ook over rampen en oordelen
die over het volk zouden komen. Hij zegt ook waarom.
Het oordeel van God wordt opgeroepen door steekpenningen, rechtsverkrachting, sjoemelen in de handel, dienen van andere goden, enzovoort.
Maar zijn toepassing is niet:
als je op de Heer vertrouwt dan komt alles goed.
Dit zegt hij: als je je niet bekeert dan zal de dag van de Heer
duisternis voor je zijn en geen licht! (Amos 5: 23-24)

Alleen als je je bekeert tot God kun je behouden worden.
En wat is dan bekeren? Dat je je omkeert.
Je leeft niet langer met je rug naar God toe,
maar met je gezicht naar God toe.
Je wil Hem zien, je wil graag dat Hij jou aankijkt
met ogen vol liefde en een hart vol warmte.
En je wil uit zijn mond de Woorden horen die een weg wijzen
die niet doodloopt maar die uitloopt op het leven.
Bekering is dat je je omkeert, dat je het roer in je leven omgooit, of liever: dat je God het roer in je leven laat omgooien
omdat Hij je aanraakt door zijn Geest.
De ommekeer die de bekering van je vraagt,
dat is een ommekeer die de Geest in je leven bewerkt.
Maar dat betekent niet dat je dus maar moet gaan zitten afwachten.
Want heel de Bijbel door,
zowel in het Oude als het Nieuwe Testament komt de oproep naar ons toe: Bekeer u! Dat is ook de kern van de boodschap die Jezus brengt in Israël. Bekeer u!
In het Marcus-evangelie zijn dat de eerste woorden
die we uit Jezus’ mond horen als Hij gaat prediken.
‘Bekeert u en gelooft het evangelie!’
Dat is een oproep waarop wij moeten antwoorden,
en als je dat doet dan zeg je achteraf:
ik deed het niet zelf, de Geest van God heeft dat in mij gedaan.
Dat is bekering:
dat je door de Geest je omkeert, het roer in je leven omgooit,
dat je ermee stopt om almaar met je rug naar God toe te leven:
je draait je om en gaat met je gezicht naar God toe leven.
Een radicale verandering,
een verandering die je raakt tot in de wortel van je bestaan:
je leeft niet langer voor jezelf maar voor God.
Van aangezicht tot aangezicht.

In veel gemeentes is de laatste tijd ruime aandacht besteed aan het gebed vanwege het 50-dagenproject tussen Pasen en Pinksteren. Vijftig dagen hebben we gezien hoe belangrijk het is om de relatie tussen jou en God open en levend te houden, juist door het gebed. We krijgen zelfs de opdracht om zo vaak we kunnen te bidden tot God, het communicatiemiddel bij uitstek tussen jou en je Vader. En dat gaat niet altijd van een leien dakje. Het gaat vaak met vallen en opstaan. We zijn meestal geen helden en zeker geen gebedshelden. Maar het mooie is dat God ook weet dat we soms snel afhaken en dat we het niet zo hebben op allemaal regeltjes, dat Hij die wet – lees liever: de bewegwijzering naar Zijn koninkrijk – heeft geschreven in ons hart.

De titel van deze column uit Jeremia 31,33 zegt dat onomwonden. Het is niet iets dat vanbuiten ons opgelegd wordt maar iets dat vanbinnen uit onszelf komt. Dat we echt uit onszelf een volgeling, een discipel Jezus Christus willen worden. Het gaat niet alleen om het weten wat discipelschap inhoudt, maar dat je daadwerkelijk een discipel bent. En alleen in dat laatste is God geïnteresseerd. En gelukkig is dat niet iets wat alleen maar uit onszelf hoeft te komen, want de discipline die het discipelschap vereist kunnen we nooit in ons eentje opbrengen. En daarbij is het gebed een noodzakelijk middel om in contact te blijven met God. biddenDietrich Bonhoeffer zegt dan dat gebed is als het bloed dat stroomt door de aderen van het lichaam van Christus, symbool voor de kerk. Als je met geloof luistert en contact met Hem zoekt door het gebed, als je je ervan bewust bent dat Hij het is, Christus, die spreekt, dan is het niet mogelijk om zijn woorden niet in de praktijk te brengen. Als het geloof zou stoppen voordat het in de praktijk wordt gebracht, dan kun je niet meer van geloof spreken.Want hoe kunnen we dan in deze tijd over Christus spreken? Bonhoeffers antwoord luidt: door ons leven. Het is indrukwekkend om te zien hoe hij aan zijn petekind, dat hij nooit gezien heeft, de toekomst beschrijft: ‘De dag komt waarop het niet meer mogelijk zal zijn om openlijk over God te praten. Maar wij zullen bidden, we zullen doen wat juist is en Gods tijd zal komen.’

Maar nogmaals, het lijkt allemaal zo prachtig, misschien zelfs vanzelfsprekend om te doen, maar dan worden we weer in beslag genomen door de alledaagse dingen. Daarom staat er in Efeziërs 6,10 ‘Zoek uw kracht in de Heer, in de kracht van zijn macht.’ Dat is iets wat we ons elke dag moeten blijven herinneren, iets wat ons gebedsleven moet kleuren. Want zelfs als de wet van God in ons binnenste is geschreven, dan nog wordt zij pas actief wanneer we het niet proberen uit onszelf, uit onze eigen kracht, maar door de kracht van de Heer!

Momenteel leven we midden in de Veertigdagentijd, de lijdenstijd als voorbereiding op de Stille of Goede Week uitmondend in het Paasfeest. In deze tijd lees ik zelf veel van het werk van de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer. Ik vind het werk van Bonhoeffer erg actueel en zeker ook in deze voorbereidingstijd op Pasen. Speciaal de kritiek van hem op goedkope genade. Die genade staat voor de rechtvaardiging van zonde zonder de rechtvaardiging van de zondaar. Goedkope genade is het preken van vergeving zonder de noodzakelijkheid van bekering, gemeenschap zonder lijden. Goedkope genade is genade zonder discipelschap, genade zonder het Kruis, genade zonder Jezus Christus. Waar de focus van mensen met betrekking tot het geloof en het christendom alleen maar ligt op het krijgen van een goed gevoel over jezelf en over God, waar het geloof alleen maar een soort van psychologische veilige haven in een enge bedreigende grote wereld is, daar staat volgens de deur snel open voor de goedkope genade. De eenzijdige focus op het eigen heil zit er diep ingebakken in het menszijn en dus ook in het christendom.Genade doet alles en daarom kan alles bij het oude blijven.

Kostbare genade roept ons op om Jezus te volgen. zelfs tot het brengen van ‘offers’. Een offer dat er uit kan bestaan niet steeds jezelf op de voorgrond te zetten. ‘Het offer voor God is een gebroken geest; een gebroken en verbrijzeld hart zult u, God, niet verachten’, dat zijn  de woorden van psalm 51,19. Ik merk dat het meestal niet een van de meest populaire psalmen is die je kunt laten zingen in kerkdiensten. De woorden schuren, blijven haken achter de weerbarstige realiteit van het dagelijkse leven. Toch betekent toegewijd zijn aan Christus het je omkeren, bekeren van een levenswandel die je juist eerder verder van dan dichter bij God brengt. De Bijbelse maat houdt dan in ieder geval het primaat van het Grote Gebod in met zelfverloochening. Jezus zelf koppelde discipelschap rechtstreeks aan kruisdragen en zelfverloochening. bonhoefferBonhoeffer had de diepe overtuiging dat christen zijn betekent geheel aan te Christus zijn toegewijd, tot aan de prijs van je eigen leven, mocht die gevraagd worden. Als je over leven van Dietrich Bonhoeffer leest zie je tot waar hij ging: hij werd op 8 april 1945 geëxecuteerd in een nazigevangenis. Terwijl hij een veilig leven had kunnen leiden in het Verenigd Koninkrijk of de Verenigde Staten van Amerika koos hij voor een onzeker leven in nazi-Duitsland. Bonhoeffer zag het eerst je eigen hachje redden en daarom compromissen sluiten en je conformeren aan de eisen van deze tijd als gevolg van de prediking van wat hij goedkope genade noemde. Het is het prediken van een goedkoop evangelie van vergeving zonder de eis van radicale navolging en volledige overgave aan Christus.

Laten we daarom deze voorbereidingstijd op het Paasfeest maar zien als als een soort christelijk ‘offerfeest’.

Ik vertel niemand een geheim dat in deze tijd de secularisatie, de ontkerkelijking  met kracht om zich heen slaat. Kerken kunnen hun leden niet meer zo vast houden, zoals dat wel voorheen leek te lukken. Waar vroeger de kerken op zondagen nog vol zaten, lijkt het wel of het ‘kerkvolk’ nu haar spirituele heil elders zoekt. Nee, niet dat Nederland en masse ‘van God los is’, dat zeggen de cijfers wel waaruit blijkt dat de mens ongeneeslijk religieus blijkt te zijn. Maar toch, in de kerk komen ze niet meer.  Nu is er vreugdevol nieuws: zo te horen hebben kerken het panacee gevonden om mensen vast te houden en zelfs misschien weer voor nieuwe aanwas te zorgen.

Overal in den lande worden Pioniersplaatsen, Missionaire gemeentes of wat voor termen men er ook voor gebruikt ingesteld en worden predikanten bijgeschoold. Want, zo leerde ik laatst uit een artikeltje in Trouw ‘de preken niet meer aansluiten bij de belevingswereld van de kerkgangers aan’. Nu horen jullie mij niet zeggen dat een preek die aansluit bij de actualiteit niet nodig is, maar toch zet ik vraagtekens en voetnoten bij zo’n opmerking. Want waar leggen we het uitgangspunt van de kerkdienst? Ligt dat primair bij het  individu? Wat beleef jij aan de kerkdienst? Hoe raakt het jou?

De Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer stelt  in zijn boekje ‘Het wezen van de kerk’, colleges over ‘de leer van de kerk’ (uit de dertiger jaren van de vorige eeuw!)  stelt dat het primaat ligt bij de samenkomst. ‘In de samenkomst gebeurt het, dat men de Geest ontvangt, gebeurt het wonder’. Ook bij de Reformatie, zo gaat Bonhoeffer verder, wordt het belang van de samenkomst in acht genomen. De reformatoren willen wel de vrije zelfstandigheid  tegenover de kerkdienst, maar geen vrijheid van het individu ver van de samenkomst. Het ontspoorde echter toen in het protestantisme het accent kwam te liggen op de ervaring. Dan draait het om de individualistische vraag ‘Wat heb ik er aan?’ De typisch individualistische constateringen over bijvoorbeeld de onaantrekkelijkheid van kerkdienst, de slechte preken zijn dan onvermijdelijk. Men kan tenslotte, zo stelt Bonhoeffer, geen aannemelijke argumenten meer aanvoeren om de samenkomsten te bezoeken. Voorstellen tot verbetering, vernieuwing en activering, zo gaat Bonhoeffer verder, zijn er tegenwoordig (!) genoeg in de kerk. Maar de grondslag is overal de vrome ervaring.  En dat is volgens hem geen goed uitgangspunt.

Dit werd gesteld in de jaren ver voor de Tweede Wereldoorlog. In onze tijd zien we nog steeds een zelfde soort  beweging bij de kerk en de kerkgangers. Moeten we het hebben van het aanbieden van allerlei leuke, aangename religieuze theorieën waar het publiek naar harte lust in kan grasduinen en kan pakken wat hem of haar aanstaat en de rest in de bak kan laten liggen? Smeren we alles dicht met een theologie dat God overal en altijd bij je is? Gaan we zitten op de beleving van de mensen, onder het mom van ‘u vraagt en wij draaien’? Aansluiten bij de beleving van de mensen die bijvoorbeeld alleen in de kerk komen om bemoedigd te worden?

Een interessante mening hierover staat geschreven in Provocatie van Willem Maarten Dekker. In diepste essentie, zo zegt hij, gaat het om de radicaliteit van geloven. Geloven kost wat. Het vraagt om een totale, volledige overgave. Je ontmoet een God die aanwezig is, maar soms ook afwezig. Kortom, een God die niet altijd even sociaal acceptabel overkomt.

En of dat geloof nu grote groepen trekt of niet, de essentie van het Woord moet verkondigd worden. Een boodschap dient niet altijd even sympathiek overkomt. Voor een christelijk geloof dat in het Westen eeuwenlang in het middelpunt heeft gestaan is dat misschien even slikken. Kerk in de marge worden is zeker geen fijn proces.

Beleef de kerk? Ja, beleef de kerk! In haar samenkomsten, in een Woordverkondiging die een compromisloze, ongepolijste, tegendraadse boodschap van de Bijbel voor de wereld heeft.