Hemelse Vader, Heer van al wat leeft,
van eeuwigheid tot eeuwigheid bent U
God van levenden en van doden –
denkend aan wie zijn heengegaan roepen wij U aan.

Wij danken U
voor wat U schonk in wie van ons ging –
onze gedachten zijn vol herinnering aan dagen en jaren,
aan goed en kwaad:
hartverwarmende woorden, liefdevolle daden,
maar ook tekorten en gebreken,
wel en wee, voor- en tegenspoed.

Wij bidden U: dat de dood
ons het geloof in Uw toekomst niet zal ontnemen,
dat onze hoop en onze liefde zullen opvlammen
als fakkels in een donkere nacht;
dat niet de vrieskou van de dood
maar de gloed van Pasen ons voor de geest zal staan.

Hemelse Vader, God van al wat leeft,
in Uw hoede schuilen wij – berg ons
in de palmen van Uw hand
ter wille van Uw Zoon die de opstanding en het leven is.

(André F. Troost)

 

Afgelopen zondag had ik een gesprek met een gemeentelid van in de negentig.
Dat gesprek maakte diepe indruk op me.
Ze vertelde over de diepe eenzaamheid die ontstaat als je al je familieleden overleeft.
Haar woorden waren een krachtige herinnering dat lang leven zowel een zegen als een uitdaging is.

Het gesprek deed me denken aan een zelfde soort vraag
die in de film ‘Highlander‘ uit 1986 werd gesteld.
De film volgt Connor MacLeod, een Schotse Hooglander geboren in de 16e eeuw
die ontdekt dat hij onsterfelijk is nadat hij een wond heeft overleefd die dodelijk had moeten zijn. Terwijl hij door de eeuwen heen leeft, ziet hij iedereen van wie hij houdt oud worden en sterven, en worstelde zelf met het gewicht van het eeuwige leven.

Toen de gitarist van Queen, Brian May,
werd gevraagd om de titelsong voor de originele film te schrijven,
creëerde hij ‘Who wants to live forever?
Het nummer legt op prachtige wijze het verdriet van het eeuwige leven vast
en vraagt zich af of eeuwig leven op deze aarde echt een geschenk is
als het betekent dat je het verlies van iedereen die je dierbaar is, moet doorstaan.

Dit thema van onsterfelijkheid versus de waarde van een eindig leven
wordt ook onderzocht in de verhalen van J.R.R. Tolkien
over de personen Beren en Lúthien, en Arwen en Aragorn.
Zowel Lúthien als Arwen, die onsterfelijk zijn,
kiezen ervoor om hun eeuwige leven op te geven uit liefde voor hun sterfelijke partners.
Ze leven liever een kort leven met degenen van wie ze houden dan een eeuwigheid zonder hen.
Ergens anders laat Tolkien in The Lord of the Rings Gandalf tegen Frodo zeggen:
‘Het enige wat we hoeven te beslissen is wat we doen met de tijd die ons gegeven is.’

Maar wat is dan een eeuwig leven?

De filosoof Karl Marx, de grondlegger van het marxisme, zei eens:
‘godsdienst is de opium van het volk’; een verdovend middel.
Een middel dat je gebruikt om ‘high’ te worden.
Dan denk je even niet meer aan je problemen, dan voel je even geen pijn of angst of zorgen.
En hij dacht daarbij vooral aan het geloof in eeuwig leven
Hij zag dat dus als drugs, als een verdovend middel.
Een gedachte om bij weg te dromen als je het slecht had in het hier en nu.
Daar moest Marx weinig van hebben. Niks wegdromen over eeuwig leven straks.
Nú de handen uit de mouwen om de heilstaat dichterbij te brengen!
Ideeën over eeuwig leven zorgen dat mensen hun lot maar aanvaarden,
terwijl ze in actie zouden moeten komen om het te verbeteren.
Maar maakt het uitzicht op eeuwig leven je passief? Werkt het inderdaad verlammend?
Of kan geloof in het eeuwige leven je misschien juist in beweging zetten?
In ieder geval had Marx één ding wel goed gezien:
die twee hebben met elkaar je maken, het leven nu en het leven straks.
Wat is het verband?

Bij ‘eeuwig leven’ moeten we niet denken aan ‘voor altijd zingen op een wolk’.
Zulke ideeën zijn niet zo christelijk als vaak gedacht.
Eeuwig leven, dat komt ná de wederopstanding.
Eeuwig leven, dat is als God alles nieuw zal maken,
en al zijn kinderen voor altijd mogen leven in zijn nieuwe wereld.
De Bijbel in Gewone Taal heeft die uitdrukking ingevoerd:
‘Gods nieuwe wereld’. Dáár gaat het heen!

Maar hoe moet je je het voorstellen? De Bijbel zegt er veel over, en tegelijk weinig.
Want alles wat er gezegd kan worden, is beeldspraak en gestamel.
Hoe kun je spreken over iets dat er nog niet is?
Maar drie dingen kunnen we in elk geval zeggen.
Ten eerste: het zal goed zijn. Ten tweede: het zal nooit eindigen.
En ten derde: de Here staat centraal.
Het zal góed zijn op Gods nieuwe wereld. Alles wat slecht is en duister en boos, zal er níet zijn. Dat is voor eeuwig buiten de deur gezet!

Wat betekent dit geloof betekent voor het leven van alledag.
Werkt het als opium, om weg te dromen, of is dat onzin?
Want Marx, haalde zijn uitspraak natuurlijk wel ergens vandaan.
Soms dachten en denken christenen ongeveer zo: het leven op aarde doet er eigenlijk niet veel toe. Het gaat erom dat je in de hemel mag komen.
En daardoor wordt er al snel berust in dingen die niet kloppen in onze maatschappij,
onrecht en armoede.
‘Zo is het nu eenmaal, zolang Gods koninkrijk niet is gekomen’.
Hoogstens zul je dan proberen anderen te bekeren, opdat ook zij eeuwig leven zullen hebben.
Maar deze wereld… houd je maar liever wat afzijdig. Wij zijn niet van deze wereld, toch?
In de Verenigde Staten zijn heel wat conservatieve christenen
die erg kritisch zijn op elke maatregel ter bescherming van het milieu.
Sowieso omdat dat zogenaamd ‘links’ is, maar ook omdat ze zeggen: Jezus komt spoedig terug. Dan wordt alles nieuw en beter! Wat doet het milieu er dan nog toe?
Zuinig zijn op deze wereld die vergaat? Dat hoeft alleen als je niet van Gods nieuwe wereld weet!
Maar hoe moet het leven híer en het leven straks dan verbonden zijn?
En toch is die verbinding er, heel belangrijk! Daar zullen we nu bij stilstaan.
Zie het als een paspoort: daarin staat uw nationaliteit, in welk land u thuis hoort.
‘Nederlander’. Dat betekent dat de Nederlandse regering zeggenschap over je heeft.
En dat betekent ook dat je recht hebt op alle dingen die bij het Nederlanderschap horen. En plichten.

Paulus schrift aan de Filippenzen: ‘Ons burgerschap is in de hemel’.
Dat wil zeggen: wie bij Jezus hoort ís al een burger van Gods nieuwe wereld. Dát is waar je thuis is. Dat is je identiteit, je nationaliteit.
En dat stempelt hoe je in het leven staat. Dat brengt voorrechten mee, en plichten.
Een plekje in Gods nieuwe wereld is niet los verkrijgbaar!
Paulus zegt namelijk ook iets over de levenswijze die erbij hoort.
Geloof je in eeuwig leven in Gods nieuwe wereld, dan leef je nú al als burger van die wereld! Volgens de waarden en normen die daar gelden.
En ja, uiteraard, dat zal zijn met alle gebrek, met vallen en opstaan.
Maar het kan niet zijn dat je beweert een hemelburger te zijn,
terwijl je in alle opzichten leeft als burger van déze wereld.

Welke rol speelt het geloof in het eeuwige leven bij u?
Onze tijd is heel sterk van het alles zoeken in het hier en nu.
En ook onder christenen is dat sterker dan we wel denken.
Is het eeuwig leven een leuk extra voor straks, of stempelt die hoop ons bestaan?
Leef je als hemelburger – nu al?
Put je troost en kracht uit Gods belofte, motiveert die je om vol te houden? Geloof je het écht?
Nee, laten we niet ons van de aarde afkeren en alleen hopen op de hemel.
Maar laten we, terwijl we leven op aarde, vooruitzien.
Laat het licht aan de horizon de richting van ons pad bepalen.
Paspoorten worden verstrekt door Jezus Christus aan ieder die wil!
Kom, leef dáárheen. Zing ervan. Werk ervoor. Hoop erop.
Leef nú al dicht bij de Here en doe wat Hij wil.

 

Zo rondom Eeuwigheidszondag
– het moment voor de herdenking in de (protestantse) kerk van hen die gestorven zijn –
denk ik wat verder na over het aspect van de dood in het christendom.
Het christendom heeft twee dingen te zeggen over de dood,
en het zegt beide krachtig.
De twee verweven houdingen van het christendom
ten opzichte van de dood zijn rouw en hoop.
Aan de ene kant is de dood een schaduw;
aan de andere kant is er een Licht opgekomen
dat die schaduw zal verdrijven.
Beide aspecten zegt Paulus erg krachtig :
‘De laatste vijand die vernietigd zal worden, is de dood.’( 1 Korinthe 15)

De dood is onze vijand; de dood is bestemd voor vernietiging.
Het idee van de dood als vijand
– ‘het meest angstaanjagende van alle lichamelijke kwaden’ (Thomas van Aquino) –
lijkt misschien achterhaald in de 21e eeuw.
Maar begrijpen we nu niet dat de dood natuurlijk is,
gewoon onderdeel van het soort wezen dat we zijn?

Aan de ene kant belijdt het christendom dat we sterfelijk zijn,
dat de dood als heel natuurlijk bij het leven hoort.
Maar aan de andere kant zegt het christendom ook
dat de dood een ontwrichting, een belediging is.
Want zij behoort niet tot het leven zoals dat bedoeld is.

Verzoening voor deze spanning berust
op die vreemde status van de mens,
gemaakt voor een relatie met God:
geschikt voor, geroepen tot.
Een model voor die relatie is opmerkelijk genoeg vriendschap geweest,
met Mozes als voorbeeld:
‘Zo sprak de Heer tot Mozes van aangezicht tot aangezicht,
zoals men tot een vriend spreekt.’ (Exodus 33)
Zo’n soort relatie, dat God van aangezicht tot aangezicht zien,
zou onsterfelijkheid verlenen aan onze van nature sterfelijke lichamen
(‘wanneer we hem zien, zullen we zijn als Hij,
want we zullen Hem zien zoals Hij is’).
Dus beide delen van het raadsel zijn waar:
we zijn van nature sterfelijk, maar we worden geroepen
tot een bestemming die onze natuur te boven gaat.
Onze tragedie is dat we rationele wezens zijn
die dwaas genoeg zijn om zich af te keren van God
en van het licht van de onsterfelijkheid.

De dood is onze vijand omdat we, hoewel sterfelijk van aard,
oorspronkelijk geroepen werden
tot iets dat buiten de natuur ligt, maar dat verloren.
God keerde zich naar ons toe, maar wij keerden ons af.
Vijandschap, tragedie en verlies zijn echter niet het hele verhaal,
en ze zijn zeker niet het einde van het verhaal.
Er is ook de vernietiging van de dood.
Dat is waar het leven, de dood en de opstanding van Christus over gingen.
Als de dood onze vijand is, dan is het een verslagen vijand, overwonnen,
hoewel niet volledig vernietigd, totdat God de wereld opnieuw schept.

Christenen kunnen soms zo blij zijn
over het vooruitzicht van de vernietiging van de dood
dat ze vergeten dat deze vernietiging nog steeds een belofte is,
en dat we nog steeds onder de heerschappij ervan leven.
Voor nu liggen de hoop en het verdriet verweven.
Daarom lezen we in het Nieuwe Testament over
‘geen verdriet hebben, zoals mensen die geen hoop hebben’ ( 1 Tessalonicenzen 4:13).
Ik zie dat niet als een algemene aanbeveling om geen verdriet te hebben,
niet te rouwen (de dood is tenslotte nog steeds onze vijand),
maar als een verbod op het soort verdriet dat geen hoop kent
(omdat de vernietiging van de dood verzekerd is).
Deze dualiteit in christelijke houdingen ten opzichte van de dood
komt tot uiting in de manier
waarop christenen de lichamen van de doden behandelen.
We beschouwen begrafenispraktijken
waarschijnlijk als vanzelfsprekend,
maar het idee om de lichamen van de doden
met de grootste zorg en waardigheid te behandelen,
was een punt waar het christendom echt op hamerde.
Jezus Christus had bijvoorbeeld een lijst
van zes goede daden gegeven in de gelijkenis
van de schapen en de bokken:
‘de hongerigen voeden, de dorstigen te drinken geven, de naakten kleden,
reizigers onderdak bieden, de zieken bezoeken
en gevangenen bezoeken.’ (Lucas 10)
Het zou een gedurfde beslissing zijn
om deze lijst van Christus aan te vullen,
maar de kerk deed het,
door er een zevende ‘daad van lichamelijke barmhartigheid’
aan toe te voegen: de doden begraven.

Het christendom is definitief de religie van de incarnatie:
van God die menselijk vlees aanneemt.
Lichamen doen er daarom toe.
Praten over het afwerpen van het lichaam,
alsof het lichaam slechts een oude mantel is
waar de ziel te groot voor is geworden,
is niet iets wat christenen zeggen.
Wij zijn lichamelijke wezens,
dus christelijke hoop is gericht
op de wederopstanding van het lichaam.
(Zo ook – ik zou er voor de volledigheid aan toe moeten voegen –
is het christelijke lot ook lichamelijk.
Degenen die sterven in vijandschap met God en het goede,
zo beweert het geloof, en het aanbod van verzoening afwijzen,
worden geconfronteerd met de consequenties in het herrezen lichaam.)

De boodschap van de incarnatie en de hoop op de wederopstanding
veranderde iets voor de vroege christenen.
Ze vonden dode lichamen niet langer beangstigend.
In de oudheid moesten lichamen buiten de stad worden begraven,
verstoten uit de menselijke gemeenschap.
Christenen veranderden dat
en begonnen hun geliefden binnen de stad te begraven.
Lichamen moesten worden gekoesterd, niet gevreesd.
De lichamen van hun helden
– degenen die uitblonken in deugd, en vooral de martelaren –
werden rechtstreeks naar hun kerken gebracht.
Zorg voor de lichamen van de doden
weerspiegelt beide polen van christelijke houdingen
ten opzichte van de dood.
Enerzijds hebben christenen
de lichamen van de doden met grote zorg bewaard,
omdat de dood een belediging is.
De dood is de vijand die ons allemaal treft.
Terwijl we dat verlies betreuren,
houden we de lichamen veilig
totdat het ongedaan wordt gemaakt.
Het christendom is niet te snel door rouw heen gesprongen,
maar heeft rouw ook niet het laatste woord gegeven.
De dagelijkse begrafenispraktijk
sluit waarschijnlijk het duidelijkst aan bij het verdriet,
hoewel de hoop erdoorheen geweven is.
En er is ook de andere kant van de christelijke houding
ten opzichte van de dood:
naast rouw is er hoop op de vernietiging van de dood.

Het christendom blijft niet steken bij de nadruk
op de nederlaag van de dood.
Het verheugt zich in het hebben in de hoop
en de verzekering van de opstanding,
wanneer ‘de dood niet meer zal zijn’.