Dit jaar herdenken we dat het zeventienhonderd jaar geleden is
dat de vroege christenen langzaam op weg gingen naar een historische verklaring:
De Geloofsbelijdenis van Nicea was het resultaat van 300 jaar worstelen
met een vraag die centraal stond in deze nieuwe beweging:
als de Jezus die zij aanbaden in zekere zin de ‘Zoon van God’ was, wat betekende dat dan?
Was hij een menselijke profeet, beter dan de meesten, maar in wezen net als wij?
Was hij God in menselijke gedaante?
Of een soort halfbloed – half mens en half goddelijk?
Theologen verspilden bloed, zweet en tranen (letterlijk) aan deze vragen.
Simplistische antwoorden werden aangedragen, maar bleken tekort te schieten.
Er werden verhandelingen geschreven, synodes gehouden,
tegenstanders werden gegeseld en geëxcommuniceerd.
Er braken zelfs rellen uit
toen de debatten in de Romeinse wereld hevig oplaaiden.

Uiteindelijk, in 325, bracht het Concilie van Nicea
een zorgvuldig geformuleerde en moeizaam verkregen verklaring uit.
Er stond dat Jezus ‘God uit God, licht uit licht, ware God uit ware God,
geboren, niet geschapen, één in wezen met de Vader’ was.
Elk woord was zorgvuldig gekozen en het resultaat
van lang debat, diep gebed en overpeinzingen.
Het loste niet alle problemen op, maar het heeft de tand des tijds doorstaan
en wordt nog steeds in kerken over de hele wereld uitgesproken.

Ik heb hier deze zomer over nagedacht, terwijl onze politieke debatten woedden.

Neem de kwestie van immigratie.
Aan de ene kant zijn er de spandoeken met ‘vluchtelingen welkom’,
en dat de uitingen van tegenstanders een teken is van beginnend fascisme,
en dat beweren dat we een immigratieprobleem hebben inherent racistisch is.

Aan de andere kant is er de ‘Nederland is vol’-campagne,
zijn er oproepen tot massadeportaties, protesten tegen de komst van AZC’s,
de suggestie dat alle immigranten profiteurs zijn
die de ziel ‘de Nederlander’ vernietigen
en er wordt opgeroepen om de grenzen snel te sluiten.

Maar het is veel ingewikkelder.
Er zijn aanzienlijke verschillen tussen de claims van legale migranten,
asielzoekers en illegale immigranten.
De meesten zullen het er waarschijnlijk over eens zijn
dat het bieden van welkom aan mensen
die oorlog, vervolging en hongersnood in hun thuisland ontvluchten,
juist en gepast is, en in lijn met een lange traditie van Nederland
dat een toevluchtsoord bood aan anderen in nood.
Mensen zullen altijd onderweg zijn,
en het sluiten van alle grenzen is onrealistisch en onrechtvaardig.
Het gematigde, vruchtbare Nederlandse klimaat,
onze historische economische en politieke stabiliteit,
ons goed gereguleerde rechtssysteem,
het christelijk geloof dat onze cultuur heeft gevormd,
zelfs de relatieve netheid van onze straten en platteland,
zijn geschenken die we uit het verleden erven
en waar we gul mee moeten zijn.

Toch zijn dit zegeningen die niet als vanzelfsprekend kunnen worden beschouwd.
Ze moeten worden beschermd, niet alleen omwille van ons,
maar ook voor degenen die een legitieme claim hebben om hier een thuis te hebben.

De meesten zullen het er dus ook over eens zijn
dat illegale immigratie een plaag is,
waarbij de meedogenloze schurken wanhopige migranten verleiden
om op hun wankele bootjes de Middellandse Zee over te steken
en weinig anders verdienen dan een strafrechtelijke straf.
Toch zal zelfs massale ‘legale’ migratie het karakter van het land veranderen.
Wanneer 40% van de kinderen in de basisschoolleeftijd
minstens één in het buitenland geboren ouder heeft,
en voor één op de vijf Nederlands niet hun moedertaal is,
kan dat niet anders dan een impact hebben
op het karakter van het land.

Maar deze complexiteit gaat verloren in de behoefte aan een pakkende kop.
Noch ‘stuur ze naar huis’, noch ‘alle migranten welkom’
vat het dilemma samen.
Het behoeft nuance.
Er is zorgvuldig en geduldig werken nodig
om de juiste balans te vinden
tussen de verschillende eisen;
medeleven met de vreemdeling
en het behoud van de dingen
die juist de vluchtelingen hierheen trekken.

Hetzelfde geldt voor Israël en Gaza.
Voor de pro-Israëllobby is het bijna al antisemitisch
om alleen al de aandacht te vestigen op het lijden in Gaza.
Aandringen op terughoudendheid met betrekking
tot Israëls vastberadenheid om Hamas te vernietigen,
zelfs als dat betekent dat Gaza en een groot deel van de bevolking
in de tussentijd vernietigd moeten worden,
is een echo van de vernietigingskampen
en een manier om de zionistische woede te temperen.
Maar voor de pro-Palestinabeweging en haar aanhangers
lijkt Israëls legitieme behoefte om in vrede te leven
zonder een buurstaat die zich erop toelegt
haar te vernietigen, niets te betekenen.
Hoe kan van Israël verwacht worden
dat het naast een regime leeft
dat op brute wijze 1400 burgers op één dag heeft vermoord?

Het is ingewikkeld. De belangrijkste dingen wel.
Iedereen die ooit een grote organisatie heeft geleid,
weet dat het vaak een delicate kwestie is
om een pad voorwaarts uit te stippelen
en tegelijkertijd concurrerende belangen
en perspectieven te behouden.
Je verliest onderweg wel wat mensen,
maar je kunt het je niet veroorloven om iedereen te verliezen,
vooral niet als beide kanten van het debat enige legitimiteit hebben.

De lange strijd van de vroege kerk om orthodoxie te definiëren
vergde tijd, geduld, zorgvuldige overweging en zelfbeheersing;
ook al was ze daar soms niet erg goed in.
Het resultaat was een genuanceerde uitspraak die tussen de ene pool;
dat Jezus gewoon een heel goed mens was
en de andere; dat hij God was, gekleed in menselijke kleding.
De waarheid die uiteindelijk werd blootgelegd en omarmd,
was niet het ene uiterste of het andere,
en zelfs geen slap compromis,
maar het zorgvuldig uitgewerkte, onwaarschijnlijke idee
dat de beste inzichten van beide kanten samenbracht;
dat hij niet ‘slechts menselijk’ of ‘slechts goddelijk’ was,
of 50% van beide,
maar 100% menselijk en 100% goddelijk,
en dat dit (om redenen die te ingewikkeld zijn om hier op in te gaan)
geen contradictio in terminis was.

De waarheid en de oplossing van onze dilemma’s
over immigratie, of Gaza, zijn zelden eenvoudig.
Ze vereisen nuance. Ze vereisen geduld.
Ze vereisen zorgvuldige aandacht en luisteren
naar de mensen met wie je het instinctief
oneens bent om de waarheid te achterhalen.
Toch pleiten ons verlangen naar een dramatische headline,
onze honger naar simpele oplossingen,
onze algoritmes die de meest extreme meningen promoten,
allemaal tegen dit soort geduldige, waakzame politieke
en sociale cultuur die ons zou helpen
tot betere oplossingen te komen.

Het leven is ingewikkeld. Mensen zijn ingewikkeld.
Oplossingen voor lastige kwesties zijn zelden eenvoudig.
We hebben nuance nodig.

Als ik zo mijn oor te luister leg verkeren kerken de laatste tijd in crisis. Deze crisis heeft – denk ik – verschillende oorzaken, bijvoorbeeld:
de jarenlange secularisatie die geloofsgemeenschappen
de komende tijd zullen decimeren
en de coronacrisis die kerken op z’n minst uitdaagt
naar de eigen rol te kijken.
Volgens sommigen moeten men zich dan ‘herkerken’
of wordt er stoer gezegd dat we zelfs af moeten
van het idee van een levenslang predikantschap. (sic)
Als ik hier verder nadenk popt bij mij de figuur van Paulus op:
een apostel en verkondiger van het evangelie
maar daarnaast een tentenmaker.
Ergens klinkt bij deze gedachte door
bij het aankijken tegen het ambt van predikant:
of het is een vrijgestelde persoon die zich kan wijden
aan de zorg voor de gemeente in de breedste zin van het woord;
of een persoon die naast een betaalde baan
de zorg in de gemeente ‘erbij’ doet.
Hoewel ik een warm voorstander ben van de eerste opvatting,
zie ik om me heen dat de tweede opvatting steeds meer opkomt.
Moet je dan koste wat het kost vasthouden
aan de eerste opvatting – hoe legitiem die ook is –
of oog hebben voor maatschappelijk veranderende ideeën rondom dit vak?

Laatst kwam ik het idee van social enterprise tegen.
Misschien draagt dit idee bij aan het denken rondom
het zo geplaagde ambt van de predikant.
Social enterprises verdienen geld aan producten en diensten,
maar herinvesteren een groot deel van hun winst
in hun organisatie en in de gemeenschap
om zo hun maatschappelijke missie te verwezenlijken.
De maatschappelijke impact van social enterprises
wordt gerealiseerd door het aanbod van (verantwoorde)
producten en diensten, of door het personeel dat ze in dienst heeft.
Een social enterprise:

1. Heeft primair een maatschappelijk doel: impact first.
2. Realiseert dat doel als private onderneming,
met of zonder winstoogmerk, die een dienst of product levert.
3. Is financieel zelfvoorzienend gebaseerd op handel
of andere vormen van waarde uitruil:
is dus beperkt of niet afhankelijk van giften of subsidies
4. Is sociaal in de wijze waarop de onderneming wordt gevoerd:
de bestuursfilosofie is gebaseerd op medezeggenschap van alle betrokkenen, is fair naar medewerkers en leveranciers,
en bewust van haar ecologische voetafdruk.

Een social enterprise onderscheidt zich van een
traditioneel commercieel bedrijf
omdat dat zij haar maatschappelijke missie
boven financiële doelen heeft gesteld.
Commerciële bedrijven, zijn daarom zelden een social enterprise
ook al willen zij vaak in hun processen zo min mogelijk schade doen
en streven zij er naar om een bijdrage leveren aan een betere wereld. Primair streven zij altijd een financiële doel na.
Want willen social enterprises hun missie kunnen realiseren,
dan moeten zij ook financieel gezond zijn.
Het financiële doel is voor de social enterprise daarentegen
slechts een middel om haar eigenlijke, sociale missie te verwezenlijken.
Een social enterprise onderscheidt zich van traditionele goede doelen
in dat zij financieel zelfvoorzienend is.
Financieel zelfvoorzienend wil zeggen dat de social enterprise
een verdienmodel heeft gebaseerd op omzet uit diensten of producten. Omdat social enterprises door hun commerciële activiteiten
in staat zijn eigen inkomen te genereren, buiten subsidiestromen om, behouden zij een relatief grote mate van onafhankelijkheid.

ik weet het, het klinkt allemaal erg zakelijk
en dit stuk ontbeert ook iets van de ‘heiligheid’ van het ambt
– iets waar ik dus echt over na wil denken,
misschien van roeping naar beroep –
maar als we echt het ambt en de kerk willen doordenken
dan moeten we het lef willen tonen door ook aan te gaan. 
Misschien ziet het er vreemd uit om de kerk als ‘onderneming’ te zien, maar uit ervaring weet ik dat veel bestuurders van de kerk
dit al jarenlang doen, inclusief de ‘werknemers’,
dus laten we het dan nu maar ook op deze manier concretiseren.
Veel zaken zullen zeker nog beter doordacht moeten worden
zoals de predikant te zien als social entrepeneur
en de kerk als social enterprise,
maar om alleen maar zo’n concept te doordenken
kan op zich al verruimend en verfrissend zijn.