Maakbaarheid is een term die uitdrukking geeft
aan de menselijke ambitie om het leed uit de wereld te krijgen,
tragiek te verbannen en geluk te realiseren.
Het draait bij maakbaarheid om het perfecte leven
en de perfecte samenleving.

Vandaag manifesteert maakbaarheid zich in de prestatiemaatschappij.
Wij zijn ons leven gaan begrijpen als een persoonlijk project
dat wijzelf moeten laten slagen.
Wanneer je leven mislukt, is dat je eigen schuld,
had je maar harder moeten werken.
Daarbij ligt de lat hoog: perfectie is de norm.
De grootste vrees is middelmatigheid.

De prestatiemaatschappij wordt vergezeld door een preventiestaat.
Die gaat nog sterker uit van maakbaarheid
dan voorheen de verzorgingsstaat deed.
Beleidsinterventies worden steeds ambitieuzer en indringender.
In een preventiestaat ligt de focus niet meer op het compenseren van leed, maar op het voorkomen ervan.
In de preventiestaat draait het om een zo lang mogelijk
gezond en energiek bestaan.
Dat vormt een robuuste basis om productief door het leven te gaan. Vandaag de dag bestrijden we vooral risico’s;
van mógelijke gevaren, die zich kúnnen gaan voordoen.
Ook hier is perfectie de eis: ons mag niets meer overkomen.
En de overheid moet dat garanderen.

Dit gaat gepaard met intensieve leefstijlpolitiek:
toezicht, monitoring en nudging
(mensen een duwtje in de goede richting geven)
zijn daarbij centrale beleidsinstrumenten,
gericht op het beïnvloeden van het gedrag van individuen.

En dan ineens is er die coronacrisis.
Het immense project om het noodlot uit te bannen wordt ruw verstoord. Net als velen koesterde ik in het begin de stille hoop
dat corona een gamechanger zou zijn.
Het coronavirus zou ons kunnen doen inzien
dat maakbaarheid maar relatief is,
dat tragiek en leed altijd onder ons zullen zijn,
en dat we ons op een andere manier daartoe moeten leren verhouden.
We werden gedwongen tot rust.
Rust is bedoeld om het leven te vieren en vollediger mens te zijn.
De lockdown (nu al de gedeeltelijke tweede)
gaf bovendien de kans
om aan het juk van de prestatiemaatschappij te ontkomen.
Ineens zaten we allemaal thuis, met leeggeveegde agenda’s
in een samenleving waar niets meer te beleven viel.

Ja, ja corona als gamechanger. Hoe kon ik zo naïef zijn?
Nog onverzettelijker beten we ons vast in het ideaal van maakbaarheid.
Als in een reflex schakelden we door
naar een nóg hogere versnelling.
Haast in een oogwenk maakten we ons bestaan coronaproof,
christelijke organisaties en kerken inbegrepen,
vertolkt in een onwaarschijnlijke hoeveelheid protocollen.

We noemen dit alles ‘veerkracht’…
of is het een prestatiemaatschappij in overlevingsmodus?
We zoeken ook driftig steun bij de preventiestaat.
Die kreeg de wind nog meer in de zeilen.
Het voortdurende mantra bij persconferenties is:
‘We zullen het virus eronder krijgen’.
Elke besmetting is er één te veel
en daarom gaan we voor de zekerheid maatregelen stapelen.

Natuurlijk gaat het volk op een gegeven moment morren.
De preventiestaat moet wel de prestatiemaatschappij blijven bedienen.
En die heeft nu wel lang genoeg stilgelegen, zo vinden we massaal.
De fear of missing out wordt te groot;
uitgestippelde life-events moeten doorgang krijgen.
Daarom moet alles nu zo snel mogelijk weer normaal worden.
Begrijp me goed: natuurlijk moet er gehandeld worden;
een venijnig virus bedreigt volksgezondheid en zorgstelsel.
Maar hoe lang kunnen en willen we dit nog volhouden?
Wanneer is de rek uit onze veerkracht?
En hoeveel preventiestaat kunnen we nog opbrengen,
financieel en moreel?
Wanneer gaan we ons serieus rekenschap geven
van de fragiliteit en onzekerheid van het menselijk bestaan?

Wil de samenleving van morgen er anders uitzien,
dan zullen we dit heilloze spoor moeten verlaten.
We moeten toe naar een minder verkrampte omgang
met maakbaarheid en een meer ontspannen manier van leven,
waar de boog niet immer strak gespannen staat.

Bij uitstek de christelijk-sociale traditie
biedt een variëteit aan bronwoorden voor deze heroriëntatie.
Tragiek raken we nooit helemaal kwijt
en we kunnen ons daar maar beter mee verzoenen.
Dat begint met de kunst van het loslaten.
Loslaten of stoppen resulteert in momenten van nietsdoen.

Uiteindelijk zal dit uitmonden in ‘gelatenheid’ en ‘rust’.
De notie ‘gelatenheid’ uit de middeleeuwse mystiek kan hierbij helpen. Gelatenheid is het vermogen de dingen gewoon ‘te laten zijn’,
zodat er ruimte ontstaat voor iets anders: onze vrijheid.
Door de dingen te laten zijn wat ze zijn,
stellen we grenzen aan de trivialisering van ons bestaan.
We voorkomen dat de drift tot presteren en interveniëren oeverloos wordt. In de woorden van theoloog Erik Borgman:
gelatenheid schept een bedding om te ‘leven van wat komt’.
Het brengt fundamentele ontvankelijkheid
voor de mogelijkheid dat dingen ons ‘toevallen’.
In een ontspannen samenleving
is een radicale herwaardering van rust nodig.
Wij denken: ‘rust roest’ en beschouwen het als een noodzakelijk kwaad. Maar dat is een armetierig perspectief.
Rust houden is evengoed een betekenisvolle sociale praktijk.

In de Bijbelse traditie is rust diep verbonden
met festiviteit, ontmoeting en liturgie.
De schepping van de wereld in het Bijbelboek Genesis
vindt zelfs haar voltooiing in een rustdag.
Rabbijn Abraham Joshua Heschel noemt de sabbat een ‘paleis in de tijd’, bedoeld om vreugdevol het leven te vieren en om vollediger mens te zijn.

Juist in de rust vallen ons dingen doe die er in de maakbaarheid
vaak bekaaid afkomen, zoals gemeenschap, broederschap, solidariteit. Laten dit nu net zaken zijn die een vermoeide prestatiemaatschappij
en een overspannen preventiestaat hard nodig hebben.

Ik schreef  laatst een column over biechten, waar ik het had over de ‘populariteit’ van het biechten. Wat schetste mijn verbazing toen ik deze week bij een lezing aanwezig was van Erik Borgman, hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg die sprak voor een kleine clubje van actieve en emeriti predikanten. Hij sprak daar in het kader van kerk-zijn in de  huidige tijd. Naast heel veel andere interessante zaken had hij het ook over een schat van de kerk die langzamerhand in de vergetelheid aan het geraken is. Dat is, laat ik het in mijn eigen woorden zeggen, het ‘sacrament van de vergeving’. VergevingHoewel het geen populair item lijkt te zijn binnen brede lagen van de kerk, waar ik in bovengenoemde column al aangaf dat ‘de biecht’ in de Nederlandse Rooms-Katholieke Kerk zo goed als uitgestorven is, is in veel protestantse gemeentes binnen mijn kerk (Protestantse Kerk in Nederland [PKN]) het verootmoedigingsgebed, schuldbelijdenis en genadeverkondiging is ingeruild voor het zogenaamde kyriëgebed waar vaak alleen de nood van de wereld centraal staat, daar lijkt schuldbelijdenis en vergeving (genadeverkondiging) in het publieke domein een veel gezocht ‘sondergut’ te zijn. Voorbeelden zijn er te over in de media, ik hoef alleen maar te wijzen op de huidige hype rond de ‘dopingzondaars'(sic!!) en hun bekentenissen in de wielersport. Maar, zoals Borgman aanhaalde, je hoeft maar met iemand te praten op het eerste de beste feestje en na een paar pilsjes komen de verhalen los over schuld, zich schuldig voelen, de zucht naar ‘vergeving’, enzovoorts.

Dat Borgman pleit om het ‘sacrament van de vergeving’ uit de schatkamer van de kerk op te diepen, af te stoffen en op de een of andere manier weer onder de aandacht te brengen vind ik een prikkelende gedachte die wat mij betreft verder doordacht moet worden.

Kerk noemt hebzucht als oorzaak crisis. Zo bracht de NRC het nieuws van het verschijnen van de derde encycliek Caritas in Veritate van paus Benedictus XVI.Paus Benedictus XVI ondertekent zijn derde encycliek 'Caritas in Veritate'

In de encycliek, zo vervolgt de NRC, schrijft de paus dat de huidige crisis mede is ontstaan doordat mensen het maken van winst als een doel op zichzelf zijn gaan zien. Dan ‘bestaat het gevaar dat welvaart wordt vernietigd en armoede gecreëerd’.

Volgens de paus behoort de economie al enige tijd tot de terreinen waar ‘de kwaadaardige effecten van de zonde’ zichtbaar zijn. Mensen verwarren geluk met materiële welvaart, aldus de paus. De overtuiging dat de economie helemaal autonoom moet functioneren heeft geleid ‘tot economische, sociale en politieke systemen die de persoonlijke en sociale vrijheid van mensen met voeten treden en die daardoor niet in staat zijn om de rechtvaardigheid te bieden die ze beloven’. In de Financial Times wordt van de paus gezegd dat Pope Benedict XVI condemned the ‘grave deviations and failures’ of capitalism exposed by the financial crisis and issued a strong call for a ‘true world political authority’ to oversee a return to ethics in the global economy. Ten slotte vat het Nederlands Dagblad de boodschap van de paus samen met Sociale gerechtigheid kan niet zonder een moreel kompas, zonder God. ‘Een humanisme dat God buitensluit, is een inhumaan humanisme.’

De lekendominicaan Erik Borgman heeft in zijn boek Metamorfosen. Over religie en moderne cultuur aan dit onderwerp al eens aandacht besteed. Hij meent dat het christendom vanuit haar overtuiging dat God een God van betrokkenheid bij en bevrijding uit lijden en dood, verplicht is haar stem te laten horen. Zij komt voor uit een situatie waarop de schijnbare geslotenheid van het bestaande wordt opengebroken en er een nieuwe omgang ontstaat met de situatie van bodemloosheid en onzekerheid die eruit voortvloeit. Aan zo’n moment is het christendom ooit ontsprongen en het zet zich voort waar deze oorsprong zich opnieuw present stelt. Borgman stelt dat de essentie van het christendom de liefde tot de naaste is, dat is degene die jou nodig heeft zoals jij de ander nodig hebt, en met wie jij je verbindt door daadwerkelijk compassie met hem of haar te hebben.

Deze kwestie stipt de paus ook aan: in feite ligt het egoïsme op alle niveaus in de samenleving ten grondslag aan de huidige economische crisis.  Dit is geen nieuw geluid. Al in 1891 schreef de protestantse voorman Abraham Kuyper

Van den Christus raakt onze maatschappij los ; voor den Mammon ligt ze in het stof gebogen; en door den rusteloozen prikkel van het brutaal egoïsme waggelen, gelijk de Psalmist klagen zou, de fundamenten der aarde. Alle binten en ankers van het maatschappelijk gebouw verschuivn; desorganisatie kweekt demoralisatie; en in toeneemende brooddronkenheid van den één tegenover het steeds klimmend gebrek van den ander, speurt ge eer iets van de ontbinding van een lijk, dan van den frisschen blos en de gespierde veerkracht eener bloeiende gezondheid

Ulrich Beck schreef in zijn Risikogesellschaft al dat de postmoderne samenleving verbonden is met de ontdekking dat er geen definitieve oplossingen bestaan en dat wij in een risico-samenleving leven en slechts betere of slechtere manieren kennen om met de onontkoombare problemen om te gaan.  Mijns inziens dient zo’n samenleving getypeerd te worden als een samenleving zonder God. Juist als christen hebben wij de plicht om koninkrijk van God hier op aarde reeds gestalte te geven. Een samenleving waar vrede en gerechtigheid geen woorden blijven, maar daden zijn! Waar de woorden van Matteüs 25 werkelijkheid worden.

Misschien zijn dit ongewenste boodschappen, maar Naastenliefde in Waarheid (de term niet de encycliek) is geen vrijblijvend manifest, maar een opdracht om de fundamenten van het koninkrijk van God uit te dragen. En misschien zijn het korreltjes zand, maar gezamelijk kunnen ze polijsten en zorgen voor iets moois, iets blijvends!!