We hebben het christendom al zo vaak begraven
dat de begrafenisondernemer er moedeloos van moet worden.
In talkshows, in opiniestukken, op universiteiten:
het was klaar, passé, iets voor oma’s met hoedjes
en dorpskerken die naar vocht ruiken.
Zeker in het Westen zou het geloof
z’n langste tijd gehad hebben.
De Verlichting had gewonnen,
Netflix had het met plat entertainment overgenomen.
En toen gebeurde er iets ongemakkelijks.
Terwijl wij zelfverzekerd concludeerden
dat God met pensioen was gestuurd,
begonnen jongeren zonder kerkelijke bagage
– zonder de kramp van oude ruzies –
opnieuw vragen te stellen.
Geen cynische vragen, maar existentiële.
Wie ben ik? Wat doe ik hier?
Is er méér dan dit algoritme dat mij beter kent dan mijn moeder?
Ze lopen niet massaal in ganzenpas de kathedralen binnen,
maar ze kloppen wel aan.
Openminded. Nieuwsgierig.
Soms zelfs geestelijk hongerig.
En kijk naar onze schermen.
House of David, Mary, The Chosen;
met honderden miljoenen kijkers wereldwijd.
In een oververhitte streamingmarkt,
waar elke seconde aandacht geld is,
blijken Bijbelse verhalen ineens
geen stoffige relieken
maar winstgevende titels.
Het christelijke entertainment is,
zo kopte een artikel, ‘opgestaan’.
Ironischer wordt het niet.
Begrijp me goed:
het is niet allemaal goud wat er blinkt.
Sommige producties zijn houterig, braaf, esthetisch armoedig.
Alsof vroomheid automatisch gelijkstaat aan middelmatigheid.
En ja, we herinneren ons nog
Mel Gibsons bloederige The Passion of the Christ uit 2004
dat bij velen vooral misselijkheid opriep.
Dit is geen triomftocht met wierook en gejuich.
Maar de vraag dringt zich op: waarom nu? Waarom deze toename?
Misschien omdat de wereld donkerder voelt
dan we willen toegeven.
Niet objectief per se want statistieken zijn grillig,
maar existentieel.
Het nieuws is een eindeloze stoet van crises.
Oorlog. Polarisatie. Klimaatangst.
Economische onzekerheid.
Zoveel mensen zijn afgehaakt,
niet uit onverschilligheid maar uit zelfbescherming.
Nog één pushbericht en je zakt door je hoeven.
In zo’n klimaat klinkt de zin
van een studiobaas bijna profetisch:
mensen willen iets kijken dat ‘het geloof herstelt’.
Dat is geen marketingtruc.
Dat is een noodkreet.
Christelijke verhalen
– wanneer ze goed verteld worden –
bieden geen suikerlaagje over de realiteit.
Ze tonen verraad, geweld, schaamte, dood.
Maar ze durven ook iets wat wij verleerd zijn:
een verlossend einde denken.
Vergeving boven wraak.
Nederigheid boven trots.
Wonden die genezen.
Licht dat niet wordt opgeslokt door duisternis.
Zelfs de dood die niet het laatste woord heeft.
Misschien verlangen we daar niet naar
omdat we zo religieus zijn,
maar omdat we zo moe zijn.
Laatst vertelde een jonge moeder mij, met trillende stem,
dat zij en haar man weer naar de kerk gingen.
Niet uit traditie.
Niet uit overtuiging.
Maar omdat ze net een baby hadden gekregen
en het leven hen overspoelde.
‘We weten niet of we het gaan redden,’ zei ze.
‘maar we hebben iets nodig om op te hopen.’
Dat is het.
Hoop is geen luxeartikel voor optimisten.
Het is zuurstof voor mensen
op een slagveld van verantwoordelijkheden,
verwachtingen en angsten.
We proberen allemaal te overleven
in een wereld die tegelijk schitterend en meedogenloos is.
De oude vraag blijft:
hoe kunnen we hier niet alleen bestaan, maar ook bloeien?
Misschien is het momentum
van christelijk entertainment
geen cultureel ongelukje, maar een spiegel.
Een teken dat onder onze cynische buitenlaag
een koppig verlangen leeft.
Naar betekenis.
Naar vertrouwen.
Naar een God die niet is weggevaagd
door onze scepsis.
We hebben Netflix misschien
niet nodig om te overleven.
Maar verhalen van geloof en hoop?
Die wel.
Zonder die verhalen redden we het niet.
Met hen – hoe gebrekkig ook verteld –
durven we tenminste te geloven
dat het licht nog steeds
sterker is dan het donker.



