Ondanks de uitdaging om de oorsprong van Advent te achterhalen, zijn twee dingen historisch gezien duidelijk over de viering zelf. Ten eerste waren de weken voorafgaand aan Kerst, in tegenstelling tot de vastentijd; – een sobere periode van vasten, bezinning over het lijden van Christus – vol vreugde en feestelijkheid. Tijdens Advent keek de kerk terug om de incarnatie te vieren als de vervulling van Gods belofte om zijn volk te verlossen van zonde en de dood (Genesis 3:15). De kerk verheugde zich met de apostel Johannes: ‘Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond’ (Johannes 1). De diensten met Advent werden vaak afgesloten met de doop en benadrukten nieuw leven en de vereniging met de vleesgeworden Christus.
Wat echter vaak wordt verwaarloosd, is dat diensten tijdens Advent ook naar de toekomst keken. De term ‘advent’ (Latijn: adventus) is de vertaling van het Griekse woord parousia, een woord dat in het Nieuwe Testament altijd verwijst naar de wederkomst van de Messias. Advent ziet uit naar de uiteindelijke vervulling van alles wat Jezus’ incarnatie met Kerst in gang heeft gezet. Daarom concentreerden adventspreken zich, in plaats van op de geboorteverhalen in de evangeliën, vaak op eschatologische passages (zoals Lucas 21:25-36 en Matteüs 24:37-44) of op de triomfantelijke intocht (Matteüs 21:1-9) als een vreugdevolle verwachting van Jezus’ zegevierende wederkomst. Paus Leo I (400-461) herinnerde zijn gemeente eraan dat Kerst zowel terug als vooruit keek:
‘Omdat we dus geboren zijn voor het heden en herboren voor de toekomst, laten we ons niet overgeven aan tijdelijke goederen, maar aan eeuwige. En om onze hoop beter te kunnen aanschouwen, laten we nadenken over wat de Goddelijke Genade onze natuur heeft geschonken, juist op de dag dat we het mysterie van de geboortedag van de Heer vieren. Laten we luisteren naar de apostel, die zegt: “Want u bent gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God. Maar wanneer Christus, die uw leven is, verschijnt, dan zult ook u met Hem verschijnen in heerlijkheid”, die leeft en heerst met de Vader en de Heilige Geest, voor eeuwig en altijd.’
Liederen van de Wederkomst
Deze toekomstgerichtheid kwam niet alleen tot uiting in preken, maar ook in liederen. Misschien verwaarlozen we dan wellicht de toekomstgerichtheid van Advent in onze hedendaagse viering, waar thema’s als hoop, vreugde, vrede en liefde, de boventoon voeren. Maar het thema van Jezus’ wederkomst is, verbazingwekkend genoeg, diepgeworteld in onze favoriete kerstliederen. De geschiedenis belicht de rijkdom van de viering en verwachting van Advent. En een praktische manier om de diepe vreugde van deze toekomstgerichte tijd te hervinden, zou gewoon kunnen zijn te geloven wat we zingen.
Kijk bijvoorbeeld hoe Isaac Watts’ (1674–1748) ‘Joy to the World’ Jezus’ glorieuze wederkomst en zijn toekomstige koninkrijk viert waar zonde en verdriet niet meer bestaan (Openbaring 21:4):
Jubel het uit. De Heer is hier; ontvang het koningskind! Als redder van de aarde geeft Hij het leven waarde. Dus hemel en aarde, zingt!
Jubel het uit. De Heer regeert; wees blij, verhef je stem! Zing als de schepping juicht, aanbiddend voor Hem buigt een vreugdelied voor Hem!
Zijn koningschap zal eeuwig zijn, rechtvaardig en vol kracht! Laat ieder volk op aarde zijn heerlijkheid ervaren; de liefde die Hij bracht! (Opwekking 525)
En in de zesde eeuw ontstond een reeks van zeven adventsliederen, één voor elke dag van de week in de aanloop naar Kerst. Deze zogenaamde Grote Antifonen (of de “O”-antifonen) drukken elk het verlangen uit naar de wederkomst van de Messias:
Ontsluit, gij die de sleutel zijt, die opendoet en niemand sluit, het huis van dood en duisternis waarin uw volk gekluisterd is! O kom, ja, kom, Emmanuel! Verblijd uw volk, uw Israël!
Koning der volken, heers alom en, eerste van de aarde, kom! Gij hoeksteen, maak ons samen één, verzamel allen om u heen! O kom, ja, kom, Emmanuel! Verblijd uw volk, uw Israël! (gezang 125)
volkskerstzang in de zestiger jaren van de vorige eeuw
Juist in deze tijd worden er allerlei ‘kerst en adventsactiviteiten’ georganiseerd, uiteenlopend van klassieke concerten van ‘The Messiah’ tot een volkskerstzang. Zo’n volkskerstzang kan zich de laatste tijd weer op een groeiende populariteit rekenen. Waar komt het toch vandaan dat velen zich aangetrokken voelen tot het samen zingen van kerstliederen en ook andere bijeenkomsten met een sterke christelijke symboliek. De afgelopen tijd heb ik al uitgebreid geschreven over de ‘stille opwekking’; statistisch bewijs uit een onderzoek en anekdotisch bewijs van kerkleiders in het hele land, dat steeds meer jongeren (vooral jonge mannen) terugkeren naar de kerk.
Waarom komen ze? Wie weet? Of Zoals Nick Cave onlangs zei: ‘Mensen hebben behoefte aan betekenis en de seculiere wereld heeft die niet kunnen bieden.’ Mensen beginnen om allerlei redenen naar de kerk te komen; sommige goed, sommige slecht. Maar onze taak in de kerk is niet om ons zorgen te maken over waarom ze komen, maar om hen die komen te begeleiden op de christelijke weg, ongeacht hun achtergrond.
Er is een verhaal in de evangeliën (Lucas 19:1-10) over een tollenaar: een man die alom gehaat werd als collaborateur van het Romeinse rijk, die zijn eigen volk had verraden en bedrogen; die uit nieuwsgierigheid in een boom klimt om te zien wie Jezus is. Nee, hij legt geen belijdenis van zijn geloof af en zijn motieven zijn verre van duidelijk. Toch toont hij enige nieuwsgierigheid, voelt hij dat er iets ontbreekt in zijn leven en komt hij opdagen. En iedereen verwacht dat Jezus zich bij de algemene veroordeling zal voegen: je hebt hier geen recht, ga weg, bekeer je eerst voordat je ook maar in mijn buurt komt.
Maar Jezus doet dat niet. Hij nodigt zichzelf uit om naar het huis van de tollenaar te komen en er begint iets vreemds te gebeuren. Zacheüs (want zo heet hij) begint te veranderen. Hij begint te geven in plaats van te nemen, hij geeft terug wat hij gestolen heeft.
In de kerk vinden we het over het algemeen prima dat mensen uit de middenklasse naar de kerk komen omdat ze willen dat hun kinderen naar de plaatselijke kerkelijke school gaan, of omdat ze een mooie gezinsdoop willen, of – zoals ook deze kerst waarschijnlijk zal gebeuren – omdat ze graag een paar kerstliedjes zingen, zelfs als ze niet van plan zijn om na afloop in de kerk te blijven. We verwelkomen hen ondanks hun gebrek aan begrip, hun gedrag dat in hun gebruik van geld en privileges verre van christelijk kan zijn. In het beste geval zien we het als een kans om met hen in contact te komen en hen hopelijk te leiden naar een dieper geloofsleven.
Toch worden we nerveus als minder verfijnde mensen naar de kerk komen en de naam van Jezus gebruiken met even duistere motieven; misschien alleen maar om te klagen over het verdwijnen van het christelijk geloof uit het openbare leven, zelfs als ze dat geloof nog niet goed begrijpen.
Ik vraag me af: hoe zou een religieuze heropleving onder de arbeidersklasse eruit kunnen zien? Of misschien beter: hoe zou het kunnen beginnen? Zou het kunnen beginnen bij mensen die zich gemarginaliseerd en vergeten voelen door de politiek – zowel links als rechts – die op de een of andere manier het gevoel hebben dat er iets verloren gaat in hun culturele omgeving door de achteruitgang van het christendom en de vervanging ervan door een saaie, seculiere leegte, of in sommige buurten door een steeds zichtbaardere en onbekende aanwezigheid van moslims? Zou het kunnen beginnen met zulke mensen die denken dat ze naar de kerk moeten gaan om te herinneren en terug te winnen wat verloren gaat en om het geloof te verkennen dat ze vaag als het hunne voelen, ook al zijn ze er niet bekend mee en hebben ze er op dit moment een vrij simplistisch beeld van?
Er valt veel te bekritiseren op nationalistische benaderingen van het geloof. Net zoals er kritiek was op het gedrag en de denkwijze van Zacheüs. Maar Jezus’ eerste woord is geen veroordeling, maar genade.
Als de kerk haar werk goed doet, zal iedereen die haar serieus neemt leren zijn naasten lief te hebben; zelfs zijn moslimburen. Ze zullen leren bidden, een Bijbel te lezen die spreekt over het verwelkomen van vreemdelingen, zelfs over het liefhebben van vijanden. Ze zullen, daar ben ik van overtuigd, patriottisch blijven en wellicht vragen blijven stellen over het tempo en de omvang van de immigratie en de gevolgen daarvan voor de stabiliteit van hun eigen gemeenschappen, wat volkomen terecht is. Maar dat zal steeds meer gebeuren met een zekere mate van empathie en mededogen, waardoor de complexiteit van onze debatten over immigratie wordt bezien.
Soms wordt het christelijk geloof mogelijk cynisch gebruikt voor verdeeldheidzaaiende doeleinden. Motieven zijn wellicht menigmaal verre van zuiver.
Maar wat zou Jezus zeggen? Vooral tegen degenen die voelen dat er iets mis is en verlangen naar iets anders?
Tegen de tollenaar doet Jezus niet wat hem wordt opgedragen. Hij doet het onverwachte.
‘wie gelooft heeft hoop, punt’? Ten diepste is het waar, zeker. Maar laten we wel de duisternis onder ogen zien. Geloven is niet je ogen dicht doen. En daarnet gebruikte ik het woord hoop, dat klinkt nogal mooi en vrolijk. Hoop. Maar misschien is het woord verlangen toch wel beter op zijn plek vandaag. Verlangen, daar zit ‘lang’ in. En hoe lang duurt de winter wel niet inmiddels? Hoe lang zijn de dagen al donker? Er lijkt weinig veranderd te zijn sinds de dagen van Jesaja. Nog steeds (oorlogs)dreiging op allerlei plaatsen, nog steeds onrecht en armen die onderdrukt worden op aarde… Er lijkt ook weinig veranderd te zijn sinds de tijd van Jezus, het kind dat werd geboren, de zoon die werd gegeven. Ja, hij deed wonderen, hij stond op uit de dood. Maar nog steeds heerst de dood over alle andere mensen, en nog steeds zijn er zoveel zieken die op genezing wachten. Hoe lastig is het dan om te geloven dat met Jezus echt Gods licht in de wereld is gaan schijnen. En al geloof je in hem, al zie je in hem Gods gezicht, hoe lastig is het om echt uit verwachting te leven! Uitziend te leven, hoopvol in het leven te staan in plaats van moe en mat. Als je ziet hoe de wereld donker is, de kerk ook een stelletje kneuzen, als mensen om je heen God niet nodig hebben, en je eigen hart ook onverbeterlijk blijkt te zijn? Geloven is niet simpel, Het is soms ook leeg zijn en verlangen en voelen dat het lang duurt. Heel lang.
Geloven is een leven van verlangen. Uitzien naar voren, al duurde het soms lang. En gelukkig, soms mag je ook nu al iets merken van zijn licht en liefde.
En tegelijkertijd: Het is nog winter in de wereld. Soms zelfs een barre donkere winter. Je kunt zelf zo in het donker leven. Dan is geloven verlangen – lang, volhoudend wachten. Dan is het hopen, hoopvol leven door Gods Geest. En soms is het ook gewoon zuchten. De nacht duurt lang, de aarde is oud. Maar laat het donker de hoop niet doven. Laat het ons des te meer doen uitzien naar die beloofde dag. Gods grote lente, als het kind Koning zal zijn: Jezus, onze Heer!
Deze week is de eerste van vier weken die de kerk traditioneel viert als de adventstijd.; de tijd voor Kerst. Want met alle levende kerststallen en adventskalenders zou je het bijna gaan denken dat advent alleen over de geboorte van Jezus gaat. Voor christenen over de hele wereld zijn dit dagen van verwachting en voorbereiding. Het woord ‘advent’ stamt af van het Latijnse ‘adventus’, wat ‘komst’ betekent. Tijdens deze tijd bereiden christenen zich dus voor om de geboorte van Jezus Christus te vieren. December is sowieso al vaak een donkere maand, en in deze tijd zien velen de toestand in de wereld donker in. We hunkeren naar het licht en voor christenen breekt dat door als ze samen vieren dat Jezus als het Licht van de wereld ons bestaan binnenkomt. Door stil te staan bij Advent, verbinden we ons met een eeuwenoude traditie die ons voorbereidt op het kerstfeest. Advent nodigt je dus uit om in een hectische tijd ruimte te maken voor bezinning en verwachting.
Want – nogmaals – advent is veel meer dan alleen de stal van Bethlehem. Historisch gezien heeft de kerk zich evenzeer gericht op het vooruitzicht op de terugkeer van Jezus als op het vieren van zijn geboorte. Door de geschiedenis van advent te onderzoeken, ontdekken we de verwaarloosde betekenis van deze tijd.
Eerst Pasen
De vroegste kerk centreerde haar liturgische kalender rond Pasen. Sterker nog, er is weinig bewijs voor de viering van Jezus’ geboorte in de eerste twee eeuwen van de kerkgeschiedenis. Het Nieuwe Testament onthult immers weinig details over het tijdstip van Jezus’ geboorte. Van alle evangelieverhalen verwijst alleen Lucas naar een bepaalde tijd van het jaar: de lammertijd in de vroege winter, wanneer herders over hun kuddes moesten waken (Lucas 2:8).
Waarover de Bijbel zwijgt, deden de vroegchristelijke auteurs dat ook. Geboortevieringen worden niet genoemd in christelijke geschriften uit de eerste en tweede eeuw. De vroegste kerk concentreerde zich daarentegen op wat het Nieuwe Testament zeer gedetailleerd beschreef: de laatste dagen van Jezus de Messias. Om deze reden was de viering van Pasen ten tijde van het Joodse Pesach vanaf de vroegste dagen van de kerk het primaire aandachtspunt van de christelijke praktijk; een viering die Paulus suggereert in 1 Korintiërs 5:7-8.
Ondanks de afwezigheid van kerstviering was er tegen het einde van de tweede eeuw aanzienlijke belangstelling voor het vaststellen van een datum voor Jezus’ geboorte. Deze belangstelling weerspiegelt waarschijnlijk de apologetische nadruk die de kerk legde op Jezus’ fysieke geboorte, ondanks degenen die sceptisch stonden tegenover Zijn volledige menselijkheid. Hoewel er heftig werd gediscussieerd over mogelijke data, ontstond er begin vierde eeuw consensus over twee waarschijnlijke kandidaten: 25 december en 6 januari. Na verloop van tijd werd de eerste de traditionele kerstviering en de laatste de viering van Driekoningen.
Philipp Blom schreef een essay: ‘Het grote wereldtoneel, over de kracht van verbeelding in tijden van crisis’. Hij schetst de grote problemen van onze tijd: Het klimaat, democratie die uitgehold wordt… Hoe moet je daar samen uit komen? Blom gebruikt het beeld van een toneel, Op het podium van het wereldtoneel hebben we behoefte aan een nieuw verhaal, aan een nieuwe manier van samenleven.
Verbeelding dus, in tijden van crisis. Nu dat is precies wat de profeten in de Bijbel ook doen: De toekomst staat op het spel, maar zij dromen van een andere toekomst. Grote woorden gebruiken ze: Trouw en waarheid, gerechtigheid en vrede, solidariteit.
Advent is dromen. Dromen van de toekomst. De evangelist Lucas laat zijn kerstverhaal beginnen bij twee mensen Zacharias en Elisabeth die het dromen misschien wel verleerd zijn. Lucas vertelt dat de engel Gabriël de boodschap van God aan Zacharias doorgeeft: Het wonderlijke nieuws dat God op bezoek komt en dat Hij een kind schenkt aan Zacharias en Elisabeth dat de wegbereider voor dit bezoek zal zijn. Verwachten zij nog wat? Zacharias blijft hangen in zijn ongeloof. In zijn hart is geen ruimte voor de woorden van God. Hij had om een teken gevraagd. Dat tekent ontvangt hij nu: hij moet zwijgen. Het ongeloof verhindert dat hij de zegen van God mag doorgeven. Ongeloof verhindert een mens altijd om tot zegen te zijn.
Still uit The Great Dictator met Charlie Chaplin (1940)
Het einde van een dictator, kan – wanneer het komt – akelig, bruut en op film vastgelegd zijn.
Moammar (Mohammed al-) Qadhafi, zelfbenoemd Broeder Leider en Gids van de Revolutie, bracht de laatste momenten van zijn leven ineengedoken door in een Libisch riool na een luchtaanval op zijn konvooi. Toen hij werd ontdekt, onderwierp een menigte hem aan een aantal gruwelijke laatste mishandelingen voor zijn dood – het soort einde waartoe hij duizenden genadeloos had veroordeeld. Het was bijna bijbels en het werd vastgelegd met een beverige camera.
Maar het was niet het eerste in zijn soort in deze generatie. Op eerste kerstdag 1989 werd het misvormde gezicht van Nicolae Ceausescu op tv uitgezonden na zijn standrechtelijke executie door haastig verzamelde oppositietroepen in Roemenië. Slechts enkele dagen daarvoor was hij een onaantastbare dictator geweest.
Vladimir Poetin heeft gesproken over Qadafi’s einde, en dat verontrust hem duidelijk, maar misschien zit Ceausescu’s dood diep in zijn gedachten omdat het het bloedige einde was van alle communistische leiders in Oost-Europa.
Dictator zijn is een allesverslindende baan. Er worden onderweg te veel binnenlandse en buitenlandse vijanden gemaakt om de waakzaamheid te laten varen. En hun ondergang komt vaak door toedoen van degenen die het dichtst bij hen staan; deze mensen kennen de bewegingen en zwakheden van de dictator per definitie beter dan anderen en zijn het best geplaatst om die uit te buiten. Het leger moet uitgerust zijn om afwijkende meningen te onderdrukken, maar geef het te veel macht en de generaals vormen een risico voor de dictator. Maar als het leger niet over de juiste wapens beschikt, wordt de controle over de bevolking moeilijker. Veel dictators omringen zich met speciaal getrainde, loyale bewakers om zich tegen het leger te verdedigen, maar de terreurregel betekent dat niemand de eerlijke waarheid spreekt en dus overal risico’s dreigen. Geen wonder dat dictators meestal paranoïde zijn en zelf gekweld worden door de angst die een cultuur van grillig geweld bij hen oproept.
Deze en andere theorieën worden onderzocht door Marcel Dirsus in zijn boeiende boek How Tyrants Fall. Dirsus merkt op hoe dictators geld, wapens en mensen nodig hebben om te overleven en hoe de elites om hen heen geloven dat deze goederen zullen blijven bestaan. Ze moeten de omringende elites ook onderdompelen in bloedschuld, zodat hun lot verweven raakt met dat van de dictator; Saddam Hoessein dwong anderen om zich bij hem aan te sluiten in de moord en executie van tegenstanders.
Voor Dirsus zijn er twee manieren om een tiran omver te werpen. De meest directe is om ze uit te schakelen, maar dit is zelden eenvoudig. Pogingen tot staatsgreep zijn vaak chaotisch in hun planning en zelfs goed georkestreerde pogingen mislukken meestal; de gevolgen voor de betrokkenen zijn altijd verschrikkelijk. De tweede route is geduldig en pragmatisch, gericht op het verzwakken van de tiran, het versterken van alternatieve elites en het machtiger maken van de massa. Externe machten hebben vaak minimale invloed, tenzij, zoals de VS in Irak, het land wordt binnengevallen en de tiran wordt afgezet. Sancties zijn vaak niet effectief genoeg om de elite te raken; de geografische nabijheid van een staat tot het land van de tiran kan nuttig zijn, omdat het een basis biedt van waaruit tegenstanders van het regime kunnen werken.
Moderne technologie verandert het politieke handelen en maakt het voor grote groepen gemakkelijker om zich tegen regimes te mobiliseren, zoals te zien was in de kortstondige Arabische Lente. Het stelt dictators ook in staat om tegenstanders beter te volgen dan zelfs de gevreesde Stasi in Oost-Duitsland. Op dit moment lijkt het erop dat de tirannen een voorsprong hebben in dit spel.
Kort na de grootschalige Russische inval in Oekraïne in februari 2022 zei een vriend tegen me dat hij bad voor Poetins dood of ondergang. Ik vroeg hem hoe zeker hij ervan was dat de persoon die Poetin zou vervangen beter zou zijn. Als de pragmatische route om een dictator omver te werpen bestaat uit het versterken van verschillende elites en het machtiger maken van de massa, is de kans groot dat de elites het overnemen, niet de massa. Dictators staan nooit toe dat de onderdelen van de burgermaatschappij zich vormen; democratische instellingen hebben decennia nodig om op te bouwen. En ze benoemen zelden van tevoren opvolgers, uit angst dat er alternatieve machtsbases ontstaan. Wanneer dictators vallen, leidt dit meestal tot aanvankelijke chaos en geweld voordat een andere elite zich kan vestigen van waaruit een nieuwe dictator zal voortkomen.
In haar geïnspireerde lofzang op het nieuws dat ze de langverwachte Messias ter wereld zou brengen, merkt Maria op hoe God ‘de machtigen van hun tronen heeft gestoten en de nederigen heeft verheven’. Het is een omkering van rollen die typerend is voor Lucas, de het lied van Maria heeft opgetekend. Het is een soort van eschatologie die velen vandaag de dag willen verwezenlijken, niet alleen in de toekomstige wereld. Want wanneer de machtigen vandaag van hun troon worden gestoten, worden ze doorgaans vervangen door de op één na machtigste persoon. En als de troon vacant blijft of wordt betwist, voelt wat volgt vaak als de geest die uit een persoon in het evangelie van Mattheüs vertrok en terugkeert met zeven andere geesten die nog erger zijn dan hijzelf, wat betekent dat ‘de laatste staat van een persoon erger is dan de eerste’.
Dit hoeft geen wanhoopsgebed te zijn, maar een oproep tot een geïnformeerde voorbede, dat weinig sturend advies biedt voor Gods geopolitieke strategie, maar veel wijsheid en geduld van de ene Troon die standhoudt.
Oké, als rechtgeaarde protestant van het confessionele snit besteed ik misschien wel heel veel aandacht aan de nieuwe paus, maar dat heeft zeker zo een reden: er is momenteel namelijk heel veel onrust op het geopolitieke toneel. Er zijn veel tegenovergestelde belangen opgeblazen ego’s die hun plaats opeisen ten koste van de ander en van andere landen. En dan denk ik: misschien kan de nieuwe paus in deze situatie van spanningen een bemiddelende rol spelen? Hij heeft daar immers al een voorbeeld van gegeven, met het faciliteren van een tête-à-tête tussen Trump en Zelensky.
Zo gingen mijn gedachten weer terug naar het eerste optreden van de pas geïnstalleerde paus: Je zag de imposante gevel van de Sint-Pieter, dat grote monument van Rooms-Katholieke autoriteit. Op het plein ervoor was een menigte van 200.000 mensen verzameld die zich uitstrekte zover het oog reikte. De wereldmedia keken vanaf de balkons op die menigte neer. En daartegenover stonden de rijkelijk versierde rode fluwelen stoelen klaar voor president als Zelensky, J.D. Vance, Trump, en de staatshoofden van andere talloze landen in Europa en ver daarbuiten.
En ik dacht aan de nieuw aan te treden paus, Robert Prevost; hij stond op het punt door deze deuren te stappen. Een man die in 2015 tot bisschop werd benoemd, pas twee jaar geleden kardinaal werd en nu in de aandacht stond van deze enorme menigte en miljoenen anderen op tv, als dé spirituele leider van 1,4 miljard katholieken, die binnen een paar weken van relatieve onbekendheid naar de beroemdste man ter wereld was gekatapulteerd. Volgens mij moet je dan wel iemand zijn met een opmerkelijke nederigheid; om dit allemaal niet naar je hoofd te laten stijgen.
De Sint-Pieter is ontworpen om indruk te maken. Het plein voor de kerk is omringd door imposante beelden van apostelen, heiligen, martelaren en kerkvaders, die allemaal neerkijken op de gebeurtenissen beneden. Het was precies déze kerk die onbedoeld de Reformatie in gang zette, toen een fondsenwervingsactie voor de bouw gepaard ging met de verkoop van aflaten in onder andere Duitsland, waar het Maarten Luthers woede opwekte. De voorgevel, met zijn hoge pilaren, grote ramen, weelderige balkons en rijke wandtapijten, kan niet anders maken dan je klein te voelen. Binnen is de ruimte énorm, met overal prachtige kunstwerken. Dit was een uiting van het pausdom uit de Renaissance, dat leidde naar de Contrareformatie, de zelfverzekerde barokke geest die de triomf van de Kerk over al haar vijanden aankondigde.
Een paus met een vleugje ijdelheid zou gevaarlijk zijn. Alles wijst op de macht van deze positie, de opvolger van Petrus, de leider van de grootste christelijke gemeenschap ter wereld, iemand die wereldwijd direct herkenbaar is, naar wie wereldleiders met de pet in de hand moeten komen. Geen wonder dat sommige pausen in het verleden politieke manipulators zijn geworden en met keizers en koningen wedijveren over wie de meeste macht heeft.
Maar tegenwoordig klinkt de Katholieke Kerk nederiger. Paus Franciscus zette de kerk op weg naar een lijn van ‘synodaliteit‘, waarbij hij andere stemmen uitnodigde in de discussies binnen de kerk dan alleen mannelijke priesters. Paus Leo lijkt die lijn te willen doortrekken.
Verwijzend naar zijn verkiezing zei hij:
‘Ik ben uitgekozen zonder enige verdienste van mijzelf, en nu kom ik, met vrees en beven, naar u toe als een broeder, die de dienaar van uw geloof en uw vreugde wil zijn, en met u wil wandelen op het pad van Gods liefde.’
De toon was er niet één van zelfverheerlijking, van het benadrukken van de macht van de positie. Er was geen strategie om de kerk en de wereld fundamenteel te veranderen. Er was geen groots plan om de machtsmiddelen te gebruiken om de maatschappij naar zijn visie vorm te geven. In plaats daarvan ging het erom een ongrijpbare en oncontroleerbare kracht te ontketenen: de kracht van zelfopofferend mededogen.
Of zoals paus Leo het zelf verwoordde:
‘Het ambt van Petrus wordt juist gekenmerkt door zelfopofferende liefde, van de Kerk van Rome die haar ware gezag vindt in de naastenliefde van Christus. Het gaat er nooit om anderen te veroveren met geweld, religieuze propaganda of macht. In plaats daarvan gaat het altijd en alleen om liefhebben zoals Jezus deed.’
Dat is anders dan de manier waarop pausen in het verleden soms spraken. De Kerk heeft geen andere macht dan de macht van de liefde – het soort zelfopoffering die we zien in het leven van Christus. De huidige paus vindt haar ware gezag in naastenliefde. Een beetje anders dan sommige andere presidenten die ik me kan herinneren.
Toegegeven, we weten nog niet veel over hem, maar Robert Prevost komt op me over als een nederig man. Iemand die een plek aan Harvard Law School aan zich voorbij liet gaan om in plaats daarvan twintig jaar lang de armste gemeenschappen in Peru te dienen, slapend op de vloer van hutten, reizend op ezels naar afgelegen dorpen, onopgemerkt en onbekend. Dat getuigt van een duidelijk gebrek aan eigenbelang. Je solliciteert niet naar het pausschap, je kandidatuur aankondigend, je opwerkend in de gelederen, je verdiensten bepleitend tegenover de kiezers. In plaats daarvan ga je gewoon door met wat je doet, en als de roep komt, geef je er gehoor aan.
Als paus Leo zal hij die nederigheid nodig hebben wanneer hij deze rol de rest van zijn leven op zich neemt. Hij zal die nodig hebben om de subtiele verleiding van de eerbied die anderen hem betonen te weerstaan, de bewondering die hij zal ontvangen waar hij ook gaat, de gebouwen waarin hij woont, de pracht van de pausen die hem voorgingen, de manier waarop mensen aan zijn lippen zullen hangen. De verleiding om te denken dat Robert Prevost toch een enorme vis is, iemand wiens talenten hem tot dit punt hebben gebracht, zal groot zijn.
Maar als hij onverhoeds toch aan die verleiding toegeeft, zal hij terugvallen in de alledaagse gang van zaken in de wereld, en heersen over degenen die hij onder zijn hoede heeft. Maar hij lijkt zich terdege bewust van de gevaarlijke aard van zo’n positie. ‘Wie er ook geroepen is om de opvolger van Petrus te zijn’, zei hij, ‘moest toezicht uitoefenen zonder ooit toe te geven aan de verleiding om een autocraat te zijn, heersend over degenen die aan hem zijn toevertrouwd. Integendeel, hij is geroepen om het geloof van zijn broeders en zusters te dienen en naast hen te staan.’
Het was toch Jezus die zei:
‘Jullie weten dat de volken onderdrukt worden door hun eigen heersers en dat hun leiders hun macht misbruiken. Zo mag het bij jullie niet gaan. Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, moet dienaar van de anderen zijn’ (Lucas 10,42-43)
Andere presidenten, premiers en patriarchen zouden daar een voorbeeld aan kunnen nemen.
Voorbij het lawaai de alledaagse onrust klinkt een zacht, constant suizen. Is dit het voorzichtige geluid van een stille opwekking?
‘Er kwamen vanochtend voor het eerst meer jonge mannen naar de kerk.’
‘Plotseling zitten onze kerkbanken vol met twintigers.’
‘Er komt een nieuw gezin op zondag. Hun tienerdochter sleept hen mee.’
Pardon? Dit zijn berichten die ik bijna niet kan geloven.
Want de afgelopen jaren werd de waarschuwing gehoord: het westers christendom krimpt! En de gesprekken die er dan over werden gevoerd werden gekleurd met een ondertoon van verwarring en onzekerheid. Het geluid werd zelfs zo sterk dat we zelf er ook in begonnen te geloven.
En nu wijzen cijfers uit dat er sprake is van een voorzichtige groei van het kerkbezoek.
De cijfers van een recentelijk Brits onderzoek ondersteunen – en later geflankeerd door Nederlands onderzoek dat zelfs de landelijke media haalde – de toename van kerkbetrokkenheid in de afgelopen jaren, met name onder jonge mannen. Het getuigt van een voorzichtig groeiende kerk, de toegenomen positieve impact ervan in gemeenschappen en spirituele openheid onder jongeren. Dus ook in Nederland zie en hoor je van hernieuwde en nieuwe belangstelling voor het christelijk geloof. Het schetst een beeld van een multi-etnische en multi-generationele kerk die transformeert, samen met een voortdurend veranderend cultureel landschap. En dat het allemaal erg spannend. Welke kant gaat het op en wat beklijft?
Het Britse rapport signaleert een algemene toename van mensen die minstens één keer per maand naar de kerk gaan en zichzelf christen noemen, van 8 naar 12 procent. Het laat een radicale verschuiving zien onder jongvolwassenen tussen de 18 en 24 jaar, allemaal binnen de Generatie Z, die vaker aan deze definitie van kerkgangers voldoen dan welke andere generatie dan ook, met uitzondering van degenen boven de 65. Een verdere omkering van de normen is dat het onderzoek mannen vaker naar de kerk brengt dan vrouwen, in de meeste leeftijdsgroepen, maar vooral onder mensen onder de 35. Cruciaal in het rapport is dat het hier niet gaat om ‘jonge mannen die lid worden terwijl jonge vrouwen vertrekken’, maar om een gezamenlijke toename van kerkbezoek.
Het lijkt erop dat het christendom misschien wel cool wordt gevonden.
Generatie Z gelooft het vaakst in God en bidt regelmatig. Iets minder dan twee derde zou het fijn vinden als een christelijke vriend voor hen bidt, en 47 procent van de niet-kerkgaande Generatie Z vindt het goed dat christenen met niet-christenen over hun geloof praten. Dit duidt op een verschuiving van het toeschrijven van groei aan de invloed van culturele commentatoren of mediapersoonlijkheden, naar zelfverzekerde lokale christenen die hun geloof delen met vrienden. Maar in plaats van te worden aangespoord door influencers en intellectuelen, komt de grootste impact voort uit relaties en persoonlijke uitnodigingen. Journalist Tijs van den Brink laat in het Nederlands Dagblad optekenen: ‘Bereid je als kerk voor op een toestroom van nieuwe gelovigen’ Hij is niet verbaasd dat steeds meer jongeren belangstelling tonen voor het christelijk geloof. In zijn programma’s ziet hij signalen van een kentering. Jongeren die zich via sociale media tot het geloof bekeren of daar openlijk over praten. Hardstyle-dj Sefa voelt zich net zo thuis op het festival Defqon.1 als in de Gereformeerde Gemeente. Hij is op zoek naar zijn plek in de muziekwereld als jonge gelovige. ‘Zondagsrust is het mooiste wat er is.’ zegt ie.
Deze opmerkelijke openheid voor religie en ervaringsgerichte spiritualiteit onder Generatie Z is echter niet niet langer een anekdotische curiositeit; dit is echte, gedocumenteerde groei die wordt getoond in een opkomende spirituele generatie, ontvangen door een culturele sfeer die steeds meer openstaat voor geloof.
Naar de kerk gaan is goed voor je. In een tijdperk van zelfhulpfenomenen positioneert de kerk zich als tegengif tegen een gefragmenteerd sociaal leven en psychische crises. Kerkgangers van alle leeftijden zijn vaker gelukkig, hebben meer hoop voor de toekomst en geloven dat hun leven zinvol is dan niet-kerkgangers, en zeggen minder vaak dat ze zich angstig of depressief voelen. Cruciaal is dat deze bevindingen ook gelden voor jonge kerkgangers, wat een extra reden is voor hun kerkbezoek. Simpelweg: het maakt ze gelukkiger.
Het is dé oplossing voor een generatie – met name jonge mannen – die het digitale omringd is, maar sociaal geïsoleerd. Kerkbezoek leidt tot een betere verbinding met mensen in de bredere gemeenschap, waarbij bijna twee derde van de 18- tot 34-jarigen zich verbonden voelt met mensen in hun buurt, vergeleken met slechts een kwart van hun niet-kerkbezoekende leeftijdsgenoten. Als we specifiek kijken naar jonge mannen in de kerk, loopt dit percentage op tot 68 procent, wat kerken een ongelooflijke kans biedt om de eenzaamheidsepidemie te doorbreken.
‘Het verschil is verbluffend’, tekent het rapport op. ‘Het schetst een beeld van jongvolwassenen die een diep gevoel van zingeving en levenstevredenheid hebben gevonden door regelmatig naar de kerk te gaan, die zich verbonden voelen met hun gemeenschap en – in de gegevens die we hebben verzameld over hun sociale activiteiten – ook graag iets terugdoen voor hun lokale gemeenschap. Dit is niet het beeld dat we doorgaans van jongvolwassenen in de media zien, maar het is wel een krachtig beeld.
Naar de kerk gaan is niet alleen goed voor jezelf, maar ook voor je gemeenschap. De diepste bemoediging schuilt misschien wel in de blik die het biedt op een christendom dat geloof in actie uitstraalt. Het onderzoek laat een beeld zien van kerkgangers die niet alleen bezorgd zijn om hun eigen welzijn, maar ook het leven van anderen willen verbeteren – 78 procent van alle kerkgangers is het erover eens dat het belangrijk is om een verschil te maken in de wereld.
Vooral de jongere generaties van de kerken die verlangen naar sociale verandering, hebben vertrouwen en investeren in het bewerkstelligen van positieve verandering, en voelen zich verantwoordelijk om bij te dragen aan hun gemeenschap. Daden zoals regelmatig doneren aan een goed doel, een lokale voedselbank steunen en deelnemen aan activiteiten ter verbetering van het milieu worden gezien als de gevolgen van christelijk geloof in actie. Het geeft de gevolgen aan van kerkgang door een diepe belichaming van Gods liefde en het doorgeven van deze liefde aan anderen.
‘Dit zijn de indicatoren of je een ware gelovige bent of niet’, wordt eraan toegevoegd, waarbij bemoediging uit bevindingen worden gedeeld. Het gaat er niet om of je naar de kerk gaat of de liederen zingt. Jezus legt uit hoe je kunt weten of je in het Koninkrijk bent of niet: ‘Ik had honger en jullie gaven me te eten, ik had dorst en jullie gaven me te drinken.’
Nu we de cijfers hebben, blijven er vragen over. Hoe kunnen we reageren? Waar leidt dit toe? Zijn we getuige van de dood van het traditionele christendom? En dus? Zeggen dat de bevindingen de kerk hebben verrast, is misschien een understatement. We leven in tijden van politieke onrust. Religie en zo’n beetje alles wordt als wapen gebruikt. De armoedekloof neemt toe, en niet alleen in materiële armoede.
De realiteit is dat we allemaal een rol te spelen hebben. Het rapport is inclusief in zijn aanpak en aanbevelingen. De eerste oproep is om de omvang en impact van kerkgangers meer te erkennen, iets wat kan worden overgenomen door sociale influencers en besluitvormers. Er zijn ook aanbevelingen die meer gericht op mensen binnen de kerk: om discipelschap en Bijbelonderwijs prioriteit te geven, er moet nadruk gelegd worden op het opbouwen van interpersoonlijke relaties.
Laten we echter dit mooie nieuws ook met een korreltje zout nemen; nuchter blijven en niet meteen té euforisch worden. Want de populariteit van het christendom is de afgelopen tweeduizend jaar vaker toegenomen én ook weer afgenomen. Er zijn altijd tijden geweest dat het de snoepje van de maand – of van de eeuw – was, zoals toen het zo’n 300 jaar na Jezus de officiële religie van het Romeinse Rijk begon te worden.
Maar populariteit brengt ook gevaren met zich mee. Wanneer de aantrekkelijkheid van het christendom bekoeld is, heeft het de neiging zijn ziel te verliezen, zijn radicale aard verwaterd zeker door de mensen die zich tot het kruis trokken als een soort modeaccessoire. Op sommige momenten is het geslonken tot een paar dappere zielen die de neergang trotseerden, zoals de elf angstige discipelen die in Jeruzalem bijeenkwamen na de executie van Jezus. Of tot een groepje stoere, ruige christenen dat maar blééf bidden tijdens jaren van vervolging en vaak hun geloof met hun leven moesten bekopen.
Ook zijn de waarheidsaanspraken van het christendom vaak niet populair. Maar voor ons christenen blijft ons geloof waar, of mensen het nu geloven of niet. Dus het feit dat er nu meer mensen geloven dan een paar jaar geleden, maakt het christelijk geloof niet meer of minder waar.
Eerlijk gezegd heb ik die voorspellingen over de ondergang van de kerk toch nooit al te serieus genomen. Daarom ben ik ook niet iemand die meteen de slingers ophangt als de voorspellingen voor het christendom nu positief uitpakken.
Ik denk dat zij die geloven in Jezus, een beetje sceptisch moeten zijn over onderzoeken en statistieken. Getalsmatige projecties en kansberekening zijn nuttig om maatschappelijke trends te ontdekken, maar ze hebben weinig invloed op waarheidsvragen. Statistische analyses van wat er doorgaans met overledenen gebeurt, zouden de opstanding immers nooit hebben kunnen voorspellen.
De aantrekkingskracht van het christelijk geloof is juist dat het niet gebaseerd is op hoeveel mensen erin geloven. Het draait om een gebeurtenis waarbij het eeuwige tijdelijk werd, waarbij God de menselijke geschiedenis binnentrad in de gedaante van een rabbi uit Galilea. Het overstijgt daarom tijd en ruimte, opiniepeilingen en enquêtes. Het geeft een vertrouwen dat niet geworteld is in de wisselende stemming van de publieke opinie, die het ene moment op en het andere moment weer neer gaat, maar juist iets blijvends, permanents en betrouwbaars.
Wees dus blij, als je dat wilt, met het vooruitzicht op een komende, hernieuwde golf van geloof. Maar laat je niet misleiden door te denken dat dit iets bewijst. Zoals Jezus ooit zei: ‘Verheug je er niet over dat de geesten zich aan je onderwerpen, maar verheug je dat je namen in de hemel geschreven staan.’ (Lucas 10: 20)
En toch…. Voorbij het lawaai van twijfel en onzekerheid over het christendom resoneert een zacht, laag en constant gezoem. Het eist niets; het deelt. Het overstemt anderen niet; het luistert. Het houdt niets achter; het nodigt uit. Het waardeert daden boven woorden. Is dit het geluid van een stille opwekking?