Van Kerst tot Advent

De precieze oorsprong van de adventsvieringen
is moeilijker te bepalen.
Tegen het midden van de vierde eeuw
werden in het Westen steeds vaker
vieringen van Jezus’ geboorte op 25 december gehouden.
Een langere periode van viering,
zoals de Vastentijd
(de periode van vasten en bezinning voorafgaand aan Pasen),
ontwikkelde zich er al snel omheen.
In 380 stelde het concilie van Zaragoza
drie weken in december vast,
met als hoogtepunt de viering van Driekoningen.

Zo begon ook de kerk in Rome
de adventsvieringen te formaliseren.
Het Gelasiaanse sacramentarium van de late vierde eeuw
omvat liturgieën voor vijf zondagen voorafgaand aan Kerst.
Tegen het midden van de zesde eeuw
hadden bisschoppen in Frankrijk
een vasten afgekondigd op maandag, woensdag en vrijdag,
van 11 november tot Kerst.
Paus Gregorius I (540-604)
ontwikkelde de adventsliturgieën verder
door gebeden, liederen, lezingen en antwoorden
te componeren voor de eredienst.
In de daaropvolgende eeuw
verspreidden deze gebruiken zich verder over Europa.
Rond de eeuwwisseling standaardiseerde Gregorius VII (1015-1085)
ten slotte de vier zondagen
voorafgaand aan 25 december
als de periode van Advent.

 

De engel Gabriël verwoordt de missie van Johannes de Doper.
Daarin ontdekken we opnieuw een aantal trekken van ‘mensen rondom Jezus’.
Het leven van Johannes heeft maar één doel: Jezus aanwijzen als de Christus.
Zijn grootheid bestaat in zijn kleinheid.
Want hij wil niet méér zijn dan een wegbereider.
‘Zie het Lam Gods!’ (Johannes. 2:29-31)

De engel Gabriël verwoordt de missie van Johannes de Doper.
Daarin ontdekken we opnieuw een aantal trekken van ‘mensen rondom Jezus’.
Het leven van Johannes heeft maar één doel: Jezus aanwijzen als de Christus.
Zijn grootheid bestaat in zijn kleinheid.
Want hij wil niet méér zijn dan een wegbereider.
‘Zie het Lam Gods!’ (Johannes. 2:29-31)
‘Hij moet groter worden en ik kleiner.’ (Johannes 3:30)
‘Hij zal vervuld worden van de Heilige Geest
terwijl hij nog in de schoot van zijn moeder is,’ (Lucas 1: 15b)
Van bijna alle ‘mensen rondom Jezus’ in Lucas 1 en 2 wordt gezegd
dat ze vervuld worden met de Geest, en ze aanbidden God met enthousiasme.
‘Bedrink u niet, maar laat de Geest u vervullen’ (Efeziërs. 5:18).
Johannes is een met de Geest gezalfde profeet.
Al in de baarmoeder belijdt hij de naam van zijn Heer! Over Hem is hij Geestdriftig.
en hij zal velen uit het volk van Israël zal hij bekeren tot de Here, hun God. (Lucas 1 :16)
Bekering heeft te maken met:
genadig aan je zonden ontdekt worden om je vervolgens om te keren naar Christus.
De taal die Johannes gebruikt is daarbij scherp: ‘Adderengebroed’ (Lucas 3:7)
Gedoopt zijn is niet genoeg.
Johannes verkondigt een heel praktische bekering:
deel je kleren en je eten, vorder niet te veel, plunder niet en pers niets af (Lucas 3:10-14).
Hij zal voor zijn aangezicht uitgaan in de geest en de kracht van Elia. Johannes is Elia de Tweede.

Net als die profeet is hij aangewezen,
niet op zichzelf, maar op de Geest en de Kracht van God.
Johannes’ prediking was vol van Geest en Kracht, want vol van Christus.
‘Zo zal hij voor de Heer een volk gereedmaken.’ (Lucas 1: 17b)
Wanneer ben je er ‘klaar’ voor om Jezus te ontvangen?
Want dat is het doel van Johannes’ prediking.
Je bent er ‘klaar’ voor als je alles loslaat en als je met lege handen staat.
Toewijding is: niets meer vast willen houden dan Jezus alleen.

 

Als regel is het niet gepast een vraag met een wedervraag te beantwoorden.

Toch kan de situatie ernaar zijn.

Je hebt weinig of geen andere keus, vanwege grote verlegenheid.

Zo verging het Petrus, blijkens Johannes 6,67-71.

Jezus kwam hem en anderen tegemoet.

Ook dat is een vorm van Advent.

Onlangs hoorde ik iemand uit evangelische kring zeggen:

‘Wij hebben het beste product in de aanbieding: eeuwig leven!’

Ik huiver bij zulke woorden. Meer nog: de kou trekt mij door ’t bloed.

Op zich begrijp ik zo’n uitspraak wel.

Dat doe ik sowieso bij allerhande ketterijen,

die voor de hand liggend lijken te zijn en een vrij logische indruk maken.

De gewraakte woorden werden geuit

in het kader van de communicatie van het Evangelie.

De spreker was geschoold op het veld van marketing en aanverwante psychologie.

Moderne tactieken, technieken ten aanzien van beeld,

muziek, geluid en stilte paste hij geestdriftig toe om het Evangelie te slijten.

Naar zijn zeggen: met groot succes, want ons product verkoopt zichzelf.

Ik wijt dat aan gebrek aan eerbied en dat vervult mij altijd met argwaan.

Jezus geeft aanschouwelijk onderwijs.

Hij breekt het brood, deelt het met anderen.

Dat brood tekent Hem zelf.

Hij geeft zijn leven prijs, anderen, allen ten goede.

Daartoe is Hij gekomen.

Zijn Advent heeft alles te maken met onze armoede en ellende:

schuld, schande, scheuren, schijnheiligheid.

Dit Verhaal van de Levende vlecht zich door ons levensverhaal.

Dat is moeilijk te verteren.

Daarom houden veel mensen het en dus ook Hem voor gezien.

Ze haken af en zoeken hun heil elders.

De situatie lijkt sterk op de onze.

Het is te kort door de bocht om kerkverlating te vereenzelvigen met ‘Jezus-verlating’.

Toch geldt: als die beide weinig of niets met elkaar te maken hebben,

zou het hartzeer niet zo groot zijn.

Dezer dagen stond weer in de krant te lezen:

komende tien jaar moeten elke week twee kerken sluiten.

In dit verband zou ook de vraag meer aandacht verdienen:

waar blijven al die mensen, die eerder in deze kerk hun thuis vonden?

Andere kringen spelen op deze situatie in.

Ze hebben veel, bijkans alles, in de aanbieding.

Ik mis veelal het element van de eerbied.

Wij kunnen mensen niet tot geloof brengen.

Dat wil zeggen: wij zijn niet in staat de beslissende vonk te laten overslaan.

Het diepste geheim, dat wij ons nooit kunnen toe-eigenen,

heeft de Here God zichzelf voorbehouden.

Op de vraag: ‘Willen jullie ook niet weggaan?’

weet Petrus niets anders, beters te zeggen dan:

‘Here, tot wie zullen wij heengaan?

U hebt woorden van eeuwig leven’.

Petrus heeft Hem met vallen en opstaan (h)erkend als ‘de heilige van God’.

Het zal in deze tijden van Advent en Kerst drukker zijn

in de kerk(en) dan gewoonlijk het geval is.

In het kader van de diensten vinden ook bijzondere activiteiten plaats.

Mij dunkt: alles is geoorloofd, mits de eerbied geen schade lijdt.

De kerk heeft niets in de aanbieding.

Zij put niet uit eigen voorraad.

Ze zou stenen voor brood geven.

Ze verwijst naar die Ene, die ‘God in ons midden’ mag heten.

Met de woorden van een lied van André Troost (Hemelhoog 632):

God in ons midden,

Heer, wij aanbidden

met al uw kinderen wereldwijd,

uw trouw aan mensen,

uw onbegrensde,

uw ongekende majesteit.

Soms kan je een gevoel van somberheid bekruipen,
als je het nieuws een beetje volgt.
Coronadoden, gijzelingen, moord, corruptie geweld van allerlei aard.
Het gaat maar door.
Het ene slechte nieuws is nog niet gekomen
of andere slecht nieuwsberichten staan al weer klaar.
Crisis, problemen, tegenslagen,
ze verdringen het goede en mooie dat er ook is zomaar naar de rand.
En dat in de grote wereld, maar soms ook zo akelig dichtbij.
De teleurstelling in je relatie, de lastige dingen op je werk,
je gezondheid die zo ineens anders loopt. Je komt er niet los van.
Een documentaire over oorlogsveteranen
die voor de VN waren uitgezonden op missie kreeg als titel:
oorlog in je hoofd.
Deze mannen en vrouwen zijn teruggekeerd uit de strijd
maar worden sindsdien geplaagd door PTSS:
post traumatische stress stoornissen.
Zij vieren weliswaar thuis kerst met geliefden rond de kerstboom.
Maar in hun hoofd, hun hart, hun onderbewuste
woedt de oorlog volop voort. Om moedeloos van te worden.
We maken ons klaar om Kerst te vieren,
maar is er sinds de komst van Jezus
wel echt wat in deze wereld veranderd?

Je hoeft geen oorlogsveteraan te zijn om dit te herkennen.
Die oorlog, die onvrede kun je tegenkomen in je eigen hart.
De monnik en schrijver Anselm Grün schrijft ergens:
we verlangen allemaal rusteloos naar iets,
vooral naar rust, tevredenheid en acceptatie. Naar God dus.
En, zegt Grün, steeds weer zoeken we onze eigenwaarde
in bezit, geld, zekerheid, aandacht, erkenning, bewondering,
seks, eer en macht.
Maar, zegt hij, dat leidt tot ‘hebzucht, jaloezie, controledwang, geroddel, narcisme en geweld.
Of altijd maar de lieve vrede willen bewaren.
Of geen minuut zonder die smartphone kunnen.
Eindeloos veel diploma’s willen halen. Altijd iets nuttigs willen doen. Door je werk geen tijd voor je gezin hebben.
Voor alles een verzekering afsluiten.
Piekeren over of je het wel goed genoeg doet.’ Aldus Grün

Wat zijn uw en mijn vijanden? Hebben wij vijanden?
Van welke vijanden zouden we verlost willen worden?
Misschien zegt iemand:
voor zover ik weet heb ik geen vijanden en daar ben ik blij mee.
In onze belevingswereld nu klinkt veelmeer de roep om verbinding.
Het woord ‘verbinding’ is het woord, dat nu meteen referenties oproept, niet het woord vijandschap.
Het woord ‘vijandschap’ lijkt ons terug te brengen in een wij-zij denken, waarvan de meeste mensen in het beschaafde Westen vinden,
dat we daarvan af moeten.

Moeten we dan misschien veelmeer aan geestelijke machten denken,
zoals vanouds de doodsvijanden, de duivel , de wereld en ons eigen vlees, beschreven werden.
Of zouden we nog een andere kant op moeten denken:
vijanden als samenvattend woord voor alle machten en krachten
in de schepping en de geschiedenis,
die het goede leven kapot willen maken?
Dan komen we in onze tijd snel uit bij het Covid-19 virus.
Vooral in het begin van de pandemie werd vaak oorlogsretoriek gebruikt om de strijd tegen dit virus aan te duiden.
In de dagelijkse werkelijkheid hebben ook wij het er over,
dat we samen het corona virus eronder zullen moeten krijgen.
Maar wie hier publiek durft te spreken
over een vijand waarvan we verlost moeten worden,
wordt meewarig aangekeken of erger: ervan verdacht
te behoren tot een gevaarlijke sekte.
Dat geldt niet alleen het coronavirus.
Wij moeten als mensen met en voor elkaar dingen oplossen: natuurwetenschap, medische wetenschap en techniek
kunnen ons daarbij helpen.
Ook de geesteswetenschappen, zoals psychologie en psychiatrie
kunnen behulpzaam zijn.
Het woord verlossen behoort tot het vocabulaire van de theologie,
een wetenschap die buiten de christelijke bubbel
geen enkele indruk lijkt te maken.
Spreken wij niet vanuit een luxe positie?
Wanneer wij het niet op een akkoordje willen gooien
met de machten van het kwaad,
krijgen we dan niet als vanzelf vijanden?
Wanneer wij door het geloof,
door de goede keuze te maken aan Gods kant komen te staan,
dan begint de strijd allereerst al in ons eigen hart.
‘Het goede dat ik wil, doe ik niet, het kwade, dat ik niet wil, doe ik’.
Vervolgens lopen we ook op tegen alles
wat in strijd is met Gods wil in deze wereld:
onrecht, vernietiging van Gods schepping, machtswellust,
onderdrukking en al die andere dingen, waar onze wereld vol van is, vlakbij soms ook op ons werk, in onze kring van bekenden.
Probeer er maar eens iets van te zeggen,
probeer maar eens even het sluiten van compromissen te vermijden
en je zult merken dat je vijanden hebt eer je er erg in hebt
en soms helemaal in strijd met je vredelievende karakter.

Verkijk je dan niet op dat kind in de kribbe. Jezus Christus.
Je eerste indruk is misschien: vertederend,
schattig en een klein beetje zielig.
Maar hier in de kribbe ligt iemand die als namen krijgt:
Wonderbare Raadsman, Goddelijke held, Eeuwige vader, Vredevorst.
Hij zal al snel deze kribbe en de doeken achter zich laten
en op een heel eigen manier zijn heerschappij zichtbaar maken.
Een vorst van de vrede zijn. Ja, vrede zal van zijn leven echt de kern zijn. Hij zal vrede mét God tot stand brengen
en ook de vrede ván God realiseren.

Hij zal de strijd aanbinden met de diepere oorzaken van onze onvrede.
De zonde die ons onze bestemming doet missen
zal hij op zich nemen naar het kruis, het daar verzoenen en wegdragen.
De boze machten die ons bezetten en binden.
Ons van onze vreugde en vrede beroven zal hij onttronen en overwinnen.

Vrede op aarde, scanderen de engelen.
Het Bijbelse woord vrede betekent meer dan afwezigheid van oorlog.
Het Griekse woordje dat hier staat: ‘eirene’
gaat terug op het Hebreeuwse shalom.
Het betekent zoiets als: op orde brengen, alles op zijn plaats zetten. Kerkvader Augustinus zei dat heel mooi:
vrede is de kalmte die komt uit orde.

Vrede is daar waar evenwicht is, balans.
Alle dingen de juiste plaats en proporties hebben.
Deze vrede zorgt ervoor dat je als mens
in al je relaties tot je volle bestemming mag komen.
In verhouding tot God, tot jezelf en de ander.
Hoor hoe de hemelse strijders het uitroepen.
Eer aan God in de hoge, vrede op aarde.
Eerst: eer aan God.
En dan en op die manier ook: vrede.