Zwemmen leer je door te doen. Goed zwemmen leer je door in een steeds dieper bad te oefenen. Dat is logisch. Ook geloven leer je ook alleen maar door te doen. Goed geloven leer je door het te oefenen in de diepe lagen van jezelf en van het leven. Dat is logisch. Toch denken veel mensen dat geloven iets is van: ‘aan’ of ‘uit’. Je hebt het of je hebt het niet. Maar een beetje gezond verstand – en ook de mystieke traditie van de kerk – vertelt iets anders: In geloven kun je groeien. Want geloven lijkt nog het meest op zwemmen. Op de kant krijg je uitleg, in het pierenbadje wen je aan het water, en dan steeds verder het diepe in. En onvermijdelijk krijg je af en toe een flinke slok zwemwater binnen..
De Duitse theoloog Karl Rahner was gespecialiseerd in de spiritualiteit van de kerk. Zo’n vijftig jaar geleden probeerde hij zich voor te stellen hoe de spiritualiteit van de 21ste eeuw er uit zou zien. Volgens hem zou het drie kenmerken hebben: ·de Godservaring zou centraal staan ·de betrokkenheid op de wereld zou vanzelfsprekend zijn. ·het alledaagse leven zou de vorm zijn waarin spiritualiteit geoefend zou worden (wat ze vroeger: ascese noemden).
Hij meende: de gelovige van morgen zal iemand zijn die iets van God ervaren heeft – of zal geen gelovige meer zijn.
God ervaren? ‘Ja, mijn oma, die deed dat’, zegt de jonge vrouw met wie ik spreek. ‘Die beleefde God. Dat kon je merken toen ze dood ging, namelijk heel rustig, vol overgave. Maar ik weet het nog niet zo net. Hoe weet je dat je het niet allemaal fantaseert?’ ‘Vertel me eens’, zeg ik: ‘Heb je weleens meegemaakt dat je iets zeker wist, zonder dat je weet hóe je dat wist?’ ‘Ja’, zegt ze na enig nadenken. ‘Toen ik mijn vrouw leerde kennen. Ik wist gewoon dat zij het was.’
Met geloof is het net zoiets. Het kennen van God is als het kennen van de liefde. In de liefde geef je jezelf en word je kwetsbaar. Het is net alsof je dan niet alleen met je ogen, maar met je hart kijkt. En wat je dan van de ander leert kennen, heeft zo zijn eigen bewijskracht.
In de tijd van onze oma’s was het geloof vooral overgave, vertrouwen, juist in je kwetsbaarheid. In onze tijd is het geloof vooral een soort denksysteem. Een opvatting, een gedachte, een wereldbeeld, een set normen en waarden waar je het mee eens bent of niet. Daarom is het moeilijk voor mensen van deze tijd om een connectie met God te ervaren.
We leven horizontaal: de wereld is alles en de hemel ver weg. Het grote voordeel van zo’n levensgevoel is dat we ons echt bekommeren om de aarde. We leven niet voor het hiernamaals zoals mensen vroeger wel deden (en gelijk hadden ze: zo’n pretje was het niet om in grote armoede en kindersterfte te leven). Wij leven voor nú – en als we geloven, dan moet het voor het hiernumaals zin hebben. Toch heeft het een nadeel om zo horizontaal te leven. Ook de eeuwigheid is het verlengstuk van de tijd geworden: voordat je geboren wordt en nadat je dood bent. Eeuwigheid als een hoeveelheid van tijd. Maar eeuwigheid kun je ook zien als de verticale dimensie van de tijd: een kwaliteit ervan. We kennen het nog wel in onze spreekwoorden: een eeuwig moment is een heel bijzonder moment: zo bijzonder dat de tijd zelf iets tijdloos krijgt. Waarom zouden we niet herontdekken hoe de eeuwigheid van de tijd iets heel bijzonders maakt? Geloven is niet iets anders dan leven in de wereld – maar dan goed.
Leren zwemmen doe je in een zwembad. Maar waar leer je geloven? In het gewone leven, zegt de wijsheid van de kerk, lang voordat Karl Rahner het opnieuw onder de aandacht bracht. Hoe dan? Met aandacht leven en luisteren naar wat de praktijk tegen je zegt. De manier waarop je naar het leven kijkt, laten bijstellen door de Bijbel. In de praktijk brengen wat je echt zelf hebt geleerd, al is het maar met kleine stapjes. Oefen in je relaties hoe je waarheid en liefde bij elkaar kunt houden. Doe er dan een scheutje barmhartigheid en vergeving bij dan ben je aardig op weg. En als je echt goed wilt geloven: ga dan de diepte in. Breng de moeilijke dingen van het leven in gesprek met de God van Jezus. Leef je vragen en houd het uit tot ze zichzelf tot rust brengen. Als je zo leeft, zul je merken dat er iets gaat schuiven. Net als bij het zwemmen: het water zelf gaat je dragen.
Still uit de film Bonhoeffer. Pastor. Spy. Assassin.
Dietrich Bonhoeffer heeft zijn 40ste verjaardag nooit gehaald.
Hij werd ter dood veroordeeld in een schijnproces in het concentratiekamp Flossenbürg. Hij werd naakt, naar de galg geleid en in april 1945 op direct bevel van Adolf Hitler geëxecuteerd; officieel wegens verraad.
Sindsdien zijn Bonhoeffers leven en gedachten onderhevig geweest aan projecten en wensvervulling. Bonhoeffer is geseculariseerd, geliberaliseerd, geradicaliseerd en gepopulariseerd door mensen uit het hele religieuze en politieke spectrum, op manieren die slechts een oppervlakkige zorg voor historische feiten en weinig (of geen) begrip van zijn literaire nalatenschap laten zien. Onlangs en opmerkelijk genoeg, in feite weerzinwekkend, is Bonhoeffers naam zelfs gebruikt door de Amerikaanse rechtse Heritage Foundation om het zogenaamde ‘open-grenzenactivisme’ en ‘milieu-extremisme’ van Amerikaanse links te veroordelen in hun Project 2025, een verlanglijst voor het presidentschap van Donald Trump.
Het was dan ook met gemengde gevoelens dat ik de nieuwe film Bonhoeffer: Pastor. Spy. Assassin ben gaan kijken.
Uitgebracht door het christelijke productiebedrijf Angel Studios heeft de film de volgende trailer:
‘Terwijl de wereld op de rand van vernietiging balanceert, wordt Dietrich Bonhoeffer meegesleurd in het epicentrum van een dodelijk complot om Hitler te vermoorden. Met zijn geloof en lot op het spel, moet Bonhoeffer kiezen tussen het hooghouden van zijn morele overtuigingen of alles op het spel zetten om miljoenen Joden te redden van genocide. Zal zijn verschuiving van het prediken van vrede naar het beramen van moord de loop van de geschiedenis veranderen of hem alles kosten?’
De bijbehorende afbeelding toont de pacifisme predikende Bonhoeffer met een pistool in zijn hand.
Zoals elke biopic voor het grote scherm, mengt de film Bonhoeffer feiten en fictie met een flinke scheut artistieke en filmische vrijheid. Deze vrijheid is natuurlijk noodzakelijk voor de kunst van het scenarioschrijven: tijd moet worden gecomprimeerd; biografie moet worden verlevendigd; karakters van mensen moeten worden gedemonstreerd; want uiteindelijk moet de film worden bekeken.
Het lijdt geen twijfel dat Bonhoeffer tijd doorbracht aan het Union Theological Seminary in New York en dat hij daar klaagde over de staat van de Amerikaanse theologie; dat hij actief deelnam aan de Abyssinian Baptist Church in Harlem en goede vrienden werd met een Afro-Amerikaanse student genaamd Frank Fisher.
Maar leren jazzpiano spelen in een nachtclub in Harlem? Met de kolf van een geweer worden geslagen door een racistische hoteleigenaar? En een vurig voorvechter worden van Afro-Amerikaanse burgerrechten? En de fictieve Harlem-preek bevat ook een verwijzing naar de executie van 33.000 Joden nabij Kiyv – het bloedbad van Babi Yar, dat pas in september 1941 plaatsvond. Bonhoeffers verblijf in Harlem stond inderdaad centraal in zijn denken, met name over kwesties die verband hielden met ras. Toch bagatelliseert de vermenging van gebeurtenissen die plaatsvonden rond het hoogtepunt van de genocide (de meeste Joden die tijdens de Holocaust werden vermoord, stierven in 1942 en 1943) met gebeurtenissen en geschriften uit de zomer voor de oorlog de ontwikkeling van Bonhoeffers theologie; zoveel van zijn denken was een nauwgezette maar directe reactie op wat hij met eigen ogen zag.
Er bestaat ook geen twijfel over dat toen Hitler aan de macht kwam, dat Bonhoeffer zich uitsprak tegen de gevaren die inherent waren aan het Führer-concept en dat hij in de jaren dertig onverzettelijk kritiek uitte op het nazisme en de nationaalsocialistische ideologie.
In de film krijgt hij de volgende woorden in de mond gelegd: ‘Ik kan niet blijven doen alsof bidden en onderwijzen genoeg is.’ ‘Vuile handen … Dat is alles wat ik te bieden heb.’ Of, als antwoord op de vraag van zijn vriend en student Eberhard Bethge, of Hitler de eerste kwaadaardige leider is sinds de Schrift werd geschreven: ‘Nee. Maar hij is de eerste die ik kan stoppen.’
Waren dit ooit zijn woorden?
Nee, niemand zal ook betwisten dat Bonhoeffer een ondergronds seminarie leidde in Finkenwalde om toekomstige predikanten van de Bekennende Kirche in Duitsland op te leiden; of dat hij zei: ‘Elke roep van Christus leidt tot de dood’. Maar de film verdraait ook enkele belangrijke aspecten van de bredere historische context. Cruciaal is dat Hitler en de nazipartijleiding, net als – foutief – in Eric Metaxas’ Bonhoeffer-biografie, worden afgeschilderd als degenen die de Deutsche Evangelische Kirche (Duitse Protestantse Kerk, DEK) overnemen en die hun greep daarop blijkbaar nooit opgeven, waarmee ze een Reichskirche creëren. Ondertussen bestrijdt de Bekennende Kirche – hier geleid door Bonhoeffer en Niemöller – moedig de nazi’s, met name hun anti-joodse beleid en acties, waaronder de Holocaust. Dit misleidende verhaal suggereert dat er twee kanten aan de Kerkstrijd waren: de (ogenschijnlijk onverschrokken) Bekennende Kirche en de Reichskirche, die in de film het restant van de DEK vertegenwoordigt, die zogenaamd door Hitlers ‘brute nationalisme’ was ingelijfd.
Deze versie van de kerkstrijd versmelt de Rijkskerk, de aanzienlijke minderheidsfractie van de DEK, de Duitse christenen, die gretig vele aspecten van het nazisme omarmden en ‘gedejudaïseerde’ Bijbels en gezangboeken creëerden en gebruikten. Toch laat ze de meerderheid van de Duitse protestanten volledig buiten beschouwing, die ervoor kozen zich niet aan te sluiten bij de Duitse christenen of de Bekennende Kirche. Ze verzwijgt ook het feit dat Hitler uiteindelijk het idee van een Rijkskerk opgaf.
Maar wat wel betwistbaar is, is dat (zoals de film suggereert) Finkenwalde een veilige haven was van waaruit een complot om Hitler te vermoorden werd gelanceerd, en dat Bonhoeffers meest memorabele aforisme van christelijk discipelschap bedoeld was om te worden samengevoegd, zoals in de film gebeurd, met beelden van een samenzweerder die een zelfmoordbom voorbereidde.
En Bonhoeffer sloot zich zeker aan bij de Duitse militaire inlichtingendienst en fungeerde als een soort dubbelagent. Hij gaf zeker informatie over de samenzwering door aan internationale kerkleiders tijdens zijn reizen buiten Duitsland. Hij wist zeker van zowel ‘Unternehmen Sieben’ (een plan om een kleine groep Joden en Joodse christenen uit Duitsland te smokkelen naar veiligheid in Zwitserland), als het geplande complot om Hitler te vermoorden.
Maar om, zoals de film ook doet, te suggereren dat Bonhoeffer centraal stond in deze plannen en er persoonlijk bij betrokken was, of dat hij via bisschop George Bell aan Winston Churchill vroeg om te lobbyen voor het leveren van een bom die de samenzweerders konden gebruiken om Hitler te doden, is niets meer dan een zeer omstreden en zelfs samenzweringstheorie. Andere scènes zijn – onbedoeld – onnauwkeurig of ‘metaforisch’. Wanneer Martin Niemöller het (inmiddels beroemde) gedicht ‘Als die Nazis die Kommunisten holten..’ voordraagt, doet hij dat met een donderende preek op profetische wijze, alsof hij die beroemde woorden al uitsprak voordat de nazi’s ‘hem kwamen halen’. In de film wordt de preek blijkbaar in 1944 gehouden, hoewel Martin Niemöller in 1937 werd gearresteerd en in 1944 in Dachau zou zijn geweest (de Niemöller in de film verklaart tijdens de preek dat hij ‘dertien jaar’ hun predikant was geweest; Niemöller werd in 1931 predikant in Berlijn-Dahlem). Wat bekend zou worden als Niemöllers ‘bekentenis’ werd pas na de oorlog uitgesproken, dus na zijn zeven jaar durende opsluiting in eerst een Berlijnse gevangenis, vervolgens Sachsenhausen en uiteindelijk Dachau.
Zeker, Bonhoeffers leven en gedachtegoed zijn duidelijk boeiend, maar het is ook complex.
Bonhoeffer liet een reeks boeken, essays, preken, onafgemaakte manuscripten, werknotities en brieven na, die allemaal notoir moeilijk te interpreteren zijn. Bonhoeffer walst over deze moeilijkheid en complexiteit heen en trivialiseert daarmee de erfenis van een hedendaagse, gemartelde christelijke heilige. De film vertelt ook gedeeltelijk een onwaar verhaal: het verhaal van een man die voorbestemd is, ja vastbesloten, om een leven van gebed, onderricht en diplomatie te verloochenen om een potentiële huurmoordenaar te worden en zich koste wat kost bezig te houden met gewelddadige politieke spionage en activisme.
Dit alles is (heel) ver verwijderd van de man die in 1930 Amerikaanse christenen aanspoorde om te onthouden dat ze broeders en zusters hebben ‘in elk volk,’ niet alleen in hun eigen volk, en dat als het volk van God verenigd zou zijn, ‘geen nationalisme, geen haat van rassen of klassen zijn plannen kan uitvoeren en (…) de wereld vrede zal hebben.’
Zeker, het is gebruikelijk dat filmmakers gebeurtenissen samenvoegen om een verhaal efficiënter te kunnen vertellen. Maar het verhaal van de film is een heel eind verwijderd van de man die in november 1940 schrijft dat ‘radicalisme,’ en ‘christelijk radicalisme’ in het bijzonder, ‘voortkomt uit een bewuste of onbewuste haat (…) jegens de wereld, of het nu de haat is van de goddelozen of van de vrome.’
En het is een heel eind verwijderd van de man die met Kerst 1942 reflecteert op de ‘onvergelijkbare waarde’ van het hebben geleerd ‘de grote gebeurtenissen van de wereldgeschiedenis van onderaf te zien, vanuit het perspectief van de verstotenen, de verdachten, de mishandelden, de machtelozen, de onderdrukten en verguisden, kortom vanuit het perspectief van het lijden.’
de film Bonhoeffer loopt daarom het risico Bonhoeffers erfenis als theoloog, pastor en man van verzet bloot te stellen aan nog meer misbruik. In een tijd waarin het politieke en religieuze discours steeds meer doorspekt is met xenofobe, autoritaire en nationalistische retoriek, en in het slechtste geval christelijk nationalistische retoriek, is dit niet wat nodig is. Het is niet verrassend dat Bonhoeffer-experts over de hele wereld en Bonhoeffers eigen familie zich zorgen maken.
Maar is Bonhoeffer desondanks de prijs van een kaartje waard? Na het zien van de film blijft het bij mij toch knagen. Want naast het pathetisch overdreven Amerikaans-Duitse accent van de acteurs, naast de enorm vrije omgang met situaties en teksten uit de Bijbel, de enorm vrije filmische brei en fouten van fictie en geschiedenis, blijf ik het mij afvragen: is dit nu wel of niet een goede kennismaking met de figuur van Dietrich Bonhoeffer? ‘Tuurlijk, er is inhoudelijk heel, heel veel mis met deze film, – maar dat geldt voor mij ook met de jaarlijkse The Passion op tv – kan het dan toch niet een ingang vormen voor mensen als kennismaking met Dietrich Bonhoeffer?
Misschien verrassend genoeg denk ik dat het dat wel is: al was het maar vanwege de ontknoping.
In een opeenhoping van verfraaide feiten zijn de laatste scènes van de film ook enorm aangrijpend en diep ontroerend. Kort voor zijn executie gaat Bonhoeffer zijn medegevangenen voor in het ochtendgebed, waarbij hij brood breekt en wijn met hen drinkt als herdenking van de dood van Jezus Christus. Vervolgens loopt Bonhoeffer in vrede naar de galg, wetende dat voor hem, als discipel van Jezus Christus, zijn dood slechts het begin van het leven is.
Het is zo’n standvastige hoop, in het aangezicht van alle vernederende absurditeit van menselijke tegenstrijdigheden (om wat woorden van Fjodor Dostojevski te lenen), waar de kerk en onze wereld vandaag de dag misschien het meest wanhopig behoefte aan hebben.
Hoe kijken we terug op 2024 wat betreft het christendom, de christelijke kerk? Werden we verder in een hoek gedreven of was zoals sommigen zeggen ‘de verrassende wedergeboorte van het geloof in God?’
Want in de afgelopen jaren en in 2024 hebben we een stroom publieke figuren gezien die verschillende gradaties van interesse in het christendom aangaven, of zelfs voluit geloofden. Sommigen… zijn belijdende gelovigen (Francis Spufford, Nick Cave), sommigen hebben een beetje in de kerkportiek rondgehangen (Tom Holland, Philip Goff), anderen zitten nog steeds op een bankje in het voorportaal (Alain de Botton). En dan is er Ayaan Hirsi Ali (die meezingt vanaf de kerkbanken), Jordan Peterson (soms op de preekstoel, soms in het koor) en zelfs Richard Dawkins (die glimlacht bij de uitvoering van Stille Nacht door het koor terwijl hij voorbijloopt).
In de Verenigde Staten gebeurd iets vergelijkbaars. Maar dan ingewikkelder. De alliantie van het evangelicalen met Donald Trump is op zijn zachtst gezegd problematisch. (zie hiervoor het boek van Kristin Kobes Du Mez Jesus and John Wayne. How White Evangelicals Corrupted a Faith and Fractured a Nation).
J.D. Vance, aankomend vice-president, is een serieuze christen, die de reis heeft gemaakt van een evangelische kerkelijke opvoeding, via studentenatheïsme naar een conservatief rooms-katholicisme. Eerst noemde J.D. Vance zich een ‘never-Trumper’ en vond Trump ‘idioot’ en ‘schadelijk’. Vance ging zelfs zover dat hij zich afvroeg of Trump niet ‘de Hitler van Amerika’ zou zijn. Geleidelijk aan veranderden zijn opvattingen over Trump. J.D. Vance koesterde politieke ambities en moest een kamp kiezen. Uiteindelijk veranderde hij van een uitgesproken tegenstander in één van Trumps felste verdedigers in de Senaat.
J.D. Vance belichaamt waar een groot deel van de huidige generatie Republikeinen in gelooft. Hij komt uit de ‘vergeten’ blanke onderklasse, maar werkte zich omhoog op een manier die past in het klassieke verhaal van de American Dream.
Op lokaal niveau zijn er eveneens veel verhalen over mensen die kerken binnenstappen, op zoek naar een soort betekenis in het leven en zich opnieuw of voor het eerst bezighouden met het geloof. Soms is het de krachtige emotie van charismatische of pinksteraanbidding, soms de majesteit van de gebouwen, het mysterie van katholieke liturgie (Stephan Sanders, Willem Jan Otten, Kristien Hemmerechts) of de oosters orthodoxe liturgie die jongeren trekt.
Mijn mening hierover, voor zover het iets waard is, is dat de westerse cultuur tijdelijk of definitief geen kracht meer heeft. In de twintigste eeuw kwamen zowel het fascisme als het communisme op en gingen ten onder. Francis Fukuyama verklaarde het ‘einde van de geschiedenis’ in de triomf van het seculiere, liberale, consumentenkapitalisme. Maar ook die lijkt opgedroogd, en wordt steeds meer als spiritueel hol en politiek verdacht ervaren. De ‘wokecultuur’ was een poging om een reeks morele waarden te herstellen om de onaangename en onrechtvaardige effecten van de ongebreidelde markt in te dammen, maar de strijdbaarheid en agressiviteit ervan, de poging om aspecten van de natuurlijke orde te weerstaan, om nog maar te zwijgen van de aanname van een destructieve fixatie op een reductionistische identiteitspolitiek, heeft een eigen terugslag gegenereerd.
Nick Cave verwoordde het goed in een recent interview: ‘mensen hebben behoefte aan betekenis, en de seculiere wereld heeft die niet bedacht.’ De eeuwige menselijke zoektocht naar doel en betekenis is niet verdwenen, en er is niet veel te bieden in de seculiere cultuur. Dus staan mensen plotseling open voor het verkennen van meer oude voorraden wijsheid.
Misschien is de grootste ironie van alles dat juist op het moment dat we misschien de opkomst van een openheid voor het spirituele, het ‘numineuze’ (het goddelijke) en het religieuze zien, de kerk niet in staat lijkt te zijn om daarvan te profiteren.
Dus, wat zijn de vooruitzichten voor 2025? Aan het einde van zijn monumentale en steeds invloedrijker wordende werk The Master and his Emissary, maakt neurowetenschapper Iain McGilchrist (zelf geen christen) een veelzeggend punt: ‘De westerse kerk is naar mijn mening actief bezig geweest zichzelf te ondermijnen. Ze heeft niet langer het vertrouwen om vast te houden aan haar waarden, maar sluit zich in plaats daarvan aan bij het koor van stemmen dat materiële antwoorden toeschrijft aan spirituele problemen. God is het interessante aan religie, en mensen hongeren naar God. We kijken naar de kerk om ons een ervaring van God, mysterie, heiligheid en gebed te geven die, hoewel het misschien niet de tegenstellingen van de natuurlijke wereld oplost, ons in contact zal brengen met de bovennatuurlijke wereld die een eeuwig leven zal brengen. Alleen de terugkeer van sterke religie, een religie die eisen stelt, dwingende verklaringen biedt voor de problemen van dood en lijden, en gelovigen een gevoel van verbondenheid met de levende God geeft, heeft enige hoop om te concurreren op de postchristelijke markt.’
Nee, in 2024 is religie in het algemeen en het christendom in het bijzonder nooit ver van de voorpagina’s geweest, ten goede noch ten kwade.
God is niet weggegaan. En de Kerk zal, als ze het beste wil halen uit een periode waarin mensen in de problemen weer naar haar kijken, daar misschien aandacht aan moeten besteden.
‘Het was echt een experiment’, zei Marco Schmid, werkzaam bij de Peterskapelle in Luzern, Zwitserland. ‘We wilden zien en begrijpen hoe mensen reageren op een AI Jesus. Waar zouden ze met hem over praten? Zouden ze interesse hebben om met hem te praten? We zijn waarschijnlijk pioniers op dit gebied.’
De installatie, bekend als Deus in Machina (God in de machine), werd in augustus gelanceerd als het nieuwste initiatief in een jarenlange samenwerking met een lokaal universitair onderzoekslaboratorium op het gebied van een realiteit van de ervaring van fysiek aanwezig te zijn in een niet-fysieke wereld.
Na projecten die hadden geëxperimenteerd met virtuele en augmented reality, besloot de kerk dat de volgende stap was om een avatar te installeren. Schmid zei: ‘We hebben het erover gehad wat voor soort avatar het zou zijn: een theoloog, een persoon of een heilige? Maar toen realiseerden we ons dat het beste figuur Jezus zelf zou zijn.’
Omdat er weinig ruimte was en de kerk op zoek was naar een plek waar mensen privégesprekken konden voeren met de avatar, bedachten zij om de geestelijke in de biechtstoel in te wisselen door een computer en kabels. Nadat het AI-programma was getraind in theologische teksten, werden bezoekers uitgenodigd om vragen te stellen aan een stereotiep beeld van Jezus met lang haar. ‘Hij’ reageerde in realtime en gaf antwoorden die waren gegenereerd door kunstmatige intelligentie. ‘Hij kon me bevestigen in mijn manier van doen,’ zei een vrouw. ‘En hij hielp me met vragen die ik had, zoals hoe ik andere mensen kan helpen Hem beter te begrijpen en dichter bij Hem te komen.’ ‘Ik was verrast. Het was zo makkelijk,’ merkte een andere vrouw op. ‘Hoewel het een machine is, gaf het me zoveel advies, ook vanuit een christelijk oogpunt. Ik voelde me verzorgd en ik liep echt getroost naar buiten.’
Mensen werd geadviseerd om geen persoonlijke informatie te verstrekken en te bevestigen dat ze wisten dat ze op eigen risico met de avatar in contact kwamen. ‘Het is geen biecht’, zei Schmid. ‘We zijn niet van plan om een biecht na te doen.’ Tijdens de twee maanden durende periode van het experiment grepen meer dan 1.000 mensen – waaronder moslims en toeristen van zo ver als China en Vietnam – de kans aan om met de avatar te communiceren.
Hoewel de gegevens over de installatie volgende week worden gepresenteerd, suggereerde feedback van meer dan 230 gebruikers dat tweederde van hen het een ‘spirituele ervaring’ vond, zei Schmid. ‘We kunnen dus zeggen dat ze een religieus positief moment hadden met deze AI-Jezus. Voor mij was dat verrassend.’
Anderen waren negatiever, sommigen vertelden de kerk dat ze het onmogelijk vonden om met een machine te praten. Een lokale verslaggever die het apparaat uitprobeerde, beschreef de antwoorden soms als ‘te gemakkelijk, in herhaling vallend en een wijsheid uitstralend die doet denken aan kalenderclichés’.
De feedback suggereerde dat er een groot verschil was in de antwoorden van de avatar, zei Schmid. ‘Ik heb de indruk dat hij soms echt heel goed was en dat mensen ongelooflijk blij, verrast en geïnspireerd waren’, zei hij. ‘En dan waren er ook momenten waarop AI Jesus op de een of andere manier niet zo goed was, misschien oppervlakkiger.’
Het experiment kreeg ook kritiek van sommige mensen van binnen de kerkgemeenschap, zei Schmid, waarbij katholieke collega’s protesteerden tegen het gebruik van de biechtstoel, en protestantse collega’s het blijkbaar niet eens waren met het gebruik van beelden op deze manier.
Wat Schmid echter het meest had getroffen, was het risico dat de kerk had genomen door erop te vertrouwen dat de AI geen illegale, expliciete antwoorden zou geven of interpretaties of spiritueel advies zou geven die botsten met de leer van de kerk.
In de hoop dit risico te beperken, had de kerk tests uitgevoerd met 30 mensen vóór de installatie van de avatar. Na de lancering zorgde ze ervoor dat gebruikers altijd ondersteuning in de buurt hadden.
‘We hadden nooit de indruk dat hij vreemde dingen zei’, zei Schmid. ‘Maar we konden natuurlijk nooit garanderen dat hij niets vreemds zou zeggen.’
Uiteindelijk was het deze onzekerheid die hem ertoe had gebracht te besluiten dat de avatar het beste bij een experiment kon blijven. ‘Een dergelijke Jezus permanent neerzetten, zou ik niet doen. Omdat de verantwoordelijkheid te groot zou zijn.’
Hij was echter snel met het benoemen van het bredere potentieel van het idee. ‘Het is een heel makkelijk, toegankelijk hulpmiddel waarmee je kunt praten over religie, over het christendom, over het christelijk geloof,’ zei hij, mijmerend dat het zou kunnen worden omgevormd tot een soort meertalige spirituele gids die religieuze vragen zou kunnen beantwoorden.
Voor hem had het experiment – en de grote interesse die het had gegenereerd – hem laten zien dat mensen verder wilden kijken dan de Bijbel, sacramenten en rituelen. ‘Ik ben blij dat de avatar tot op zekere hoogte nog steeds overkomt als een technisch object’ zei Schmid, ‘Tegelijkertijd zijn de antwoorden die het geeft ook fascinerend. Er valt dus genoeg te bespreken als het gaat om AI in een religieuze context.’
Schmid zei: ‘Ik denk dat er een behoefte is om met Jezus te praten. Mensen willen een antwoord: ze willen woorden en luisteren naar wat hij zegt. Ik denk dat dat een element ervan is. En dan is er natuurlijk nog de nieuwsgierigheid ervan. Ze willen zien wat dit is.’
AI Jesus ondervindt toenemende concurrentie van andere bronnen van AI-spiritualiteit. Een recente ChatGPT-kerkdienst in Duitsland bevatte bijvoorbeeld een preek die werd voorgedragen door een chatbot voorgesteld als een bebaarde zwarte man, terwijl andere avatars gebeden en aanbiddingsliederen leidden.
Andere geloofstradities bieden ook spirituele lessen via AI. In Thailand heeft een boeddhistische chatbot genaamd Phra Maha AI zijn eigen Facebook-pagina waarop hij spirituele lessen deelt, zoals over de vergankelijkheid van het leven. Net als AI Jesus wordt hij voorgesteld als een mens die vrijelijk zijn spirituele wijsheid deelt en altijd en overal een bericht op Facebook kan worden gestuurd.
In Japan is de ‘Buddhabot’ in de eindfase van ontwikkeling bij onderzoekers van de Universiteit van Kyoto. Deze heeft boeddhistische soetra’s geleerd waaruit hij zal kunnen citeren wanneer hem religieuze vragen worden gesteld.
In deze groeiende reeks online opties voor spirituele begeleiding of algemeen advies is de vraag welke chatbots zullen beklijven. Hoe dan ook zal de eeuwenoude trend van het hervormen van spirituele leiders om aan de hedendaagse behoeften te voldoen waarschijnlijk doorgaan lang nadat AI Jesus een religieuze aanwezigheid uit het verre verleden is geworden.
Hoewel het zeker stof tot nadenken biedt, denk ik wel dat dit soort projecten te ver gaat. Ik denk dat we voorzichtig moeten zijn als het gaat om geloof, pastorale zorg, of als mensen betekenis zoeken in religie. Dit is namelijk bij uitstek een gebied waarop wij mensen eigenlijk veel beter zijn dan machines, dus we moeten deze dingen zelf doen.
Sinds enige tijd is er in de christelijke media wat ophef over het vermeende christelijke toon bij de band Coldplay. Chris Martin, de frontman heeft zich namelijk openlijk uitgelaten over de impact die zijn christelijke opvoeding op zijn leven heeft gehad. In een gesprek zei Martin dat hij het moeilijk vindt om met zijn streng religieuze opvoeding om te gaan. ‘Ik heb het op dit moment ook zo moeilijk in mijn leven. En een deel daarvan is dat ik terug moet gaan om naar al die dingen te kijken,’ zei hij.
Een van de laatste nummers ‘We Pray’ lijkt een diepe spirituele honger te verwoorden, met teksten als: ‘Ik bid dat ik niet opgeef, bid dat ik mijn best doe’ en ‘dus bidden we dat er iemand komt die mij de weg wijst’. En Martin leent in het nummer ook rechtstreeks uit de Bijbel, door het hedendaagse leven te beschrijven als leven ‘vol schaduw van de dood,‘ uit psalm 23. In het nummer ‘We Pray’ benoemt hij diverse redenen om te bidden. De song bevat ook een link naar de protestbeweging in Iran.
Inmiddels heeft Martin afstand genomen van het christendom en zegt dat hij een ‘alltheïst’ is, wat betekent dat hij gelooft dat God in iedereen en overal is. ‘Ik denk dat God liefde is’, zei hij in een interview, ‘en God is de magie in elk molecuul, zelfs in mensen die je niet aardig vindt.’ Hij legde dit verder uit tijdens een interview: ‘Mijn God, voor mij zijn alle dingen en alles. God is overal en iedereen en het is ook het onkenbare, de enorme majesteit achter alles. En het is gewoon het punt waarop je op het punt komt dat je niet verder kunt denken, dat is waar ik denk dat God is.’ Hij komt God of het goddelijke tegen in allerlei religies, stromingen en momenten.
Ook op eerdere albums kwamen soms – onverwachte – links naar geloof en spiritualiteit.
Ik ga er een paar af:
1. Parachutes (2000)
Nummers als ‘Yellow’ en ‘Trouble’ haalden de krantenkoppen. Wat geloof betreft, is het echter het minder bekende ‘We Never Change’ dat in de schijnwerpers staat.
De coupletten spreken over een verlangen om nooit wreed te zijn, om goed te zijn, om waarachtig te zijn en om vrienden om je heen te hebben. Maar met het refrein komt de realiteit: ‘But we never change, do we? No, no, we never learn do we?’
De brug brengt een duister besef: ‘O, ik heb geen ziel om te redden, ja, en ik zondig elke dag.’ De tekst is bijna Paulinisch in de wanhoop die ze voelt omdat ze het goede wil doen, maar het eigenlijk niet doet. Maar Paulus en het lied komen tot verschillende conclusies. Paulus ontdekte dat verandering door Jezus kan komen, terwijl het lied blijft klagen over hetzelfde bekende refrein.
2. A Rush of Blood to the Head (2002)
Het album dat ‘Clocks’ naar reclames en tv-montages bracht, suggereerde ook dat God glimlachen op gezichten tovert.
‘God put a smile on your face’ is lastig te interpreteren, maar er is een noot van hoop te bespeuren in de manier waarop het lied wordt omlijst. Het lied begint met ‘Where do we go, nobody knows; I’ve got to say I’m on my way down; God give me style and give me grace; God put a smile upon my face.’ Het voelt als een persoonlijke geloofsverklaring die aan het einde van het lied de kracht heeft gevonden om voor anderen te spreken: ‘Where do we go, nobody knows; zeg nooit dat je op weg bent naar beneden als God je stijl en gratie gaf; en een glimlach op je gezicht tovert.’
3. X&Y (2005)
Twee nummers op het derde album van de band kunnen direct worden toegeschreven aan Martins opvoeding in de kerk. In een interview met het popblad Rolling Stone legt Martin uit dat ‘A Message’ is afgeleid van de hymne ‘My Song Is Love Unknown’, terwijl ‘Til Kingdom Come’ (geschreven met de bedoeling om het uit te voeren met Johnny Cash, die stierf voordat het kon gebeuren) werd geïnspireerd door het Onze Vader.
Martin legt uit: ‘Een van de geweldige dingen aan gedwongen worden om naar kerkdiensten te gaan, is dat we al die bekende liederen zongen. Dat is deels de reden waarom ik geobsedeerd ben door het feit dat iedereen meezingt tijdens onze shows. Het geeft me het gevoel dat ik deel uitmaak van iets.’
De band slaagt er telkens in om ‘universele gevoelens te verklanken’. Ook hun hit ‘Fix You’ is daarvan een sprekend voorbeeld. ‘Het is een goede verwoording van het idee dat we ons allemaal weleens klote voelen, maar dat het goed komt. In de christelijke wereld is dit lied geliefd. Het kan bijna als een gezang gezongen worden.’
4. Viva La Vida of Death and All of His Friends (2008)
Naast het zwevende ‘Viva La Vida’, dat verwijst naar Johannes en de legendarische paarlen poorten, is er een ‘verborgen’ nummer aan het einde van ‘Lovers of Japan’ genaamd ‘Reign of Love’: ‘Reign of love by the church we’re waiting; Reign of love on my knees go praying; How I wish I’d spoken up; Away get carried on a reign of love.’
5. Mylo Xyloto (2011)
Mylo Xyloto bracht ons ‘para-para-paradise’, een albumtitel waar Chris Martin spijt van kreeg (omdat niemand hem kon uitspreken). Hieronder staat een lief liedje genaamd ‘U.F.O.’ dat gelezen kan worden als een gebed: ‘Heer, ik weet niet welke kant ik op ga; Welke kant de rivier op gaat; Het lijkt er gewoon op dat ik stroomopwaarts blijf rollen; Nog zo’n lange weg te gaan.’ Het tweede couplet brengt een hoopvollere toon met ‘We’ll find somewhere the streets are paved with gold.’ Is het een verwijzing naar ‘de twaalf stadspoorten waren twaalf parels, elke poort een parel op zich. De straten van de stad waren van zuiver goud en schitterden als glas.’ uit Openbaring 21: 21?
6. Ghost Stories (2014)
De belangrijkste ‘geest’ op dit album lijkt Gwyneth Paltrow te zijn. Twee maanden voor de release van het album ‘hielden Martin en Paltrow zich bewust los van elkaar’, zo wordt geschreven. Het is een rauw, kwetsbaar album en in ‘O’ is er een vluchtige verwijzing naar gebed, de afsluitende track van het album: ‘Still I always; Look up to the sky; Pray before the dawn.’
7. A Head Full of Dreams (2015)
Aan het einde van ‘Kaleidoscope’ staat een opname van president Obama’s krachtige uitvoering van ‘Amazing Grace’ bij de begrafenis van dominee Clementa Pinckney, een van de negen mensen die dat jaar omkwam bij de massaschietpartij in een kerk in Charleston.
8. Everyday Life (2019)
op dit album van Coldplay staat ‘When I need a friend’; het is een prachtig koorlied dat schreeuwt om vrede, vriendschap en liefde: ‘Heilig, heilig, God verdedig; bescherm mij, laat mij zien; wanneer ik een vriend nodig heb.’
en dan is er nog ‘BrokEn’, in feite een gospellied dat God aanroept in moeilijke tijden: ‘Oh shine a light; shine a light. And I know that in darkness I’m alright; See there’s no sun rising. But inside I’m free; Cause the Lord will shine a light for me. Oh the Lord will shine a light on me.’
Toch kun je bij alle nummers een vraag stellen. Als voorbeeld neem ik dat nieuwe nummer ‘We Pray’. Want de vraag kan worden gesteld tot wie het gebed in ‘We Pray’ gericht is, blijft open. Dat is typerend voor Coldplay; het is open voor interpretatie. Iedereen kan er zijn eigen invulling aan geven. Ik hoor in het lied niet dat het specifiek over de God van het christendom gaat. Wat overigens niet betekent dat je dit nummer niet als oproep kunt beschouwen om het toch te doen. Dat zelfde geldt trouwens voor ook alle andere nummers.
Wat me de laatste tijd opvalt is dat veel sporters tijdens de wedstrijd blijk geven van hun geloof. Dat gebeurde ook regelmatig tijdens de Olympische Spelen. Én dat veel verslaggevers daar geen oog voor hebben, het niet vertaald wordt of er maar een draai aangeven: ‘ze roepen de goden aan…’. Hun routine vóór of ná hun prestatie is geen gebed tot de goden van een heidens pantheon, een smeekbede om een beetje geluk of voorspoed, maar een gebed tot God en Jezus – ja, van een commentator die zijn huiswerk had gedaan, had je dat kunnen verwachten. –
Zo’n openbare uiting van toewijding is geen uitzondering. Een kenmerk van de afgelopen Olympische Spelen was het aantal atleten dat hun geloof. Elke keer zie je wel iemand God bedanken, een kruis slaan, reclame maken voor zijn geloof, niet zozeer als een smeekbede om de overwinning, maar meer als een manier om met de ups en downs van de sport om te gaan.
Wanneer je deze openbare christelijk geloofsuiting naast de rij boven de openingsceremonie plaatst, roept dat een interessante vraag op. Tijdens die ceremonie waren christenen over de hele wereld boos over wat leek op een parodie op het Laatste Avondmaal. De organisatoren van de Olympische Spelen beweerden toen dat de aanstootgevende scène niet bedoeld was om de spot te drijven met het hart van de christelijke eredienst, maar een verwijzing was naar Dionysius en het feest van de heidense goden, waarmee de moderne Olympische Spelen werden verbonden met hun wortels in de heidense wereld van de klassieke periode.
Als het een verwijzing was naar het heidense feest van Dionysius, was de openingsceremonie misschien een nog veelzeggender teken van de richting van onze cultuur dan we zouden denken, en een teken dat christenen misschien nog meer zorgen baart dan een tweederangs bespotting van het Laatste Avondmaal. Omdat het een keuze verduidelijkt waar onze cultuur mee te maken kan krijgen naarmate ons westerse tijdperk vordert.
In 1939, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, gaf T.S. Eliot een reeks lezingen. Daarin deed hij een grimmige prognose:
‘De keuze die voor ons ligt, is tussen de vorming van een nieuwe christelijke cultuur en de acceptatie van een heidense cultuur.’
Eliot dacht dat zijn samenleving noch volledig christelijk, noch volledig heidens was, maar ‘neutraal’. Toch vreesde hij dat dit niet lang zou duren. Een dergelijk ‘politiek liberalisme’ dreigde zijn eigen ondergang te bevorderen door een willekeurige weigering om morele waardeoordelen te vellen en te kiezen tussen versies van het goede. Toen Eliot de opkomst van het fascisme in Europa zag, dat op het punt stond van de meest vernietigende oorlog in zijn geschiedenis tot nu toe, deed hij een belangrijke bewering: dat het enige alternatief voor wat hij zag als een heidens totalitarisme een christelijke samenleving was.
Dichter bij onze tijd is een soortgelijke gedachte bij anderen opgekomen. Onlangs mijmerde onlangs een feministische schrijfster over het idee dat onze samenleving opnieuw heidens wordt, waarbij ze het morele raadsel over moderne abortus aanhaalde. Ondanks dat ze geen praktiserend christen is, ziet ze abortus vertoont ongemakkelijke overeenkomsten met heidense kindermoord, een teken dat we teruggaan naar een moreel plan met een sterke gelijkenis met heidense waarderingen van het menselijk leven. De Joodse feministische schrijfster Naomi Wolf heeft hetzelfde gedaan in een buitengewoon essay. Ondanks haar neiging om te gemakkelijk af te glijden naar samenzweringstheorieën, betoogt ze overtuigend dat naarmate het Joods-christelijke ethos dat de westerse samenleving ondersteunde, is verdwenen, wat is ontstaan geen goedaardige neutraliteit is, maar duistere krachten die vroeger op de achtergrond van de religie van het Oude Testament loerden:
‘de pure amorele macht van Baäl, de vernietigende kracht van Moloch, de ongebreidelde verleiding en seksuele losbandigheid van Astarte of Ashera, dat zijn de oerkrachten die mij inderdaad lijken te zijn teruggekeerd… of in ieder geval de energieën die ze vertegenwoordigen, morele macht over; doodsverering; oppositie tegen de seksuele ordelijkheid van het intacte gezin en trouwe relaties, ze lijken te zijn ‘teruggekeerd’, zonder terughoudendheid.’
Het nazisme waar Eliot naar verwees, was, zoals we nu weten, een doodlopende weg, letterlijk. We troosten onszelf vandaag met de gedachte dat we zulke extremen achter ons hebben gelaten, dat de afgoderijen van fascisme en communisme respectievelijk in 1945 en 1989 werden verslagen, en dat we nu een seculiere liberaal-democratische ruimte erven die gelukkig neutraal is en de vrede bewaart tussen verschillende claims op de waarheid, een vooruitgang ten opzichte van zowel het heidendom als het christendom.
De makers van de openingsceremonie van de Olympische Spelen rechtvaardigden hun creatie zonder een spoor van ironie door te zeggen dat het een viering was van de Franse Republikeinse ideeën van inclusie, vrijheid, mensenrechten enzovoort, de vrijheid, broederschap en gelijkheid van de Franse Revolutie, die op zijn beurt was geboren uit de Franse Verlichting. Dit was een secularisme dat tentoon werd gespreid. Het was een klassiek libertair beeld van vrijheid, de absolute vrijheid om te kiezen wat we met ons leven doen, van individuele zelfexpressie, zonder overkoepelend, universeel idee van het Goede, wat natuurlijk een bepaald begrip is van wat vrijheid betekent. Het onderscheidt zich bijvoorbeeld van een ouder beeld van vrijheid als geleidelijke bevrijding van (en dus de disciplinering van) enkele van onze innerlijke, conflicterende impulsen die als destructief voor de ziel of de samenleving worden beschouwd. Seculier liberalisme dat zichzelf voordoet als vanzelfsprekend, de mening van alle weldenkende mensen, is zo vaak niet in staat te zien hoe het voor anderen – moslims en christenen bijvoorbeeld – allesbehalve vanzelfsprekend is. Er zijn veel mensen over de hele wereld die niet tevreden zijn met een overkoepelend moreel schema dat erop staat hen te vertellen dat hun geloof een privéaangelegenheid is in plaats van een afzonderlijke transcendente waarheid.
Dus, wat als de openingsceremonie een lofzang was op Franse waarden, geworteld in de Franse Verlichting? En wat heeft dat te maken met heidendom?
Achter het schijnbare rationalisme of de tolerantie was het voor de Verlichting het een eis om alles in twijfel te trekken. Het was een verwerping van één enkele geloofsbelijdenis, ten gunste van meerdere manieren van leven en geloven. Het tijdperk greep terug naar het klassieke verleden, zag zichzelf als een voltooiing van de Renaissance en liet uiteindelijk de overblijfselen van religie achter die de Renaissance nog had behouden. De Verlichting was niet zozeer de geboorte van een nieuw rationeel tijdperk, maar in feite een vernieuwing van een oud heidens sensueel pluralisme.
Dat we tot het heidendom zijn terugkeert kun in meerdere zaken zien. We zijn teruggekeerd naar een soort pluralisme waarin er veel objecten van aanbidding zijn onder een overkoepelend schema dat elk van hen de ultieme waarheid of waarde ontkent.
Natuurlijk, er zijn geen tempels meer voor Bacchus, Aphrodite, Tyche of Plutus op straathoeken in onze steden. Toch waren dit vroeger de goden van wijn, liefde, toeval en rijkdom. Het is moeilijk te ontkennen dat de aantrekkingskracht van die verslavende middelen, de verleiding van seks, de hoop op een loterijwinst of de wens om rijk te zijn, het leven in onze wereld niet domineren. Er wordt beweerd dat heidendom nooit echt is verdwenen. Het bleef op de loer liggen in de hoeken van Europese samenlevingen, zoals blijkt uit een bijvoorbeeld een boek van Anton Wessels ‘Kerstening en ontkerstening van Europa’’.
Leslie Newbigin, een christelijke missioloog, bracht het grootste deel van zijn leven door als missionaris in India In de jaren 80 keerde hij terug naar het door de Verlichting gevormde Westen. Hij zag toen dat het Western was verworden tot een seculiere samenleving waarin geen algemeen erkende normen bestonden. ‘We weten nu’, betoogde hij, ‘dat het enige mogelijke product van dat ideaal een heidense samenleving is. Want de menselijke natuur verafschuwt een vacuüm. Maar het heiligdom blijft niet leeg. Als het enige ware beeld, Jezus Christus, er niet is, zal een afgod zijn plaats innemen.’
Vroege christenen gaven al aan, dat die goden tot slaaf maken. Als je jezelf volledig overgeeft aan drugs, seks, geld of Dionysisch genot, zullen ze uiteindelijk je leven beheersen, je tot slaaf maken en vernietigen, zoals veel verslaafden hebben ontdekt.
Misschien had Eliot gelijk: Het kost veel tijd om religieuze overtuigingen diep te laten wortelen. Zowel het christendom als het heidendom zijn diep in onze bodem geworteld. En dus heeft de Europese cultuur eigenlijk maar twee opties: het heidendom dat eeuwenlang heeft bestaan vóór de komst van het christendom, en het christendom dat het heeft vervangen.
De Olympische Spelen lieten ons twee paden zien. Het ene werd aangeboden door de makers van de openingsceremonie, het andere door de atleten die een hoger doel zien dan een gouden medaille of aardse roem. Ach, de makers van de openingsceremonie hadden misschien niet de bedoeling om het christendom aan te vallen. Toch juichten ze met plezier iets toe dat Europeanen al lang geleden achter zich hebben gelaten.
En we zouden even moeten stilstaan voordat we dat vieren.
In de wereld van coaching en trainingen was lange tijd een belangrijke vraag: kijk je naar de wereld door een bril van schaarste of door een bril van overvloed? En het pleidooi was dan dat denken vanuit schaarste ongelukkig maakt. Je bent dan gefocust op wat er niet is. Je stop energie in wat je nog niet hebt. Je ziet het leven vooral als een gevecht, een strijd. Ik moet vechten voor mijn aandeel. Ik moet me onderscheiden ten opzichte van anderen. En je belandt al te snel in een ratrace.
En tegenover dit schaarste-denken werd dan het denken en leven vanuit overvloed geplaatst. Ga uit van overvloed, geloof erin dat er genoeg is en dat het jou ten deel valt. De extreme uitingsvorm daarvan is manifesteren. Als ik iets maar hard genoeg wil,dan komt mijn droom vanzelf uit. Word ik vast de beste versie van mijzelf. Name it, claim it.
We stuiten in onszelf en in elkaar op onze schaduwzijden, ons falen. Op ons onvermogen om echt te veranderen. We zitten gevangen in systemen die op allerlei manieren beschadigend zijn. Zijn deel van een mensheid en een generatie die collectief faalt. Het lukt ons vaak van geen kanten om te leven van genoeg.
En we beseffen met elkaar steeds meer dat het tij begint te keren. Dat we in plaats van een bril van overvloed eerder behoefte hebben aan een bril van genoeg.
Vanuit christelijk oogpunt vind ik dat daar iets blijmoedigs inzit. Want boven de mensheid die verwikkeld is is in de ratrace van rupsje-nooit-genoeg hangt de Jezus Christus de Gekruisigde, licht en kalm, te midden van de donkerte, de pijn, nood en schuld van de hele mensheid. De man aan het kruis deelt in dat menselijk bestaan maar gaat er niet in onder. Hij overstijgt het, wordt verhoogd. En draagt het weg, verzoent het, overwint het. Er schemert ook altijd iets van ochtendlicht in door. Op Golgotha volgt Pasen. Er hangt de belofte in de lucht van opstanding. Van een ander, nieuw bestaan. Vader, vergeef het hen want ze weten niet wat ze doen. Ze hebben werkelijk geen idee.
Apostelen hebben het evangelie van de Gekruisigde vertaald in raadgevingen, aansporingen, leefregels. Denk aan het pleidooi op diverse plaatsen in de Apostolische brieven voor gematigdheid: maat weten te houden. En voor zelfbeheersing (jezelf niet verliezen, niet overvragen of overschreeuwen). Denk aan het gebed in Filippenzen 1 om ‘inzicht en fijnzinnigheid om te kunnen onderscheiden waar het op aan komt’. Of de aansporing in 2 Timoteus 1 vers 7: ‘God heeft ons niet een geest van lafhartigheid gegeven, maar een geest van kracht, liefde en bezonnenheid.’ In bezonnenheid zit iets van gevoel voor wat passend is, gevoel voor proporties, voor wat genoeg is. Niet teveel, niet te weinig. Mensen op zoek naar een ander, nieuw bestaan, een leven van genoeg.
Hem volgen is ons oude bestaan met Hem te laten sterven en met Hem opstaan in een nieuw leven. Onszelf oefenen in omdenken.
‘Most of the men don’t believe the same way you do, but they believe so much in how you believe’
In deze week waarin 4 en 5 mei vallen – respectievelijk Dodenherdenking en Bevrijdingsdag – wil ik het thema geweldloosheid verder uitdiepen. Afgelopen week was de film Hacksaw Ridge op de tv. Hacksaw Ridge is het adembenemende, maar snoeiharde en waargebeurde verhaal van Desmond Doss. Het is zijn stellige overtuiging dat de oorlog rechtvaardig is en het zijn plicht is om te helpen. Tegelijkertijd is hij overtuigd christen en gelooft hij dat doden verkeerd is. Hij weigert daarom consequent om wapens te gebruiken, of ze zelfs maar aan te raken. Gewapend met alleen een verbandkist en een Bijbel, weet hij onder extreme omstandigheden vijfenzeventig mensen te redden. Zonder ook maar een schot te lossen. Voor mij een voorbeeld van geweldloos handelen.
Want ik word elke keer weer diep geraakt worden bij het zien van zoveel geweld. Maar ik moet me toch ook meteen afvragen: heeft er zich ergens in mijn hoofd en hart ook al boosheid, wrok, gewelddadigheid of wraakzucht genesteld die er zomaar uit kan komen in agressieve woorden en daden? Zou ik zo’n Desmond Doss kunnen zijn?
Nee, ik kan niets veranderen aan de grote wereld vol van geweld. Wel kan ik iets veranderen in mijzelf en in mijn directe omgeving. Ik kan gaan oefenen in een praktijk van geweldloosheid. Ik kan leren om onderdrukkende vormen van communicatie te herkennen en te kiezen voor geweldloze communicatie.
Volgens mij zit dat heel dichtbij het hart van discipelschap: geweldloosheid, geweldloze communicatie, vrede stichten. Naast mijn en onze ontzetting over terreur en geweld in deze wereld moet er ook en vooral ruimte zijn voor een concrete praktijk van geweldloosheid in mijn en onze levens.
Geweldloos communiceren is gaan in het spoor van Jezus die zegt:
Gelukkig de zachtmoedigen, want zij zullen het land bezitten.
Gelukkig de vredestichters, want zij zullen kinderen van God genoemd worden.
Ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie kwaad doet, maar wie je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe te keren.
Ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen, alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel. Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
Wat is geweldloze communicatie? Als ik er informatie over op zoek kom ik bijvoorbeeld hier uit:
Geweldloze communicatie richt zich op:
Waarneming: wat we zuiver waarnemen (niet hoe we daarover oordelen) Gevoel: hoe we ons voelen bij die waarneming (niet hoe we erover denken) Behoefte: als basis van wat we voelen (verantwoordelijkheid nemen) Verzoek: concrete actie voorstellen om het leven te verrijken (geen eis) Alles wat we doen of niet doen, zeggen of niet (durven) zeggen, doen we om een behoefte te vervullen. De intentie van geweldloze communicatie is om, doordrongen van dit besef, steeds meer te luisteren, spreken en leven vanuit verbondenheid met en respect voor eigen en andermans behoeften.
En vanuit de navolging van Jezus zou ik daar aan willen toevoegen dat niet kan zonder het ervaren van deze realiteit:
Wees over niets bezorgd, maar vraag God wat u nodig hebt en dank hem in al uw gebeden. Dan zal de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, uw hart en gedachten in Christus Jezus bewaren.
In Delft is er een debat gehouden over de toekomst van de kerk zo meldt het Nederlands Dagblad. Hoe ziet de kerk er over twintig jaar uit? Wat mij opviel aan het verslag van deze bijeenkomst waren de traditionele antwoorden die werden gegeven op deze vraag en tegenover elkaar werden gezet. Op de eerste plaats daar de mening van socioloog Wim Dekker die ziet dat het leven bij iedere moderne autonome mens, ondanks de secularisatie, toch existentiële vragen naar bijvoorbeeld de zin van het leven. Maar de samenleving wil geen ‘dunne ‘antwoorden’. De kerk kan daar in een tijd met een hang naar spiritualiteit op inspelen. De traditionele kerken hebben in hun traditie doordachte antwoorden in huis, aldus Dekker. En de nieuwe kerken en bewegingen – evangelisch en charismatisch – zijn sterk in beleving en spontaniteit. Beide tradities moeten volgens hem bij elkaar komen. Je zou kunnen zeggen dat dit een mening is die vooral meedeint op de maatschappelijke golven: het ongebreideld eogocentrisme heeft zijn langste tijd gehad en de kerk heeft gewoon een goede boodschap die – mits goed en ‘modern’ gebracht – zal bijna vanzelf weer de mensen trekken.
Daarnaast heb je de mening zoals verwoord door Andries Knevel die zei niets te geloven van een spirituele opleving waarover Dekker sprak. Volgens hem houdt vooral de elite zich daarmee bezig, en niet de maatschappelijk teleurgestelden, de SBS-kijkers en Wilders-stemmers. Over twintig jaar wordt de reformatorisch-evangelische stroming toonaangevend, schatte hij.
In het artikel kwam als derde mening die van Daniël de Wolf van de Thugh Church, actief in een achterstandswijk in Rotterdam, naar voren. Hij stelde dat de toekomst van de kerk niet ligt in woorden, maar vooral in daden. Hij pleitte voor een radicale navolging van Jezus Christus.
Zou het een wie van de drie zijn? Moet je voor een van deze drie standpunten kiezen?
Ik denk het eigenlijk niet. Volgens mij heeft Dekker gelijk wanneer hij zegt dat er een mentaliteitsverandering op komst is waarbij mensen weer meer belangstelling krijgen voor spiritualiteit. Maar in onze brede samenleving kun je volgens mij niet meer zo stellen dat de kerk hier de traditionele antwoordgever van is waarbij mensen met hun vragen naar toe komen. In een samenleving waarbij mensen zich via allerlei nieuwe media laten informeren zal de kerk niet het enige antwoord zijn op de existentiële vragen waar mensen mee zitten . Dat geldt juist voor mensen die niet met enige religieuze achtergrond zijn opgegroeid; die zullen de weg naar de kerk niet zo snel meer vinden. Hierdoo kom j al snel bij de mening verwoord door Knevel: Je kunt de maatschappelijk teleurgestelden niet meer bereiken. Daar denk ik heeft Knevel de geschiedenis van de kerk niet meer helemaal voor ogen. Het christendom is immers destijds ook begonnen als een kleine club, die in een schijnbaar voor hun boodschap onverschillige samenleving hun boodschap voor het voetlicht wist te brengen. En deed ze door – en hier komt de stelling van De Wolf in beeld – juist ook door te handelen: mensen die sociaal onaanraakbaar en afgeschreven waren werden door de eerste christenen behandeld als mens. Dat had zo’n uitstraling op de rest van de samenleving dat dit de beste reclame was voor het christendom en zo allerlei mensen en ook maatschappelijk teleurgestelden kon aantrekken. Deze diaconale taak is in de loop van de tijd hier in het Westen meer en meer overgenomen door de overheid. De laatste tijd echter trekt de overheid zich weer meer uit deze diaconale taak terug, waardoor de kerk weer meer in beeld komt. Maar we moeten niet alleen het handelen centraal stellen, maar ook goed blijven doordenken en ook gericht moet blijven op doordenking van het geloof.
Ik denk dat we op weg zijn naar een christendom dat haar geloof aansprekend maakt. Dat betekent misschien een kleinere christelijke gemeenschap die je volgens mij niet alleen zult vinden aan de reformatorisch-evangelicale kant van de kerk, maar bij elke christen die de boodschap van de Bijbel waarachtig neer kan zetten. En dat zal dan niet alleen in daad – iets wat ook heel belangrijk is – maar ook in woord zijn beslag krijgen.