Het is nu twee jaar geleden dat Hamas
een meedogenloze aanval uitvoerde
op Israëlische burgers tijdens het Nova-muziekfestival.
Twee jaar later ligt een groot deel van Gaza in puin,
zijn er bijna 70.000 mensen omgekomen
en zet Israël zijn campagne voort om zich voor eens en altijd
te ontdoen van Hamas, een vijandige buur.
Het spook van het antisemitisme steekt opnieuw de kop
op in de straten van Nederlandse steden.
Ondertussen wacht de wereld af
of het vredesplan van Trump een kans van slagen heeft.

De wereld is ook diep verdeeld
over de vraag wie hier de schuld draagt.
Is het, zoals de Israëli’s zeggen, de schuld van Hamas,
het resultaat van een fanatieke islamistische groep,
gesponsord door Iran, die vastbesloten is
om de militante moslimcontrole over het Midden-Oosten in het algemeen
en Israël in het bijzonder uit te breiden?
Of, zoals de pro-Palestijnse menigte scandeert,
zijn we getuige van een genocide
die het onvermijdelijke gevolg is
van de voortdurende Israëlische bezetting
van de Westelijke Jordaanoever en Gaza?
Iedereen wordt onder druk gezet om een beslissing te nemen.
Aan welke kant staan we?

Maar wat als we dit conflict eens in een ander licht zouden bekijken;
niet zozeer in termen van schuld, maar van pijn?

Natuurlijk is dit niet de eerste keer dat er oorlog is
tussen het volk Israël en hun vijanden aan de kust van Gaza.

Het boek Richtere in de Bijbel
beschrijft een reeks confrontaties
van ongeveer 3400 jaar geleden tussen de Israëlieten en de Filistijnen,
die de Hebreeuwse stammen lastigvielen
en uitdaagden in hun strijd om zich in het land Kanaän te vestigen.
(NB: de Filistijnen zijn niet de etnische voorouders
van de moderne Palestijnen, ondanks de naamsgelijkenis.
De Romeinen, deels om de Joden te sarren,
besloten simpelweg
de naam van de regio te veranderen van Judea naar Palestina.)

Een van die oude verhalen vertelt over Simson,
een immens sterke Israëlitische strijder,
die talloze Filistijnen doodt
in een jarenlange golf van geweld. (Richteren 13-16)
Simson trouwt uiteindelijk met een Filistijnse vrouw, Delila,
die hem verraadt en aan zijn vijanden overlevert.
Hij wordt gevangengenomen en zijn ogen worden uitgestoken.
In een laatste gewelddaad
laat hij het dak van de Filistijnse tempel instorten
tijdens het hoogtepunt van een religieus feest,
waarbij hij zowel zichzelf als meer vijanden doodt
dan hij in zijn leven heeft gedood.

Maar naast een tragedie is dit ook een trauma.
De wortels van het trauma liggen diep verborgen
in de geschiedenis tussen Israël
en de verschillende stammen die hen omringen.
Simson is een van de velen die worden meegesleurd
in een geschiedenis van oog-om-oog geweld
die eindigt in deze scène van dood en verwoesting.
In het Bijbelverhaal raakt hij verstrikt
in een lange geschiedenis van menselijk onrecht
– als slachtoffer én dader –
die teruggaat tot Adam en Eva in het paradijs.
Het resultaat is dat Simson en zijn vijanden
allemaal dood liggen in het puin
van een ingestort gebouw in het hart van Gaza.

Dit conflict is zowel een tragedie als een trauma.
Dat klinkt somber. Toch kan dit perspectief,
ondanks de schijnbare somberheid,
een sprankje hoop bieden.

Tragedie en trauma vermijden de schuldvraag niet,
maar ze beginnen daar niet.
Ze beginnen met een houding van empathie.
Tragedie zorgt ervoor dat we even stilstaan
voordat we morele oordelen vellen
en in plaats daarvan simpelweg het verdriet,
de rouw ervan,
opmerken en ons erin verdiepen.
Wanneer we het verhaal van Simson, bekijken,
worden we simpelweg in stilte gelaten.
We overhaasten ons oordeel niet,
maar erkennen simpelweg het hartverscheurende verdriet
dat de gewone mensen ervaren die hierin verstrikt raken.
Tragedie staat naast het verdriet en de duisternis
en grijpt niet meteen naar de schuld,
omdat we beseffen dat het echte leven
meestal complexer is
en de oorzaken van conflicten ondoorzichtiger.

Tegelijkertijd dwingt het begrijpen hiervan
als trauma ons om de pijn
die aan het conflict ten grondslag ligt, te doorgronden.
Simson wordt geboren in traumatische tijden,
waarin zijn volk wordt aangevallen,
en uiteindelijk leeft hij het trauma
dat hij heeft ervaren door brute wraak op zijn vijanden.
Op dezelfde manier vinden we vandaag de dag
in dit ene kleine stukje land twee volkeren
die het trauma
van wat hen in het verleden is overkomen, beleven.
En zonder een nieuwe aanpak
zal het resultaat hetzelfde zijn:
vernietiging en verwoesting.

Het Joodse volk van vandaag, met name in Israël,
blijft diep getraumatiseerd
door de geschiedenis van antisemitisme,
die culmineerde in de Holocaust van de jaren 30 en 40.
Een vastberaden poging van een verfijnde,
moderne Europese natie
om systematisch ieder lid van het Joodse ras uit te roeien,
is niet alleen een historische gebeurtenis,
maar een waarvan de rimpelingen,
of misschien beter gezegd, stormachtige golven,
ons vandaag de dag bereiken.
Daarnaast is er de verdrijving van Joden in de 20e eeuw
uit moslimlanden zoals Syrië, Irak, Jemen,
Algerije, Tunesië en Libië.
Voor degenen onder ons die niet Joods zijn,
is de impact van zo’n realiteit moeilijk voor te stellen,
niet alleen als een historisch feit,
maar ook als een reëel gevaar in de toekomst.
Immers, als het één keer gebeurt,
kan het opnieuw gebeuren.
Het verklaart waarom Israël altijd weinig aandacht heeft besteed
aan de internationale opinie
en de resoluties van de VN
voor een staakt-het-vuren,
zoals die waartoe onlangs werd opgeroepen.

Of, zoals de Joodse schrijver Daniel Finkelstein het verwoordde:

De oorsprong van de staat Israël is niet religie of nationalisme,
maar de ervaring van onderdrukking en moord,
de angst voor totale vernietiging
en de bittere conclusie dat er niet op de wereldopinie
kon worden vertrouwd om de Joden te beschermen.
Dus wanneer Israël wordt aangespoord
om de wereldopinie te respecteren
en zijn vertrouwen te stellen
in de internationale gemeenschap,
wordt het punt gemist.
Het idee van Israël zelf is een verwerping van deze optie.
Israël bestaat alleen omdat Joden zich niet veilig voelen
als beschermelingen van de wereldopinie.
Zionisme, dat woord dat zo misbruikt en verguisd wordt,
is gebaseerd op de vastberadenheid
dat de Joden uiteindelijk op de een of andere manier
zichzelf en hun mede-Joden
zullen verdedigen tegen vernietiging.
Als de wereldopinie voldoende was, zou er geen Israël zijn.

Met zo’n trauma achter de rug
is het dan ook niet verwonderlijk
dat wanneer een moslim Joden doodt,
wanneer raketten neerregenen op Israëlische steden,
of wanneer Hamas-terroristen
door kibboetsen razen
en mensen neerschieten
alleen maar omdat ze Joods zijn,
dit precies de herinnering oproept
aan het trauma dat zij als volk hebben doorgemaakt.
Wat Palestijnen beschouwen als verzet
tegen de bezetting van hun land,
wordt door Israëliërs ervaren
als een echo van de wens
om het hele Joodse volk uit te roeien,
op een manier die rillingen over de rug doet lopen
bij iedereen die dit verhaal heeft meegemaakt.

Toch heeft het Palestijnse volk ook een eigen trauma.
In 1948, ten tijde van de oprichting van de staat Israël,
werden honderdduizenden Palestijnen
dakloos en staatloos gemaakt,
van hun huizen en land beroofd,
vaak onder bedreiging met een geweer,
en velen werden gedood door zionistische strijders.
De Arabische landen deden weinig om te helpen,
ze waren alleen geïnteresseerd
in hun eigen belangen.
De Europese landen keken toe.
Amerika bleef Israël financieren,
waardoor hun leger
elk ander leger in de regio ruimschoots overtreft,
en zeker genoeg om de stenen, messen en bommen
van verschillende intifada’s te vermorzelen.
Hun diepe gevoel van onrecht
laat ook een litteken achter,
een litteken dat door groepen zoals Hamas
nog steeds voor hun eigen doeleinden
kan worden gebruikt.

En dus, wanneer de inwoners van Gaza
vandaag de dag hun steden tot stof zien vergaan,
wanneer Palestijnen in de rij moeten staan
bij controleposten
om van de ene naar de andere plaats te reizen,
wanneer land wordt afgenomen
door de bouw van een veiligheidsmuur,
en Israëlische nederzettingen vergunningen blijven krijgen
om te bouwen op Arabisch grondgebied,
terwijl het voor Palestijnen veel moeilijker is
om een bouwvergunning te krijgen
voor de bouw van een nieuw huis,
roept dit alles de herinnering op
aan wat Palestijnen de Nakhba of de ramp noemen.
Wat Israëliërs zien als legitieme zelfverdediging,
veiligheidsmaatregelen om terroristen
op afstand te houden
en hun bevolking te beschermen,
ervaren Palestijnen als een echo
van hun eigen trauma van onteigening uit het verleden.

Het resultaat is dat beide partijen
opnieuw gevangen zitten in een cyclus van geweld,
net als Simson en zijn vijanden.
Oog om oog leidt ertoe
dat beide partijen oogloos eindigen in Gaza.

Natuurlijk kunnen we discussiëren
over welk trauma het zwaarst weegt.
We kunnen debatteren over de zwaarte van elk moreel geval,
of over waar de werkelijke schuld ligt.
Maar trauma werkt niet zo.
Trauma huist in de geest en het lichaam
en verspreidt zich, waardoor elk vermogen
om normaal te handelen
en met gevoel voor verhoudingen
en evenwicht te reageren,
wordt overschaduwd.
De effecten van trauma zijn niet opzettelijk
of logisch, maar onvrijwillig.
Reacties op trauma zijn notoir complex
en verschillen per individu.
Trauma blijft jarenlang bij individuen
en generaties lang bij gemeenschappen.

Het begrijpen van dit conflict
niet zozeer door de lens van schuld,
maar door die van pijn,
kan ons helpen dit conflict anders te begrijpen.
Natuurlijk ontwijkt het de schuldvraag niet,
want hier zijn vreselijke dingen gebeurd.
Het ontkent ook niet het recht van Israël
om zich met legitiem geweld te verdedigen
tegen de aanval van Hamas.
De meesten van ons neigen
naar de ene of de andere kant van het conflict.
Toch legt deze benadering
misschien de verantwoordelijkheid op ons,
die toekijken, om te proberen
de pijn van de andere kant te ervaren.
En wanneer het stof van de strijd neerdaalt,
belooft dat misschien een betere manier
om de cyclus van geweld in de toekomst te doorbreken.

Door dit conflict te begrijpen als zowel tragedie als trauma,
kunnen we het in een nieuw licht zien.
En misschien geeft het ons een sprankje hoop op een uitweg.
De herinnering verdwijnt nooit,
maar traumaslachtoffers kunnen manieren vinden
om de herinnering aan wat hen is overkomen
op verschillende manieren te benaderen.

Het verhaal van Simson eindigt
met vernietiging en zijn begrafenis in het familiegraf.
Het eindigt met de dood.
Binnen het lange verhaal van de Bijbel
wordt de chaotische periode van de Richteren
echter vervangen door de monarchie
– de koningen van Israël, van wie koning David de beste is –
een heerser met gebreken,
maar beschreven als ‘een man naar Gods hart’.
Daarnaast wijst het verhaal van David
op een latere heerser,
eveneens geboren in Bethlehem,
wiens heerschappij niet inhield
dat hij zijn vijanden haatte en doodde,
maar dat hij hen liefhad tot het punt
dat hij voor hen stierf,
en zo uiteindelijk vrede bracht.

Het is dat soort Jezus-achtige,
zelfopofferende, radicale leiderschap
voor beide kanten
dat een uitweg kan bieden
uit de cyclus van geweld en haat
die er was in de tijd van Simson,
en die er vandaag de dag nog steeds is.

Alleen leiders die er niet op uit zijn
om alles te doen wat nodig is
om aan de macht te blijven,
noch bereid zijn anderen op te offeren
voor hun eigen doeleinden,
die zich niets aantrekken
van hun persoonlijke reputatie,
maar bereid zijn om de riskante weg
van verzoening te bewandelen,
alleen dit soort leiderschap
kan ons voorbij de tragedie
en het trauma van het verleden
naar een hoopvollere toekomst leiden.

Het laatste woord komt misschien van Audeh Rantisi,
een Palestijn die in 1948 uit zijn huis in Lydda werd gezet.
Hij werd later Anglicaans priester
en activist voor verzoening
tussen Joden en Arabieren
voor de noodzaak voor beiden
om de littekens en de menselijkheid
van de ander te erkennen.
Hij zei:

Ik draag nog steeds
de emotionele littekens van de zionistische invasie.
Toch zie ik als volwassene
wat ik toen niet helemaal begreep:
dat de Joden ook mensen zijn,
zelf gedreven door angst,
slachtoffer van de ergste gruweldaden
uit de geschiedenis,
fanatiek, soms bijna gedachteloos op zoek naar veiligheid.
Vier jaar na onze vlucht uit Lydda
wijdde ik mijn leven
aan de dienst van Jezus Christus.
Net als ik en mijn medevluchtelingen
had Jezus in barre omstandigheden geleefd,
vaak met slechts een steen als kussen.
Net als zijn mede-Joden tweeduizend jaar geleden
en de Palestijnen vandaag de dag,
beheerste een externe macht
zijn thuisland – mijn thuisland.
Ze martelden en vermoordden
hem in Jeruzalem,
op slechts vijftien kilometer van Ramallah,
mijn nieuwe thuis.
Hij was het slachtoffer van vreselijke vernederingen.
Niettemin bad Jezus
voor degenen die zijn dood bewerkstelligden:
“Vader, vergeef hun…”

Kan ik minder doen?

 

We kennen zo langzamerhand
allemaal wel het christelijk nationalisme
uit de Verenigde Staten van Amerika:
De beelden van een knielende Donald Trump
die vlak na zijn inauguratie gezegend werd
door een behoorlijk aantal voorgangers.
Voorgangers en christenen
die ‘hun’ Trump te vuur en te zwaard verdedigden
en zijn radicale plannen ondersteunen,
al was het alleen maar
om hun eigen agenda doorgevoerd te krijgen.
We deden het vaak af als een typisch Amerikaans iets.

Maar wat schetste mijn verbazing
toen ik laatst bij de Malieveldrellen in Den Haag
een houten kruis tussen de prinsenvlaggen en fakkels ontwaarde.
Onderzoekers hadden echter al eerder gewaarschuwd:
ook in Nederland wordt de christelijke symboliek
door radicaal- en extreemrechtse bewegingen
vaker ingezet om de ‘strijd’ tussen ‘goed’ en ‘kwaad’
een diepere lading te geven.

Vanaf het podium op het Malieveld
klonk tijdens de gewelddadige demonstratie een Bijbeltekst.
Els Noort, beter bekend als ‘Els Rechts’,
zwaait met een vlag waarop
de vermoorde Pim Fortuyn
en Charlie Kirk zijn afgebeeld.
Ondertussen leest ze voor uit Psalm 4:
In vrede zal ik gaan liggen en weldra slapen,
want U alleen, HEERE, doet mij veilig wonen.
De 26-jarige Noort noemt het
‘een tekst die troost geeft in deze donkere tijd’.

Wat is de link tussen
uiterst rechts gedachtegoed en het christelijke geloof?
En is christelijk nationalisme
dat geweld niet schuwt een gevaar voor Nederland?

De Zoetermeerse Noort maakt er op sociale media
geen geheim van dat ze christen is.
Ze is gedoopt,
ging naar een reformatorische school
en deed drie jaar geleden belijdenis van haar geloof.
‘Ik kies volledig voor Hem en wil Hem dienen in mijn leven.’
Ze dankt God op X niet alleen
dat Hij haar zonden heeft vergeven,
maar ook: dat ze ‘geen linkse mening’ heeft.
‘God is goed, Geert wordt groot.’
stond er op een kruis te lezen.

Het kruis met ‘God is goed, Geert is groot.’ – beeld: YouTube

Noort gebruikt haar geloof ook om anderen aan te vallen.
Over oud-minister Hugo de Jonge zegt ze dat ze hoopt
dat hij zich straks kan verantwoorden tegenover God.
Oud-ChristenUnie-leider Gert Jan Segers noemt ze een ‘nepchristen’.
Mensen waar ze het niet mee eens is, noemt ze regelmatig ‘demonen’.

In London liepen eerder nog enkele anti-migratiedemonstranten
met kruizen en vlaggen door de straten.
Sommigen kwamen in een kruisvaarderskostuum.
Volgens de AIVD speelt daarbij het christendom en fluïde rol:
het kan gebruikt worden
om anderen het label van ‘het kwaad’ op te plakken,
om een witte, christelijke beschaving te claimen,
en soms om bruggen te bouwen naar conservatieve christenen.

Kort na deze demonstratie namen 36 Britse kerkleiders
uit conservatieve en progressieve stromingen
in een verklaring afstand van het gebruik
van die christelijke symbolen.
‘Jezus roept ons op om onze vijand
en onze naaste lief te hebben.
Het is onacceptabel dat het christelijk geloof
wordt misbruikt om anderen buiten te sluiten’,
schrijven zij.

Zo’n verklaring zou in Nederland ook een goed idee zijn,
zegt onderzoeker Marietta van der Tol van de Cambridge University.
‘In landen waar kerken zich duidelijk hebben uitgesproken
tegen misbruik van het geloof
door radicaal-rechtse groepen,
zoals in Noorwegen en Duitsland,
zwakken radicaal-rechtse groepen
hun claim op het christendom af.’

maar Van der Tol wijst wel
op de Amerikaanse invloed
op Nederlandse christenen,
bijvoorbeeld in de muziek, de liturgie,
of geestelijke literatuur.
‘De Amerikaanse samenleving is aan het radicaliseren
en dat zie je steeds meer in kerken en in de theologie terug.
Het zou goed zijn als gelovigen en kerken hier
nadenken over de vraag hoe welkom
die tendensen van radicalisering
zouden zijn in Nederland,
en of dat bij ons past.’

Het probleem zit ook bij het begrip ‘christelijk nationalisme’.
Voor de één betekent het iets anders dan voor de ander.
Christelijk nationalisme kan worden gedefinieerd als
‘liefde voor je natie, identificatie ermee
en speciale zorg voor haar welzijn’
Zo gelezen is er vanuit christelijk oogpunt
niets verkeerds aan.
Maar de term wordt tegenwoordig
ook anders ingevuld..
Dan duidt het eerder op een ideologie
die politieke macht nastreeft
om de christelijke identiteit
te verenigen met de nationale identiteit.
Met andere woorden,
het zou betekenen dat christenen
christelijke waarden willen opleggen
aan álle burgers van een natie
door middel van de wet.

Maar voor veel christenen zit juist hier
een addertje onder het gras.
‘Christelijke waarden’ omvatten
namelijk niet het dwingen van mensen
die zich niet als christen identificeren
om een christelijke levensstijl te leiden.
Christelijke waarden zijn gebaseerd
op de leer en het voorbeeld van Jezus,
en Hij was nooit dwingend.
Hij richtte zich op de harten van mensen
en streefde naar vrijwillige,
in plaats van afgedwongen gehoorzaamheid.
Zijn doel was dat mensen
Hem zouden volgen
en naar Zijn leer zouden leven
omdat ze dat meer dan wat ook ter wereld wilden,
niet omdat ze anders gevangen zouden worden gezet
of benadeeld zouden worden als ze dat niet deden.
Het evangelie is een uitnodiging
tot het meest lonende en vervullende leven
dat je je kunt voorstellen,
geen bevel dat uit angst
moet worden opgevolgd.

Jezus leerde expliciet dat christelijke politiek
anders zou moeten zijn
dan alles wat de wereld ooit heeft gezien:

‘Jullie weten’ zei Hij
‘dat de volken onderdrukt worden
door hun eigen heersers
en dat hun leiders hun macht misbruiken.
Zo mag het bij jullie niet gaan.
Wie van jullie de belangrijkste wil zijn,
moet dienaar van de anderen zijn.’ (Marcus 10,42-43)

Met deze woorden zette Jezus
een politieke agenda
voor zijn volgelingen neer
die radicaal verschilde van
elke andere beweging, religie,
instelling of natie.

Waar anderen altijd macht hebben gebruikt
om te domineren, te controleren
en gehoorzaamheid af te dwingen,
moeten christenen macht gebruiken
om degenen die onder hen staan
te dienen en hun bloei na te streven.
Met zijn eigen leven liet Jezus zien hoe dit eruitziet.
Veel mensen verwachtten dat de Messias
een groot militair leider zou zijn
die een leger onder zijn banier zou verzamelen,
dat hij de Romeinse onderdrukking zou afschudden,
Israël als natie zou vestigen
en het met absolute macht en gezag zou regeren.
In plaats daarvan, in plaats van geweld te plegen,
onderwierp hij zich aan de dood
door toedoen van de Romeinse onderdrukkers.

Nee, Jezus bedoelde niet dat zijn volgelingen
geen macht en invloed
in de wereld zouden moeten nastreven,
of dat ze zich zouden moeten neerleggen
en zich als een voetveeg
zouden moeten laten vertrappen.
Het ‘christelijke verschil’
is niet dat het apolitiek is,
zich terugtrekkend
van alle betrokkenheid bij wereldse zaken,
alsof God zich niet bekommert
om wat er in de wereld gebeurt.

Het christelijke verschil is tweeledig:

(1) nooit de macht grijpen of behouden
door middel van geweld, dwang, leugens,
manipulatie of welke middelen dan ook
die zogenaamd het doel rechtvaardigen,

en (2) macht gebruiken
(wanneer die ons vrijwillig wordt gegeven)
in dienst van iedereen,
ongeacht hun geloof of levensstijl,
en vooral van de machtelozen.

Nee. christenen hebben zeker niet altijd
op deze manier politiek bedreven.
In de eeuwen sinds Jezus op aarde rondwandelde,
zijn ze vaak bezweken voor de verleiding
om politiek te bedrijven
zoals de rest van de wereld:
grepen ze naar autoriteit
om er zich vervolgens
met alle mogelijke middelen aan vast te houden,
het gebruiken om jezelf
en de eigen agenda te bevoordelen
op manieren die anderen te schaden en te onderdrukken.
De behandeling van Joden
in de late middeleeuwen
is een ontnuchterend
en afgrijselijk voorbeeld:
Joden werden gedwongen in getto’s te leven
en kegelvormige hoeden te dragen.
Het was hun verboden openbare ambten te bekleden,
synagogen te bouwen
die hoger waren dan welke kerk dan ook,
of op zondag over straat te lopen.
Uiteindelijk werden ze met geweld
uit verschillende Europese landen verdreven
om geen belemmering meer te laten
voor de vorming
van een waarlijk ‘christelijke natie’,
oftewel een natie met alléén christenen.

Tegenwoordig zetten veel christenen
in westerse landen zich in
om zich te verzetten tegen wereldbeelden
waarvan zij vinden dat ze hen binnendringen
zoals secularisme, islam en liberalisme.
Ze willen het christendom opnieuw
als de dominante culturele kracht bevestigen.
Het lijkt mij dat deze inspanningen
grotendeels worden ingegeven
door angst, veroorzaakt
door de afnemende christelijke invloed.
Er is een sterke drang tot zelfbehoud
wanneer iemand zich steeds meer gemarginaliseerd voelt.
Men heeft het gevoel dat als men de macht niet terugkrijgt,
alle waarden en de levensstijl
die men koesterde, zullen worden weggevaagd.
Je moet je dan zelf beschermen en proberen
de christelijke waarden met alle mogelijke middelen te behouden.
Je dient de controle terug te nemen
en financieel, politiek en cultureel kapitaal
in te zetten om het bestuur te herwinnen
en de christelijke wetten in ‘ons land’ te herstellen.

Toch is angst nimmer een goede drijfveer geweest
voor wijs, rechtvaardig en rechtschapen handelen.
Angst leidt onze aandacht af van de armen en behoeftigen
en richt zich op onze eigen benarde situatie.
Angst zorgt ervoor dat we terugslaan
met een instinctieve zelfbescherming.
Wanneer we bang zijn,
voelen we ons gerechtvaardigd
om onze eigen behoeften
en prioriteiten voorop te stellen.
Gewelddadig gedrag wordt bestempeld
als ‘zelfverdediging’,
het korten op hulpbudgetten
wordt bestempeld
als voorzichtigheid,
en het weigeren van toegang
aan vluchtelingen die alles verloren hebben
en op de vlucht zijn voor vervolging,
wordt gezien als de enige verstandige handelwijze
in een wereld met eindige middelen.
Angst drijft ons ertoe ons eigen voordeel te zoeken,
iets wat Jezus zelf nooit deed.
Misschien wist Jezus
dat angst de grootste kracht kan zijn
die ons ervan weerhoudt
een christelijk leven van dienstbaarheid te leiden.
Misschien is het geen toeval dat
“wees niet bang”
de meest voorkomende zin in de Bijbel is.

Voor christenen, zoals ik,
zijn er betere drijfveren
voor politieke actie:
dingen zoals
wijsheid, rechtvaardigheid en vrede.
(Durf ik te zeggen: liefde
Of is dat te controversieel?)
Maar de allerbeste motivatie
is de wens om Jezus’ leer en voorbeeld te volgen,
niet alleen als we eenmaal macht hebben verworven,
maar ook in de manier waarop we die zoeken en vasthouden.

Er is op zich niets mis met het idee van een ‘christelijke’ natie,
als dat in ieder geval een natie betekent
die zich gedraagt tegenover mensen
– zowel burgers als niet-burgers –
zoals Jezus deed
(en ervan uitgaande dat de natie
in de eerste plaats
niet door geweld is gevormd
– maar dat is een ander verhaal).
Een werkelijk ‘christelijke’ natie
zou nooit proberen christelijk gedrag
van wie dan ook af te dwingen.
Het zou de vrijheid van mensen respecteren
om te leven en te geloven wat ze willen,
en zou gelijke kansen, gelijke voordelen
en gelijke rechten bieden
aan christenen, moslims, atheïsten en joden.
Het zou zijn macht gebruiken
om alle mensen te dienen,
met name de meest kwetsbaren
en de minsten
die voor zichzelf kunnen zorgen.
Het zou elke buitenlander
verwelkomen en beschermen
die daarheen vluchtte
om zijn leven of vrijheid te redden,
nadat hij thuis alles verloren had.

Zo’n natie zou niet gekenmerkt worden
door angst om haar macht te verliezen.
Het zou er niet naar streven
haar invloed te behouden
door niet-christenen
het burgerschap
of posities in de regering te ontzeggen.
Als het tij zich tegen haar zou keren,
zou ze nederig afstand doen
van de macht
in plaats van dwang te gebruiken
om die te behouden,
net zoals Jezus nederig naar het kruis ging
in plaats van geweld te gebruiken
tegen zijn onderdrukkers.

Dat brengt me bij het primaire probleem
dat volgens mij het christelijk nationalisme vormt.
Ik heb geprobeerd de sociale en historische realiteit ervan
te verbinden met de huidige politieke macht.
Maar de grootste fout lijkt mij de opmars naar suprematie.
Jezus’ afwijzing van politieke macht in de woestijn
en zijn verzet tegen politieke macht door het kruis
gaan verloren in de opkomende vloedgolf van christelijk nationalisme.
Christenen hebben geen natuurlijke of goddelijke aanspraak
op gezag over anderen op basis van hun geloof.
De kerk heeft altijd een ‘ja’ en een ‘nee’ tegen de staat gezegd.
We moeten meer nadenken over
wat het ‘ja’ en ‘nee’ van de kerk zou moeten zijn.

 

Afgelopen weekend werd Nederland opgeschrikt door de rellen op het Malieveld.
Maar kwamen deze rellen zomaar uit de lucht vallen?
Daar wil ik in deze webpost over nadenken.

Want al in 2004 (sic) schreef Thomas von der Dunk zijn boek
met de titel: Buiten is het koud en guur.
Von der Dunk ontleedt in zijn boek de onrust en onzekerheid
die de boventoon voert bij groepen Nederlanders
na de moord op Pim Fortuyn in 2002.
Hij stelt zich de vraag of de revolutie van Fortuyn
werkelijk ten einde is of smeult onder de oppervlakte nog onrust.

Ik denk dat je na goed 20 jaar van de publicatie van dit boek,
wel kunt stellen de gevoelens van onrust en onzekerheid
zeker niet tot rust zijn gekomen maar eerder zijn toegenomen.

En die gevoelens komen niet alleen tot uiting in de kroeg
waar sommige mensen steeds meer en ongenuanceerdere woorden gebruiken.
Helaas is dit woordgebruik ook doorgedrongen tot in de politiek.
Want als je je in de politieke arena niet kunt gedragen,
kun je dat in de samenleving terugzien.
We moeten wel op onze woorden passen, want woorden doen ertoe.
We zien dat politici met jerrycans vol benzine rondsjouwen
en het gevoel van onrust en onzekerheid
met halve waarheden en hele leugens extra oppoken.
Vervolgens roepen ze dan wel moord en brand
als de gevoelens die ze hebben aangewakkerd
door sommige groepen worden aangevat om te gaan rellen.

Afgelopen weekend zagen we dat in Nederland met de rellen op het Malieveld.
Ik vond het bijvoorbeeld verbazingwekkend
hoe organisator Els Noort (a.k.a. Els Rechts)
van het Project Elsfest
zich meteen uitsprak over de relschoppers en zei
dat ze ‘echt gechoqueerd’ te zijn door deze gewelddadigheden.
Ze had in al haar ‘naïviteit’
gedacht dat haar bijeenkomst tegen het
asiel- en immigratiebeleid van de overheid
– ondanks aangekondigde rellen –
geweldloos zou verlopen.
‘Dat is absoluut nooit mijn bedoeling geweest.’
Ze wilde een vreedzaam protest tegen het in haar ogen falend asielbeleid.
Ze vindt het geweld van de relschoppers tegen de politie echt vreselijk.
‘Ik walg er echt van.’
Ze liep echter eerder zelf met een kannetje benzine rond
om het vuurtje van onrust eens flink op te stoken
door ‘linkse mensen als de grootste fascisten’ te betitelen
en wanneer CDA-leider Henri Bontenbal
zich kritisch uitlaat over de door haar bewonderde Wilders
hem een ‘randdebiel die allesbehalve christelijk is’ noemt.
Ook omschrijft ze Bontenbal
als een ‘wolf in schaapskleren’
en doopt ze de letters CDA om in ‘Christenen Dienen Allah’.
Waarschijnlijk had ze goed geluisterd
naar haar grote voorbeeld Geert Wilders
die NSC omdoopte tot ‘Nederlandse Sabotage Club’.

Maar goed, terug naar de problemen in Nederland.
Woede die nauwelijks gehoord en slecht verwoord worden.
In Nederland ontstaan er rellen op straat
en lopen mensen met de zogenaamde Prinsenvlag,
teken van verzet tegen onderdrukking. Woede

In Amerika versmalt de onrust zich tot kogels.
Dit zijn echter geen op zichzelf staande incidenten,
maar variaties op dezelfde westerse breuklijn:
woede die niet gehoord wordt en klontert tot ze explodeert.

Woede is in essentie een natuurlijke passie,
een het opvlammen van de ziel bij onrecht of onrecht.
Ze kan rechtvaardig zijn
wanneer ze beheerst wordt door liefde,
zoals zelfs Christus boos was op verharde harten.
Maar woede die zich verhardt verword tot ondeugd.
De Bijbel noemt het dan zowel het vuur van Gods oordeel
als, in de mensheid, een doodzonde.

Woede die niet meer geneest verword
tot littekenweefsel dat altijd blijft schrijnen.
En de woede die ten grondslag ligt aan de rellen
van afgelopen weekend is dit soort woede.

Het geeft uiting aan het gevoelen verhaal van teloorgang.
Voor groepen uit de maatschappij
is het Nederland dat men zich herinnert of verbeeld, is verdwenen.
Verbeeld, want er wordt een zwart sprookjesverleden geschetst
waarin Nederlanders hun maatschappij hebben vormgegeven.
Feit is dat veel soldaten die vochten
in de afhankelijkheidsstrijd van Nederland – de 80-jarige oorlog –
vaak buitenlanders waren.
Ook de bemanning van de VOC-schepen
waren vaak buitenlanders.
En de rijkdom van de ‘Gouden Eeuw’ hebben we
voor een groot deel te danken aan
gevluchte Belgen die met hun kennis en kapitaal
neerstreken in de Noordelijke Nederlanden.
Maar de angst tegen wat buitenlands, vreemd is
is voor groepen mensen voelbaar.
Voor hen is hun bekende omgeving ingeruild voor een samenleving
die niet meer herkend wordt:
multicultureel, politiek gevoelig, zich losmakend van het verleden.
Een kop in een krant schreef ooit:
‘de voornaam Henk is op weg naar het uitsterven’,
terwijl Muhammad,
in al zijn spellingsvarianten,
de meest voorkomende babynaam was geworden.

En daarmee wordt gesproken over immigratie
Beelden van massa’s mensen in Ter Apel
die over het beeldscherm rolden:
meer verandering waar men geen controle over heeft.
Huisvesting waar men geen vat op heeft.
De weigering om ooit nog te stemmen
is dan eerder een gebaar van berusting.
Omdat ‘ze’ toch niets om hem geven.

Zo onthullen deze mensen met hun woede
een politiek die hen in de steek heeft gelaten,
een economie die geen hoop biedt
en een cultuur die hen
tot vreemdelingen in hun eigen land maakt.
Nee, ‘tuurlijk, rellen zijn geen remedie;
ze scheuren wonden open zonder te helen.
Maar de reactie daarop is verhelderend:
want meteen wordt er gewezen naar de ander
en volgt er weinig tot geen zelfreflectie.
Van je af wijzen in plaats van luisteren.
Dat verscherpte de bitterheid.

Maar woede fluistert hier niet en wacht niet.
Het relt.

En misschien hadden veel van relschoppers
nog nooit eerder van Charlie Kirk gehoord,
maar Kirks retoriek kanaliseerde precies de angsten
die deze mensen kenmerken
– over verlies, ontheemding en verwaarlozing.
Deze resonantie verklaart mede
hoe zijn stem zo wijdverspreid was.

En eerlijk gezegd: ik heb Charlie Kirk ook niet gevolgd.
Zijn filmpjes verschenen op Instagram of YouTube,
maar het was niet mijn algoritme dat ze vastgreep.
Maar toen ik het nieuws zag, verraste mijn reactie me.
Het was vreemde reactie voor iemand die nooit
zo’n belangrijke rol in mijn leven had gespeeld.
Ik voelde me bijkans misselijk.
Omdat hij dood was.
Omdat hij geen politicus achter glas
of generaal achter medailles was.
Hij was weliswaar een publiek figuur,
maar ook vreemd normaal.
Met een vrouw en jonge kinderen.

En hij had het lef om met mensen te praten.
Hoeveel van ons kunnen zeggen
dat we net zo luidkeels recht in de ogen van anderen
zeggen wat we geloven
als we wel dapper genoeg zijn
om dat op sociale media te doen?
Charlie Kirk was zichtbaar.
Toegankelijk.
Hij was van vlees en bloed, niet alleen in pixels.
Ik zag op Facebook mensen van zijn generatie
een eerbetoon plaatsen.
Voor hen was zijn verdediging geen woede, maar dialoog.

En toen het fatale schot.

De moordenaar haalde de trekker over.
Woede was versmald tot enkele, precieze kogels met slogans erop.
Maar dit was geen gerechtigheid, zelfs geen protest.
Het was woede die verworden was tot moord; een executie.

Woede veroorzaakt hier geen opstand.
Het wordt versmalt tot kogels.
Het verandert in kannibalisme.

Want wat zal dit vergoten bloed
teweegbrengen in hen die luisteren, kijken en geloven?

In Amerika zijn vlaggen meubilair.
Ze staan op elke veranda, bij elke school, in elk stadion.
Maar hier in Nederland,
wanneer Nederlandse vlaggen worden omgekeerd
of de Prinsenvlag wordt geheven
voelt dat niet gewoon aan.
Ze zijn een uiting van verzet, van opstand.
Ze voelen onheilspellend aan.

Nee, de vlaggen schreeuwen niet; ze fluisteren.
Elke dag.
Een langzaam, koppig signaal van verbondenheid en verzet.
Niet de opstand van de mensen. Niet de kogel voor Charlie.
Maar iets stillers, op de een of andere manier blijvenders.
Woede in stof genaaid, wortel schietend in stilte.
Volharding echoot de wrok.
De stille volharding is op de een of andere manier
verontrustender dan de kogels die Charlie troffen.
En wanneer ze op bepaalde plaatsen duidelijker worden,
wanneer ze zich opstapelen en clusteren, vormen ze een bepaalde sfeer.

De omgekeerde vlaggen, de prinsenvlaggen betekenen
voor de één trots en voor de ander bedreiging.
En voor de meesten misschien helemaal niets.
Maar als de vlag van de mast worden afgescheurd
blijft er een rafelige naad over,
een bungelende strook gescheurde stof
die nog steeds aan het rechtopstaande metaal vastzit.
Dat voelt nog onheilspellender.
Niet als zomaar een teken van verdeeldheid, maar van reactie.
En merk je op dat ze,
waar ze slechts zo hoog hangen als een ladder reikt,
ze er bijna uitzien als vlaggen halfstok?
Alsof er onder de weerstand een onbewust verdriet schuilt.

En dus blijft de vraag: wat zal er van dit alles terechtkomen?
Deze woede kwam niet zomaar uit de lucht vallen,
maar gistte al heel lang in de samenleving.

Welke toekomst hebben we voor ogen?
Woede veroorzaakt hier geen opstand of vernauwing.
Het schiet wortel en woekert verder.

Hoe zou Christus spreken?
En hoe kan woede, die niet gehoord wordt
voordat ze zich tot toorn verhardt,
met de stem van Christus spreken?

Ik was boos, en jij noemde me achterlijk.
Ik was boos, en jij noemde me woke.
Ik was boos, en jij hoorde alleen je politiek,
niet mijn pijn.

Ik was boos, en jij maakte ruzie over stammen en partijen.
Ik was boos, en jij beoordeelde mij als stem, als bedreiging, als oorzaak.
Ik was boos, en jij luisterde niet echt naar mij.

Voorwaar, ik zeg je:

toen je de bozen zag
en hen alleen maar naar links of rechts riep,
begreep je er niets van.

Je kende mij niet.

En die boosheid – nog steeds ongehoord – zal nooit weggaan,

hun woede groeit in de schaduwen, wachtend om uit te barsten.

 

Maar de vraag dringt zich op: kunstmatige intelligentie, AI,
het was toch ontworpen om ons te redden?
Je hoort en leest immers over groepen mensen
die gevangen zitten in algoritmes,
of door desinformatie worden misleid
De ontwerpers van AI beweren volmondig
dat hun systeem er is ten bate van de gebruiker.
En zeker, AI is ongetwijfeld nuttig.
De antwoorden die ik eerder kreeg over ‘de grootste levensvragen’ waren zeker nuttig.
Maar AI als ultieme levensgezel, hoe zit dat dan?

Want AI kan gezelschap bieden aan eenzame mensen,
kan creativiteit stimuleren wanneer we leeg zijn
en kan ons productiever maken.
Het geeft ook zonder aarzeling antwoord op elk soort vraag.
Het kan, kortom, een toevluchtsoord.
Veel chatbots hebben namen, wat ons gevoel van veiligheid versterkt.
Want namen definiëren en labelen dingen,
maar ze doen veel meer dan dat.
Namen bevorderen verbinding.
Ze kunnen een relatie oproepen en beschrijven,
waardoor we een intieme band
kunnen opbouwen met de genoemde dingen.
Maar wanneer de betreffende ‘dingen’ AI-chatbots zijn,
kunnen we echter in de problemen komen.

Want chatbots kunnen volgens onderzoek bijdragen aan
‘schadelijke stigmatisering en gevaarlijke reacties’.
Sterker nog, ze kunnen psychotische symptomen zelfs versterken.
Hoe meer we leren, hoe meer we beginnen te begrijpen
dat een groot deel van de wereld
die AI-chatbots bieden, een illusie is.

Vroegchristelijke denkers hadden een aparte categorie
voor precies dit soort illusie:
de demonische.
Ze zagen demonen niet als rode, gehoornde lichamen
maar als entiteiten met de macht om illusies te creëren:
visioenen, verschijningen en bedrieglijke tekenen
die de menselijke perceptie van de werkelijkheid vertekenden.
Demonen personifieerden ook trots.
Als gevallen engelen keerden ze zich af van de waarheid
en richtten zich op zichzelf.
Hun illusies verleidden mensen om die trots te delen
door valse grootheid te geloven
en zich vast te klampen aan een valse toevlucht.

Door zo naar die vroegchristelijke benaderingen van demonologie te kijken
kan het ons helpen duidelijker te zien
wat er op het spel staat
bij het onvoorwaardelijk omarmen van AI-chatbots.

Want volgens vroege christelijke denkers
opereerden demonen zelden met brute kracht.
In plaats daarvan werkten ze door middel van bedrog.
Athanasius van Alexandrië (ca. 296–373)
was een bisschop en theoloog
die Het leven van Antonius schreef.
Hierin beschreef hij hoe de grote woestijnvader
werd geplaagd door demonische visioenen,
fantomen van wilde dieren, verschijningen van goud
en zelfs valse engelen van het licht.
Het cruciale gevaar was niet een fysieke aanval, maar een illusie.
Demonen werden gezien als wezens
die schijnvertoningen creëerden
om te verwarren en te misleiden.
Een monnik in zijn cel
kon stralend licht zien en prachtige stemmen horen,
maar hij moest het zorgvuldig testen,
want demonen vermommen zich als engelen.

Evagrius van Pontus (ca. 345–399),
een christelijke monnik, asceet en theoloog
die invloedrijk was in de vroege monastieke spiritualiteit,
waarschuwde dat demonen zich in het denken drongen
en ideeën plantten die aanvoelden
alsof ze door henzelf waren gegenereerd,
maar die iemand in feite op een dwaalspoor brachten.
Deze notie dat het demonische het meest effectief is
wanneer het via de schijn werkt
vormde het hele ascetische project.
Demonen weerstaan betekende hun illusies weerstaan.

Augustinus van Hippo (354-430)
was een Noord-Afrikaanse bisschop en theoloog
wiens geschriften het westerse christendom vormgaven.
In zijn boek De Stad Gods
betoogde hij dat heidense religie
grotendeels een uitgebreid systeem
van demonische misleiding was.
Demonen, zo betoogde hij, veroorzaakten valse wonderen,
manipuleerden dromen
en inspireerden theatervoorstellingen om de massa te verleiden.
Ze handelden in spektakel en verleidden de verbeelding
en het verlangen in plaats van de waarheid te presenteren.

AI-chatbots functioneren op een opvallend vergelijkbare wijze.
Ze oefenen geen macht uit door fysieke dwang.
In plaats daarvan creëren ze illusies.
Ze kunnen een gezaghebbend klinkend verhaal
vol onwaarheden produceren.
Ze kunnen beelden creëren van mensen
die iets doen wat nooit is gebeurd.
Ze kunnen gezelschap bieden
dat leidt tot zelfbeschadiging of zelfs zelfmoord.
Net als het demonische opereert de chatbot
door middel van van beeld, geluid en gedachte.
Het produceert schijnbeelden die de zintuigen overtuigen,
maar ze tegelijkertijd loskoppelen van de realiteit.
Het risico is niet dat de chatbot ons dwingt,
maar dat hij ons bedriegt;
net als demonische machten.

Ook het gebruik van AI-chatbots verleidt ons met illusies van trots.
Een schrijver kan bijvoorbeeld
door AI gegenereerd werk
als zijn eigen werk presenteren.
Het gevaar hier is niet alleen dat men bedrogen wordt,
maar dat men medeplichtig wordt aan bedrog,
door illusie te gebruiken om zichzelf groter te maken.

Vroegchristelijke theologen zoals Athanasius, Evagrius en Augustinus
waarschuwden dat trots het zekerste teken van demonische invloed was.
Voor zover AI ons verleidt tot opgeblazen beelden van onszelf,
volgt het hetzelfde patroon.

Als het om AI-chatbots gaat,
hebben we een discipline van onderscheidingsvermogen nodig
om te testen of de afbeeldingen en teksten
de kenmerken van waarheid of bedrog dragen.
Net zoals monniken niet elk licht konden vertrouwen,
kunnen wij niet elk beeld of elke zelfverzekerde alinea vertrouwen
die door de chatbots wordt geproduceerd.
We hebben verificatiecriteria
en onderscheidingsvermogen nodig
om te voorkomen
dat illusie voor realiteit wordt aangezien.

Zo is hulp nabij.

Want door de eeuwen heen
hebben christenen gereageerd op demonische illusies,
niet met naïeve goedgelovigheid
of een algehele afwijzing van de zintuiglijke wereld,
maar door het harde werk van onderscheidingsvermogen:
het testen van schijn, het cultiveren van disciplines van verzet
en het richten van verlangen op de waarheid.

Het Leven van Antonius beschrijft hoe de monnik
demonische illusies confronteerde met ascetische discipline.
Toen Antonius geconfronteerd werd met visioenen van schatten,
weigerde hij zich te laten leiden door verlangen.
Toen hij werd aangevallen door verschijningen,
bleef hij in gebed.
Hij testte visioenen op hun effecten:
waarachtige visioenen brachten nederigheid,
vrede en helderheid teweeg,
terwijl demonische illusies trots,
onrust en verwarring opwekten.

We kunnen een levenswijze cultiveren die hetzelfde doet.
Weerstand bieden aan de illusies vereist
mogelijk vormen van ascese:
vasten van chatbots
en het cultiveren van geduld bij de verificatie.

Nee. AI-illusies zijn op zichzelf niet per se demonisch.
De sleutel is of de illusie voorbij zichzelf wijst
naar de waarheid en de werkelijkheid,
of dat het ons in een staat van misleiding brengt.

citaat toegeschreven aan Voltaire (Frans schrijver, filosoof en vrijdenker 1694 – 1778)

 

De moord op Charlie Kirk heeft veel mensen geschokt – ook mij.
De afgelopen tijd organiseerde Kirk pop-updebatten
op verschillende Amerikaanse universiteitscampussen.
Kirk was een jonge, welbespraakte conservatief
die zich waagde aan universiteitscampussen
– over het algemeen linksgeoriënteerde, progressieve plekken –
en zo het gesprek, het debat en de uitdaging aanging.
Hij was eigenzinnig, provocerend,
niet bang om impopulaire meningen te uiten,
hij wekte vijandigheid op, maar leek dat zelf zelden te laten blijken.
Geen vraag was taboe, hij leek respect te hebben
voor degenen die hem aanvielen
en hij maakte geen geheim van zijn christelijke geloof.

Nee, zijn mening was vaak niet de mijne.
Zijn opvattingen over wapenbeheersing,
over Israël en Donald Trump, bijvoorbeeld,
staan mijlenver van mijne af.
Maar het uitnodigen tot debat over controversiële kwesties,
het proberen om de mening van anderen te veranderen
door middel van discussie en redelijke argumenten,
is de kern van het publieke debat
en een goed functionerende democratie.
Er zijn maar weinig plekken
waar progressieven en conservatieven nog met elkaar praten
en de debatten van Charlie Kirk op de campus waren er daar één van.
Het is tragisch dat ze hem het leven kostten.

In onze tijd worden zulke gruwelijke daden
meestal niet gepleegd door een geheime, politiek gemotiveerde kliek,
maar vaak door een losgeslagen
of misleide, zelfgeradicaliseerde eenling,
beïnvloed door marginale groepen in de politiek of cultuur.
Sirhan Sirhan die Robert F. Kennedy doodschoot,
James L. Ray die Martin Luther King vermoordde,
en zelfs (ondanks alle complottheorieën) Lee Harvey Oswald
die John F. Kennedy vermoordde;
In Nederland kennen we natuurlijk
de moord op Pim Fortuyn of Theo van Gogh.
De daders vallen allemaal in de categorie van eenzame,
onevenwichtige mensen die doden
vanwege een of andere wrok,
soms losjes politiek gemotiveerd, maar meestal alleen handelend.
Complottheorieën zijn verleidelijk, maar meestal ongegrond.

Vaak misbruiken mensen, en dus ook politici
zulke daden voor het eigen gewin,
zoals afgelopen bleek
door de uitspraken van de Amerikaanse president.
Het is verleidelijk wanneer zoiets allerlei bredere
politieke en culturele lessen oplevert.
En daar is de afgelopen dagen geen gebrek aan geweest.
‘Omdat ze zijn ongelijk niet konden bewijzen, vermoordden ze hem’,
zo ging een cliché.
Het probleem daarmee is dat ‘ze’ hem niet vermoord hebben.
Eén jongeman – die nu gevangen zit – heeft dat wel gedaan.
De suggestie dat elke linkse persoon
in de VS of elders op de een of andere manier
verantwoordelijk is voor Kirks dood,
staat ironisch genoeg haaks
op de duistere motieven achter deze daad.

Het is Jezus die uitlegt waarom:
‘Jullie hebben gehoord dat er lang geleden tegen de mensen is gezegd:
“Pleeg geen moord, en wie moordt, zal terechtstaan.”
Maar ik zeg jullie:
“iedereen die boos is op zijn broeder, zal terechtstaan.
Iedereen die zegt: ‘Dwaas! “
Je loopt het risico om door het hellevuur getroffen te worden.’

Dat klinkt hard.
Want we vinden moord allemaal verkeerd,
maar je geduld verliezen met een collega?
Je buurman een idioot noemen vanwege op wie hij stemt?

Het gezegde wijst erop dat woede de wortel van moord is.
En kijk om je heen, wat is er tegenwoordig veel woede.

Er zijn verschillende soorten woede.
Er is de gloeiendhete, woedende soort
waarbij je bloed kookt en je temperatuur stijgt.
Toch kan die soort woede zich ontwikkelen tot een andere woede:
een verharde, vastberaden kwaadaardigheid,
een aanhoudende haat jegens de persoon
die je woede in de eerste plaats heeft uitgelokt
en een vastberadenheid om wraak te nemen,
of om diegene voor eens en altijd het zwijgen op te leggen.

Wat beide soorten gemeen hebben,
is de rode mist die neerdaalt en blijft hangen,
waardoor je niet verder kunt kijken dan de vijandschap,
een weigering om de menselijkheid in de ander te zien;
het feit dat ze uiteindelijk een ‘broeder’ zijn, zoals Jezus het noemde;
een blindheid voor de essentiële overeenkomst
tussen jou en de persoon die je haat.

Moorden zoals deze hebben altijd plaatsgevonden,
van Julius Caesar tot Abraham Lincoln,
van aartshertog Frans Ferdinand, tot Yitzhak Rabin.
En dat zal altijd zo blijven.
Geen enkele politieke oplossing
zal ooit de mogelijkheid uitwissen
dat een gestoord of boos persoon
het heft in eigen handen neemt
om een ander mens te vermoorden,
vooral niet iemand met politieke bekendheid.

Toch kunnen we iets doen.
Wanneer we algoritmes bouwen
die de sterkste en meest extreme standpunten aanmoedigen,
een mediacultuur die ruzie en verdeeldheid benadrukt,
weigeren de gemeenschappelijke menselijkheid
te zien in mensen met wie we het oneens zijn,
wanneer we de oppositie demoniseren
en hen de schuld geven
van alle maatschappelijke misstanden die we zien,
zaaien we het zaad
dat dit soort tragische gebeurtenissen mogelijk maken.

Een andere bedrieglijk eenvoudige wijsheid
uit het Nieuwe Testament luidt:
‘Laat de zon niet ondergaan terwijl u nog boos bent,
en geef de duivel geen voet aan de grond.’

Het is een goed advies.
Ja, we zullen van tijd tot tijd boos worden.
Maar laat het niet wortel schieten.
Soms kan een zekere gerechtvaardigde woede iets goeds zijn
maar dat is zeldzaam.
Woede is gevaarlijk voor ons mensen.
Het misleidt ons door te denken dat,
omdat we denken dat we gelijk hebben
– en dat zouden we best kunnen hebben –
het ons de vrijheid geeft om verachtelijke dingen te doen.
De kern van de christelijke wijsheid over woede
is dat het Gods recht is om toorn te uiten.
Onze woede, hoe gerechtvaardigd ook,
heeft de neiging te verharden tot iets sinisters.
Alleen God kan rechtvaardige woede in stand houden
die werkelijk gerechtigheid brengt.

De juiste reactie op de moord op Charlie Kirk,
de reactie die het christelijk geloof weerspiegelt
dat zo belangrijk voor hem was,
is niet om de schuld te geven aan een hele groep mensen,
om hen te bestempelen, te demoniseren
als de misleide jongeman die deze vreselijke daad beging,
maar om de essentiële menselijkheid
die we met onze vijanden delen, opnieuw te zien.
Het is het actief cultiveren van een cultuur
die terughoudendheid aanmoedigt in plaats van woede.
Het is leren meedogenloos om te gaan
met onze eigen neiging om wrok te koesteren,
onze eigen diepgewortelde vijandigheid
jegens degenen wier opvattingen we weerzinwekkend vinden.
Het gaat erom racisme te haten,
maar tegelijk racisten lief te hebben,
misdaad te haten, maar crimineel lief te hebben.

Verstandig reageren betekent
erkennen dat zelfs mijn vijand
– of hij nu progressief of conservatief is –
een mens is, geschapen en geliefd door God,
een mede-zondaar zoals ik,
en zoeken naar de dingen die we gemeen hebben,
meer dan naar onze verschillen.
Toen Jezus ons leerde onze vijanden lief te hebben,
vroeg hij ons misschien iets buitengewoon moeilijks,
maar het is het enige
wat de soort kwaadaardigheid kan overwinnen
die leidde tot de tragische dood van Charlie Kirk.

 

Van Henri Nouwen heb ik geleerd dat bidden eigenlijk niet iets is wat je erbij doet.
Hij zegt: Bidden is niet een deel van je leven.
Bidden ís je leven, als christen.
Bidden kan zozeer deel worden van jezelf dat het wordt als ademhalen.
Ja, dat is het!
Bidden is het ademhalen van je ziel.
Nouwen zegt het ergens heel mooi:

‘Volgens mij is bidden niet aan God denken
in plaats van aan andere zaken
of tijd doorbrengen met God in plaats van met anderen.
Bidden is eerder: denken en leven ín Gods aanwezigheid.’

Bidden is nog iets anders dan een gesprek voeren met jezelf.
Zeker, tot jezelf komen, jezelf onderzoeken.
Dan hoort er zeker ook bij.
Maar bidden is een voortdurende gerichtheid van jezelf af op God.
Een voortdurende liefdevolle conversatie met God.
Zoals dat zo mooi is verwoord in dat ene vers uit Genesis.
En Henoch wandelde met God.
Alles wat hij iedere dag meemaakte nam hij door
en besprak hij met zijn hemelse vriend.
In volstrekte openheid en eerlijkheid.

Bidden zonder ophouden, dat is niet iets wat je zomaar komt aanwaaien.
We hebben als mensen van nature de neiging
om juist hele stukken van ons leven af te schermen voor God.
Daar zijn we dan voor onszelf begonnen
en zoeken we het graag allemaal zelf wel uit.
En naast onze eigen natuur
is ook onze cultuur niet per se een gebedscultuur.
We zijn vaak zo in beslag genomen
en onder de indruk van de waarneembare wereld
dat de werkelijkheid van de levende God
naar de achtergrond wordt gedrongen.
We hebben zo onze momentjes van gebed
maar gedurende hele stukken van de dag en de week
is er dan op geen enkele manier sprake van
een blijvende verbinding met God.
Ongemerkt leven we te vaak en te lang naar onze eigen inzichten
en putten we uit onze eigen kracht.

Bidden is nooit vanzelfsprekend.
Vandaag de dag niet en ook niet in de tijd van de Thessalonicenzen.
En tot zulke mensen, zoals wij zijn, van huis uit geen geboren bidders,
klinkt deze aansporing: bid zonder ophouden.
Het gebed is Gods geschenk,
juist aan mensen die vaak aan alle kanten langs Hem heen leven.

Gebed is de manier waarop God óns verandert.
Vaak denken wij dat we door bidden
Gods aandacht op ons kunnen richten.
Maar bidden is Gods handreiking om ons te helpen
om onze aandacht op Hém te richten.
Het doel van bidden is niet in de eerste plaats dat God verandert.
Het doel van bidden is eerst en vooral dat wij zelf veranderen.
Tot mensen die zich leren richten op Hem
en leven van zijn genade.
En ja, dan kan God ook in ons leven
en door ons heen op het gebed grote dingen doen.

Er zit in ons allen vaak iets van een zwoeger.
Een doe-het-zelver, die bij zo’n tekst als bid zonder ophouden
al snel kan denken:
oké, geef eens wat tips, dan ga ik er mee aan de slag.
Dat is niet wat deze woorden willen bewerken.
Bidden zonder ophouden is niet iets
dat je even op je eigen houtje kunt fixen.
Je kunt je niet opwerken tot zo’n biddende levensstijl.

Je kent misschien het verhaal van die Russische pelgrim:
Hij gaat op een dag een kerk binnen
en wordt daar diep getroffen
door juist dit vers uit 1 Thessalonicenzen 5: ‘Bid zonder ophouden’.
Er groeit in zijn hart een sterk verlangen
om te gaan doen wat deze woorden van hem vragen.
Om te gaan bidden zonder op te houden.
Maar hoe doe je dat?
Hij zoekt in boeken en vraagt priesters ernaar
maar niemand kan het hem uitleggen.

Tot hij op een dag een eenvoudige monnik ontmoet
die het niet alleen weet maar ook zelf doet.
Hij leert van die eenvoudige monnik
om eenvoudigweg het Jezusgebed te bidden.
Het is een gebed van één zin
en dat begint hij te bidden:

Heer Jezus, Zoon van God, ontferm U over mij zondaar.

Eerst bidt de pelgrim dit Jezusgebed hardop, later in het hart.
En langzaam wordt het iets van een tweede natuur.
Hij draagt dat ene korte Jezusgebed
als het ware op zijn adem mee.
Op den duur komt dat ene gebed steeds opnieuw
als vanzelf in zijn binnenste tot klinken.
Zo leert hij wat het is om te bidden zonder ophouden.

Laat je je voor het eerst of weer opnieuw
inschrijven op de school van gebed.
En je toeleggen op bidden zonder ophouden.
Je hoeft niets anders mee te brengen dan verlangen.
Verlangen naar God.
Augustinus zag het hartstochtelijk verlangen
als het onophoudelijke gebed bij uitstek.
Hij zegt:

Wij zijn niet in staat om voortdurend bewust tot God te spreken
of onze handen op te heffen of neer te knielen.
Maar het hartstochtelijke verlangen kan wel altijd in ons zijn.
Wanneer je het bidden niet wil onderbreken,
onderbreek dan het verlangen niet

 

Soms is het goed, wanneer de mens even moet wachten.
Want wij mensen leven vaak veel te gehaast.
Wij hebben geen tijd meer om te ‘wachten’,
om even tot bezinning te komen,
het even laten bezinken, tot inkeer komen
en alles opnieuw op een rijtje te zetten.
Zeker de grote dingen en beslissingen in je leven
hebben een tijd van wachten, verwachten, nodig.
Voorbereiding, bezinning, wikken en wegen.
Zo wachtte Johannes de Doper in de woestijn
en Jezus deed dat ook, veertig dagen lang.
En Israël moest 40 jaar wachten,
voordat zij het Beloofde Land mocht binnentreden.
En Paulus moest na zijn bekering 6 jaar wachten in de Arabische woestijn.
De woestijn is dus een wachtplaats,
waar mensen zich zelf leren vinden
en hun roeping en bovenal God Zelf!
Het is goed voor een mens om even in de woestijn te moeten verkeren,
letterlijk en figuurlijk.
In het Koninkrijk van God zijn tijden en gelegenheden,
maar ook wachttijden.
Laten we daar maar eens op letten!

Maar ‘wachten’ hoeft niet te betekenen, dat je dan niets doet.
Het is niet wachten op de trein of de bus.
Met de handen over elkaar!
Nee, je kunt in die tijd al vast vooruit lopen
op wat er gaat gebeuren.
Dat zie je hier bij de discipelen.
Zij werden actief:
‘Zij gingen naar de bovenzaal, en daar bleven zij eendrachtig bijeen.
(…) vurig en eensgezind wijdden ze zich aan het gebed.’
ten eerste springt het woord ‘eendrachtig’ er uit.
Allemaal zijn zij verdrietig, allemaal hebben zij troost nodig,
allemaal hielden zij zoveel van de Heer.
En dat verbindt hen, maakt hen eendrachtig.
Zij denken niet meer aan zichzelf,
maar aan de Meester
en hadden daarin ook oog voor elkaar, voor elkaars verdriet.
Eén gevoel leeft er in ieders hart, éénzelfde gemis houdt hen samen,
éénzelfde hoop houdt hen staande:
de vervulling van de belofte van de Vader.
Zij denken aan het afscheidswoord van de Heer:
‘Ik zal u niet als wezen achterlaten, zie, Ik kom tot u!’
Zo voelen zij zich ook, als wezen,
Daarom – ten tweede – volharden zij zo in het gebed:
zij bleven bidden dat de Heiland maar weer tot hen mag komen!
En zo wordt ook het verlangen in hen gewekt,
het verlangen naar de Geest,
die Jezus beloofd had. De Trooster,
Die hen in alle waarheid zou gaan leiden.
Wat hadden zij Die nodig!
Want, eerlijk gezegd, zij begrepen er niet veel van.
Er zou ook aan de discipelen nog heel wat uit te leggen zijn.
Ook daar hadden zij de Heilige Geest voor nodig.
Net als wij.
Die Geest moet ons de woorden van de Heiland indachtig maken
en ook Zijn daden en wat er met Hem is gebeurd.
Daar moeten ook wij om bidden.
Eendrachtig, ja, alle kerken en gelovigen met elkaar!

Zwolle, Sassenstraat 5 ‘Hij weet niet wat hij verliest, die het tijdelijke voor het geestelijke kiest. Als het komt op en scheiden, soo heeft hij geen van beiden’

 

Lopend door mijn eigen stad, Zwolle,
kom je nog weleens gevelstenen tegen
met een afbeelding of een opschrift zoals de bovenstaande.

Je zou dit opschrift ook zo kunnen vertalen:

Wat baat het een mens
als hij de hele wereld wint,
maar zijn eigen ziel verliest?

Het blijft toch een enorme aantrekkingskracht hebben:
macht en (extreme) rijkdom.
Maar mijn eerste gedachte is dan
dat mensen mensen zijn,
en dat rijkdom
niet al onze problemen oplost.
Er is in feite veel meer armoede,
zowel fysiek als spiritueel,
dan op het eerste gezicht lijkt.

‘Wat baat het een mens als hij de hele wereld wint,
maar zijn eigen ziel verliest?’
Het lokt ons streven uit:
degenen met weinig en zij met veel.
Wij denken vaak dat meer meer beter is.
Onze maatschappij voedt de strebers op,
en in die jacht op rijkdom beweren sommigen
dat zo onze maatschappij zijn ziel verliest.

De maatschappelijke ratrace heeft je geld afgepakt,
of je gedwongen om meer om geld te geven
dan je anders zou hebben gedaan.
Met andere woorden:
de wereld veroveren betekent je ziel verliezen.

Maar zelfs die indicatoren van mainstream rijkdom
en een eigen versie van cool zijn onzeker,
want economische turbulentie
brengt zomaar ook de veronderstelde fundamenten
van rijkdom aan het wankelen.
Rijkdom heeft een diepere basis nodig dan geld.
En de ziel heeft een warmere basis nodig dan coolness.
Men is op zoek naar oppervlakkige liefde
dat is wat het menselijk hart echt, echt wil.
En veel mensen denken dan:
‘weet je, als ik het geld heb en ik koop de spullen,
dan krijg ik meer liefde.’

Rijkdom, en ik zou zeggen coolness,
zijn bemiddelaars voor deze liefde.

Als christen zou ik zeggen dat
zorgen voor de ziel
betekent je openstellen
voor een liefde die veel rijker is
dan wat er aan de oppervlakte is.
Onze innerlijke vastberadenheid in wat ons drijft
en waar we ons aan wijden,
weegt veel zwaarder
dan de uiterlijkheden van het leven.

Ik heb mensen gezien die verblind waren door hun eigen rijkdom
en anderen die er totaal niet van onder de indruk waren.
En hoewel de meesten van ons
graag zelf zouden willen ontdekken
dat rijkdom een bedrieger is,
zijn zowel rijkdom als coolness irrelevant
wanneer de kist in de grond zakt.

In de Bijbel kom je in Mattheüs 19
een verhaal tegen dat goed aansluit
bij de levenswijze van
sommige mensen in onze tijd:
Toen een rijke jongeman,
overtuigd van zijn eigen goede leven en waardigheid,
Jezus de rug toekeerde,
was hij verdrietig
en hield hij vast aan zijn rijkdom.
Maar de ogen die op hem gericht waren,
hielden nog steeds van hem.

Still uit The Great Dictator met Charlie Chaplin (1940)

 

Het einde van een dictator,
kan – wanneer het komt –
akelig, bruut en op film vastgelegd zijn.

Moammar (Mohammed al-) Qadhafi, zelfbenoemd Broeder Leider en Gids van de Revolutie,
bracht de laatste momenten van zijn leven ineengedoken door
in een Libisch riool na een luchtaanval op zijn konvooi.
Toen hij werd ontdekt,
onderwierp een menigte hem aan een aantal
gruwelijke laatste mishandelingen voor zijn dood
– het soort einde waartoe hij duizenden genadeloos had veroordeeld.
Het was bijna bijbels en het werd vastgelegd met een beverige camera.

Maar het was niet het eerste in zijn soort in deze generatie.
Op eerste kerstdag 1989 werd het misvormde gezicht
van Nicolae Ceausescu op tv uitgezonden
na zijn standrechtelijke executie
door haastig verzamelde oppositietroepen in Roemenië.
Slechts enkele dagen daarvoor was hij een onaantastbare dictator geweest.

Vladimir Poetin heeft gesproken over Qadafi’s einde,
en dat verontrust hem duidelijk,
maar misschien zit Ceausescu’s dood diep in zijn gedachten
omdat het het bloedige einde was
van alle communistische leiders in Oost-Europa.

Dictator zijn is een allesverslindende baan.
Er worden onderweg te veel binnenlandse
en buitenlandse vijanden gemaakt
om de waakzaamheid te laten varen.
En hun ondergang komt vaak door toedoen van degenen
die het dichtst bij hen staan;
deze mensen kennen de bewegingen en zwakheden van de dictator
per definitie beter dan anderen en zijn het best geplaatst om die uit te buiten.
Het leger moet uitgerust zijn om afwijkende meningen te onderdrukken,
maar geef het te veel macht
en de generaals vormen een risico voor de dictator.
Maar als het leger niet over de juiste wapens beschikt,
wordt de controle over de bevolking moeilijker.
Veel dictators omringen zich met speciaal getrainde,
loyale bewakers om zich tegen het leger te verdedigen,
maar de terreurregel betekent
dat niemand de eerlijke waarheid spreekt
en dus overal risico’s dreigen.
Geen wonder dat dictators meestal paranoïde zijn
en zelf gekweld worden door de angst
die een cultuur van grillig geweld bij hen oproept.

Deze en andere theorieën worden onderzocht
door Marcel Dirsus in zijn boeiende boek
How Tyrants Fall.
Dirsus merkt op hoe dictators geld, wapens en mensen nodig hebben
om te overleven en hoe de elites om hen heen geloven
dat deze goederen zullen blijven bestaan.
Ze moeten de omringende elites ook onderdompelen in bloedschuld,
zodat hun lot verweven raakt met dat van de dictator;
Saddam Hoessein dwong anderen om zich bij hem aan te sluiten
in de moord en executie van tegenstanders.

Voor Dirsus zijn er twee manieren om een tiran omver te werpen.
De meest directe is om ze uit te schakelen,
maar dit is zelden eenvoudig.
Pogingen tot staatsgreep zijn vaak chaotisch in hun planning
en zelfs goed georkestreerde pogingen mislukken meestal;
de gevolgen voor de betrokkenen zijn altijd verschrikkelijk.
De tweede route is geduldig en pragmatisch,
gericht op het verzwakken van de tiran,
het versterken van alternatieve elites
en het machtiger maken van de massa.
Externe machten hebben vaak minimale invloed,
tenzij, zoals de VS in Irak,
het land wordt binnengevallen en de tiran wordt afgezet.
Sancties zijn vaak niet effectief genoeg om de elite te raken;
de geografische nabijheid van een staat
tot het land van de tiran kan nuttig zijn,
omdat het een basis biedt
van waaruit tegenstanders van het regime kunnen werken.

Moderne technologie verandert het politieke handelen
en maakt het voor grote groepen
gemakkelijker om zich tegen regimes te mobiliseren,
zoals te zien was in de kortstondige Arabische Lente.
Het stelt dictators ook in staat om tegenstanders beter te volgen
dan zelfs de gevreesde Stasi in Oost-Duitsland.
Op dit moment lijkt het erop
dat de tirannen een voorsprong hebben in dit spel.

Kort na de grootschalige Russische inval in Oekraïne
in februari 2022
zei een vriend tegen me dat hij bad
voor Poetins dood of ondergang.
Ik vroeg hem hoe zeker hij ervan was dat de persoon
die Poetin zou vervangen beter zou zijn.
Als de pragmatische route om een dictator omver te werpen
bestaat uit het versterken van verschillende elites
en het machtiger maken van de massa,
is de kans groot dat de elites het overnemen, niet de massa.
Dictators staan nooit toe dat de onderdelen
van de burgermaatschappij zich vormen;
democratische instellingen hebben decennia nodig om op te bouwen.
En ze benoemen zelden van tevoren opvolgers,
uit angst dat er alternatieve machtsbases ontstaan.
Wanneer dictators vallen,
leidt dit meestal tot aanvankelijke chaos en geweld
voordat een andere elite zich kan vestigen
van waaruit een nieuwe dictator zal voortkomen.

In haar geïnspireerde lofzang op het nieuws
dat ze de langverwachte Messias ter wereld zou brengen,
merkt Maria op hoe God
‘de machtigen van hun tronen heeft gestoten en de nederigen heeft verheven’.
Het is een omkering van rollen
die typerend is voor Lucas,
de het lied van Maria heeft opgetekend.
Het is een soort van eschatologie
die velen vandaag de dag willen verwezenlijken,
niet alleen in de toekomstige wereld.
Want wanneer de machtigen vandaag van hun troon worden gestoten,
worden ze doorgaans vervangen door de op één na machtigste persoon.
En als de troon vacant blijft of wordt betwist,
voelt wat volgt vaak als de geest
die uit een persoon in het evangelie van Mattheüs vertrok
en terugkeert met zeven andere geesten
die nog erger zijn dan hijzelf,
wat betekent dat
‘de laatste staat van een persoon erger is dan de eerste’.

Dit hoeft geen wanhoopsgebed te zijn,
maar een oproep tot een geïnformeerde voorbede,
dat weinig sturend advies biedt
voor Gods geopolitieke strategie,
maar veel wijsheid en geduld
van de ene Troon die standhoudt.

 

Onlangs hoorde ik een opmerkelijk verhaal
over een kankerpatiënt, een gelovige man.
Hij had de diagnose ernstige kanker gekregen
en de diagnose was nogal somber.
Hij bereidde zichzelf voor op het einde
dat niet lang meer op zich zou laten wachten.
Zijn lichaam reageerde slecht op de chemotherapie
en de vooruitzichten zagen er niet goed uit.
Hij bleef echter proberen om de balans te vinden
tussen rust en werk,
ondanks de vermoeidheid,
en hij bad wanneer hij kon.

Kort geleden gebeurde er iets vreemds tijdens een routinebezoek
aan het ziekenhuis om de resultaten van een scan te horen
over hoe de kanker zich ontwikkelde.

De chirurg liet hem de scan zien die verband hield
met de oorspronkelijke diagnose.
Hij vroeg: ‘Kun je de tumor zien?’
En de patiënt antwoordde: ‘Ja, natuurlijk, hij zit daar,’
terwijl hij naar de zwarte massa wees.
Toen liet de chirurg hem een andere scan zien.

Hij vroeg opnieuw:
‘en dit is de meest recente scan
die we zojuist hebben gemaakt;
kun je hem op deze zien?’
de patiënt keek aandachtig naar de scan en zei:
‘Hmm. Ik weet niet zeker of ik dat kan.’
De chirurg antwoordde dat hij ook verbaasd was
dat de tumor tussen de twee scans door
op de een of andere manier verdwenen leek te zijn.

Hij voegde toe:
‘En eerlijk gezegd hebben we
in mijn wereld niet echt een verklaring voor dit soort dingen.
Maar ik vermoed dat jij dat in jouw wereld wel hebt.’

Naast dat ik blij ben voor de man,
heb ik sinds ik het verhaal hoorde,
ook nagedacht over wat het betekent.
Wonderen zijn natuurlijk zeldzaam
en we kunnen ze niet automatisch voorspellen.
Deze man zat in het soort kerk die
niet routinematig van God vraagt om wonderen,
maar gewoon zachtjes bleef bidden
dat God op de een of andere manier
bij deze man zou zijn in zijn strijd,
en durfde nauwelijks te hopen
dat de kanker daadwerkelijk zou verdwijnen.
(en ja, ik heb helaas ook andere resultaten
op zo’n gebed mee moeten maken)

Was het een wonder? Of was er een andere verklaring?
Het lijkt mij dat het antwoord dat je op die vraag geeft,
afhangt van het kader dat je eraan geeft.
Als je gelooft in een God die dit soort dingen van tijd tot tijd zou kunnen doen,
en je bedenkt dat zulke dingen af en toe kunnen gebeuren en ook gebeuren,
niet gereguleerd door de gebruikelijke gang van zaken van oorzaak en gevolg,
maar door een extra dimensie van de werkelijkheid
die voor ons onzichtbaar is en niet te meten is
door de methoden van de wetenschap,
zul je het waarschijnlijk gewoon accepteren
als een van die incidentele onderbrekingen van de normale gang van zaken.
En dank God dan en verheug u met deze man
over dit teken van Gods goedheid.

Natuurlijk roept het de vraag op waarom deze kankerpatiënt genezen is
en anderen niet, waarom wonderen gebeuren.
Zouden we liever een wereld hebben waarin zulke dingen nooit gebeurden,
en de kanker van deze man zijn gebruikelijke dodelijke beloop had gehad?
Of een wereld waarin af en toe iets heerlijks en onverwachts gebeurt,
zoals struikelen over een glorieus onverwacht uitzicht
en een dramatische zonsondergang
aan het einde van zomaar wandeling op een zomeravond?

Een eerlijke dokter zoals degene die deze man behandelt,
zou kunnen erkennen dat de methoden van de medische wetenschap,
ondanks al hun genialiteit,
waarde en wijsheid, waar we allemaal zo afhankelijk van zijn,
op dit punt hun schouders moeten ophalen,
zich realiserend dat ze niet de categorieën hebben
om het te verklaren, en terugvallend op een soort agnosticisme.

Een meer doorgedreven materialist zou zeggen:
‘Natuurlijk weten we dat er zoiets als wonderen niet bestaat,
dus dat is het enige waarvan we weten dat het niet bestaat.
Er moet een andere verklaring zijn,
en de wetenschap zal op een dag ontdekken
waarom zulke mysterieuze dingen gebeuren.’

Wat we geloven over zulke dingen wordt niet bepaald
door de vanzelfsprekende ‘feiten’,
het kale bewijs van wat voor ons ligt,
maar door onze vooropgezette mentale kaart van de wereld,
ons raamwerk van geloof,
wat we denken dat de wereld is, en wat,
of wie we denken dat God is, (als hij al bestaat).
Uiteindelijk zijn we allemaal gelovigen – het verschil is waar we in geloven.

Geloof in wonderen betekent niet dat je de wetenschap
en haar voordelen irrationeel verwerpt
ten gunste van een volledig willekeurige wereld.
Het betekent simpelweg dat je de grenzen van je redenering erkent,
openstaat voor de mogelijkheid van een extra dimensie van betovering
die zich af en toe laat zien,
en dat er een grotere wereld is
dan wij met onze kleine geesten en zielen kunnen bevatten.

G.K. Chesterton, de Britse letterkundige en verdediger van het christelijk geloof
zei het ooit zo:
‘Op de een of andere manier is er een buitengewoon idee ontstaan
dat de ongelovigen wonderen koud en eerlijk beschouwen,
terwijl gelovigen wonderen alleen accepteren
omdat hun geloof het ze voorschrijft.
Het is juist andersom.
De gelovigen in wonderen accepteren ze,
omdat ze er bewijs voor hebben.
De ongelovigen in wonderen ontkennen ze omdat ze er een leer tegen hebben.”