We zijn doelgerichte wezens. Altijd ergens op uit.
Geluk. Succes. Betekenis.
En als dat doel wordt geblokkeerd? Dan knapt er iets. Dan worden we moe, cynisch, verbitterd.
Dat geldt voor gewone mensen. Maar misschien nog wel sterker voor mensen met een missie. Activisten. Bewegingen. Revolutionairen.
Op papier vechten ze vóór iets groots: vrijheid, recht, een beter klimaat, een zuivere samenleving.
Maar ergens onderweg kan het zomaar kantelen.
Dan wordt de strijd vóór iets een strijd tégen iemand.
Tegen de staat. Tegen “het systeem”. Tegen Israël. Tegen het Westen. Tegen wie er maar tegenover hen staat.
En daar begint de ontsporing.
Want zodra je kompas niet meer “het goede” is maar “de vijand”, verschuift alles. Dan wordt vernederen belangrijker dan verbeteren, veranderen. Dan wordt winnen belangrijker dan recht doen.
De geschiedenis kent genoeg voorbeelden. Zoals de Rote Armee Fraktion, die begon met het ideaal van een rechtvaardiger Duitsland. Maar onder leiding van Andreas Baader werd het: vernietig wat jou vernietigt. Bevrijding maakte plaats voor vergelding.
Of Hamas en PLO waar je ziet hoe een gezamenlijk doel ontaardt in rivaliteit: wie slaat harder toe?
Bij Hezbollah verschoof ook de focus van bevrijding naar machtsbehoud.
Leuk al deze voorbeelden; Maar laten we eerlijk zijn: dit gaat niet alleen over hen. Dit gaat ook over ons.
Paulus schrijft in Romeinen 12:2: “Word niet gelijkvormig aan deze wereld, maar word vernieuwd in uw denken.”
Dat is pijnlijk concreet. Want de wereld denkt in kampen. In wij en zij. In terugpakken wat je is aangedaan. En als we niet oppassen, denken wij precies zo.
Maar de Veertigdagentijd is geen periode van religieuze cosmetica. Het is een mentale verbouwing. Een vernieuwd denken. Een ander kompas.
En dat andere kompas hoor je in Romeinen 12:20-21: “Als uw vijand honger heeft, geef hem te eten. Als hij dorst heeft, geef hem te drinken. Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.”
Dat is geen zachte optie. Dat is frontale botsing met onze instincten.
Wij willen het kwade overwinnen door sterker te zijn. Sneller. Harder. Maar Paulus zegt: pas op. Het kwaad wil maar één ding: dat jij gaat lijken op wat je bestrijdt.
Wraak voelt krachtig. Maar het (ver)vormt je. Het maakt je voorspelbaar. Het maakt je hard.
Vernieuwd denken is iets anders. Dat vraagt dat je je trots inslikt. Dat je niet automatisch terugslaat. Dat je weigert om je identiteit te bouwen op je vijand.
Dat is geestelijke discipline.
Kijk naar leiders die de cirkel van wraak durfden doorbreken, zoals Anwar Sadat, Menachem Begin en Jimmy Carter. Ze maakten geen makkelijke keuzes. Maar ze kozen voor doorbreken in plaats van doorslaan.
Misschien is dat de echte toetssteen, ook in jouw leven. Niet: heb je grote idealen? Maar: hoe reageer je als je wordt tegengewerkt?
Word je gelijkvormig aan de wereld? Of wordt je denken vernieuwd?
God vraagt geen spectaculaire revolutie. Hij vraagt een vernieuwd hart.
Niet: vernietig je vijand. Maar: voed hem als hij honger heeft.
Niet: win de strijd. Maar: overwin het kwade door het goede.
Dat is minder luid. Minder zichtbaar. Maar het maakt de wereld lichter.
En het begint — ongemakkelijk genoeg — bij jezelf.
de titel van de post is gebaseerd op de titel van het nummer Imagine van John Lennon uit 1971
Er heerst al een tijdje een gevoel van crisis in Europa. Je voelt het. Europese landen herbewapenen zich, terwijl Amerika de financiële kraan dichtdraait. Ze worstelen om de migratiestromen te beheersen. En jongeren – maar zij niet alleen – verliezen hun vertrouwen in de democratie.
Toch is dit niet in de eerste plaats een economische crisis, of zelfs een politieke of een identiteit of etnische. Het is eerder een spirituele crisis. En als je er met deze bril op naar kijkt, zie je overal de tekenen ervan.
Zoals afgelopen zomer toen Mette Frederiksen, de premier van Denemarken, een nationale militaire opbouw aankondigde, met hogere defensie-uitgaven, herinvoering van de dienstplicht, et cetera. Deze maatregelen zijn allemaal aangewakkerd door de algemene Noord-Europese angst voor het expansionistische Rusland. Kort daarna sprak ze een groep studenten van de Universiteit van Aalborg toe waar ze iedereen verraste door te zeggen:
‘We zullen een vorm van herbewapening nodig hebben die net zo belangrijk is (als de militaire). Dat is de spirituele.’
Ze sprak over het onderscheidingsvermogen dat nodig is om waarheid van onwaarheid te onderscheiden in een wereld waar die twee moeilijk te onderscheiden zijn en ze impliceerde dat dit spirituele wijsheid vereist, niet meer technologie. Herinvoering van de dienstplicht is één ding, maar mensen overtuigen om te vechten en zelfs te sterven voor wat dan ook is iets anders. Deze problemen zijn niet uniek voor Denemarken. Waarom zou Generatie Z vechten voor een economisch systeem dat niet in hun voordeel lijkt te werken, hen geen uitzicht biedt op een eigen huis of een vaste baan, en weinig te bieden heeft om tot heldendom te inspireren? John Lennon stelde zich een wereld voor met ‘niets om voor te doden of te sterven’. Maar als er niets is waar je voor zou willen sterven, is er waarschijnlijk ook niet veel om voor te leven.
De oproep van Frederiksen is slechts één teken van de spirituele crisis in Europa. Een ander is de opkomst van wat soms ‘christelijk nationalisme’ wordt genoemd. Elites mogen dan neerkijken op de geuzenvlaggen die wapperen tijdens populistische marsen, maar dit zijn de zichtbare tekenen van grote groepen mensen die het gevoel hebben dat niemand naar hen luistert en die het verlies betreuren van het culturele en breed christelijke kader dat, in de herinnering van vorige generaties, eeuwenlang het besturingssysteem van het Nederlandse leven vormde. Het verdwijnen ervan sinds de jaren zestig en het gebrek aan iets om het te vervangen, vormen een probleem. Het ‘nieuwe atheïsme’ was een daad van cultureel vandalisme, gericht op het vernietigen van het geloof, maar zonder iets om het voor in de plaats te stellen.
Een andere is wat wel de ‘Stille Opwekking‘ wordt genoemd: tekenen van hernieuwd kerkbezoek onder (vooral) jonge mensen. Oplevingen van religie vinden meestal plaats wanneer een gemeenschap voelt dat haar identiteit en voortbestaan worden bedreigd. In zulke tijden keren mensen terug naar hun wortels, naar beschikbare bronnen van wijsheid en geruststelling. Dit is nog geen algehele wending naar ‘de Kerk’, maar het is veeleer een teken van een verlangen naar een spirituele betekenis, naar iets heiligs, iets dat niet voor geld te koop is en een waarde heeft die verder gaat dan wat wij eraan willen geven.
Dus, terug naar verrassende oproep tot spirituele vernieuwing van Mette Frederiksen, in haar eigen land. Denemarken is een van de meest seculiere landen van Europa, Nee, Frederiksen staat niet bekend als een regelmatige kerkganger en haar sociaaldemocratische partij is de afgelopen decennia stond over het algemeen lauw tegenover religie. Toch was ze eerlijk genoeg om het probleem te erkennen. Als we onszelf decennialang hebben voorgehouden dat de waarheid niet bestaat, is het niet verwonderlijk dat we het moeilijk vinden om waarheid van onwaarheid te onderscheiden. Wanneer we vol vertrouwen hebben verkondigd dat de belangrijkste stem om naar te luisteren onze eigen verlangens zijn – ‘wees jezelf’ – is het niet verwonderlijk dat we geen idealen meer hebben om ergens voor te leven of te sterven. Jongeren gaan misschien de straat op vanwege klimaatverandering of Palestina, maar zijn ze bereid hun leven te geven voor iets moois, iets heiligs, dat dat alles te boven gaat, zelfs als het hun beschaving al generaties lang in stand houdt?
Waarschijnlijk niet. En er is geen reden om te denken dat Denemarken anders is dan welk ander Europees land dan ook. Hetzelfde geldt ongetwijfeld voor Nederland, ook al zijn onze politici niet zo scherpzinnig als Mette Frederiksen in het signaleren van het probleem.
Dus waar is het antwoord te vinden? Mette Frederiksen riep ‘de Kerk’ om een antwoord:
‘Ik geloof dat mensen steeds vaker de Kerk zullen opzoeken, omdat die een natuurlijke gemeenschap en een nationale basis biedt… Als ik de Kerk was, zou ik nu denken: hoe kunnen we zowel een spiritueel als een fysiek raamwerk zijn voor wat de Denen doormaken?’
Maar daarin schuilt nu juist het probleem. De Deense Kerk, één van de lutherse kerken in Noord-Europa, verkeert niet bepaald in een goede gezondheid: 70 procent van de bevolking is weliswaar geregistreerd lid van de kerk, maar slechts 2,4 procent van hen komt op zondag daadwerkelijk naar de kerk – wat neerkomt op gemiddeld 30 bezoekers in een lokale Deense lutherse kerk op zondag.
Filosoof John Gray is vernietigend over de gevangenschap van de westerse kerken in de tijdgeest. Hij beschouwt ze als ‘een weerspiegeling van de verwarring van de tijdgeest in plaats van een coherent alternatief te bieden… dit soort christendom is een symptoom van de ziekte, geen geneesmiddel.’
Dat is misschien wel het probleem, maar het is ook de kans. Het christendom is de standaard spirituele traditie van het Westen. Niets dringt zo diep door in de Europese ziel als dit. Anderen komen en gaan, maar dit geloof zit in onze aderen, in ons landschap, onze kunst en ons geheugen. Keer op keer, vanaf de eerste eeuwen, heeft het talloze mensen geïnspireerd tot een leven van onbaatzuchtige toewijding. Dat gebeurde toen het Byzantijnse rijk verrees uit de ruïnes van het Romeinse Rijk, toen een nieuwe middeleeuwse, gekerstende beschaving ontstond uit de ruïnes van de barbaarse veroveringen, of tijdens de hervormingsbewegingen van de zestiende en zeventiende eeuw, of tijdens de missionaire bewegingen van de negentiende eeuw. Keer op keer is het een katalysator gebleken voor wijsheid om de uitdagingen van de crisis het hoofd te bieden, voor individuele zelfopoffering, culturele vernieuwing en een doel dat verder gaat dan persoonlijke vervulling: iets om voor te leven en te sterven.
En dat is nog steeds zo. Je hoeft alleen maar terug te denken aan de 21 Libische martelaren – voornamelijk gewone Koptische christenen uit een eenvoudig dorp die in 2015 door ISIS werden gevangengenomen en die een gruwelijke dood verkozen in plaats van hun geloof in de liefde van Christus te verloochenen, om te laten zien hoe het christelijk geloof iets biedt niet om voor te doden, maar wel om voor te sterven.
Ik twijfel er niet aan dat het christendom dat opnieuw kan bieden. Niet als een terugkeer naar iets uit het verleden, maar in een nieuwe vorm die trouw blijft aan zijn wortels, maar op een manier die er nieuw uitziet; misschien nederiger, eenvoudiger, zuiverder.
Kunnen christenen, zoals John Gray het verwoordde, een coherent alternatief bieden voor de verwarring van de tijdgeest in plaats van er een flauwe afspiegeling van te zijn?
De toekomst, niet alleen van het Europese christendom, maar ook van Europa, hangt er mogelijk van af.
We kennen zo langzamerhand allemaal wel het christelijk nationalisme uit de Verenigde Staten van Amerika: De beelden van een knielende Donald Trump die vlak na zijn inauguratie gezegend werd door een behoorlijk aantal voorgangers. Voorgangers en christenen die ‘hun’ Trump te vuur en te zwaard verdedigden en zijn radicale plannen ondersteunen, al was het alleen maar om hun eigen agenda doorgevoerd te krijgen. We deden het vaak af als een typisch Amerikaans iets.
Maar wat schetste mijn verbazing toen ik laatst bij de Malieveldrellen in Den Haag een houten kruis tussen de prinsenvlaggen en fakkels ontwaarde. Onderzoekers hadden echter al eerder gewaarschuwd: ook in Nederland wordt de christelijke symboliek door radicaal- en extreemrechtse bewegingen vaker ingezet om de ‘strijd’ tussen ‘goed’ en ‘kwaad’ een diepere lading te geven.
Vanaf het podium op het Malieveld klonk tijdens de gewelddadige demonstratie een Bijbeltekst. Els Noort, beter bekend als ‘Els Rechts’, zwaait met een vlag waarop de vermoorde Pim Fortuyn en Charlie Kirk zijn afgebeeld. Ondertussen leest ze voor uit Psalm 4: ‘In vrede zal ik gaan liggen en weldra slapen, want U alleen, HEERE, doet mij veilig wonen.’ De 26-jarige Noort noemt het ‘een tekst die troost geeft in deze donkere tijd’.
Wat is de link tussen uiterst rechts gedachtegoed en het christelijke geloof? En is christelijk nationalisme dat geweld niet schuwt een gevaar voor Nederland?
De Zoetermeerse Noort maakt er op sociale media geen geheim van dat ze christen is. Ze is gedoopt, ging naar een reformatorische school en deed drie jaar geleden belijdenis van haar geloof. ‘Ik kies volledig voor Hem en wil Hem dienen in mijn leven.’ Ze dankt God op X niet alleen dat Hij haar zonden heeft vergeven, maar ook: dat ze ‘geen linkse mening’ heeft. ‘God is goed, Geert wordt groot.’ stond er op een kruis te lezen.
Het kruis met ‘God is goed, Geert is groot.’ – beeld: YouTube
Noort gebruikt haar geloof ook om anderen aan te vallen. Over oud-minister Hugo de Jonge zegt ze dat ze hoopt dat hij zich straks kan verantwoorden tegenover God. Oud-ChristenUnie-leider Gert Jan Segers noemt ze een ‘nepchristen’. Mensen waar ze het niet mee eens is, noemt ze regelmatig ‘demonen’.
In London liepen eerder nog enkele anti-migratiedemonstranten met kruizen en vlaggen door de straten. Sommigen kwamen in een kruisvaarderskostuum. Volgens de AIVD speelt daarbij het christendom en fluïde rol: het kan gebruikt worden om anderen het label van ‘het kwaad’ op te plakken, om een witte, christelijke beschaving te claimen, en soms om bruggen te bouwen naar conservatieve christenen.
Kort na deze demonstratie namen 36 Britse kerkleiders uit conservatieve en progressieve stromingen in een verklaring afstand van het gebruik van die christelijke symbolen. ‘Jezus roept ons op om onze vijand en onze naaste lief te hebben. Het is onacceptabel dat het christelijk geloof wordt misbruikt om anderen buiten te sluiten’, schrijven zij.
Zo’n verklaring zou in Nederland ook een goed idee zijn, zegt onderzoeker Marietta van der Tol van de Cambridge University. ‘In landen waar kerken zich duidelijk hebben uitgesproken tegen misbruik van het geloof door radicaal-rechtse groepen, zoals in Noorwegen en Duitsland, zwakken radicaal-rechtse groepen hun claim op het christendom af.’
maar Van der Tol wijst wel op de Amerikaanse invloed op Nederlandse christenen, bijvoorbeeld in de muziek, de liturgie, of geestelijke literatuur. ‘De Amerikaanse samenleving is aan het radicaliseren en dat zie je steeds meer in kerken en in de theologie terug. Het zou goed zijn als gelovigen en kerken hier nadenken over de vraag hoe welkom die tendensen van radicalisering zouden zijn in Nederland, en of dat bij ons past.’
Het probleem zit ook bij het begrip ‘christelijk nationalisme’. Voor de één betekent het iets anders dan voor de ander. Christelijk nationalisme kan worden gedefinieerd als ‘liefde voor je natie, identificatie ermee en speciale zorg voor haar welzijn’ Zo gelezen is er vanuit christelijk oogpunt niets verkeerds aan. Maar de term wordt tegenwoordig ook anders ingevuld.. Dan duidt het eerder op een ideologie die politieke macht nastreeft om de christelijke identiteit te verenigen met de nationale identiteit. Met andere woorden, het zou betekenen dat christenen christelijke waarden willen opleggen aan álle burgers van een natie door middel van de wet.
Maar voor veel christenen zit juist hier een addertje onder het gras. ‘Christelijke waarden’ omvatten namelijk niet het dwingen van mensen die zich niet als christen identificeren om een christelijke levensstijl te leiden. Christelijke waarden zijn gebaseerd op de leer en het voorbeeld van Jezus, en Hij was nooit dwingend. Hij richtte zich op de harten van mensen en streefde naar vrijwillige, in plaats van afgedwongen gehoorzaamheid. Zijn doel was dat mensen Hem zouden volgen en naar Zijn leer zouden leven omdat ze dat meer dan wat ook ter wereld wilden, niet omdat ze anders gevangen zouden worden gezet of benadeeld zouden worden als ze dat niet deden. Het evangelie is een uitnodiging tot het meest lonende en vervullende leven dat je je kunt voorstellen, geen bevel dat uit angst moet worden opgevolgd.
Jezus leerde expliciet dat christelijke politiek anders zou moeten zijn dan alles wat de wereld ooit heeft gezien:
‘Jullie weten’ zei Hij ‘dat de volken onderdrukt worden door hun eigen heersers en dat hun leiders hun macht misbruiken. Zo mag het bij jullie niet gaan. Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, moet dienaar van de anderen zijn.’ (Marcus 10,42-43)
Met deze woorden zette Jezus een politieke agenda voor zijn volgelingen neer die radicaal verschilde van elke andere beweging, religie, instelling of natie.
Waar anderen altijd macht hebben gebruikt om te domineren, te controleren en gehoorzaamheid af te dwingen, moeten christenen macht gebruiken om degenen die onder hen staan te dienen en hun bloei na te streven. Met zijn eigen leven liet Jezus zien hoe dit eruitziet. Veel mensen verwachtten dat de Messias een groot militair leider zou zijn die een leger onder zijn banier zou verzamelen, dat hij de Romeinse onderdrukking zou afschudden, Israël als natie zou vestigen en het met absolute macht en gezag zou regeren. In plaats daarvan, in plaats van geweld te plegen, onderwierp hij zich aan de dood door toedoen van de Romeinse onderdrukkers.
Nee, Jezus bedoelde niet dat zijn volgelingen geen macht en invloed in de wereld zouden moeten nastreven, of dat ze zich zouden moeten neerleggen en zich als een voetveeg zouden moeten laten vertrappen. Het ‘christelijke verschil’ is niet dat het apolitiek is, zich terugtrekkend van alle betrokkenheid bij wereldse zaken, alsof God zich niet bekommert om wat er in de wereld gebeurt.
Het christelijke verschil is tweeledig:
(1) nooit de macht grijpen of behouden door middel van geweld, dwang, leugens, manipulatie of welke middelen dan ook die zogenaamd het doel rechtvaardigen,
en (2) macht gebruiken (wanneer die ons vrijwillig wordt gegeven) in dienst van iedereen, ongeacht hun geloof of levensstijl, en vooral van de machtelozen.
Nee. christenen hebben zeker niet altijd op deze manier politiek bedreven. In de eeuwen sinds Jezus op aarde rondwandelde, zijn ze vaak bezweken voor de verleiding om politiek te bedrijven zoals de rest van de wereld: grepen ze naar autoriteit om er zich vervolgens met alle mogelijke middelen aan vast te houden, het gebruiken om jezelf en de eigen agenda te bevoordelen op manieren die anderen te schaden en te onderdrukken. De behandeling van Joden in de late middeleeuwen is een ontnuchterend en afgrijselijk voorbeeld: Joden werden gedwongen in getto’s te leven en kegelvormige hoeden te dragen. Het was hun verboden openbare ambten te bekleden, synagogen te bouwen die hoger waren dan welke kerk dan ook, of op zondag over straat te lopen. Uiteindelijk werden ze met geweld uit verschillende Europese landen verdreven om geen belemmering meer te laten voor de vorming van een waarlijk ‘christelijke natie’, oftewel een natie met alléén christenen.
Tegenwoordig zetten veel christenen in westerse landen zich in om zich te verzetten tegen wereldbeelden waarvan zij vinden dat ze hen binnendringen zoals secularisme, islam en liberalisme. Ze willen het christendom opnieuw als de dominante culturele kracht bevestigen. Het lijkt mij dat deze inspanningen grotendeels worden ingegeven door angst, veroorzaakt door de afnemende christelijke invloed. Er is een sterke drang tot zelfbehoud wanneer iemand zich steeds meer gemarginaliseerd voelt. Men heeft het gevoel dat als men de macht niet terugkrijgt, alle waarden en de levensstijl die men koesterde, zullen worden weggevaagd. Je moet je dan zelf beschermen en proberen de christelijke waarden met alle mogelijke middelen te behouden. Je dient de controle terug te nemen en financieel, politiek en cultureel kapitaal in te zetten om het bestuur te herwinnen en de christelijke wetten in ‘ons land’ te herstellen.
Toch is angst nimmer een goede drijfveer geweest voor wijs, rechtvaardig en rechtschapen handelen. Angst leidt onze aandacht af van de armen en behoeftigen en richt zich op onze eigen benarde situatie. Angst zorgt ervoor dat we terugslaan met een instinctieve zelfbescherming. Wanneer we bang zijn, voelen we ons gerechtvaardigd om onze eigen behoeften en prioriteiten voorop te stellen. Gewelddadig gedrag wordt bestempeld als ‘zelfverdediging’, het korten op hulpbudgetten wordt bestempeld als voorzichtigheid, en het weigeren van toegang aan vluchtelingen die alles verloren hebben en op de vlucht zijn voor vervolging, wordt gezien als de enige verstandige handelwijze in een wereld met eindige middelen. Angst drijft ons ertoe ons eigen voordeel te zoeken, iets wat Jezus zelf nooit deed. Misschien wist Jezus dat angst de grootste kracht kan zijn die ons ervan weerhoudt een christelijk leven van dienstbaarheid te leiden. Misschien is het geen toeval dat “wees niet bang” de meest voorkomende zin in de Bijbel is.
Voor christenen, zoals ik, zijn er betere drijfveren voor politieke actie: dingen zoals wijsheid, rechtvaardigheid en vrede. (Durf ik te zeggen: liefde Of is dat te controversieel?) Maar de allerbeste motivatie is de wens om Jezus’ leer en voorbeeld te volgen, niet alleen als we eenmaal macht hebben verworven, maar ook in de manier waarop we die zoeken en vasthouden.
Er is op zich niets mis met het idee van een ‘christelijke’ natie, als dat in ieder geval een natie betekent die zich gedraagt tegenover mensen – zowel burgers als niet-burgers – zoals Jezus deed (en ervan uitgaande dat de natie in de eerste plaats niet door geweld is gevormd – maar dat is een ander verhaal). Een werkelijk ‘christelijke’ natie zou nooit proberen christelijk gedrag van wie dan ook af te dwingen. Het zou de vrijheid van mensen respecteren om te leven en te geloven wat ze willen, en zou gelijke kansen, gelijke voordelen en gelijke rechten bieden aan christenen, moslims, atheïsten en joden. Het zou zijn macht gebruiken om alle mensen te dienen, met name de meest kwetsbaren en de minsten die voor zichzelf kunnen zorgen. Het zou elke buitenlander verwelkomen en beschermen die daarheen vluchtte om zijn leven of vrijheid te redden, nadat hij thuis alles verloren had.
Zo’n natie zou niet gekenmerkt worden door angst om haar macht te verliezen. Het zou er niet naar streven haar invloed te behouden door niet-christenen het burgerschap of posities in de regering te ontzeggen. Als het tij zich tegen haar zou keren, zou ze nederig afstand doen van de macht in plaats van dwang te gebruiken om die te behouden, net zoals Jezus nederig naar het kruis ging in plaats van geweld te gebruiken tegen zijn onderdrukkers.
Dat brengt me bij het primaire probleem dat volgens mij het christelijk nationalisme vormt. Ik heb geprobeerd de sociale en historische realiteit ervan te verbinden met de huidige politieke macht. Maar de grootste fout lijkt mij de opmars naar suprematie. Jezus’ afwijzing van politieke macht in de woestijn en zijn verzet tegen politieke macht door het kruis gaan verloren in de opkomende vloedgolf van christelijk nationalisme. Christenen hebben geen natuurlijke of goddelijke aanspraak op gezag over anderen op basis van hun geloof. De kerk heeft altijd een ‘ja’ en een ‘nee’ tegen de staat gezegd. We moeten meer nadenken over wat het ‘ja’ en ‘nee’ van de kerk zou moeten zijn.
Still uit de film Bonhoeffer. Pastor. Spy. Assassin.
Dietrich Bonhoeffer heeft zijn 40ste verjaardag nooit gehaald.
Hij werd ter dood veroordeeld in een schijnproces in het concentratiekamp Flossenbürg. Hij werd naakt, naar de galg geleid en in april 1945 op direct bevel van Adolf Hitler geëxecuteerd; officieel wegens verraad.
Sindsdien zijn Bonhoeffers leven en gedachten onderhevig geweest aan projecten en wensvervulling. Bonhoeffer is geseculariseerd, geliberaliseerd, geradicaliseerd en gepopulariseerd door mensen uit het hele religieuze en politieke spectrum, op manieren die slechts een oppervlakkige zorg voor historische feiten en weinig (of geen) begrip van zijn literaire nalatenschap laten zien. Onlangs en opmerkelijk genoeg, in feite weerzinwekkend, is Bonhoeffers naam zelfs gebruikt door de Amerikaanse rechtse Heritage Foundation om het zogenaamde ‘open-grenzenactivisme’ en ‘milieu-extremisme’ van Amerikaanse links te veroordelen in hun Project 2025, een verlanglijst voor het presidentschap van Donald Trump.
Het was dan ook met gemengde gevoelens dat ik de nieuwe film Bonhoeffer: Pastor. Spy. Assassin ben gaan kijken.
Uitgebracht door het christelijke productiebedrijf Angel Studios heeft de film de volgende trailer:
‘Terwijl de wereld op de rand van vernietiging balanceert, wordt Dietrich Bonhoeffer meegesleurd in het epicentrum van een dodelijk complot om Hitler te vermoorden. Met zijn geloof en lot op het spel, moet Bonhoeffer kiezen tussen het hooghouden van zijn morele overtuigingen of alles op het spel zetten om miljoenen Joden te redden van genocide. Zal zijn verschuiving van het prediken van vrede naar het beramen van moord de loop van de geschiedenis veranderen of hem alles kosten?’
De bijbehorende afbeelding toont de pacifisme predikende Bonhoeffer met een pistool in zijn hand.
Zoals elke biopic voor het grote scherm, mengt de film Bonhoeffer feiten en fictie met een flinke scheut artistieke en filmische vrijheid. Deze vrijheid is natuurlijk noodzakelijk voor de kunst van het scenarioschrijven: tijd moet worden gecomprimeerd; biografie moet worden verlevendigd; karakters van mensen moeten worden gedemonstreerd; want uiteindelijk moet de film worden bekeken.
Het lijdt geen twijfel dat Bonhoeffer tijd doorbracht aan het Union Theological Seminary in New York en dat hij daar klaagde over de staat van de Amerikaanse theologie; dat hij actief deelnam aan de Abyssinian Baptist Church in Harlem en goede vrienden werd met een Afro-Amerikaanse student genaamd Frank Fisher.
Maar leren jazzpiano spelen in een nachtclub in Harlem? Met de kolf van een geweer worden geslagen door een racistische hoteleigenaar? En een vurig voorvechter worden van Afro-Amerikaanse burgerrechten? En de fictieve Harlem-preek bevat ook een verwijzing naar de executie van 33.000 Joden nabij Kiyv – het bloedbad van Babi Yar, dat pas in september 1941 plaatsvond. Bonhoeffers verblijf in Harlem stond inderdaad centraal in zijn denken, met name over kwesties die verband hielden met ras. Toch bagatelliseert de vermenging van gebeurtenissen die plaatsvonden rond het hoogtepunt van de genocide (de meeste Joden die tijdens de Holocaust werden vermoord, stierven in 1942 en 1943) met gebeurtenissen en geschriften uit de zomer voor de oorlog de ontwikkeling van Bonhoeffers theologie; zoveel van zijn denken was een nauwgezette maar directe reactie op wat hij met eigen ogen zag.
Er bestaat ook geen twijfel over dat toen Hitler aan de macht kwam, dat Bonhoeffer zich uitsprak tegen de gevaren die inherent waren aan het Führer-concept en dat hij in de jaren dertig onverzettelijk kritiek uitte op het nazisme en de nationaalsocialistische ideologie.
In de film krijgt hij de volgende woorden in de mond gelegd: ‘Ik kan niet blijven doen alsof bidden en onderwijzen genoeg is.’ ‘Vuile handen … Dat is alles wat ik te bieden heb.’ Of, als antwoord op de vraag van zijn vriend en student Eberhard Bethge, of Hitler de eerste kwaadaardige leider is sinds de Schrift werd geschreven: ‘Nee. Maar hij is de eerste die ik kan stoppen.’
Waren dit ooit zijn woorden?
Nee, niemand zal ook betwisten dat Bonhoeffer een ondergronds seminarie leidde in Finkenwalde om toekomstige predikanten van de Bekennende Kirche in Duitsland op te leiden; of dat hij zei: ‘Elke roep van Christus leidt tot de dood’. Maar de film verdraait ook enkele belangrijke aspecten van de bredere historische context. Cruciaal is dat Hitler en de nazipartijleiding, net als – foutief – in Eric Metaxas’ Bonhoeffer-biografie, worden afgeschilderd als degenen die de Deutsche Evangelische Kirche (Duitse Protestantse Kerk, DEK) overnemen en die hun greep daarop blijkbaar nooit opgeven, waarmee ze een Reichskirche creëren. Ondertussen bestrijdt de Bekennende Kirche – hier geleid door Bonhoeffer en Niemöller – moedig de nazi’s, met name hun anti-joodse beleid en acties, waaronder de Holocaust. Dit misleidende verhaal suggereert dat er twee kanten aan de Kerkstrijd waren: de (ogenschijnlijk onverschrokken) Bekennende Kirche en de Reichskirche, die in de film het restant van de DEK vertegenwoordigt, die zogenaamd door Hitlers ‘brute nationalisme’ was ingelijfd.
Deze versie van de kerkstrijd versmelt de Rijkskerk, de aanzienlijke minderheidsfractie van de DEK, de Duitse christenen, die gretig vele aspecten van het nazisme omarmden en ‘gedejudaïseerde’ Bijbels en gezangboeken creëerden en gebruikten. Toch laat ze de meerderheid van de Duitse protestanten volledig buiten beschouwing, die ervoor kozen zich niet aan te sluiten bij de Duitse christenen of de Bekennende Kirche. Ze verzwijgt ook het feit dat Hitler uiteindelijk het idee van een Rijkskerk opgaf.
Maar wat wel betwistbaar is, is dat (zoals de film suggereert) Finkenwalde een veilige haven was van waaruit een complot om Hitler te vermoorden werd gelanceerd, en dat Bonhoeffers meest memorabele aforisme van christelijk discipelschap bedoeld was om te worden samengevoegd, zoals in de film gebeurd, met beelden van een samenzweerder die een zelfmoordbom voorbereidde.
En Bonhoeffer sloot zich zeker aan bij de Duitse militaire inlichtingendienst en fungeerde als een soort dubbelagent. Hij gaf zeker informatie over de samenzwering door aan internationale kerkleiders tijdens zijn reizen buiten Duitsland. Hij wist zeker van zowel ‘Unternehmen Sieben’ (een plan om een kleine groep Joden en Joodse christenen uit Duitsland te smokkelen naar veiligheid in Zwitserland), als het geplande complot om Hitler te vermoorden.
Maar om, zoals de film ook doet, te suggereren dat Bonhoeffer centraal stond in deze plannen en er persoonlijk bij betrokken was, of dat hij via bisschop George Bell aan Winston Churchill vroeg om te lobbyen voor het leveren van een bom die de samenzweerders konden gebruiken om Hitler te doden, is niets meer dan een zeer omstreden en zelfs samenzweringstheorie. Andere scènes zijn – onbedoeld – onnauwkeurig of ‘metaforisch’. Wanneer Martin Niemöller het (inmiddels beroemde) gedicht ‘Als die Nazis die Kommunisten holten..’ voordraagt, doet hij dat met een donderende preek op profetische wijze, alsof hij die beroemde woorden al uitsprak voordat de nazi’s ‘hem kwamen halen’. In de film wordt de preek blijkbaar in 1944 gehouden, hoewel Martin Niemöller in 1937 werd gearresteerd en in 1944 in Dachau zou zijn geweest (de Niemöller in de film verklaart tijdens de preek dat hij ‘dertien jaar’ hun predikant was geweest; Niemöller werd in 1931 predikant in Berlijn-Dahlem). Wat bekend zou worden als Niemöllers ‘bekentenis’ werd pas na de oorlog uitgesproken, dus na zijn zeven jaar durende opsluiting in eerst een Berlijnse gevangenis, vervolgens Sachsenhausen en uiteindelijk Dachau.
Zeker, Bonhoeffers leven en gedachtegoed zijn duidelijk boeiend, maar het is ook complex.
Bonhoeffer liet een reeks boeken, essays, preken, onafgemaakte manuscripten, werknotities en brieven na, die allemaal notoir moeilijk te interpreteren zijn. Bonhoeffer walst over deze moeilijkheid en complexiteit heen en trivialiseert daarmee de erfenis van een hedendaagse, gemartelde christelijke heilige. De film vertelt ook gedeeltelijk een onwaar verhaal: het verhaal van een man die voorbestemd is, ja vastbesloten, om een leven van gebed, onderricht en diplomatie te verloochenen om een potentiële huurmoordenaar te worden en zich koste wat kost bezig te houden met gewelddadige politieke spionage en activisme.
Dit alles is (heel) ver verwijderd van de man die in 1930 Amerikaanse christenen aanspoorde om te onthouden dat ze broeders en zusters hebben ‘in elk volk,’ niet alleen in hun eigen volk, en dat als het volk van God verenigd zou zijn, ‘geen nationalisme, geen haat van rassen of klassen zijn plannen kan uitvoeren en (…) de wereld vrede zal hebben.’
Zeker, het is gebruikelijk dat filmmakers gebeurtenissen samenvoegen om een verhaal efficiënter te kunnen vertellen. Maar het verhaal van de film is een heel eind verwijderd van de man die in november 1940 schrijft dat ‘radicalisme,’ en ‘christelijk radicalisme’ in het bijzonder, ‘voortkomt uit een bewuste of onbewuste haat (…) jegens de wereld, of het nu de haat is van de goddelozen of van de vrome.’
En het is een heel eind verwijderd van de man die met Kerst 1942 reflecteert op de ‘onvergelijkbare waarde’ van het hebben geleerd ‘de grote gebeurtenissen van de wereldgeschiedenis van onderaf te zien, vanuit het perspectief van de verstotenen, de verdachten, de mishandelden, de machtelozen, de onderdrukten en verguisden, kortom vanuit het perspectief van het lijden.’
de film Bonhoeffer loopt daarom het risico Bonhoeffers erfenis als theoloog, pastor en man van verzet bloot te stellen aan nog meer misbruik. In een tijd waarin het politieke en religieuze discours steeds meer doorspekt is met xenofobe, autoritaire en nationalistische retoriek, en in het slechtste geval christelijk nationalistische retoriek, is dit niet wat nodig is. Het is niet verrassend dat Bonhoeffer-experts over de hele wereld en Bonhoeffers eigen familie zich zorgen maken.
Maar is Bonhoeffer desondanks de prijs van een kaartje waard? Na het zien van de film blijft het bij mij toch knagen. Want naast het pathetisch overdreven Amerikaans-Duitse accent van de acteurs, naast de enorm vrije omgang met situaties en teksten uit de Bijbel, de enorm vrije filmische brei en fouten van fictie en geschiedenis, blijf ik het mij afvragen: is dit nu wel of niet een goede kennismaking met de figuur van Dietrich Bonhoeffer? ‘Tuurlijk, er is inhoudelijk heel, heel veel mis met deze film, – maar dat geldt voor mij ook met de jaarlijkse The Passion op tv – kan het dan toch niet een ingang vormen voor mensen als kennismaking met Dietrich Bonhoeffer?
Misschien verrassend genoeg denk ik dat het dat wel is: al was het maar vanwege de ontknoping.
In een opeenhoping van verfraaide feiten zijn de laatste scènes van de film ook enorm aangrijpend en diep ontroerend. Kort voor zijn executie gaat Bonhoeffer zijn medegevangenen voor in het ochtendgebed, waarbij hij brood breekt en wijn met hen drinkt als herdenking van de dood van Jezus Christus. Vervolgens loopt Bonhoeffer in vrede naar de galg, wetende dat voor hem, als discipel van Jezus Christus, zijn dood slechts het begin van het leven is.
Het is zo’n standvastige hoop, in het aangezicht van alle vernederende absurditeit van menselijke tegenstrijdigheden (om wat woorden van Fjodor Dostojevski te lenen), waar de kerk en onze wereld vandaag de dag misschien het meest wanhopig behoefte aan hebben.
Wat me de laatste tijd opvalt is dat veel sporters tijdens de wedstrijd blijk geven van hun geloof. Dat gebeurde ook regelmatig tijdens de Olympische Spelen. Én dat veel verslaggevers daar geen oog voor hebben, het niet vertaald wordt of er maar een draai aangeven: ‘ze roepen de goden aan…’. Hun routine vóór of ná hun prestatie is geen gebed tot de goden van een heidens pantheon, een smeekbede om een beetje geluk of voorspoed, maar een gebed tot God en Jezus – ja, van een commentator die zijn huiswerk had gedaan, had je dat kunnen verwachten. –
Zo’n openbare uiting van toewijding is geen uitzondering. Een kenmerk van de afgelopen Olympische Spelen was het aantal atleten dat hun geloof. Elke keer zie je wel iemand God bedanken, een kruis slaan, reclame maken voor zijn geloof, niet zozeer als een smeekbede om de overwinning, maar meer als een manier om met de ups en downs van de sport om te gaan.
Wanneer je deze openbare christelijk geloofsuiting naast de rij boven de openingsceremonie plaatst, roept dat een interessante vraag op. Tijdens die ceremonie waren christenen over de hele wereld boos over wat leek op een parodie op het Laatste Avondmaal. De organisatoren van de Olympische Spelen beweerden toen dat de aanstootgevende scène niet bedoeld was om de spot te drijven met het hart van de christelijke eredienst, maar een verwijzing was naar Dionysius en het feest van de heidense goden, waarmee de moderne Olympische Spelen werden verbonden met hun wortels in de heidense wereld van de klassieke periode.
Als het een verwijzing was naar het heidense feest van Dionysius, was de openingsceremonie misschien een nog veelzeggender teken van de richting van onze cultuur dan we zouden denken, en een teken dat christenen misschien nog meer zorgen baart dan een tweederangs bespotting van het Laatste Avondmaal. Omdat het een keuze verduidelijkt waar onze cultuur mee te maken kan krijgen naarmate ons westerse tijdperk vordert.
In 1939, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, gaf T.S. Eliot een reeks lezingen. Daarin deed hij een grimmige prognose:
‘De keuze die voor ons ligt, is tussen de vorming van een nieuwe christelijke cultuur en de acceptatie van een heidense cultuur.’
Eliot dacht dat zijn samenleving noch volledig christelijk, noch volledig heidens was, maar ‘neutraal’. Toch vreesde hij dat dit niet lang zou duren. Een dergelijk ‘politiek liberalisme’ dreigde zijn eigen ondergang te bevorderen door een willekeurige weigering om morele waardeoordelen te vellen en te kiezen tussen versies van het goede. Toen Eliot de opkomst van het fascisme in Europa zag, dat op het punt stond van de meest vernietigende oorlog in zijn geschiedenis tot nu toe, deed hij een belangrijke bewering: dat het enige alternatief voor wat hij zag als een heidens totalitarisme een christelijke samenleving was.
Dichter bij onze tijd is een soortgelijke gedachte bij anderen opgekomen. Onlangs mijmerde onlangs een feministische schrijfster over het idee dat onze samenleving opnieuw heidens wordt, waarbij ze het morele raadsel over moderne abortus aanhaalde. Ondanks dat ze geen praktiserend christen is, ziet ze abortus vertoont ongemakkelijke overeenkomsten met heidense kindermoord, een teken dat we teruggaan naar een moreel plan met een sterke gelijkenis met heidense waarderingen van het menselijk leven. De Joodse feministische schrijfster Naomi Wolf heeft hetzelfde gedaan in een buitengewoon essay. Ondanks haar neiging om te gemakkelijk af te glijden naar samenzweringstheorieën, betoogt ze overtuigend dat naarmate het Joods-christelijke ethos dat de westerse samenleving ondersteunde, is verdwenen, wat is ontstaan geen goedaardige neutraliteit is, maar duistere krachten die vroeger op de achtergrond van de religie van het Oude Testament loerden:
‘de pure amorele macht van Baäl, de vernietigende kracht van Moloch, de ongebreidelde verleiding en seksuele losbandigheid van Astarte of Ashera, dat zijn de oerkrachten die mij inderdaad lijken te zijn teruggekeerd… of in ieder geval de energieën die ze vertegenwoordigen, morele macht over; doodsverering; oppositie tegen de seksuele ordelijkheid van het intacte gezin en trouwe relaties, ze lijken te zijn ‘teruggekeerd’, zonder terughoudendheid.’
Het nazisme waar Eliot naar verwees, was, zoals we nu weten, een doodlopende weg, letterlijk. We troosten onszelf vandaag met de gedachte dat we zulke extremen achter ons hebben gelaten, dat de afgoderijen van fascisme en communisme respectievelijk in 1945 en 1989 werden verslagen, en dat we nu een seculiere liberaal-democratische ruimte erven die gelukkig neutraal is en de vrede bewaart tussen verschillende claims op de waarheid, een vooruitgang ten opzichte van zowel het heidendom als het christendom.
De makers van de openingsceremonie van de Olympische Spelen rechtvaardigden hun creatie zonder een spoor van ironie door te zeggen dat het een viering was van de Franse Republikeinse ideeën van inclusie, vrijheid, mensenrechten enzovoort, de vrijheid, broederschap en gelijkheid van de Franse Revolutie, die op zijn beurt was geboren uit de Franse Verlichting. Dit was een secularisme dat tentoon werd gespreid. Het was een klassiek libertair beeld van vrijheid, de absolute vrijheid om te kiezen wat we met ons leven doen, van individuele zelfexpressie, zonder overkoepelend, universeel idee van het Goede, wat natuurlijk een bepaald begrip is van wat vrijheid betekent. Het onderscheidt zich bijvoorbeeld van een ouder beeld van vrijheid als geleidelijke bevrijding van (en dus de disciplinering van) enkele van onze innerlijke, conflicterende impulsen die als destructief voor de ziel of de samenleving worden beschouwd. Seculier liberalisme dat zichzelf voordoet als vanzelfsprekend, de mening van alle weldenkende mensen, is zo vaak niet in staat te zien hoe het voor anderen – moslims en christenen bijvoorbeeld – allesbehalve vanzelfsprekend is. Er zijn veel mensen over de hele wereld die niet tevreden zijn met een overkoepelend moreel schema dat erop staat hen te vertellen dat hun geloof een privéaangelegenheid is in plaats van een afzonderlijke transcendente waarheid.
Dus, wat als de openingsceremonie een lofzang was op Franse waarden, geworteld in de Franse Verlichting? En wat heeft dat te maken met heidendom?
Achter het schijnbare rationalisme of de tolerantie was het voor de Verlichting het een eis om alles in twijfel te trekken. Het was een verwerping van één enkele geloofsbelijdenis, ten gunste van meerdere manieren van leven en geloven. Het tijdperk greep terug naar het klassieke verleden, zag zichzelf als een voltooiing van de Renaissance en liet uiteindelijk de overblijfselen van religie achter die de Renaissance nog had behouden. De Verlichting was niet zozeer de geboorte van een nieuw rationeel tijdperk, maar in feite een vernieuwing van een oud heidens sensueel pluralisme.
Dat we tot het heidendom zijn terugkeert kun in meerdere zaken zien. We zijn teruggekeerd naar een soort pluralisme waarin er veel objecten van aanbidding zijn onder een overkoepelend schema dat elk van hen de ultieme waarheid of waarde ontkent.
Natuurlijk, er zijn geen tempels meer voor Bacchus, Aphrodite, Tyche of Plutus op straathoeken in onze steden. Toch waren dit vroeger de goden van wijn, liefde, toeval en rijkdom. Het is moeilijk te ontkennen dat de aantrekkingskracht van die verslavende middelen, de verleiding van seks, de hoop op een loterijwinst of de wens om rijk te zijn, het leven in onze wereld niet domineren. Er wordt beweerd dat heidendom nooit echt is verdwenen. Het bleef op de loer liggen in de hoeken van Europese samenlevingen, zoals blijkt uit een bijvoorbeeld een boek van Anton Wessels ‘Kerstening en ontkerstening van Europa’’.
Leslie Newbigin, een christelijke missioloog, bracht het grootste deel van zijn leven door als missionaris in India In de jaren 80 keerde hij terug naar het door de Verlichting gevormde Westen. Hij zag toen dat het Western was verworden tot een seculiere samenleving waarin geen algemeen erkende normen bestonden. ‘We weten nu’, betoogde hij, ‘dat het enige mogelijke product van dat ideaal een heidense samenleving is. Want de menselijke natuur verafschuwt een vacuüm. Maar het heiligdom blijft niet leeg. Als het enige ware beeld, Jezus Christus, er niet is, zal een afgod zijn plaats innemen.’
Vroege christenen gaven al aan, dat die goden tot slaaf maken. Als je jezelf volledig overgeeft aan drugs, seks, geld of Dionysisch genot, zullen ze uiteindelijk je leven beheersen, je tot slaaf maken en vernietigen, zoals veel verslaafden hebben ontdekt.
Misschien had Eliot gelijk: Het kost veel tijd om religieuze overtuigingen diep te laten wortelen. Zowel het christendom als het heidendom zijn diep in onze bodem geworteld. En dus heeft de Europese cultuur eigenlijk maar twee opties: het heidendom dat eeuwenlang heeft bestaan vóór de komst van het christendom, en het christendom dat het heeft vervangen.
De Olympische Spelen lieten ons twee paden zien. Het ene werd aangeboden door de makers van de openingsceremonie, het andere door de atleten die een hoger doel zien dan een gouden medaille of aardse roem. Ach, de makers van de openingsceremonie hadden misschien niet de bedoeling om het christendom aan te vallen. Toch juichten ze met plezier iets toe dat Europeanen al lang geleden achter zich hebben gelaten.
En we zouden even moeten stilstaan voordat we dat vieren.
De schittering en vreugde van medaillewinnaars op de Olympische Spelen in Parijs is ongelooflijk om te zien. Hun discipline en gebrachte offers tijdens de training werpen hun vruchten af in betoverende uitingen van uitmuntendheid en momenten van pure vreugde. Maar om winnaars te zijn, moeten er ook verliezers zijn, en er zijn onthullende momenten van verpletterende teleurstelling geweest die nooit leuk zijn om te zien. Bijvoorbeeld over de soms mindere prestaties van Femke Bol of Lieke Klaver. Sommigen zullen vinden dat zij faalden, anderen zullen zeggen dat dit bij sport hoort.
Maar weinigen van ons zullen ooit Olympische grootheid bereiken, of de media-erkenning die het profiel van een atleet definieert door zijn naam voor altijd te verbinden aan zijn prestatie. Maar we hebben allemaal een innerlijke neiging om te geloven dat onze waarde gebaseerd is op wat we kunnen bereiken. We leven in een cultuur die ons voortdurend de boodschap stuurt dat goedkeuring en waarde afhangen van je resultaten. Velen van ons geloven dat, en vallen dan voor een leven van voortdurende intensiteit – een ‘cyclus van verdriet’ – terwijl we fel streven naar resultaten, maar rouwen om het verlies van onze innerlijke vrede. En deze culturele boodschap van acceptatie door prestatie wordt echt giftig wanneer we de leugen gaan geloven dat onze identiteit gebaseerd is op onze prestaties.
Het zijn niet alleen atleten die hierdoor risico lopen. Denk eens na over hoe ons onderwijssysteem dezelfde boodschap over cijfers uitzendt. Duizenden tieners lijden aan angst en psychische aandoeningen als ze examens afleggen, omdat ze geloven dat hun eigenwaarde afhangt van hun cijfers. De winnaars zullen worden gefeliciteerd, maar anderen zullen depressief worden van het falen.
Ik ken veel werkplekken waar ‘prestatiemanagement’ zo onderdrukkend is geworden dat het leidt tot gedrevenheid, perfectionisme en burn-out. Zelfs gepensioneerden kunnen zich gedreven voelen om hun ‘bucketlist’ af te werken voordat ze sterven of ziek worden. Dus mensen uit alle lagen van de bevolking raken gemakkelijk verslaafd aan de tredmolen van ‘prestatiegericht leven’ en voelen zich moe, gevangen en onrustig. Ze lijden onder de valse overtuiging dat zelfrespect afhankelijk is van prestaties. Als je dat gelooft, mag je van jezelf niet falen of wordt je zelfs ziek omdat je je voelt tekortschieten.
Er is een betere manier. We kunnen ervoor kiezen om afstand te doen van die verderfelijke leugen van een prestatie-identiteit en de diepe waarheid te bevestigen dat onze echte identiteit en betekenis te vinden zijn in wie we zijn als Gods geliefde kinderen. We kunnen onze emoties verankeren in de zekerheid van die ware identiteit. Het is mogelijk om te besluiten om de manie voor resultaten en onze cultuur van voortdurende intensiteit onder ogen te zien. Een daad van verzet tegen een wereld die wordt gedomineerd door de behoefte aan succes. God weet dat we een pauze nodig hebben, niet alleen om te rusten, maar om ons hart en onze geest te heroriënteren op de waarheid. We worden onvoorwaardelijk geliefd en hoeven niet te streven naar prestaties om geaccepteerd en belangrijk te worden voor God. Daar zit een diepe vrede in. Een vrijheid en veerkracht die het mogelijk maken om te concurreren zonder angst voor falen.
In de Bijbel wordt het woord uitmuntendheid nooit toegepast op prestatie, alleen op karakter, en de meest uitmuntende manier is liefde. De christelijke wereldvisie viert geweldige prestaties, maar vermijdt om er een afgod van te maken, omdat dat leidt tot een destructieve obsessie en onzekerheid.
Zeker zijn van God gaat niet over het vermijden van competitie of druk. Het is leren om uitstekende prestaties na te streven zonder het gevoel dat onze identiteit wordt gestolen door onze cijfers, of banen, of andere mensen ons goedkeuren of ons medailles toekennen. Prestaties van topkwaliteit zijn superieur en we moeten met heel ons hart ons best doen, wat we ook doen. Maar God is een God van genade, die iedereen onvoorwaardelijk liefheeft, accepteert en eert, inclusief degenen die zich niet eens kwalificeerden voor de Olympische Spelen, net zo goed als degenen die op het podium stonden.
Mieren zijn er in het land van de Bijbel en in ons eigen land. We zien ze vooral in de zomer. Het zijn kleine beestjes, die vol ijverig bezig zijn om voedsel naar hun nest te brengen. We kunnen ons er over verbazen dat de mieren zo sterk zijn. In verhouding tot hun eigen gewicht kunnen ze zware dingen verplaatsen. Al zien we nog geen mier, dan nog kunnen we aan de kleine korrels grond tussen de tegels en stenen hun aanwezigheid opmerken. Wie een mier over zijn arm voelt kruipen, weet dat dit irriteert.
Mieren, ze horen er voor ons besef bij, zonder dat ze veel bijdragen aan ons menselijk leven. De Bijbel wil ons brengen tot verwondering ook over dit insect, de Schepper van dit beestje en zijn boodschap. We kijken dus met aandacht naar de mier. De Spreukendichter stuurt ons op weg naar de mier. We hoeven dan geen verre reis te maken. Ze zijn achter ons huis te vinden. Als we dan een mier, meestal meerdere mieren, gevonden hebben roept de tekst ons om met aandacht te gaan kijken naar dit beestje. Goed bekeken is dit kleine beestje al een wonder op zichzelf. Het kopje, het lijfje en de pootjes. Wie dit beestje onder een microscoop legt verbaast zich nog meer. Hoe mooi, hoe kunstig. Vakmanschap, door God geschapen. Deze beestjes zijn vol ijver bezig. Niet eentje zit er stil. Ze zijn constant in beweging. We spreken wel over een bezige bij, maar dat geldt evengoed een mier. In de zomerperiode zorgen ze voor voldoende voedsel voor de winterperiode. De ijver van de mieren brengt me bij de ijver van Jezus. Van Hem lezen we, dat Hij altijd leeft om te bidden voor hen, die door Hem tot God gaan. Hij is altijd bezig met dat grote werk. Wat een bemoediging.
Behalve dat we opgeroepen worden om te letten op de mieren, spreekt de tekst ook van wijs worden. We begrijpen wel wat hij bedoelt. De les van de mier is, dat we onze luiheid achter ons laten en ijverig zijn in de taak, die we van God ontvangen hebben. Zo gebruikt God het beeld van de mier. Hij geeft ons onderwijs door dit diertje. Bij het overdenken van deze tekst vinden we nog een wijze les bij de mieren. Een les, die we hard nodig hebben in onze tijd. Mieren leven niet afzonderlijk, maar in een groep, in een volk. Juist het samenleven maakt, dat een mier kan bestaan en voort bestaan. De eendracht van dit volk maakt hen sterk. Wie op de plaats van een mier let, te midden van het mierenvolk, die merkt dat elke mier een eigen plaats en taak heeft in de kolonie. Hoe groot is de onderlinge samenwerking! Alle mieren functioneren zo, dat ze de opbouw en het voortbestaan van de groep dienen en daardoor hun eigen welzijn. Niet het eigen belang, maar het gemeenschappelijk belang staat voorop. Zonder gedoe.
In de wereld van coaching en trainingen was lange tijd een belangrijke vraag: kijk je naar de wereld door een bril van schaarste of door een bril van overvloed? En het pleidooi was dan dat denken vanuit schaarste ongelukkig maakt. Je bent dan gefocust op wat er niet is. Je stop energie in wat je nog niet hebt. Je ziet het leven vooral als een gevecht, een strijd. Ik moet vechten voor mijn aandeel. Ik moet me onderscheiden ten opzichte van anderen. En je belandt al te snel in een ratrace.
En tegenover dit schaarste-denken werd dan het denken en leven vanuit overvloed geplaatst. Ga uit van overvloed, geloof erin dat er genoeg is en dat het jou ten deel valt. De extreme uitingsvorm daarvan is manifesteren. Als ik iets maar hard genoeg wil,dan komt mijn droom vanzelf uit. Word ik vast de beste versie van mijzelf. Name it, claim it.
We stuiten in onszelf en in elkaar op onze schaduwzijden, ons falen. Op ons onvermogen om echt te veranderen. We zitten gevangen in systemen die op allerlei manieren beschadigend zijn. Zijn deel van een mensheid en een generatie die collectief faalt. Het lukt ons vaak van geen kanten om te leven van genoeg.
En we beseffen met elkaar steeds meer dat het tij begint te keren. Dat we in plaats van een bril van overvloed eerder behoefte hebben aan een bril van genoeg.
Vanuit christelijk oogpunt vind ik dat daar iets blijmoedigs inzit. Want boven de mensheid die verwikkeld is is in de ratrace van rupsje-nooit-genoeg hangt de Jezus Christus de Gekruisigde, licht en kalm, te midden van de donkerte, de pijn, nood en schuld van de hele mensheid. De man aan het kruis deelt in dat menselijk bestaan maar gaat er niet in onder. Hij overstijgt het, wordt verhoogd. En draagt het weg, verzoent het, overwint het. Er schemert ook altijd iets van ochtendlicht in door. Op Golgotha volgt Pasen. Er hangt de belofte in de lucht van opstanding. Van een ander, nieuw bestaan. Vader, vergeef het hen want ze weten niet wat ze doen. Ze hebben werkelijk geen idee.
Apostelen hebben het evangelie van de Gekruisigde vertaald in raadgevingen, aansporingen, leefregels. Denk aan het pleidooi op diverse plaatsen in de Apostolische brieven voor gematigdheid: maat weten te houden. En voor zelfbeheersing (jezelf niet verliezen, niet overvragen of overschreeuwen). Denk aan het gebed in Filippenzen 1 om ‘inzicht en fijnzinnigheid om te kunnen onderscheiden waar het op aan komt’. Of de aansporing in 2 Timoteus 1 vers 7: ‘God heeft ons niet een geest van lafhartigheid gegeven, maar een geest van kracht, liefde en bezonnenheid.’ In bezonnenheid zit iets van gevoel voor wat passend is, gevoel voor proporties, voor wat genoeg is. Niet teveel, niet te weinig. Mensen op zoek naar een ander, nieuw bestaan, een leven van genoeg.
Hem volgen is ons oude bestaan met Hem te laten sterven en met Hem opstaan in een nieuw leven. Onszelf oefenen in omdenken.
Het is verkiezingstijd. En één van de grote onderwerpen die ook de komende strijd bepalen is het topic over de instroom van vluchtelingen. Het kabinet is er zelfs over gevallen. Mensen die wegvluchten voor de onveiligheid, onvrijheid of simpelweg een boterham willen verdienen. Wie zou in zo’n onzekerheid willen leven? Maar de ze mensen moeten we buiten de deur houden, want…
Een groot voorbeeld voor zo’n hardvochtige opstelling is dan de Hongaarse premier Orbán is een persoon die altijd als hardliner de harten van heel veel mensen wint. Hij zegt namelijk: we moeten geen vluchtelingen opnemen, want de grote toestroom van moslims bedreigt de christelijke identiteit van ons continent. En op 3 mei jl. stemde dus een overweldigende meerderheid van het Hongaarse parlement, gecontroleerd door de partij van premier Viktor Orbán, voor een resolutie met daarin klip-en-klaar de verklaring: ‘Wij willen geen immigratieland worden.’ De media sprongen er bovenop, gezagsdragers deden ronkende uitspraken op radio en tv. Inmiddels zijn deze woorden opgepikt door landen als Polen en Slowakije, die met zo’n redenering de asielzoekers weigeren die de EU hen wil toebedelen. Deze woorden maken mij echt boos en verdrietig. Want bedreigt deze instroom je identiteit, als er in Europa allang zo’n 50 miljoen moslims wonen? Weet u trouwens wat verbazend is? Op dezelfde dag nam hetzelfde Hongaarse parlement ook een wet aan die het stukken makkelijker moet maken om gastarbeiders van buiten de Europese Unie op tijdelijke arbeidscontracten naar Hongarije te halen. Dat gebeurde heel stilletjes en kreeg amper aandacht in de media. Want Hongarije heeft tussen 2010 en 2023 300.000 inwoners verloren door emigratie en lage geboortecijfers. En als lagelonenland waar veel westerse bedrijven afgelopen jaren fabrieken hebben gevestigd, is het land nu begonnen hoge aantallen Aziatische arbeidskrachten te importeren. Volgens het Hongaarse statistiekbureau waren dat er in 2022 86.000 – een stijging van 14 procent ten opzichte van het jaar ervoor.
Maar goed, het eerste nieuws is uitermate droevig en ik word er boos van. Vooral word ik boos en droevig, omdat uit deze woorden een totáál onbegrip blijkt van wat ‘christelijke identiteit’ inhoudt. Houdt dat niet in dat je een volgeling van Jezus bent, en zijn woorden serieus neemt? En wat, denkt u, zou Jezus doen als hij geconfronteerd werd met zoveel mensen in nood? Ik zal een paar woorden van Jezus aanhalen. ‘Wees barmhartig, zoals uw hemelse Vader barmhartig is’. ‘Ik had honger en jullie hebben mij te eten gegeven, dorst en jullie hebben mij te drinken gegeven. Ik was een vreemdeling en jullie namen mij op… want alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan’.
Als een continent, een land of een premier zich ‘christelijk’ noemt en er komen vluchtelingen op zijn pad, dient dan niet de eerste gedachte te zijn hoe je kunt helpen? Daarná komen pas de moeilijke vragen over wat je samen aankunt en waar grenzen liggen. Het startpunt ligt geheel anders: niet bij ‘houden wat we hebben’ – want ik vrees dat Orbán ten diepste dat bedoelt – maar bij bewogenheid.