Veel mensen gingen ervan uit dat Hirsi Ali’s stap
meer neerkwam op een erkenning van de rol van het christendom
in het veiligstellen van sociale vooruitgang
dan bijvoorbeeld op een acceptatie van de geloofsbelijdenis van Nicea.
Ze schrijft ook dat ze beetje bij beetje leert over het geloof
terwijl ze zondag na zondag naar de kerk gaat.
Net als andere christenen wil ze nu misschien een stapje verder gaan.
De redenen hiervoor zijn zowel filosofisch als theologisch.
Filosofisch gezien, omdat het behoud
van de joods-christelijke culturele erfenis
niet verward moet worden met voorouderverering.
Deze tradities kunnen en moeten worden gerechtvaardigd
als uitingen van onze waarheidsgetrouwe zoektocht naar het goede,
het ware en het schone.

En de fundamenten zijn theologisch,
Het gaat over geloof en hoop
op een reis van ballingschap door een wildernis
naar bronnen van levend water.
Karl Barths politieke standpunt is gebaseerd op de Bijbel.
Het radicale voorbehoud van het christendom
ten aanzien van ‘de wereld’ van ‘vorstendommen en machten’
komt voort uit een gevoel van chronische gebrokenheid
in de menselijke conditie en de corruptie
van zelfs onze nobelste idealen.
Kortom, we worden gekenmerkt door de erfzonde,
wat op zijn beurt een zoektocht naar genezing
genereert die opnieuw wordt gepresenteerd in de liturgie.
De Bergrede springt er voor mij met name uit.
Die preek vraagt hoe u staat, hoe u geplaatst bent
als het gaat om ontvangen, geven
en gebaren van verzoening en inclusie maken.

Eerder schreef ik over het idee dat een aangevochten geloof
in de zin van dat je door vertwijfeling heen bent gegaan
om het vertrouwen te krijgen dat je Gods kind bent,
dat je daarmee in deze tijden van corona sterker staat in het geloof.
Waarom schreef ik dit?
Laat ik het anders stellen:
Is een positief mensbeeld bestand tegen
de machten en krachten van het kwaad?
Een populair mensbeeld waarbij er alleen maar wordt gesteld
dat God je aanvaard zoals je bent.
Ik wil in deze blog dit verder uitwerken.

De zestiende-eeuwse kerkhervormers
schreven in de Heidelbergse Catechismus
dat de mens niet instaat was tot enig goed.
‘de mens is geneigd tot alle kwaad’ en ‘onbekwaam tot enig goed’.
De zogenaamde leer van de erfzonde.
Eigenlijk wilden ze daarmee een antwoord geven op de vraag:
hoe gaan we om met de werkelijkheid van goed en kwaad?
Want – zo zeiden ze – wij mensen kunnen niets in de weegschaal leggen,
ons nergens op beroepen,
om God ervan te overtuigen dat Hij ons lief zou moeten hebben.
Dat is louter een kwestie van genade.
Binnen de relatie van de mens met God kan ik niet zeggen:
ik deug.
In het licht van Gods heiligheid kan ik pas goed beseffen
dat ik tekortschiet,
maar tegelijkertijd staat daar die tekortkoming
in de context van Gods genade.
Dat helpt ook voor je relatie, je houding naar anderen toe:
je kijkt er niet vreemd van op als anderen soms niet deugen,
want je weet dat dat kwaad ook in jezelf zit.
In die zin kan het idee dat de mens van nature is geneigd tot kwaad,
juist een houding van mildheid opleveren.

Zeker als mensen onderling en in onze relatie met de natuur
kunnen we zeker goede dingen doen.
Iets wat je kunt omschrijven als een rechtvaardig leven.
Maar zo’n leven vergt ook en in de eerste plaats het inzicht
dat ik mezelf niet kan rechtvaardigen.
Niemand leidt een volledig rechtvaardig leven.
Als antwoord op dat idee, dat we altijd tekortschieten, wat we ook doen,
brachten de zestiende-eeuwse kerkhervormers in:
‘God aanvaard mij, maar ik moet ook nog steeds zelf handelen.
Dietrich Bonhoeffer vraagt in zijn gedicht ‘Wie ben ik?’
zich af of hij de sterke persoon is die anderen in hem zien of de zwakke, angstige mens die ik zelf zie.
En dan eindigt hij met: ‘Wie ben ik? Wie ik ook ben, U kent mij’.
Het verwoordt precies het besef geaccepteerd te zijn, ongeacht wie je bent. Het geeft je een realistische blik op het leven.
God accepteert mij, hoezeer ik ook faal alle slechte dingen uit te bannen. Luther zegt het dan mooi:
‘in het geloof in Christus kan je geweten gerust slapen.’
Het beschuldigt je niet meer.
Dit verandert je motivatie om het goede te doen:
je doet het niet om geaccepteerd te worden,
maar omdat je vorm wil geven aan het feit dat je geaccepteerd bent.
Dus als je aanvaardt dat je van nature verloren bent,
Ik geloof niet dat een heel optimistisch mensbeeld uiteindelijk bestand is tegen het kwaad in de wereld. Juist vanuit het besef van het eigen tekort, waarin je je wonderlijk genoeg aanvaard mag weten, ben je in staat om niet gelijk om te vallen door het tekort van een ander.
De Engelse ethicus Theodore Dalrymple zei een jaar of tien geleden:
‘als je geen erfzondeleer hebt,
heb je geen verweer tegen wat er allemaal
aan kwaad kan gebeuren in je leven.’
Dat God je uit genade accepteert zoals je bent
brengt dat uiteindelijk rust teweeg,
zet je anders in relatie met je medemens
en doet je sterker staan in aangevochten geloof.