Een begrip dat mij uit mijn vorige blog bleef bezighouden
is de term zelf-secularisatie.
De uitleg die er toen aan gegeven werd was:
jezelf zo aanpassen aan de normen en de waarden van de samenleving
dat je aanvaardbaar bent voor iedereen.
In mijn vorige blog legde Olivier Roy uit dat de kerk dit momenteel doet.
Laatste hoorde ik een meditatie over 1 Petrus 2.
Vers 11 van dat hoofdstuk begint met de constatering
dat christenen te vergelijken zijn met vreemdelingen die ver van huis zijn:
‘jullie zijn vreemdelingen geworden in de steden waar jullie wonen.
Jullie wonen tussen de ongelovigen.
Toch vraag ik jullie dringend om niet te leven zoals zij.
Want dan brengen jullie je nieuwe, christelijke leven in gevaar.’ (BGT)
Het lijkt mij dat de juist de Bijbel waarschuwt tegen
‘het verlangen (andere vertaling)’
om te leven zoals de samenleving waarin een christen leeft.
Christenen horen hoe dan ook niet meer bij deze samenleving.
Ze zijn vreemdelingen geworden.
‘Doe goede dingen, en laat de ongelovigen zien
dat jullie je goed gedragen.
Dan zullen de ongelovigen niet langer slecht over jullie spreken. Misschien veranderen ze zelfs hun eigen leven.
Dan zullen ook zij God eren als hij komt rechtspreken over de wereld.’ vervolgt het Bijbelgedeelte.
Als je dit Bijbelgedeelte als uitgangspunt neemt,
zou het dan niet goed zijn dat een christen een voorbeeldfunctie heeft
voor de mensen om zich heen,
of liever gezegd een christelijk leven te leiden.
Wat je doet, juist in crisissituaties toont iets van je diepste drijfveren.
Laat dat dan het goede zijn: de liefde.
Geef mensen geen reden om slecht van je te spreken.
Doe het goede in de hoop dat de vrucht van je leven
het verschil zal maken.
Wat lezen mensen in jouw leven,
in hoe je omgaat met het gezag van de overheid,
hoe je omgaat met andersdenkenden,
andersgelovigen of mensen uit andere culturen
en hoe reageert op praatjes over de kerk, geloof en God.
Op vooroordelen, pesterijen.
Die oproep van Petrus kan je misschien verlammen.
Ik ben immers Jezus niet.
Maar met Jezus in je en door de Geest,
wordt je in staat gesteld het goede te doen.
Dan is het geen gebod, maar een levenswijze.
De liefde van Christus stelt je in staat om werkelijk vrij te zijn.

In deze periode begint voor christenen de tijd van Advent:
verwachtingsvol uitzien naar de herdenking
van de komst van Jezus Christus in deze wereld.
Zijn volgelingen – christenen – worden opgeroepen
om juist dan na te denken over hoe zij Jezus Christus volgen
en hoe ze Hem ingang in hun leven wil geven.
Willen ze echt hun geloof hun leven laten bepalen?
Dat vergt in deze tijd het een en ander van de christen.

Want zo bij tijd en wijle poppen er weer bepaalde discussies op
waarbij de conclusie is dat religie – dus ook het christendom –
misschien een mooie levensovertuiging is
maar toch alleen beleden moet worden ‘achter de voordeur’.
Wanneer dit soort discussies zich voor doen denk ik
dat juist christenen de opdracht hebben zich uit te spreken.
Zij moeten in een democratie leren het publieke debat niet schuwen.
Dat is volgens mij een voorwaarde van christelijke ethiek
die beraadt hoe men goed moet handelen.
In navolging van de lijn van kerkvader Augustinus
is het de opdracht van een christen op zoek te zijn
naar de zuiverheid van het christelijk handelen
en naar het compromis in een gemengde wereld.
Dit zou een christelijke ethische levensoriëntatie moeten zijn.
Hierbij is ethiek meer dan alleen reflectie op handelen.
Christelijke ethiek zou zich rekenschap moeten geven
van de vraag naar wezen en bestemming van de mens.

Over het algemeen veronderstelt ethisch handelen
vrijheid om keuzes te maken.
Maar waardoor wordt een keus voor het goede bepaald?
Is het de rede die de toon aangeeft?
En moet de wil de rede volgen,
zoals ethici vanaf de oudheid tot en met Kant verdedigd hebben?
Bij hem treedt de wil als bepalend element op de voorgrond.
Niets anders kan in absolute zin voor Kant en de zijnen
goed heten dan de redelijke wil.
Een visie die nog altijd aanhangers heeft,
maar tegelijk heftig bestreden is onder invloed
van Schopenhauer, Nietzsche en Freud.
Maar je behoeft geen christen te zijn om te erkennen
dat de wil op drift is geraakt en mensen geneigd zijn tot kwaad.

Daarbij laat het christendom met haar belijdenis van zonde en genade
wel een eigen geluid horen.
Het kwaad schuilt in de wil zelf, de wil die zich van God heeft afgekeerd, de verdorven wil. Dat is geen tragiek, maar schuld.
Daarom begint christelijke ethiek, zo leert Calvijn,
niet met vrijheid, zij begint met bevrijding.
Een mens behoeft zich niet zoals baron Von Münchhausen
zelf uit het moeras op te trekken.
De Tien Geboden beginnen met de proclamatie van God die bevrijdt.
En het apostolisch getuigenis verkondigt de bevrijding
van de wil uit de macht van de zonde tot de vrijheid van het leven
als kinderen van God. Zo wordt de wil tot rede gebracht.
Het goede is niet inherent aan de mens. Het is vrucht van de Geest.
Geloof, hoop en liefde zijn geen te verwerven deugden,
maar gaven van de Geest.
Christelijke ethiek staat zo gezegd, in de schijnwerpers
van Pasen en Pinksteren.
Het vrije leven is het leven in gehoorzaamheid
en liefde onder de tucht van de Geest die ons het gebod leert verstaan.

Maar wat betekent dat nu voor de concrete velden van de politiek,
de sociale ethiek, de gezondheidszorg, de economische vragen?
Wat is de christelijke boodschap voor leven en samenleving?
En volgens mij zit ‘m daar de kneep.
Immers, dwang is niet verenigbaar met het christelijk geloof.
Kerkhervormer Maarten Luther verwoordde het eens zo:
‘Een christen is een vrij heer over alle dingen en niemands onderdaan.’

Maar hoezeer christenen ook hun best moeten doen
om via argumentatie verstaanbaar over te komen,
uiteindelijk staat een ethische reflectie
die zich de wet laat voorschrijven door de Geest
die hem bepaalde gedragsregels voorhoudt;
weer in de woorden van Luther:
‘Een christen is een dienstbare knecht
van alle dingen en ieders onderdaan.’
Omzien naar elkaar, de ander belangrijker achten dan jezelf
Dat maakt de christen weerloos in een wereld
waar de autonomie van het Eigen Ik hoge ogen gooit.
Nu is dat voor het christelijke geloof geen vreemde zaak.
Een christen is, zo laat het Nieuw Testament zien,
een vreemde eend in de bijt van de samenleving.
Wat mensen doet ophoren en doet vragen
naar de Weg is ten diepste niet de argumentatie,
maar een getuigend leven in de navolging van Christus.
Ik denk dat christenen juist nu moeten laten zien
in woord en daad dat hun levensoriëntatie
van barmhartigheid en solidariteit
in een samenleving waar individualisme de heersende levensfilosofie is
hét Verschil kan maken.
Laten we daar in de periode van Advent verder over door denken.

Maakbaarheid is een term die uitdrukking geeft
aan de menselijke ambitie om het leed uit de wereld te krijgen,
tragiek te verbannen en geluk te realiseren.
Het draait bij maakbaarheid om het perfecte leven
en de perfecte samenleving.

Vandaag manifesteert maakbaarheid zich in de prestatiemaatschappij.
Wij zijn ons leven gaan begrijpen als een persoonlijk project
dat wijzelf moeten laten slagen.
Wanneer je leven mislukt, is dat je eigen schuld,
had je maar harder moeten werken.
Daarbij ligt de lat hoog: perfectie is de norm.
De grootste vrees is middelmatigheid.

De prestatiemaatschappij wordt vergezeld door een preventiestaat.
Die gaat nog sterker uit van maakbaarheid
dan voorheen de verzorgingsstaat deed.
Beleidsinterventies worden steeds ambitieuzer en indringender.
In een preventiestaat ligt de focus niet meer op het compenseren van leed, maar op het voorkomen ervan.
In de preventiestaat draait het om een zo lang mogelijk
gezond en energiek bestaan.
Dat vormt een robuuste basis om productief door het leven te gaan. Vandaag de dag bestrijden we vooral risico’s;
van mógelijke gevaren, die zich kúnnen gaan voordoen.
Ook hier is perfectie de eis: ons mag niets meer overkomen.
En de overheid moet dat garanderen.

Dit gaat gepaard met intensieve leefstijlpolitiek:
toezicht, monitoring en nudging
(mensen een duwtje in de goede richting geven)
zijn daarbij centrale beleidsinstrumenten,
gericht op het beïnvloeden van het gedrag van individuen.

En dan ineens is er die coronacrisis.
Het immense project om het noodlot uit te bannen wordt ruw verstoord. Net als velen koesterde ik in het begin de stille hoop
dat corona een gamechanger zou zijn.
Het coronavirus zou ons kunnen doen inzien
dat maakbaarheid maar relatief is,
dat tragiek en leed altijd onder ons zullen zijn,
en dat we ons op een andere manier daartoe moeten leren verhouden.
We werden gedwongen tot rust.
Rust is bedoeld om het leven te vieren en vollediger mens te zijn.
De lockdown (nu al de gedeeltelijke tweede)
gaf bovendien de kans
om aan het juk van de prestatiemaatschappij te ontkomen.
Ineens zaten we allemaal thuis, met leeggeveegde agenda’s
in een samenleving waar niets meer te beleven viel.

Ja, ja corona als gamechanger. Hoe kon ik zo naïef zijn?
Nog onverzettelijker beten we ons vast in het ideaal van maakbaarheid.
Als in een reflex schakelden we door
naar een nóg hogere versnelling.
Haast in een oogwenk maakten we ons bestaan coronaproof,
christelijke organisaties en kerken inbegrepen,
vertolkt in een onwaarschijnlijke hoeveelheid protocollen.

We noemen dit alles ‘veerkracht’…
of is het een prestatiemaatschappij in overlevingsmodus?
We zoeken ook driftig steun bij de preventiestaat.
Die kreeg de wind nog meer in de zeilen.
Het voortdurende mantra bij persconferenties is:
‘We zullen het virus eronder krijgen’.
Elke besmetting is er één te veel
en daarom gaan we voor de zekerheid maatregelen stapelen.

Natuurlijk gaat het volk op een gegeven moment morren.
De preventiestaat moet wel de prestatiemaatschappij blijven bedienen.
En die heeft nu wel lang genoeg stilgelegen, zo vinden we massaal.
De fear of missing out wordt te groot;
uitgestippelde life-events moeten doorgang krijgen.
Daarom moet alles nu zo snel mogelijk weer normaal worden.
Begrijp me goed: natuurlijk moet er gehandeld worden;
een venijnig virus bedreigt volksgezondheid en zorgstelsel.
Maar hoe lang kunnen en willen we dit nog volhouden?
Wanneer is de rek uit onze veerkracht?
En hoeveel preventiestaat kunnen we nog opbrengen,
financieel en moreel?
Wanneer gaan we ons serieus rekenschap geven
van de fragiliteit en onzekerheid van het menselijk bestaan?

Wil de samenleving van morgen er anders uitzien,
dan zullen we dit heilloze spoor moeten verlaten.
We moeten toe naar een minder verkrampte omgang
met maakbaarheid en een meer ontspannen manier van leven,
waar de boog niet immer strak gespannen staat.

Bij uitstek de christelijk-sociale traditie
biedt een variëteit aan bronwoorden voor deze heroriëntatie.
Tragiek raken we nooit helemaal kwijt
en we kunnen ons daar maar beter mee verzoenen.
Dat begint met de kunst van het loslaten.
Loslaten of stoppen resulteert in momenten van nietsdoen.

Uiteindelijk zal dit uitmonden in ‘gelatenheid’ en ‘rust’.
De notie ‘gelatenheid’ uit de middeleeuwse mystiek kan hierbij helpen. Gelatenheid is het vermogen de dingen gewoon ‘te laten zijn’,
zodat er ruimte ontstaat voor iets anders: onze vrijheid.
Door de dingen te laten zijn wat ze zijn,
stellen we grenzen aan de trivialisering van ons bestaan.
We voorkomen dat de drift tot presteren en interveniëren oeverloos wordt. In de woorden van theoloog Erik Borgman:
gelatenheid schept een bedding om te ‘leven van wat komt’.
Het brengt fundamentele ontvankelijkheid
voor de mogelijkheid dat dingen ons ‘toevallen’.
In een ontspannen samenleving
is een radicale herwaardering van rust nodig.
Wij denken: ‘rust roest’ en beschouwen het als een noodzakelijk kwaad. Maar dat is een armetierig perspectief.
Rust houden is evengoed een betekenisvolle sociale praktijk.

In de Bijbelse traditie is rust diep verbonden
met festiviteit, ontmoeting en liturgie.
De schepping van de wereld in het Bijbelboek Genesis
vindt zelfs haar voltooiing in een rustdag.
Rabbijn Abraham Joshua Heschel noemt de sabbat een ‘paleis in de tijd’, bedoeld om vreugdevol het leven te vieren en om vollediger mens te zijn.

Juist in de rust vallen ons dingen doe die er in de maakbaarheid
vaak bekaaid afkomen, zoals gemeenschap, broederschap, solidariteit. Laten dit nu net zaken zijn die een vermoeide prestatiemaatschappij
en een overspannen preventiestaat hard nodig hebben.

Op 21 maart jongstleden werd de Internationale dag tegen Racisme en Discriminatie weer gehouden. Begrijpelijke en terechte onderwerpen zoals islamofobie, vrouwenrechten, de rechten van de holebi-gemeenschap en transgenders werden over het voetlicht gehaald. Maar als ik de discussies die dag een beetje goed gevolgd heb bekroop mij toch ook een gevoel van selectieve verontwaardiging.

Waar ik op duid is het volgende: al jaren vindt er in Nederland een subtiele uitsluiting plaats van orthodoxe christenen, zozeer zelfs dat de Raad van Europa Europese regeringen oproept een einde te maken aan ‘subtiele vervolging van christenen’. En Nederland wordt in het rapport dat ten grondslag ligt van deze oproep meermalen genoemd. Oké, ik zou de term vervolging als het om Nederland gaat niet gebruiken, maar er is zeker sprake van discriminatie. vrijheid van meningsuitingOf noem het vrijheid van godsdienst, of van meningsuiting. Voorbeelden hiervan zijn er te over: de ‘weigerambtenaar’ die koste wat het kost het veld moest ruimen, voortdurend dreigend gevaar om de wet op het bijzonder onderwijs (over het christelijk onderwijs) aan te passen en de plannen om christelijk onderwijs te verplichten om seculiere lesprogramma’s over homoseksuele relaties aan te bieden aan hun leerlingen.

Is dit nu een kwestie van ‘wie geschoren wordt moet stilzitten’, simpel om het feit dat waar Nederland volgens sommigen ooit zuchtte onder het juk van christelijke betutteling, er nu een andere wind waait de christenen zich daarbij aan moeten passen of is dit een subtiele vorm van discriminatie? Is Nederland nog tolerant waar de mening van een ieder er toe doet of wordt door de secularisatiedictatuur (deze term is van dr. S. Meijers) de dominante mening maatgevend? Wordt er van iedereen verwacht zich te laten persen in het seculiere procrustesbed of mag een groep op eigen wijze pro christus kiezen?

Kortgeleden kreeg de preses van de Protestantse Kerk, ds. Van den Broeke, emmers vol kritiek over zich heen, omdat ze het waagde om koning Willem Alexander (belijdend christen) erop te wijzen dat hij in zijn publieke uitingen geen gewag maakt van zijn geloof in God. ‘Hoe ze het toch durfde’ was de mening van velen ‘geloof is immers iets privé, dat op z’n best achter de voordeur mag worden beleden en dus geen plaats heeft in het publieke domein’. Ik hoorde ik deze kritiek tot mijn verbazing ook van medechristenen ‘zoiets zeg je toch niet en helemaal niet in deze tijd waarin een IS (Islamitische Staat) met een beroep op een religie vreselijke terreurdaden begaat. Alsof wij en masse, christenen incluis, zijn gaan geloven in de verbeeldde werkelijkheid dat de mensheid zich verder heeft ontwikkeld tot een samenleving waar God geen plaats meer heeft, hooguit als folkloristische hobby die een kleiner wordend groepje mensen mag blijven beoefenen als andere mensen er maar geen last van hebben. Onze seculiere maatschappij, met praktisch atheïsme is gebaseerd op een seculiere moraal. Deze moraal bepleit het individuele geweten, de mens als hoogste maat der dingen en gaat voorbij aan God en Jezus Christus. Deze maatschappij waarin we alleen maar kunnen vertrouwen op eigen kracht, op eigen daden en waarin wij ons leven helemaal zelf kunnen en moeten vormgeven. God is weggeschreven uit de geschiedenis en zijn volgelingen ‘ach, de stumpers’.

Onze maatschappij gebaseerd op een christelijk-(modern)humanistische grondslag. ‘Wij hebben God vermoord, jullie en ik!’ liet Friedrich Nietzsche zijn dolle man zeggen in de vrolijke wetenschap ‘Wij zijn allemaal zijn moordenaars!‘. Maar meteen kwam hij ook met een analyse van die maatschappij zonder God ‘Dwalen we niet als door een oneindig niets? Gaapt de holle ruimte ons niet aan? Is het niet kouder geworden? Komt de nacht niet voortdurend sneller en sneller? Moeten er ‘s morgens geen lantaarns aangestoken worden?’ Onze samenleving is er een zonder ziel, zonder hoop. We zijn vrij, we zijn onze eigen meester… maar wat heeft ons dat opgeleverd? Ongelovigen geloven het ongelooflijksteWe zijn bang als mensen onze leefwijze afwijzen,als zij ons ongebreidelde ‘vrijheden’ veroordelen.

Vrijheid; de Duitse filosoof Rüdiger Safranski schreef hierover een belangwekkend boek:  Het kwaad of het drama van de vrijheid. In dit boek beschrijft Safranski – nadat hij allerlei filosofen heeft behandeld – de mens die leegte en chaos ervaart wanneer geen god of levensbeschouwing hem de weg wijst. Men dacht dat de mens vanwege het feit dat hij redelijk is op een normale wijze kan samenleven met de ander. Zolang ieder zich maar houdt aan de basisspelregels. Zolang de redelijkheid bewaard wordt, blijft ook het samenlevingssysteem overeind. Maar de redelijkheid weet niet iedereen meer te boeien. Het onredelijke, het kwaad blijkt diep in de mens verborgen te zitten. Het jezelf als middelpunt van het universum te wanen. Dat is uiteindelijk het kwaad, dat zich tracht zich ‘zich een goed geweten aan te meten’. Wat ik doe dat is in de regel toch goed? Vrijheid is het toverwoord. Maar vrijheid is geen gemakkelijkheidsoplossing, maar iets waarmee de uitdaging nog maar gesteld is.

Vrijheid zoekt ook naar ankerpunten, een ethiek en leefregels die haar mogelijk maken.Vrijheid zonder maat brengt enkel zelfvernietiging voort en oorlog. Ankerpunten zijn te vinden in de Tien Geboden, het evangelie van Jezus Christus. Dat zijn de richtlijnen die God ons gaf om mensen een leven te laten leiden in vrede, broederschap en eensgezindheid. Deze uitgangspunten, deze ankerpunten voor een maatschappij zullen echte rechtvaardigheid voortbrengen, echte ontwikkeling en vrede. Geloven, leven in afhankelijkheid van de door God gestelde normen, dat is pas vrijheid! Maarten Luther, de Duitse kerkreformator omschreef ‘vrijheid’ zo: Een christenmens is een vrij heer over alle dingen en niemands onderdaan; een christenmens is een dienstbare knecht van alle dingen en ieders onderdaan. Of zoals het in Romeinen 14 vers 17 staat: ‘Het Koninkrijk Gods is niet eten en drinken, maar rechtvaardigheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest.’  Ik stel mijn vertrouwen niet op ‘eten en drinken’, op ‘voedsel en kleding’, op ‘zekerheden, die ik in de hand heb’. Ik vertrouw op gerechtigheid, op het recht van en voor de ander die door God aanvaard is. Ik geloof in de keuze voor het recht van de armen, van de verdrukten en van hen die geen helper hebben. Ik vertrouw op vrede, ik kies voor het welzijn van de ander, en van Gods schepping. Mijn blijdschap is dat ik mij samen met de ander verheug in God, in het leven.

Houdt de radicale islam ons in wezen ook niet een beetje een spiegel voor. Zij willen gaan voor een radicale gehoorzaamheid aan hun God, helaas met hun  verwerpelijke uitwassen van terreurdaden. Maar waar gaan wij voor? Een beetje dit, een beetje dat. Steeds maar schipperen en vooral je kop niet boven het maaiveld uitsteken. Of gaan wij ook navolging, maar dan van Christus? Voor échte vrijheid.

Spreken over geld en over je eigen financiën is ook onder christenen vaak een heikel punt. Waar er in de Bijbel vaak wordt gesproken over het geven van een tiende van al je inkomsten redeneren veel (westerse) christenen dit gemakshalve weg als een zogenaamde ‘tijdgebonden’ Bijbeltekst. ‘Tuurlijk, het was ooit erg waar, maar voor ons christenen in de eenentwintigste eeuw…? Ziedaar het hete hangijzer!

Geld, financiën blijken voor steeds meer ook voor christenen en kerken een erg belangrijk onderwerp te zijn geworden. We moeten toch immers eten en en de gebouwen moeten onderhouden blijven! Oké, ‘ware rijkdom wordt niet bepaald door hoeveel je hebt maar door hoeveel je geeft’, maar dan je moet je het wel hebben. Of met een volkswijsheid gesproken: ‘Geld is niet alles, maar het is wel fijn als je het hebt.’ Een tekst uit de brief aan de Korinthiërs die mensen dan meer aanspreekt is ‘Laat ieder zo veel geven als hij zelf besloten heeft, zonder tegenzin of dwang, want God heeft lief wie blijmoedig geeft.’ Ja, lekker, ik kan nog steeds over mijn eigen geld beslissen!! Maar dan wordt het volgende vers niet gelezen ‘ God heeft de macht u te overstelpen met al zijn gaven, zodat u altijd en in alle opzichten voldoende voor uzelf hebt en ook nog ruimschoots kunt bijdragen aan allerlei goed werk.’  Hier zitten volgens mij twee punten in: het eerste is dat God ons de mogelijkheid geeft geld te vergaren, en een tweede punt is dat we zijn gaven rijkelijk mogen en ook moeten uitdelen. Immers 9,6: ‘Bedenk dit: wie karig zaait, zal karig oogsten; wie overvloedig zaait, zal overvloedig oogsten.’

Ooit was voor de calvinistische christen geld een noodzakelijk kwaad waar men zeker niet mee moest pronken. Allemaal onder het adagium ‘  leef sober, en verwacht in dit leven geen beloning.’ Maar de tijden zijn veranderd en daarmee het werkelijkheidsperspectief van de (westerse) christen. In navolging van de algemene opvatting is ‘het hier en nu’ voor christenen steeds belangrijker geworden. Begrippen als ‘het hiernamaals’ en ‘koninkrijk van God’ worden steeds meer een ver-van-mijn-bedshow. Immers, deze zaken zijn niet waar te nemen. welvaartsevangelieBesmet door het van het vigerende Verlichtingsdenken waar alles te checken dient te zijn (althans waar het handelt om religieuze begrippen) worden religieuze begrippen meer en meer ongeloofwaardig. Onvermijdelijk aan dit ‘aardse’ (ik-)denken is dat geld en welvaart in ‘het hier en nu’ voor christenen aan gezag wint. Een kwalijk gevolg is het ‘welvaartsevangelie’.  Beloning in het hiernamaals is niet meer voldoende, ook christenen willen het hier en nu. En laten we het niet onder stoelen of banken schuiven; het klinkt in ieder geval lekker en ‘verkoopt’ goed: rijk worden dankzij God, hier en nu. ‘Echte vrijheid is pas haalbaar als je financieel vrij bent’ zo wil het moderne denken ons doen geloven. En wij doen mee!

Maar maakt geld echt vrij? Of wordt het tot een nieuwe gevangenis, gevangen in een gouden kooi… Een aantal weken geleden preekte ik over een aantal verzen uit het evangelie naar Lucas, hoofdstuk 4. In dat hoofdstuk zegt Jezus onder andere dat hij gekomen is ‘om aan armen het goede nieuws te brengen, om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden het herstel van hun zicht, om onderdrukten hun vrijheid te geven.’

Ware vrijheid ligt niet in het feit dat je je opknoopt, overgeeft aan een eigen niet te stelpen genot, aan een nieuwe slavernij. Echte welvaart zit hem juist in de vrijheid door Christus gegeven. Niet de vrijheid die de maatschappij je voorhoudt: ‘autonomie’ door geld dat je zelf kunt uitgeven zoals je dat zelf wenst. Om maar mee te lopen in dezelfde tred van de overige gevangenen van het ‘grote marktdenken’!

Juist de vrijheid daarvan wordt je geheel gratis aangeboden. Echte vrijheid!