Zeker, het kapitalisme waardeert vrijheid.
Toch was het altijd afhankelijk van gevestigde morele codes,
en met name die van het christendom,
om goed gedrag aan te moedigen
door middel van het voorbeeld.
Net zoals kapitalisme niet kan overleven
zonder vertrouwen en eerlijkheid,
zo kan individuele vrijheid niet voortbestaan
zonder een geïnternaliseerde morele orde.

De huidige westerse samenleving
is steeds meer geobsedeerd is geraakt door het individu,
omdat instellingen als het gezin, de kerk, de natie en vakbonden
zwakker zijn geworden.
Deze vermindering van sociaal kapitaal
heeft de armen onevenredig veel schade toegebracht.’

Nee, de kerk is geen triomfantelijke illustratie van hoe het eruitziet
als sociale en culturele uitdagingen worden opgelost.
In plaats daarvan is het een illustratie
van hoe het is als mensen zich wenden
tot de grote vragen waarmee we keer op keer
worden geconfronteerd in berouw en vertrouwen,
en proberen een leven te leiden
waarin we niet voortdurend met elkaar in oorlog zijn,
individueel en collectief,
en op zoek zijn naar wat we kunnen herkennen
als iets dat ons in staat stelt om zij aan zij te floreren
onder de God wiens bezorgde liefde voor ons allemaal is.

Waar staat ‘de wereld’ als het gaat om het uitleggen van wat zíj gelooft?
‘Zijn we seculier, christelijk of heidens?’,
werd bijvoorbeeld na een analyse van de Olympische Spelen in Parijs gevraagd.
Staat één manier van denken over onszelf
op het punt te worden overschaduwd?
Wat is dan secularisme?

De filosoof Charles Taylor
maakt onderscheid tussen drie soorten secularisme.
Eén daarvan houdt in dat de religieuze aanwezigheid
in het openbare leven wordt weggevaagd.
De output van veel omroepen weerspiegelt deze tendens.
Ten tweede kan secularisme ook worden gezien
in een afname van persoonlijke religieuze praktijken,
vaak gelijktijdig met een terugtrekking
uit de gemeenschap naar het individualisme.
Taylors derde vorm van secularisme
berust op de teloorgang van kerken en andere geloofsgemeenschappen
als bronnen van normen die persoonlijk gedrag bepalen.

Dat christenen last hebben van alle drie de vormen is duidelijk genoeg.
Zij zouden ook hun deel van de schuld op zich moeten nemen.
De kerk heeft duidelijk soms desillusie of scepsis gevoed.
Maar alternatieve visies zouden ook kritisch bekeken moeten worden.

‘Type één’ secularisme komt erop neer
dat mensen van geloof wordt verteld
dat ze vrij zijn om te geloven en te praktiseren
als ze dat willen,
maar dat hun overtuigingen volledig transcendent moeten zijn
en helemaal niet immanent.
Met andere woorden, religie is acceptabel
als een excentrieke privéhobby
omdat zowel type één als type twee secularisme inhoudt
dat gemeenschappen van spirituele overtuiging
in deze betuttelende termen worden gezien.

Wat betreft de vraag hoe secularisme
het uitgeholde publieke plein vult:
tegenstanders van ‘publieke’ religie hebben weinig aansluiting
bij Taylors derde categorie.
Dit betekent dat hun standpunt
zowel zelf-tegenstrijdig als in wezen negatief kan lijken.
Zeggen ‘niemand mag beweren dat zijn opvattingen normatief zijn’
is op zichzelf een normatieve uitspraak doen.

Bij nadere beschouwing lijken de zaken dus nog duisterder.
Hoewel het zichzelf presenteert als een gunstig negatief groot verhaal,
bevindt seculier rationalisme
zich in een ongemakkelijke en onopgeloste relatie met postmodernisme,
waarvan exponenten gevaarlijk
en/of vervelend ‘alternatieve’ feiten of ‘mijn waarheid’ (Donald Trump) beweert.
Als zelfs een atheïstische vaandeldrager als Friedrich Nietzsche 
al voorspelde dat de dood van God nihilisme en totalitarisme zou voortbrengen,
dan is de westerse samenleving wellicht in veel groter gevaar
dan algemeen wordt aangenomen.
Misschien – zoals rabbijn Jonathan Sacks waarschuwde –
zou zo’n ‘spirituele klimaatverandering’
op één lijn moeten worden gesteld met de milieucrisis.

Het is dan ook geen wonder dat
deze ‘punten’ van het christendom
vanwege de sociale zegeningen
die het met zich meebrengt
regelmatig worden onderschreven
door zowel de niet-gelovigen als de gelovigen.

De invloed van reformator Johannes Calvijn op de Nederlandse volksaard wordt steeds minder, ook onder zijn laatste aanhangers, de protestanten. Dat blijkt uit het onderzoeksrapport Religie aan het begin van de 21ste eeuw van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). ‘De calvinistische leefstijl van sober leven en hard werken is vijfhonderd jaar na de geboorte van Calvijn nog maar in beperkte mate een onderscheidend kenmerk van protestanten , aldus het CBS. Ze zijn weliswaar minder zware rokers en drinkers dan katholieken en mensen zonder kerkelijke gezindte, maar ook onder protestanten daalt het kerkbezoek. ‘ slopen kerkHet heeft er mede toe bijgedragen dat calvinistische leefstijlen verder zijn verwaterd.’ meldde het Nederlands Dagblad vanochtend. (Aanvullende berichtgeving van het CBS meldde dat het kerkbezoek onder protestanten eigenlijk nauwelijks afneemt, dat in tegenstelling tot rooms-katholieken en bezoekers van de moskee.)

Uiteindelijk was dit geen verrassend nieuws. Als ik al simpel kijk in mijn eigen woonplaats waar in de afgelopen jaren al ettelijke kerkgebouwen hun deuren hebben moeten sluiten en in de komende jaren nog een aantal zal volgen kan ik alleen maar constateren dat het kerkbezoek daalt, of dat er in ieder geval minder inkomsten binnen komen. En natuurlijk, de calvinistische leefstijl die juist in de kerkdiensten de mensen wordt ingeprent zal dientengevolge ook minder in leven wordt gehouden. Misschien schrijf ik een onwelkome boodschap: in hoeverre ‘oogstten we niet wat we ooit gezaaid hebben’? Was onze boodschap voor de samenleving en voor de mensen binnen de kerk in het verleden altijd wel duidelijk? Joegen wij de mensen misschien niet de kerk uit door te ‘algemeen vrome praatjes’ die mensen ook buiten de kerk kunnen verkrijgen? Waarin wilden wij ons nog onderscheiden van de mensen om ons heen? Wilden wij nog uitkomen waar we voor staan? Zeiden we nog waar het op aankomt? Waren we écht nog anders dan anderen?

Natuurlijk, ik kan me in slaap laten sussen door een auteur als Dinesh d’Souza die in zijn boek Het christendom is zo gek nog niet mij vertelt dat hoewel het christendom in West-Europa krimpt, het in andere werelddelen juist een groei doormaakt, en dat het christendom zo’n beetje een elke ontwikkeling in het Westen aan de wieg heeft gestaan. En natuurlijk, je hoort tegenwoordig op geluiden dat sowieso allerlei georganiseerde verenigingsactiviteiten niet veel mensen meer kunnen trekken. En het is toch zo dat, hoewel mensen minder de kerk bezoeken, er duidelijk steeds meer belangstelling komt voor allerlei vormen van spiritualiteit. (Misschien is dit wat de filosoof Charles Taylor bedoelt met the immanent frame we al share)

Ik gebruikte bewust de woorden ‘ me in slaap laten sussen door’. Want ik denk dat als we ons door deze feiten laten leiden dan kunnen we in feite het christendom in het Westen vaarwel zeggen. Wat we dan krijgen is een soort multi religieus containergeloof waar een ieder het zijne of het hare naar eigen gelang uit kan halen. zoutIk ben ervan overtuigd dat het christendom in het Westen nog steeds een zeggingskracht heeft voor de hele maatschappij, dat uitdagend kan zijn, prikkelend, dat aantrekkingskracht heeft, maar bovenal maatschappijkritisch dient te zijn. Dat is ook wat ik heb proberen duidelijk te maken in mijn post over Calvijn en het calvinisme. Ik denk dat we ons niet hoeven neer te leggen bij de geest van de tijd. Misschien worden we marginaal, maar dat betekent niet dat we ons niet hoeven te onderscheiden. Laten we eerlijk zijn, het christendom is zo ook begonnen, als een kleine splintergroepering die door wat zij deed verbazing, soms zelfs afkeuring oogstte. En ja, wanneer dan de traditionele kerken moeten worden hervormd, misschien opnieuw uitgevonden, het zij zo. Wat 0p de eerste plaats moet staan is dat de kerk, de christenen, een zoutend zout moeten zijn dat reinigt, misschien zelfs soms bijt, maar een boodschap heeft die uniek is! En dat is meer dan een soort algemeen spiritueel gevoel.