De Goeroes leken
op het eerste gezicht
op de Profeten en de Agitators.
Maar in de generaties na die eerdere tijdperken
was het moeilijker geworden om
respect te tonen voor traditie
– wat prima was, aangezien de erosie van instellingen
de tradities toch al had verzwakt
en een pad had geopend voor Goeroes
om meer invloed te verwerven
dan hun destructieve voorgangers.
Religieuze en filosofische traditie
was in de handen van de Goeroes
niet langer een vaste gids,
maar een palet om illusies
van onafhankelijkheid te schetsen.
Soms gebruikten ze het om een nieuwe realiteit te schetsen
die ondoordringbaar was voor factcheckers.

“Goeroe”, wat in het Sanskriet “verwijderaar van duisternis” betekent,
was oorspronkelijk een religieuze term.
Maar in het derde decennium van de 21e eeuw
was de meest prominente Goeroe van het land
een zakenman genaamd Donald Trump.
Trump was persoonlijk geen toonbeeld
van conventionele religieuze toewijding.
Toch hing zijn politieke carrière af van een honger
onder zijn meest toegewijde aanhangers
die alleen spiritueel genoemd kan worden.
Zoals zoveel relaties tussen charismatische leiders
en hun volgelingen,
stuitte het op verzet en woede bij buitenstaanders.
Tegen de achtergrond
van de Amerikaanse charismatische traditie
is zijn succes echter volkomen logisch.

Hoe konden vroegmoderne mystici en puriteinse ketters,
die de stem van de Heilige Geest hoorden,
dan veranderen in toegewijden
op een moderne presidentsverkiezingsbijeenkomst,
die zich verdrongen om de kandidaat
met zijn iPhone als eerste te zien,
biddend voor een selfie?
Tegen het begin van de 21e eeuw
waren de meeste religieuze instellingen
in het Westen afgegleden
tot een overblijfsel van hun vroegere gezag;
althans volgens de gebruikelijke maatstaven.
Tegenwoordig wenden commentatoren
zich meer dan ooit tot
materialistische verklaringen voor politiek disfunctioneren,
polarisatie en de algehele vertrouwenscrisis van de cultuur.
Ze wijzen op groeiende sociale ongelijkheid,
onoverbrugbare meningsverschillen over beleid,
aanhoudend racisme en xenofobie,
en kwaadaardige, geautomatiseerde krachten
die op het internet loeren.
Allemaal waar; maar allemaal ontoereikend.
Als we de religieuze impuls definiëren
als een honger naar transcendente betekenis
en een reflex om te aanbidden, te adoreren,
dan is het een menselijk instinct
dat slechts iets minder fundamenteel is
dan de behoefte aan voedsel en onderdak,
en Amerikanen zijn
niet minder religieus dan ooit tevoren.
Ze zullen altijd een manier vinden
om deze verlangens te bevredigen,
zelfs als charismatici
hen langs vreemde en kostbare paden voeren.

De beginvraag die Worthen opwierp was:
‘Wat gebeurt er als Amerikanen het vertrouwen
in hun religieuze instellingen verliezen
en politici de leegte vullen?’
Mijn vraag na lezing van dit boek is:
‘In hoeverre zien we soortgelijke ontwikkelingen in Europa?’
Want laten we eerlijk zijn:
ook in Europa is het vertrouwen
in religieuze instellingen gedecimeerd
en ook bij ons zien we dat (charismatische) politici
proberen de leegte op te vullen.
Zou de uitspraak van Nietzsche bewaarheid worden
waar hij zegt:
‘Wij hebben God vermoord, jullie en ik!
Wij zijn allemaal zijn moordenaars!‘ […]
Dwalen we niet als door een oneindig niets?
Gaapt de holle ruimte ons niet aan?
Is het niet kouder geworden?
Komt de nacht niet voortdurend sneller en sneller?’

Proberen ook wij Europeanen niet die leegte op te vullen
door achter (charismatische) politici aan te lopen?

 

De Experts waren, op het eerste gezicht,
de charismatische tegenpool van de Agitators.
Zij waren bouwers.
Na de Tweede Wereldoorlog profiteerden ze
van de tegenreactie op de nachtmerrieachtige jaren
van fascistische demagogen,
ze omarmden het hoogtepunt van de autoriteit
van traditionele instellingen
in de westerse cultuur en politiek,
en ze voedden het Amerikaanse geloof
in de kracht van technologie en bureaucratie
om grootschalige problemen op te lossen.
Ze claimden de mantel van rede en procedure
en deden hun best om de politieke
of religieuze invloed van charisma te beperken
tot het verre verleden of primitieve culturen.

Maar in feite zagen de drie decennia na de Tweede Wereldoorlog
een explosie van religieuze opleving in Amerika;
aangevoerd door christenen
die in tongen spraken,
christenen die uitkeken naar de eindtijd
en zij die beweerden te genezen
door de kracht van de Geest.
Zelfs op het gebied van erkende en zogenaamd seculiere genezing
werd de grens tussen geneeskunde en spiritualiteit vager.
Deze jaren vormden het hoogtepunt
van cultureel prestige voor deze mensen,
maar de langdurige ambivalentie
van de Amerikanen
ten opzichte van intellectuele elites bleef bestaan.
De meest succesvolle leiders
profiteerden van die gemengde gevoelens.
Ze koesterden de spanning
tussen wetenschap en vrijheid in de Koude Oorlog
en, aan de andere kant,
het sluimerende gevoel dat technologische sprongen
eeuwige waarheden verdoezelden
en de organiserende kracht van een goed verhaal nodig hadden.

Echter, tegen het einde van de twintigste eeuw,
toen Amerikanen hun vertrouwen verloren
in de gevestigde media, kerken,
de overheid en bijna elk ander bolwerk
van de moderne samenleving,
dook de destructieve invloed van charismatisch leiderschap
weer op in de vorm van de Goeroes:
predikers van zelfontplooiing
met plannen om snel verlicht te worden.
De ouderwetse pinksterbeweging bleef ook bestaan,
maar de leiders worstelden
om te voorkomen
dat de cultuuroorlogen
de Heilige Geest in hun greep kregen.