de titel van de post is gebaseerd op de titel van het nummer Imagine van John Lennon uit 1971 

 

Er heerst al een tijdje een gevoel van crisis in Europa.
Je voelt het. Europese landen herbewapenen zich,
terwijl Amerika de financiële kraan dichtdraait.
Ze worstelen om de migratiestromen te beheersen.
En jongeren – maar zij niet alleen –
verliezen hun vertrouwen in de democratie.

Toch is dit niet in de eerste plaats een economische crisis,
of zelfs een politieke of een identiteit of etnische.
Het is eerder een spirituele crisis.
En als je er met deze bril op naar kijkt,
zie je overal de tekenen ervan.

Zoals afgelopen zomer
toen Mette Frederiksen, de premier van Denemarken,
een nationale militaire opbouw aankondigde,
met hogere defensie-uitgaven, herinvoering van de dienstplicht, et cetera.
Deze maatregelen zijn allemaal aangewakkerd
door de algemene Noord-Europese angst
voor het expansionistische Rusland.
Kort daarna sprak ze een groep studenten
van de Universiteit van Aalborg toe
waar ze iedereen verraste door te zeggen:

‘We zullen een vorm van herbewapening nodig hebben
die net zo belangrijk is (als de militaire). Dat is de spirituele.’

Ze sprak over het onderscheidingsvermogen
dat nodig is om waarheid van onwaarheid
te onderscheiden in een wereld
waar die twee moeilijk te onderscheiden zijn
en ze impliceerde dat dit spirituele wijsheid vereist,
niet meer technologie.
Herinvoering van de dienstplicht is één ding,
maar mensen overtuigen om te vechten
en zelfs te sterven voor wat dan ook is iets anders.
Deze problemen zijn niet uniek voor Denemarken.
Waarom zou Generatie Z vechten
voor een economisch systeem
dat niet in hun voordeel lijkt te werken,
hen geen uitzicht biedt
op een eigen huis of een vaste baan,
en weinig te bieden heeft
om tot heldendom te inspireren?
John Lennon stelde zich een wereld voor
met ‘niets om voor te doden of te sterven’.
Maar als er niets is waar je voor zou willen sterven,
is er waarschijnlijk ook niet veel om voor te leven.

De oproep van Frederiksen
is slechts één teken van de spirituele crisis in Europa.
Een ander is de opkomst
van wat soms ‘christelijk nationalisme’ wordt genoemd.
Elites mogen dan neerkijken
op de geuzenvlaggen die wapperen tijdens populistische marsen,
maar dit zijn de zichtbare tekenen van grote groepen mensen
die het gevoel hebben dat niemand naar hen luistert
en die het verlies betreuren
van het culturele en breed christelijke kader
dat, in de herinnering van vorige generaties,
eeuwenlang het besturingssysteem
van het Nederlandse leven vormde.
Het verdwijnen ervan sinds de jaren zestig
en het gebrek aan iets om het te vervangen,
vormen een probleem.
Het ‘nieuwe atheïsme’ was een daad van cultureel vandalisme,
gericht op het vernietigen van het geloof,
maar zonder iets om het voor in de plaats te stellen.

Een andere is wat wel de Stille Opwekking wordt genoemd:
tekenen van hernieuwd kerkbezoek
onder (vooral) jonge mensen.
Oplevingen van religie vinden meestal plaats
wanneer een gemeenschap voelt
dat haar identiteit en voortbestaan worden bedreigd.
In zulke tijden keren mensen terug naar hun wortels,
naar beschikbare bronnen
van wijsheid en geruststelling.
Dit is nog geen algehele wending naar ‘de Kerk’,
maar het is veeleer een teken
van een verlangen
naar een spirituele betekenis,
naar iets heiligs,
iets dat niet voor geld te koop is
en een waarde heeft
die verder gaat dan wat wij eraan willen geven.

Dus, terug naar verrassende oproep
tot spirituele vernieuwing
van Mette Frederiksen,
in haar eigen land.
Denemarken is een van de meest seculiere landen van Europa,
Nee, Frederiksen staat niet bekend
als een regelmatige kerkganger
en haar sociaaldemocratische partij
is de afgelopen decennia
stond over het algemeen
lauw tegenover religie.
Toch was ze eerlijk genoeg
om het probleem te erkennen.
Als we onszelf decennialang hebben voorgehouden
dat de waarheid niet bestaat,
is het niet verwonderlijk
dat we het moeilijk vinden
om waarheid van onwaarheid te onderscheiden.
Wanneer we vol vertrouwen hebben verkondigd
dat de belangrijkste stem
om naar te luisteren
onze eigen verlangens zijn – ‘wees jezelf’ –
is het niet verwonderlijk
dat we geen idealen meer hebben
om ergens voor te leven of te sterven.
Jongeren gaan misschien de straat op
vanwege klimaatverandering of Palestina,
maar zijn ze bereid
hun leven te geven voor iets moois, iets heiligs,
dat dat alles te boven gaat,
zelfs als het hun beschaving
al generaties lang in stand houdt?

Waarschijnlijk niet.
En er is geen reden om te denken
dat Denemarken anders is
dan welk ander Europees land dan ook.
Hetzelfde geldt ongetwijfeld voor Nederland,
ook al zijn onze politici
niet zo scherpzinnig als Mette Frederiksen
in het signaleren van het probleem.

Dus waar is het antwoord te vinden?
Mette Frederiksen riep ‘de Kerk’ om een antwoord:

Ik geloof dat mensen steeds vaker de Kerk zullen opzoeken,
omdat die een natuurlijke gemeenschap
en een nationale basis biedt…
Als ik de Kerk was, zou ik nu denken:
hoe kunnen we zowel een spiritueel
als een fysiek raamwerk zijn
voor wat de Denen doormaken?

Maar daarin schuilt nu juist het probleem.
De Deense Kerk,
één van de lutherse kerken in Noord-Europa,
verkeert niet bepaald in een goede gezondheid:
70 procent van de bevolking is weliswaar geregistreerd lid van de kerk,
maar slechts 2,4 procent van hen
komt op zondag daadwerkelijk naar de kerk
– wat neerkomt op gemiddeld 30 bezoekers
in een lokale Deense lutherse kerk op zondag.

Filosoof John Gray
is vernietigend over de gevangenschap
van de westerse kerken in de tijdgeest.
Hij beschouwt ze als
een weerspiegeling van de verwarring
van de tijdgeest
in plaats van een coherent alternatief te bieden…
dit soort christendom
is een symptoom van de ziekte, geen geneesmiddel.’

Dat is misschien wel het probleem,
maar het is ook de kans.
Het christendom is de standaard spirituele traditie
van het Westen.
Niets dringt zo diep door in de Europese ziel als dit.
Anderen komen en gaan,
maar dit geloof zit in onze aderen,
in ons landschap, onze kunst en ons geheugen.
Keer op keer, vanaf de eerste eeuwen,
heeft het talloze mensen geïnspireerd
tot een leven van onbaatzuchtige toewijding.
Dat gebeurde toen het Byzantijnse rijk
verrees uit de ruïnes van het Romeinse Rijk,
toen een nieuwe middeleeuwse,
gekerstende beschaving ontstond
uit de ruïnes van de barbaarse veroveringen,
of tijdens de hervormingsbewegingen
van de zestiende en zeventiende eeuw,
of tijdens de missionaire bewegingen
van de negentiende eeuw.
Keer op keer is het een katalysator gebleken
voor wijsheid om de uitdagingen
van de crisis het hoofd te bieden,
voor individuele zelfopoffering,
culturele vernieuwing
en een doel dat verder gaat dan persoonlijke vervulling:
iets om voor te leven en te sterven.

En dat is nog steeds zo.
Je hoeft alleen maar terug te denken
aan de 21 Libische martelaren
– voornamelijk gewone Koptische christenen
uit een eenvoudig dorp
die in 2015 door ISIS werden gevangengenomen
en die een gruwelijke dood verkozen
in plaats van hun geloof
in de liefde van Christus te verloochenen,
om te laten zien
hoe het christelijk geloof 
iets biedt niet om voor te doden,
maar wel om voor te sterven.

Ik twijfel er niet aan
dat het christendom dat opnieuw kan bieden.
Niet als een terugkeer
naar iets uit het verleden,
maar in een nieuwe vorm
die trouw blijft aan zijn wortels,
maar op een manier
die er nieuw uitziet;
misschien nederiger, eenvoudiger, zuiverder.

Kunnen christenen,
zoals John Gray het verwoordde,
een coherent alternatief bieden
voor de verwarring van de tijdgeest
in plaats van er een flauwe afspiegeling van te zijn?

De toekomst,
niet alleen van het Europese christendom,
maar ook van Europa,
hangt er mogelijk van af.

 

In de aanloop naar de Amerikaanse presidentsverkiezingen
heb ik me wat meer verdiept in ‘toolbox’ 
van nationalisten en vooral populisten
Eén van de middelen waar vooral populistische politici gebruikmaken
is het middel van de zondebokideologie:
je framed een zaak die veel mensen bezighoudt,
je roept het uit tot ‘crisis’
en vervolgens probeer je een groep daarvoor
tot zondebok te maken.
In Nederland zie je bijvoorbeeld dat migranten
zo’n ‘status’ krijgen.

in Amerika zie je eenzelfde reflex:
J.D. Vance, de beoogd vice-president naast Donald Trump,
probeert dat bijvoorbeeld.
En daarbij tracht hij ook christelijke theologie
en christelijke waarden en normen
hiermee in verband te brengen.
Veel Amerikaanse politieke journalisten
moesten hun lezers een spoedcursus geven
in enkele van de meest controversiële ideeën in de moderne theologie.
In een recent artikel in Politico valt dat op
omdat het niet alleen een nietsvermoedend publiek kennis liet maken
met een filosoof, maar het hen (ons) ook vertelde
over de tegenstrijdige manieren waarop men die theoloog zou kunnen lezen.
En toch dwingen deze tegenstrijdigheden ons
om een moeilijkheid onder ogen te zien
waarmee iedereen die zich bezighoudt met democratisch debat te maken krijgt.

In het artikel wordt namelijk de impact van René Girards zondebokmechanisme
op Vance te onderzocht.
Daarmee wordt de invloed van Girards ideeën
in de intellectuele kringen rond J.D. Vance onderstreept.

Girard, een Amerikaans-Franse filosoof die in 2015 overleed,
wordt vooral herinnerd om zijn analyse
van de relatie tussen verlangen en conflict.
Girard stelt dat verlangen ‘memetisch’ is,
dat wil zeggen, het imiteert: ik wil wat ik zie dat anderen willen.
Dit leidt vanzelfsprekend tot conflict,
een conflict dat alleen kan worden opgelost door een zondebok.
Het identificeren van een zondebok, een out-group,
is een kracht die krachtig genoeg is om een gevoel
van solidariteit te creëren tussen degenen
die anders in conflict zouden zijn over gedeelde verlangens.

Politico liet zien hoe Vances lezing van Girard
zich zou kunnen verhouden tot Vances verdediging
van de valse suggestie van deze running mate
dat Haïtiaanse immigranten
de huisdieren van hun buren in Springfield, Ohio opeten.
Het ging zelfs zo ver om te suggereren dat
– in plaats van een verwerping van Girards analyse –
Vance begrepen zou kunnen worden
door het toepassen van een pragmatische lezing van Girard:

‘Hoewel Girard dat nooit ronduit heeft gezegd,
hebben sommige van zijn interpretatoren betoogd
dat Girards idee van de christelijke ethiek
– die in theorie een alternatief biedt
voor ritueel geweld als basis voor sociale cohesie –
in de praktijk niet kan dienen als basis voor een grote,
complexe en moderne samenleving.

Zondebok zijn is onvermijdelijk, gebruik het in je voordeel.
We kunnen niet precies weten
hoe deze of welke lezing van René Girard
dan ook een rol speelt in zijn politieke tactieken.
Wat we wel kunnen weten,
is dat Vances publieke fascinatie voor grote ideeën hem blootstelt
aan een beschuldiging waarop een gezonde democratie berust:
hypocrisie.

Daarentegen is er vaak een verrassende transparantie
in Trumps beroep op eigenbelang.
In juli sprak Trump een publiek toe en verklaarde:

‘Christenen, ga stemmen, alleen deze keer.
Jullie hoeven het niet meer te doen.
Nog vier jaar, weet je wat, het zal worden opgelost,
het zal goedkomen,
jullie hoeven niet meer te stemmen,
mijn mooie christenen.’

Hoezeer Vance en anderen ook proberen dit te veranderen,
er zit weinig ideologische inhoud,
geen substantie achter ‘Make America Great Again
voor zover Trump het vertelt.
Het is politiek op zijn meest transactioneel
en wat Trump zijn aanhangers biedt, mooi of niet,
is zo vaak een zondebok.
Trump is hier doorgaans vrij open over en,
hoe lelijk dit soort politiek ook is,
er zit een vreemd soort eerlijkheid in.
Maar Vance is anders.
Hij heeft ‘grote ideeën’.
En hoe vreemd u deze ideeën ook vindt,
en hoeveel spanning er ook lijkt te zijn
tussen zijn liefde voor René Girard
en zijn zondebok-zijn van Haïtiaanse immigranten,
democratie is beter voor die spanning.
Constructief democratisch debat is in zekere zin afhankelijk van hypocrisie.
Zonder hypocrisie zou democratie
niets meer zijn dan een onderhandeling over puur eigenbelang.

De eerste generaties christenen liepen tegen een soortgelijk probleem aan.
De wet waarvan ze geloofden dat ze die van God hadden gekregen,
toonde hun een visie voor het goede leven,
net zoals het alle manieren waarop ze tekortschoten onthulde.
Zoals de vroege kerkleider Paulus schreef:
door de wet komt de kennis van zonde.’
We kunnen eraan toevoegen
dat door politieke ideologie
of aspiratie de kennis van politieke hypocrisie komt.

Als Vance nooit publiekelijk de theorie van Girard had onderzocht,
als hij alleen maar een opportunist was geweest,
meer zoals Trump,
dan hadden we één middel minder gehad om hem ter verantwoording te roepen.
Elke politicus zal tekortschieten als hij wordt beoordeeld
op zijn publieke ideologische aspiraties.
En hoe meer ideologische aspiraties,
hoe groter de beschuldiging van hypocrisie.
Hypocrisie zal altijd worden aangetroffen
waar we mensen vinden die debatteren
en streven naar ideeën die perfecter zijn dan zijzelf.
Ik verdedig geen enkele individuele hypocrisie;
de inwoners van Springfield, Ohio en nieuwkomers in de VS
verdienen zoveel beter.
Hypocrisie is altijd teleurstellend,
maar minder teleurstellend dan de alternatieven:
ofwel een naakte jacht op eigenbelang
of een naïeve verwachting van ideologische zuiverheid.

De vraag voor ieder van ons in een democratie is
hoe we met hypocrisie kunnen leven,
het verwachten en tegelijkertijd meer verwachten
van degenen die ons in een openbaar ambt willen dienen.
En een moment van introspectie onthult dat het een last is
waarmee ieder van ons ook geconfronteerd wordt:
de schandelijke kloof
tussen mijn aspiraties voor mijn leven en de realiteit.
De vraag hoe we met deze hypocriete politici leven,
is eigenlijk de vraag hoe we met onszelf leven?

Daarmee keren we terug naar Girard.
Hij beweerde dat Jezus Christus
vrijwillig een doorzichtig onschuldige zondebok werd
en daarmee het mechanisme ondermijnde.
In het Politico-artikel wordt Vance als volgt geciteerd:

‘In Christus zien we onze pogingen om de schuld
en onze eigen tekortkomingen op een slachtoffer te schuiven
voor wat ze zijn:
een moreel falen, gewelddadig geprojecteerd op iemand anders.
Christus is de zondebok
die onze onvolkomenheden onthult
en ons dwingt om naar onze eigen tekortkomingen te kijken
in plaats van de schuld te geven
aan de door onze maatschappij gekozen slachtoffers.

De veeleisende logica van de kruisiging voorkomt
dat we zelfs de zondebokken van politici tot zondebok maken.

Maar Jezus’ dood is meer dan een belichaamde sociale kritiek.
Door naar ons toe te komen en te sterven
in de persoon van Jezus,
toonde God zijn liefde voor onvolmaakte mensen
die worstelen onder het gewicht van perfecte ideeën.
Hij kwam om het een thuis en de veiligheid te geven
die we allemaal wensen, vrij aangeboden aan hypocrieten.
Het punt van Christus’ dood is niet, althans in eerste instantie,
om mij te inspireren om anderen beter te behandelen.
Het is Gods onvoorwaardelijke aanbod
aan de gebroken en hypocriete,
als de gebroken en hypocriete,
niet zoals hij zou willen dat we zijn.

Paulus zegt het zo:
God bewijst zijn eigen liefde voor ons hierin:
toen wij nog zondaars waren, stierf Christus voor ons.
Ja, Gods genade is te dramatisch,
te sterk om ons niet te provoceren en ons op te roepen
om te veranderen,
maar zijn liefde komt tot ons vóór welke verandering dan ook.
Het komt tot ons zoals we zijn,
wij die onze hooivorken koesteren
en dat zelfingenomen gevoel
dat het allemaal de schuld van iemand anders is.

Als we de politiek instappen met het gevoel
dat dingen beter zouden kunnen,
kunnen we snel hypocriet worden.
Maar we mogen deze hypocrisie niet goedpraten;
we moeten onszelf en onze leiders ter verantwoording roepen.
En toch kunnen we dat dankbaar doen,
en dankbaar vastgehouden worden
door een God die voor hypocrieten op aarde kwam.

 

Zoeken met Google (of een andere zoekmachine) is prachtig.
Op elke vraag vind je wel een antwoord, goed of fout.
Het geeft uiteindelijk een schijnzekerheid, die wij mensen zo graag willen.
Liefst zo eenvoudig mogelijk trouwens, dat dan wel weer.

Zo heb ik heb eens nagedacht over de verleiding om de wijsheid van vragen
in te ruilen voor de schijnbare zekerheid van directe antwoorden,
zelfs foute antwoorden.
Want – zoals ik al schreef- het is een verleiding die,
in ons tijdperk van alles met één klik en het belang van beeld, alleen maar toeneemt.
Het is een verleiding waar ik over heb nagedacht
en me afvroeg of het begon
met die oude verleiding in de Hof van Eden.
Ik vroeg me af of die oorspronkelijke verleiding ons op een pad
van directe informatie maar ook van onuitputtelijke wijsheid had gezet.

Er schoot een gedachte door me heen:
wat als God Adam en Eva vertelde dat ze van elke boom mochten eten,
behalve van de boom van de kennis van goed en kwaad,
niet omdat hij wilde dat we onwetend of onschuldig zouden blijven,
maar omdat hij wist dat het te gemakkelijk voor ons was om van die boom te eten.
Hij wilde dat we zouden leven en zelf op zoek zouden gaan naar kennis en wijsheid.
Het eten van die boom zou de ervaring omzeilen,
er zou geen behoefte zijn om spieren van denken
en onderscheidingsvermogen te ontwikkelen.
En hij wilde dat we wijs zouden zijn,
om de wereld met hem te blijven creëren en verzorgen.
Toen die eerste uit de aarde getrokken mensen van de boom aten,
was het alsof wij, nog steeds afhankelijk van de aarde,
Kunstmatige Intelligentie vroegen om een essay voor ons te schrijven:
ja, we krijgen misschien wat we willen,
maar we hebben de ervaring van denken,
creëren en onderscheiden wat we te zeggen hebben, omzeild.

‘Tuurlijk, deze analogie kraakt als hij te ver wordt doorgetrokken,
maar hij blijft desondanks hangen.
Laat ik de Amerikaanse bioloog E.O. Wilson citeren:

We verdrinken in informatie, terwijl we hongeren naar wijsheid.
De wereld zal voortaan worden gerund door kunstmatige mensen
die in staat zijn om de juiste informatie op het juiste moment samen te stellen,
er kritisch over na te denken en verstandige keuzes te maken.’

Het eten van de boom van kennis van goed en kwaad,
of afhankelijk worden van kunstmatige intelligentie,
geeft ons informatie,
maar misschien niet het vermogen om te denken,
en niet de wijsheid om goede keuzes te maken.
God wil dat we wijs zijn.
Het Bijbelboek Jakobus zegt dat we om wijsheid kunnen vragen.
Het wordt ons niet onthouden; het is niet verborgen.
Het is overal, wachtend om aangeroepen te worden.

Het is nu zo makkelijk om antwoorden te vinden,
Google lost problemen op en geeft iedereen toegang tot informatie,
tenzij je je natuurlijk in een deel van de wereld bevindt
waar geen digitale toegang is.
Daar kun je niet zomaar een onlinevergadering bijwonen
of het antwoord vinden op een vraag die je hebt.
Dat offline zijn kun je soms zien als een levensgevende uitdaging:
het vergroot de behoefte aan relaties, vertrouwen en goede gesprekken.
Andere keren belemmert het de vooruitgang:
het betekent dat mensen geen toegang hebben tot banen,
of basiskennis over gezondheid,
of overheidsbeslissingen die hen aangaan.
Google heeft veranderd wie toegang heeft tot de wereld,
hoe we ermee omgaan, hoe we denken en leren.
Vroeger leerden mensen poëzie, nieuws en geschriften uit hun hoofd.
De drukpers veranderde dat:
woorden werden uit gedachten getrokken en op papier gedrukt.
Ons online bestaan heeft dat versneld:
ik hoef mijn geheugen niet op te rekken als ik dat niet wil:
ik kan digitaal vinden en opslaan wat ik nodig heb.
We hebben ons geheugen uitbesteed
en ik vraag me af of we ook ons
denk- en onderscheidingsvermogen uitbesteden.

Daarmee lopen we het risico om onszelf van onze relaties,
onze gemeenschappen en onze plekken te ontkoppelen.
We hoeven niet langer op elkaar te vertrouwen voor kennis en wijsheid;
we kunnen vertrouwen op anonieme digitale krachten
die profiteren van ons handelen.
We riskeren ook ons unieke vermogen om creatief te denken,
goede bronnen te onderscheiden,
diep en genuanceerd na te denken over een onderwerp kwijt te raken.
Als kunstmatige intelligentie leert van alles wat is geweest,
kan het alles met elkaar in verband brengen en misschien zelfs zaken inschatten,
maar het kan zich niet creatief voorstellen.
Het kan geen wijsheid weerspiegelen en spreken.

Ja, Google en kunstmatige intelligentie zijn zaken voor ons gemak.
En er was een gemak om te eten van de boom en zo kennis te vergaren.
Maar we worden niet geroepen tot gemak.
Ik denk dat we geroepen zijn om lief te hebben,
om voor onze buren te zorgen,
en deze dingen zijn noodzakelijkerwijs onhandig.
Zeker, digitale toegang tot informatie is een hulpmiddel, een hulpbron,
een geschenk dat velen van ons op veel manieren ten goede komt.
Maar het zou onze menselijkheid
gemakkelijk kunnen afstompen,
en een verleiding kunnen worden die het werk van echt leven omzeilt.
Er zijn geen digitale shortcuts
die het moeilijke werk voor de gemeenschap omzeilen,
geen AI-shortcut naar goed liefhebben,
net zoals er nooit een shortcut was
naar volledige kennis van goed en kwaad.
Als de informatie beschikbaar is met een ruk aan de boom,
een klik, een download, een verzoek aan kunstmatige intelligentie
dan ben ik benieuwd hoe ons vermogen om met vragen te zitten zal veranderen,
of we schoonheid of angst zullen voelen
omdat we niet alle antwoorden hebben,
of we ons vermogen om te onderscheiden zullen verliezen,
en om ‘geloof te hebben in wat we niet zien.’

Jezus roept ons op tot vragen, tot relaties, tot liefde,
niet tot antwoorden die gemakkelijk gevonden kunnen worden
maar nauwelijks ondervraagd.
Hij wist dat vragen, niet antwoorden,
vaak het beste antwoord op vragen waren.
Vragen om bij stil te staan, om als een spiegel voor te houden,
om te bewandelen als een pad naar wijsheid.
Hij stelde er veel.
Wie zeg je dat Ik ben?
Hoeveel broden heb je?
Heb je mij lief?
Wat wil je?
Waarom ben je bang?
De Bijbel vermeldt dat Jezus vragen stelde
en soms ook antwoorden gaf.
Maar het punt lijkt vaak de vraag zelf te zijn,
waardoor mensen eindeloze kansen krijgen
om hun veronderstellingen en hun oordelen in twijfel te trekken
en hun geloof te verdiepen en het persoonlijk te maken.
Door dit te doen, bood Jezus een pad
naar diepere en betekenisvollere kennis van God,
de wereld, anderen en onszelf.
En door vragen te stellen gaf hij mensen waardigheid,
luisterde hij aandachtig naar hen,
hield hij van hen en riep hij hen in zichzelf.

Zitten met vragen, met nieuwsgierigheid,
is denk ik een toegangspoort tot geloof en mysterie.
En we hebben metgezellen als we dit doen:
Jezus, vroege christelijke mystici, gebed, de psalmen, elkaar;
dit zijn allemaal plekken waar ik me tot wend om dieper te graven
in de kennis die voortkomt uit onwetendheid.
Leven met vragen en binnen het mysterie,
goed naar elkaar luisteren,
de taal van de ziel spreken in plaats van zekerheid,
kan moeilijk en ‘tegencultureel’ zijn.
Maar in een tijdperk waarin de toekomst steeds minder zeker wordt,
ondanks dat de hele wereld schijnbaar binnen handbereik is,
denk ik dat dit is waar onze hoop ligt.
Want ‘wat heeft het voor zin voor een mens om de hele wereld te winnen,
maar zijn ziel te verspelen?’

 

Al lange tijd speelt er een discussie over de vraag hoe wij als christenen
moeten omgaan met de sociale media en de moderne technologie.
Theoloog Ad de Bruijne bijvoorbeeld pleitte laatst in een krant ervoor
dat een christen X rigoureus moet afwijzen
omdat er veel misselijks gebeurt
zoals anti-feministische en anti-democratische roeptoeterij.
Daarin verschilt X niet trouwens niet bijster van het echte leven.
Maar er gebeurt zoveel meer op dat medium.
En dan – zoals De Bruijne doet – gelovigen een decreet opleggen
om niet op X te blijven, dat zou ik niet kunnen geven.
Ik blijf op X, zolang deze zich houdt
aan de Europese regelgeving voor social media.

Maar hoe wordt er over moderne technologie gedacht,
en daar komt sociale media natuurlijk ook in mee.
Martin Heidegger was een Duits filosoof en heeft interessante dingen gezegd
over de moderne technologie.
Hij stelt bijvoorbeeld dat moderne technologie niet bestaat uit neutrale gereedschappen
die voor goede of slechte doeleinden kunnen worden gebruikt,
en ook niet simpelweg een natuurlijke uitbreiding is van menselijke activiteit
die we al sinds de steentijd doen.
Moderne technologie heeft een technologische samenleving
en de leden van die samenleving gevormd,
zodat we alles in de natuurlijke wereld (inclusief wij zelf en onze buren)
positioneren als bronnen die kunnen worden ontgonnen.
Heidegger zag het technologische tijdperk waarin we leven
als ‘een manier van zijn’ en die onder alle technologie ligt
die ons leven vult en dat we als leden van een technologische samenleving zijn gevormd,
of je zou kunnen zeggen gedwongen wordt om te volgen,
om op een bepaalde manier te leven.
Deze ‘manier van zijn’, de essentie van technologie,
is om alles in de wereld primair te zien
als een verzameling gereedschappen en bronnen.

Maar als dit Heideggers diagnose van moderne technologie is,
wat kunnen we er dan aan doen?
Wat is Heideggers oplossing voor het probleem dat hij identificeerde?
Is er een manier om vrij te leven van dit ‘zijn’ van moderne technologie?

Voordat we echter bij die vraag komen,
moeten we ons eerst afvragen of het eigenlijk wel mogelijk is om iets te doen.
Want als Heideggers visie op moderne technologie juist is
en ons denken en zijn in de wereld zo gevormd zijn door de essentie van technologie,
dan zitten we misschien vast in een manier van denken
die ons gevormd heeft en die we niet kunnen veranderen.

Er zijn volgens mij zeker twee redenen waarom we het technologische probleem
dat Heidegger ons heeft onthuld, niet kunnen oplossen.

Ten eerste het probleem van gevangen zitten in een systeem
dat ons denken heeft gevormd:
hoe kunnen we ons een weg uit dit technologische tijdperk denken
als we al gevormd zijn door de manier waarop dat tijdperk in de wereld staat?
Als het technologische systeem zo totaliserend is
en de geesten van mensen in de samenleving zo krachtig heeft gevormd
als Heidegger suggereert,
lijkt het bijna onmogelijk om voorbij of om het systeem
heen te denken en er dus uit te breken.

Ten tweede is er het probleem van het gebruik van technologisch denken
om het probleem van technologisch denken op te lossen.
Dit tweede punt is een natuurlijke uitbreiding van het eerste:
binnen een technologische samenleving zal het het meest natuurlijk aanvoelen
om een reeks technieken of methoden te bedenken
die gebruikt kunnen worden om mensen te bevrijden
van het technologische tijdperk,
maar omdat het technieken zijn,
zouden ze niets anders doen dan de problemen van technologisch denken versterken.
Of om het anders te zeggen,
we hebben een nieuwe manier van denken en in de wereld staan nodig
die niet leidt tot zomaar een andere methode.
Een methode of techniek is simpelweg een technologie
van zelftransformatie, jezelf veranderen,
en houdt ons daarom gevangen in de technologische essentie.
Zelfhulpboeken zijn hiervan het meest voor de hand liggende voorbeeld.
Want het probleem van technologie ligt
in de verslaving aan methoden van denken en waarnemen.

Een voorgestelde oplossing van Heideggers is
om mensen uit te nodigen het verlangen te verwerpen
dat ze in zichzelf vinden om de natuurlijke wereld te dwingen
zich aan hun behoeften aan te passen.
Ten tweede, en op dezelfde manier,
om de wereld om zich heen uit te nodigen
zich aan de persoon te presenteren in plaats van voor de persoon.
Heideggers oplossing voor het probleem is
om leden van een technologische samenleving uit te nodigen
om vrijgevig te leven in plaats van naar de ‘echte’ wereld te grijpen.
De oplossing die hij biedt, ligt op het niveau van verlangen in plaats van activiteit.
De enige optie die Heidegger geeft is de diagnose,
die als hij een stapsgewijze oplossing zou bieden
voor dit probleem is het ‘omkaderen’,
je er van doordrongen weten van het feit dat je in dit tijdperk leeft.
Je kunt simpelweg geen technieken gebruiken
om de problemen van een technologisch tijdperk op te lossen.

Als christen vind ik veel in Heideggers analyse van ons technologische tijdperk erg overtuigend.
Ik begrijp instinctief zijn existentiële beschrijving van de essentie van moderne technologie
als ‘zijn’.
Wanneer ik mijn eigen gewoonten observeer en wanneer ik luister
naar de verhalen van de mensen om mij heen,
zie ik voorbeeld na voorbeeld van de technologie in ons leven
die ons traint om de ‘echte’ wereld te behandelen
als niets meer dan een hulpbron die geplunderd kan worden
voor onze behoeften en genoegens.

Ik denk dat Heidegger een echt inzicht geeft in
waarom we er tot nu toe niet in slagen
om ons gebruik van fossiele brandstoffen in te dammen,
ondanks de bijna wereldwijde consensus dat het een goed en juist iets zou zijn om te doen.
Als samenleving zijn we geconditioneerd om de natuur te zien
als niets meer dan een bron van brandstof die benut kan worden.
Onze maatschappelijke verslaving aan koolwaterstoffen
begint met de veronderstelling dat olie er is voor ons gebruik.
De mentaliteit van het ‘zijn in een technologisch tijdperk’ zou die aanname doen:
olie is er niet om voor zichzelf te zijn,
maar wordt in plaats daarvan in de inventaris geplaatst
als een nuttig en daarom waardevol product om te winnen en in te zetten.

Naast de natuurlijke hulpbronnen van de schepping waarin we leven,
zie ik Heideggers analyse aan het werk
in de houding van mensen ten opzichte van elkaar.
Het wordt steeds moeilijker om andere mensen niet te behandelen
als niets meer dan hulpbronnen die gebruikt of weggegooid kunnen worden,
afhankelijk van of ze hun doel vervullen of niet.
De ‘intentie’ van het algoritme van sociale media is
om elk van zijn gebruikers om te zetten in makers van content.
We worden aangemoedigd om te posten, te liken en te delen
en we merken vaak niet dat de content die we ‘creëren’ wijzelf zijn.
Sociale media veranderen de mensen die het gebruiken
in de content die het verkoopt,
wij zijn de hulpbron geworden die de machine aan het delven is.
En hoewel sociale media een duidelijk voorbeeld zijn
van mensen die weinig meer zijn dan hulpbronnen die geoogst kunnen worden,
beperken de effecten van deze technologische mindset zich niet tot de virtuele omgeving.

Ik denk dat een oplossing baat zou kunnen hebben
bij een diepere reflectie op de christelijke traditie:

Ten eerste is er binnen de christelijke traditie al lang sprake
van de erkenning van concurrerende krachten van discipelschap.
In het christelijke wereldbeeld is er geen neutrale ruimte van bestaan,
onze houdingen en verlangens worden altijd door het een of ander getraind.
In zijn brief aan de kerk in Rome zegt Paulus het zo:
‘U moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld,
maar u veranderen door uw gezindheid te vernieuwen,
om zo te ontdekken wat God wil en wat goed, volmaakt en Hem welgevallig is.’
Paulus vertelt ons dat ‘de wereld’, of in ons geval ‘de essentie van de moderne technologie’,
ons denken voortdurend in overeenstemming met haar trekt.
Maar Paulus wijst ons vervolgens op iets dat Heidegger niet kan,
de stem van buiten het systeem.
In het licht van een totaliserende en allesomvattende technologische samenleving
die alles bejubelt als een hulpbron die wacht om gebruikt te worden, is
heeft Heidegger geen andere hoop dan de wilskracht van het individu
om zichzelf te bevrijden van het systeem, omdat hij geen andere hoop heeft,
niets buiten het systeem.

Maar Paulus wijst ons daarentegen op God.
Een bron van transformatie en leven die niet is aangepast aan de wereld
en niet afhankelijk is van de wereld voor zijn bestaan,
maar die desondanks, door een daad van genade,
ervoor heeft gekozen om zichzelf te openbaren in de wereld ter wille van de wereld.
Hier vinden we een persoon door wie onze geest kan worden getransformeerd,
die ons kan bevrijden van de denkpatronen van deze wereld, die onze verlangens kan hervormen.

Dit is de gave van gebed, een ruimte om te zijn en God en de wereld te laten zijn.
Voor veel christenen is de ervaring van gebed
dat ze door pure inactiviteit en stilte (langzaam, soms onmerkbaar) worden getransformeerd.

Heidegger waarschuwde ons voor een aanzienlijke moeilijkheid
om onze weg te vinden uit de technologische mindset.
Suggereer ik dat we God veranderen in een methode om onze geest te transformeren,
zodat we kunnen ontsnappen aan de valkuilen van modern technologisch denken?
Ik hoop het niet.
Hoewel het zeker mogelijk is om te proberen gebed om te zetten
in een techniek om God te laten geven wat je wilt,
is dat niet wat ik hier suggereer.
Ik doel in plaats daarvan op het soort gebed dat Moeder Teresa beroemd beschreef
toen haar ooit in een interview werd gevraagd:
‘Wat zeg je als je bidt?’
Ze antwoordde: ‘Niets, ik luister alleen.’
De verslaggever vroeg toen: ‘Nou, wat zegt God dan tegen je?’
Waarop ze antwoordde: ‘Niets bijzonders, Hij luistert ook.’

Heeft de mens het eigen geluk in de hand?
Als christenen vieren we met Pasen vieren we dat Jezus Christus
ons heeft bevrijd door Zijn dood en opstanding.
Daarin let hij zij zien dat wij niet meer van alles hoeven te doen
om ons geluk te bewerkstelligen of bij God in een goed blaadje te komen.
Ons eigen geluk hoeven we niet meer na te jagen en te perfectioneren
omdat we mogen weten dat het echte geluk er al lang is.
En nog beter: we hoeven ons zelf niet waardevol te maken,
want we zijn al waardevol in de ogen van God.
Hoe zit het dan met die waarde van een mens? Maak je je eigen geluk?
Vanuit de cultuur waarin we leven,
waarin reclames eindigen met zinnen als ‘omdat je het waard bent’,
word je van alle kanten opgeroepen om die waarde veilig te stellen!
Dan zeggen we: ik ben waardevol. Het past naadloos in onze cultuur.
Of als christelijke variant, zeggen we dan:
ik ben zo kostbaar in Gods ogen
dat Hij zijn eigen Zoon stuurde om mij te redden.
Beide kloppen niet met het evangelie.
Jezus wil ons juist bevrijden van de gedachte dat de wereld om ons draait.
Jezus doet dat door Zijn wereld om ons te laten draaien. Dat is bijzonder.
Als er één is die het recht heeft om de wereld om zichzelf te laten draaien
en zichzelf in het middelpunt te zetten, is het Jezus wel.
De wereld is immers van Hem en Hij staat in het middelpunt.
Maar wat doet Jezus? Hij laat zijn wereld, zijn leven om ons draaien.
Zo laat Hij zien wat liefde is.
Hij offert zichzelf op om onze wereld draaiende te houden.
Zo wil Hij je bevrijden van die eindeloze gerichtheid op jezelf.

De Amerikaanse filosoof Michael Sandel schrijft met
zijn boek De tirannie van verdienste
één grote kritiek op het meritocratische ideaal dat hoogtij viert.
Een meritocratische ideaal kun je als volgt samenvatten:
Je sociaaleconomische positie wordt bepaald door je verdienste (merites).
Iedereen krijgt wat hij verdient. Gericht zijn alleen op jezelf.
Iedereen – ongeacht afkomst, huidskleur, geaardheid, gender –
kan succesvol zijn en stijgen op de sociaaleconomische ladder.
Als je maar je best doet en hard werkt.
Volgens Sandel is precies dit ideaal een gif
dat onze samenleving en onszelf ziek maakt:
Jij maakt je geluk!
Het gevolg van het heilig geloof in deze op verdienste
gebaseerde verdeling in de maatschappij,
is dat degenen die onderaan de sociale ladder staan
niet alleen (kans)arm zijn,
maar bovendien denken dat dit komt omdat ze gefaald hebben.
Andersom staan de rijken of succesvollen niet alleen boven de rest,
maar denken ze vooral ook dat ze hier recht op hebben:
jij hebt immers je eigen geluk gemaakt.
Ze hebben immers hard gewerkt om te komen waar ze nu zijn,
hebben op een goede universiteit gezeten
waar ze alleen maar terecht konden
omdat ze nu eenmaal beter konden leren dan anderen.
Kortom: je sociaaleconomische plaats in de maatschappij
is het gevolg van jouw eigen handelen
en daarmee volledig jouw eigen verantwoordelijkheid.
Sandel constateert dat het meritocratische ideaal vaak in feite niet werkt:
word je geboren in een arm gezin,
dan is de kans klein dat je zelf ooit rijker wordt dan je ouders.
Het geloof dat iedereen die over aanleg beschikt
en hard werkt kan opklimmen, strookt vaak niet met de feiten.

Wat beslissend voor jouw leven is je verhouding met Jezus.
Hij beslist jouw waarde.
Want Hij heeft alles in handen, Hij heeft de Geest zonder maat,
Hij spreekt, en zijn woorden zijn woorden van God en dus eeuwig leven. Alles draait om Hem.
Ga dus leven naar je waarde. Die ontvangen waarde.
Je bent waardevol geworden omdat Jezus zich arm betaalde!