In de afgelopen periode ben ik veel opgetrokken
met het evangelie naar Mattheüs.
Ik verdiepte me ook in de persoon van Mattheüs .
Een evangelist met een rafelrand.
Hij was ooit tollenaar van beroep.
Daar heeft hij bepaald geen vrienden mee gemaakt.
Het is hem waarschijnlijk nog lang blijven achtervolgen.
Hij heeft het zichzelf vast ook nog lang kwalijk genomen.
In de serie The Chosen (Prime Video), die gaat over het leven van Jezus,
neemt Mattheüs in de kring van Jezus’ leerlingen
een eenzame plek in in de marge.
Hij wordt door de andere leerlingen niet zomaar vertrouwd
en als het kan op afstand gehouden vanwege zijn bedenkelijke verleden.
Niet zo gek dat juist Mattheüs in zijn evangelie
Jezus een bijzondere naam geeft: ‘vriend van tollenaren en zondaren’.
Daar heeft Mattheüs zichzelf aan opgetrokken en vastgehouden.

Mattheüs vertelt ons in zijn evangelie
dat Jezus ook dat beeld van de werkelijkheid schetste.
Als een complex geheel waarin de dingen vermengd zijn en door elkaar liggen.
In Mattheüs 13 gebruikt Jezus het beeld van een boer
die tot de dag van de oogst tarwe en onkruid samen laat opgroeien.
Het is niet keurig uit elkaar te houden.
Voor je het weet trek je met het onkruid ook de tarwe uit de grond.
Je kunt je kennelijk zomaar vergissen in wat tarwe is en wat onkruid.
De boer moet dealen met beiden.
Het beeld blijft dus gemengd en rommelig.

In Mattheüs 5 lees ik over de ‘armen van geest’. (vers 3 in de HSV).
Dat zijn diegenen die het niet precies op een rijtje hebben.
Zij die het niet gemaakt hebben in het leven.
Iemand herschreef deze verzen eens als volgt:

Zalig zijn zij die mislukken, maar toch proberen.
we zijn een stille wanorde, ontregelde boel
we hebben het niet op een rijtje
we falen bij de vleet dat is een voldongen feit
vanuit hemels perspectief zijn we allemaal gelijk
geen verschil in behandeling tussen jou en mij
je anders denken en zondigen zet ik voor de goegemeente niet te kijk.

we zijn de kerk van brokkenpiloten
gezegend zijn zij die het verkloten
zalig zijn zij die proberen maar mislukken
Christus laat zich vinden te midden van brokstukken
niet om te oordelen maar om te redden
wat er te redden valt tussen schip en wal
we zijn onvolmaakt en verre van af

Ook in 1 Korintiërs 1 lees ik eenzelfde boodschap.
Ook hier vinden we geen keurig gepolijst beeld van geloof.
Paulus identificeert zichzelf en zijn medegelovigen met het beeld van een dwaas.
Het beeld van de dwaas kende men in Paulus’ dagen.
Hij speelde een belangrijke rol in het theater.
Hij werd daar stereotype uitgebeeld met fysieke lelijkheid en onnozelheid.
Bij voorkeur met een grote neus, grote flaporen en een kaal hoofd.

Wat verderop in dezelfde brief aan de Korintiërs
zet Paulus dat beeld van dwazen nog wat scherper aan.
‘Wij zijn het uitschot van de wereld, het uitvaagsel van de mensheid.’ (1 4,10)
Uitschot of schuim is volgens het woordenboek
‘dat wat afvalt na een sortering op kwaliteit.’
Een beetje als te kleine, magere visjes
die na de vangst weer worden teruggeworpen.
Onder de maat. Niks mee te beginnen.
Overboord ermee.
Uitvaagsel is wat je aan afval overhoudt na een grondige schoonmaak.
The Message van Eugene Peterson spreekt hier zelfs over de ‘Messiah’s misfits
en vertaalt uitschot en uitvaagsel met:
‘garbage, the leftovers that nobody wants.’

Dat dwaze heeft bij voor Paulus en de Korintiërs
natuurlijk alles te maken met het bizarre geloof
in een gekruisigde Jood als redder van de wereld.
Het dwaze zit ‘m ook in het gegeven
dat dat handjevol gelovigen in Korinthe
nou niet bepaald bestond uit de elite van de samenleving.
Laagopgeleid, niet veel invloed, geen grote namen.
Mensen uit de onderste laag van de samenleving,
het klootjesvolk zeg maar.
Maar dat dwaze zit ‘m voor een ander deel ook in het gedrag
dat Paulus ziet bij deze gelovigen.
Het is nogal een zooitje ongeregeld
waarin zaken spelen als seksuele losbandigheid, incestueuze affaires,
echtscheidingen, geruzie en jaloezie
ontaardend in escalerende beschamende rechtszaken,
haantjesgedrag, wettische scherpslijperij, afgoderij, jaloezie,
slordigheid in de samenkomsten zoals dronkenschap rond avondmaal.
Rommeligheid is hier echt een understatement.

En in deze brief komt dit allemaal ter sprake.
Niets wordt gladgestreken, geen rommel verdwijnt onder het tapijt.
En toch begint juist deze brief
aan deze specifieke rommelige gelovigen
met woorden van genade.
‘ Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus’ (1 1,3).
En ook het laatste woord van de brief is een genadewoord:
‘De genade van de Heer Jezus zij met u.
Mijn liefde gaat uit naar u allen, met wie ik verbonden ben in Christus Jezus.’ (1 16,23)

Als ik deze tekstgedeelten goed op me laat inwerken
kom ik deze rommeligheid ook in mij zelf tegen.
Het is de kloof tussen het ideale opgepoetste beeld van mijzelf als gelovige.
En de persoon die ik zie als ik eerlijk in de spiegel durf te kijken.
Een deel van mij wil omhoog, vooruit, groeien, beheersen, grip hebben.
En een ander deel struggelt met innerlijke leegte, angst en onvermogen.

Ik zie dat Mattheüs er nog maar net is begonnen aan zijn evangelie.
Hij schrijft het geslachtsregister van Jezus.
En ineens realiseer me dat die passage ook echt helemaal past
bij het beeld van zijn eerste werk.
Het laat zien hoe de geslachtslijn van de Messias door en door
is verweven met allerlei rommelige levens.
Dat geslachtsregister is opgebouwd rond Abraham,
David en de ballingschap. Abraham en David
mannen van God vol geloof en moed.
Maar tegelijk worden ook hun schaduwzijden zichtbaar.
En de ballingschap is het trieste dieptepunt
van het collectieve morele falen van een heel volk.
Er worden in dit geslachtsregister ook diverse vrouwen genoemd
die om verschillende redenen geen beste reputatie hadden.
Al speelden in al die gevallen ook mannen een bedenkelijke rol.
Tamar verleidde haar schoonvader, Rachab werkte als prostituee,
Batseba kreeg een buitenechtelijk kind, Ruth was geen Joodse.
Dit is een line-up van stuk voor stuk rommelige, rafelige levens.
Die desondanks of misschien wel juist daarom een plaatsje krijgen
in het geslachtsregister van Jezus.

Door de generaties heen is er een wonderlijke God
aan het werk die allerlei losse eindjes aan elkaar knoopt.
Een rode draad van genade die uitloopt op de man
die niet komt om ons te verlossen ván dit bestaan
maar verlossing wil brengen ín (!) dít leven.
Afdaalt in de rommel die wij er vaak van maken.
In de kerk als een verzameling misfits, brokkenpiloten.
Zoekende zielen met alle rommeligheid die daar bij hoort.
Hij verstrengelt Zich met mij. met Zijn Geest
ondanks alles toch ook in mij doet wonen.
En in mijn rommelige kleine leven weeft Hij zijn draden
van wijsheid, rechtvaardigheid, heiligheid en verlossing (1 1, 30)

 

Veel van onze evangelisatiebenaderingen gaan ervan uit

dat mensen vragen hebben over het christelijk geloof.

Maar hoe betrekken we mensen

die er in het geheel geen last van lijken te hebben?

Ik stel je voor aan Pim.

Hij is een van de moeilijkste mensen om een gesprek

over Jezus mee te beginnen.

Want Pim is niet anti, noch vijandig,

hij is gewoon volkomen ongeïnteresseerd in het geloof.

Pim was opgegroeid in een christelijk gezin,

maar was als tiener van zijn geloof afgestapt.

Nu wist hij niet wat hij geloofde, maar dat deerde hem niet.

Tijdens een gesprek, toen ik Jezus noemde, antwoordde Pim:

‘Kijk, God kan mij niets schelen’.

Ik deinsde een beetje achteruit

en hij vertelde verder:

‘Het leven is leuk! Ik heb de baan die ik wil, de auto die ik wil, de flat die ik wil,

de vrouw die ik wil. Waar komt God erbij, dan?”

Ik ken nog meer mensen zoals Pim en jij misschien ook.

Vrienden, collega’s, buren en zelfs familieleden,

die zich blijkbaar niets aantrekken van geestelijke zaken.

Als je met ze over geloof probeert te praten,

kan het voelen alsof je mist aan de muur probeert te spijkeren.

Uit een recent onderzoek bleek dat dit type persoon in aantal groeit.

Het lijkt erop dat steeds meer mensen het niets kunnen schelen:

nee, ze zijn geen atheïst, ze zijn ‘apatheïstisch‘.

Hoe bereiken we mensen zoals Pim?

Zoals ik al eerder aangaf:

veel van onze evangelisatiebenaderingen

gaan ervan uit dat mensen erom geven of vragen hebben.

Maar hoe betrekken we hen die er geen lijken te hebben?

Dit is waar een voorvraag enorm behulpzaam kan zijn.

Een vraag die zich afvraagt, is gebaseerd op,

het verschil tussen ergens naar kijken en ergens doorheen kijken.

In een essay van ruim honderd jaar geleden vraagt

schrijver F.W. Boreham ons een telescoop voor te stellen die bij een raam staat.

Nu kun je naar de telescoop kijken en de koperen fittingen bewonderen,

hoe goed hij is ontworpen, enzovoort.

Of je kunt naar de telescoop gaan, er doorheen kijken en aanschouwen!

Je zult verbazingwekkende dingen zien als je naar de nachtelijke hemel tuurt.

En dat verschil tussen kijken en dóórkijken

geldt ook voor veel van onze dagelijkse ervaringen.

Laat ik dit illustreren aan de hand van een gesprek dat enige tijd geleden plaatsvond

tussen de Canadese psycholoog Jordan Peterson (beroemd vaag over God)

en de Britse psycholoog en presentator Susan Blackmore.

Susan is atheïst, maar meer nog,

Susan zou zeggen dat ze letterlijk geen enkel nut in religieus geloof ziet.

Ze geeft gewoon niets om God.

Maar halverwege het gesprek merkte Susan op:

De afgelopen jaren heb ik de gewoonte gehad om ’s ochtends wakker te worden

(zelfs als het regent), naar buiten te kijken en

‘Wauw!’ te zeggen, als een gevoel van dankbaarheid.

Geen dankbaarheid tegenover God, of wie dan ook, of wat dan ook,

gewoon vrij zwevende dankbaarheid.’

Ze werkte het idee verder uit:

Vanochtend keek ik bijvoorbeeld naar buiten en het was zo groen,

we hebben vorst gehad en het was de afgelopen dagen wit,

maar vanochtend was het groen.

En [ik voelde] dankbaarheid jegens het universum, als je het een naam wil geven.

Het is niet echt ‘god’ omdat het geen schepper is,

maar het is ook niet iets waar ik voor kan bidden.’

Er is hier een voor de hand liggende vraag, en Jordan stelde die:

‘Dus waarom zou je daar dan dankbaarheid voor voelen?’

Waarop Susan reageerde met de onsterfelijke woorden: ‘Ik weet het niet.’

Ik denk dat Susan ermee worstelde dat als je denkt

dat we in een universum leven waar atomen de ultieme realiteit zijn,

waar de wetenschap alles kan verklaren

in termen van materiële processen, dankbaarheid niet past.

Maar als Susan haar slaapkamerraam opengooit, wil ze instinctief roepen:

‘Wauw! Bedankt!’

Misschien is het probleem dat Susan

naar de ervaring van dankbaarheid kijkt,

in plaats van er doorheen.

Waar zou dankbaarheid op kunnen wijzen als je er doorheen keek,

in plaats van alleen maar aan te nemen

dat het een paar synapsen waren die niet werkten?

Ik zou Susan graag willen vragen:

‘Heb je je ooit afgevraagd waarom dankbaarheid zoveel voor ons betekent?

Misschien ontbreekt het velen van ons niet aan dingen om dankbaar voor te zijn,

maar misschien ontbreekt het sommigen van ons

aan iemand om dankbaar voor te zijn?’

 

Een ander voorbeeld van een vraag komt van Michael,

die met een student aan het chatten was.

Toen die ontdekte dat Michael een christen was,

flapte de student eruit: ‘Ik houd niet van God!’

‘maar waar houd je dan wel van?’ vroeg Michael.

‘Liefde!’ antwoordde de leerling.

‘Dat is geweldig,’ antwoordde Michael.

‘Heb je je ooit afgevraagd wat liefde is?’

De student dacht even na voordat hij antwoordde:

‘Ik weet het niet zeker’.

‘Aangezien jij niet van God houdt,’ antwoordde Michael,

‘zullen we dan een biologische verklaring proberen.

Kunnen we zeggen dat liefde een chemische reactie is

die in onze hersenen is ontwikkeld,

om ons aangetrokken te voelen tot mensen

(meestal van het andere geslacht),

zodat we ons kunnen voortplanten

en het menselijk ras draaiende kunnen houden?’

‘Dat is een onzinverklaring!’

zei de studente.

Michael vroeg haar vervolgens of ze zich ooit had afgevraagd

waarom ze liefde zo belangrijk vond

en waarom, als ze echt een atheïst was,

een puur materialistisch antwoord niet genoeg was.

Bovendien, als we niet alleen naar liefde kijken

(‘Hoera, ik voel me liefdevol vandaag, mijn genen werken correct!’),

maar door de ervaring, zou het misschien zo kunnen zijn

dat liefde in de zin dat de meeste mensen

het woord gebruiken meer maakt zin

binnen een christelijke kijk op de wereld?

Met een verwonderende vraag is je doel:
· Zoek iets waar je vriend om geeft
· Wees geïnteresseerd en stel vragen
· Gebruik een verwonderende vraag om zachtjes het idee

te introduceren dat datgene waar je vriend om geeft

niet goed past in een goddeloze wereld
· Laat zien hoe Jezus dit het meest logisch maakt

 

Een ander voorbeeld:

Toen ik de Amnesty International-sticker

op de achterruit van de auto van Pim zag,

vonden we eindelijk een manier

om geestelijk gesprekken te voeren en vroeg ik:

‘Heb je je afgevraagd waarom je om gerechtigheid geeft?’

Daar heb je een opening…

En nee, hoewel ik er een nieuwe draai aan heb gegeven

dit is geen compleet nieuwe aanpak:

Paulus gebruikt het in Athene in Handelingen 17,16-34,

of zoals C.S. Lewis in eens zei:

‘Ik geloof in het christendom net zoals ik geloof in het opgaan van zon,

niet alleen omdat ik hem zie, maar omdat ik daardoor al het andere zie.’

 

Omdat het christendom licht werpt op al het andere,

is het stellen van geïnteresseerde vragen over datgene waar mensen om geven

een mooie, zachte en krachtige stap naar gesprekken over het evangelie.

 

‘Geloof is louter bijgeloof’
zo wordt het geloof door het atheïsme vaak karikaturaal beschreven.
Ze stelt er dan tegenover dat het atheïsme juist objectief en neutraal is.
Toch is het idee van seculiere objectiviteit op zichzelf een drogreden.
Secularisme is, net als elk wereldbeeld, een perspectief,
ironisch genoeg geënt op het christendom,
de geschiedenis van de mensheid van het verlaten van geloof
en de morele basis daarvan heeft rampzalige gevolgen gehad.

Want secularisme is ook een vooroordeel,
vaak gegrond in een ethische ijdelheid,
waarvan de zogenaamd universele principes
zeer christelijke wortels hebben.
Begrippen als persoonlijke autonomie
komen voort uit een traditie die het leven als heilig beschouwt,
gebaseerd op het geloof dat mensen
uniek geschapen zijn naar Gods evenbeeld.
Beroepen op mededogen
weerspiegelen Jezus’ leringen
en christelijke argumenten voor sociale rechtvaardigheid
door de geschiedenis heen.
Zelfs de scheiding van het seculiere en het heilige
is afgeleid van Jezus’ leer om ‘aan de keizer te geven wat van de keizer is
en aan God wat van God is’.
Een auteur als Tom Holland heeft in zijn boek Heerschappij laten zien
hoe westerse samenlevingen,
hoewel vaak losgekoppeld van hun christelijke wortels,
nog steeds opereren binnen kaders
die gevormd zijn door eeuwen van christendom.

Een politiek secularisme begon op te komen
na de Europese godsdienstoorlogen
in de zeventiende eeuw,
maar het veronderstelde historische conflict
tussen wetenschap en religie,
waarin de eerste zegeviert
over bijgeloof en een vijandige kerk,
is een mythe.
Deze ‘conflictthese’, die in de achttiende eeuw
werd gepromoot blijft bestaan,
ook al is deze uitgebreid ontkracht.
Historici benadrukken nu de complexe relatie
tussen geloof en wetenschap.

Geloof was niet zozeer een tegenstand
tegen intellectueel onderzoek,
maar juist de basis ervan.
Het middeleeuwse christelijke Europa
bracht de grote universiteiten voort;
dit was niet alleen omdat de kerk macht en rijkdom had,
maar omdat kennis van God werd gezien
als de basis voor alle begrip.
Deze verwevenheid van geloof en academie
voedde de Verlichting, toen wetenschappers als Newton of Kepler
de studie van de schepping
(wat Calvijn beschreef als ‘het theater van Gods glorie’)
benaderden als een bevestiging van de goddelijke orde
van een God die er behagen in schepte
dat Zijn schepselen ‘Zijn gedachten na Hem dachten’.

Hun christelijke overtuigingen gaven niet alleen
een impuls voor rigoureuze verkenning,
maar brachten hen ook nederigheid
bij over het menselijk intellect.
In tegenstelling tot de visie van de moderniteit op de geest
als een losstaand, alziend oog,
geloofden zij dat de cognitieve vermogens
van de mens waren verminderd,
zowel moreel als intellectueel,
door de val van Adam,
waardoor perfecte kennis onbereikbaar werd.
Blaise Pascal legt deze worsteling
met onzekerheid vast in zijn Pensées:
‘We verlangen naar waarheid, en vinden in onszelf alleen maar onzekerheid (…)
Dit verlangen is aan ons overgelaten, deels om ons te straffen,
deels om ons te laten inzien vanwaar we zijn gevallen.’

Voor Pascal en zijn gelovige tijdgenoten
was het tegengif tegen menselijke trots
en zelfbedrog te vinden in de Almachtige.
Ironisch genoeg was het deze nederigheid,
geworteld in een zeer theologische bezorgdheid
over de menselijke cognitieve feilbaarheid,
die de wetenschappelijke methode
het leven schonk,
het proces van systematisch experimenteren
gebaseerd op empirisch bewijs,
en dat later centraal kwam te staan
in het denken van de Verlichting.

Hoewel veel van de leidende figuren gelovigen waren,
versnelde het Verlichtingstijdperk
een verschuiving van God naar de mens
als het centrum van begrip en ethiek.
Filosofen als David Hume
marginaliseerden of elimineerden God helemaal,
wat de weg vrijmaakte voor Zijn latere afwijzing
als een spook van menselijke projectie (Freud)
of als een instrument van uitbuiting en onderdrukking (Marx),
terwijl Rousseau het aantrekkelijke idee populariseerde
dat de mens niet inherent gebrekkig was,
maar van nature goed,
alleen zijn omgeving deed hem slechte dingen doen.

Maar het was de nihilist Nietzsche,
de zoon van een lutherse dominee,
die het morele vacuüm voorspelde
dat ontstond door de dood van God
en de diepgaande gevolgen daarvan.
Ethische grenzen werden onstabiel,
waardoor nieuwe ideologieën alles konden rechtvaardigen
in het nastreven van hun utopische doelen.
Nietzsches profetieën over de opkomst van het totalitarisme
en concurrerende ideologieën
die de twintigste eeuw zouden kenmerken,
waren huiveringwekkend accuraat.
Duitse universiteiten leverden de intellectuele rechtvaardiging
voor nazi-gruweldaden tegen de Joden,
terwijl de door marxisten geïnspireerde revoluties
en het beleid van de Sovjet- en Chinese communistische regimes
leidden tot afschuwelijk lijden
en de dood van tussen de 80 en 100 miljoen mensen.
Zonder Goddelijke verantwoording
versterkten deze pseudo, mensgerichte religies
de menselijke kwaadaardigheid
en de destructieve impulsen van de mens.

Begin jaren negentig was de Sovjet-Unie ingestort,
wat Francis Fukuyama ertoe bracht
vanuit zijn ivoren toren te beweren
dat seculiere liberale democratie
het natuurlijke eindpunt was
in de sociaal-politieke evolutie
van de mensheid
en dat de geschiedenis ‘was geëindigd’.
Maar zijn optimisme was van korte duur.
De gebeurtenissen van 9/11
en de heropleving van een krachtig islamisme
gaven de leugen dat iedereen een seculiere liberale democratie in westerse stijl wilde,
terwijl in het Westen een herverpakte versie
van het oude marxistische onderdrukkersnarratief
op de campussen begon te verschijnen,
met zijn bedrieglijke utopische sirenenzang
dat de mens de auteur van zijn eigen verlossing kon zijn
die de academie betoverde.
Deze keer kwam het in de vorm
van verdeeldheid zaaiende
identiteitsgebaseerde ideologieën
bedekt met postmoderne machtsnarratieven
die de realiteit leken te tarten en Chestertons visie bevestigden
dat ‘wanneer de mens ophield in God te geloven, hij in alles kon geloven’.

Terwijl universiteiten ideologie boven bewijs
en conformiteit boven intellectuele vrijheid propageerden,
leek George Orwells kritiek
op intellectuele goedgelovigheid
en het duistere fanatisme
dat het vaak bevordert,
belichaamd in de distopische roman 1984
waar de realiteit zelf wordt gemanipuleerd door dogma,
relevanter dan ooit.
Orwell was niet de enige die dacht
dat sommige ideeën zo dwaas waren
dat alleen intellectuelen ze geloofden.
Andere commentatoren zijn net zo sceptisch
en bekritiseren de vaste academici
wiee levens geïsoleerd zijn
van het lijden van degenen
die moeten leven onder hun favoriete ideologieën,
en die theorieën verkiezen
boven werkbare oplossingen.
Intellect, zo merken zij op, is niet hetzelfde als wijsheid.
Meer recentelijk betwijfelt
de Amerikaanse schrijver David Brooks,
het nut van elitaire onderwijssystemen
die te veel nadruk leggen op cognitieve vaardigheden
ten koste van andere kwaliteiten,
en suggereert dat ze de neiging hebben
om een bekrompen heersende klasse
te produceren die blind is
voor hun eigen vooroordelen en valse overtuigingen.

Maar het seculiere vertrouwen lijkt af te nemen.
Sinds het hoogtepunt van het Nieuwe Atheïsme
halverwege de jaren 2000
is er een groeiende ontevredenheid
met wereldvisies
die beperkt zijn tot rede en materialisme.
Kunstenaars als Nick Cave
hebben kritiek geuit op het onvermogen
van het secularisme
om concepten als vergeving en genade aan te pakken,
terwijl mensen als Ayaan Hirsi Ali
het christendom openlijk hebben omarmd.
Het verlangen naar het transcendente
en een wereld die ‘opnieuw betoverd’ is,
lijkt wijdverbreid te zijn.

Het verhaal van de val, vergeving,
verbondenheid en de transformerende liefde van God
is het verhaal dat het meest aansluit
bij onze diepste menselijke verlangens
en geleefde ervaring,
terwijl het ons tegelijkertijd de hoop biedt
op verlossing en – met Goddelijke hulp –
betere versies van onszelf worden;
het soort mensen
waarvan het secularisme
denkt dat we dat al zijn.

 

De kerstboom is allang weer afgetuigd,
het weer is grijs en nat,
(en voor sommigen: de nieuwe regering Trump treedt vandaag aan)
het leven is wéér duurder geworden,
en we hebben onze nieuwjaarsvoornemens waarschijnlijk al gebroken;
ja, januari lijkt veel uit te moeten leggen!

Zozeer zelfs dat deze maandag, de derde maandag in januari zelfs
Blue Monday is genoemd – de meest deprimerende dag van het jaar.

Het idee is een marketingtool en ontwikkeld met behulp van een wiskundige vergelijking
die rekening houdt met alle elementen van de ellende in januari…
En de remedie? Een zonnige vakantie boeken.

Het klinkt logisch, nietwaar?
Voelen we ons niet allemaal een dip in de donkere koude dagen midden in januari?

Maar het probleem is dat Blue Monday is gebaseerd
op een nogal wankele pseudowetenschap
die puur is bedacht voor een reisorganisatie
om hun zomervakanties te verkopen.
In de vergelijking zijn de eenheden niet gedefinieerd
en kan de formule niet worden geverifieerd,
waardoor deze effectief nutteloos is.

Desondanks heeft het idee van Blue Monday
onze verbeelding en onze aandacht gevangen;
wat betekent dat het idee is blijven hangen,
ook al is het niets meer dan een marketingcampagne
die al in 2005 is geschreven.
Het idee is blijven hangen omdat het logisch is.

En we willen graag onze gevoelens begrijpen, toch?
Als we een specifieke reden kunnen aanwijzen
waarom we ons somber of ongemotiveerd voelen,
voelen we ons minder alleen.
Misschien is dat de reden
dat het idee van Blue Monday al twintig jaar bestaat.

Voor sommigen kunnen de seizoenen
een tastbaar effect hebben op de geestelijke gezondheid,
en tot wel drie procent van de mensen leeft
met ‘ernstige winterdepressie’
en gimmicks als Blue Monday
riskeren de verzwakking van een seizoensgebonden affectieve stoornis
te bagatelliseren.

Zelfs voor degenen onder ons
die niet met seizoensgebonden psychische aandoeningen leven,
hebben we verschillende behoeften afhankelijk van de seizoenen.
Onze energiebalans kent het hele jaar door een soort eb en vloed:
het is natuurlijk om in een rustiger tempo te willen leven
tijdens de donkere wintermaanden;
veel mensen slapen en eten meer
als we kortere dagen en langere nachten hebben.

Emotioneel zullen we ook seizoenen hebben
waarin we het leven net zo levendig ervaren als de lente
en andere seizoenen waarin we ons willen terugtrekken
en de behoefte voelen om te rouwen om onze verliezen
terwijl de zaden zich onder de grond verstoppen,
weg van de kou, wachtend om te bloeien.

Iemand schreef eens:
‘Planten en dieren vechten niet tegen de winter;
ze doen niet alsof het niet gebeurt en proberen
niet hetzelfde leven te leiden als in de zomer.
Ze bereiden zich er op voor.
Ze passen zich aan.
Ze voeren buitengewone metamorfoses uit
om ze erdoorheen te helpen.’

Het is iets dat zowel de Bijbel als het kerkelijk jaar erkennen,
dat we ons moeten aanpassen aan de seizoenen
van het leven waarin we leven.
De schrijver van Prediker, sommigen denken dat het koning Salomo was,
schrijft dat in hoofdstuk 3
‘er een tijd is voor alles, en een seizoen voor elke activiteit onder de hemel’ 
en hij gaat verder met het opnemen van leven en sterven,
planten en ontwortelen, doden en genezen.

We kunnen worden aangemoedigd
door het feit dat er geen specifieke dag is
die meer of minder deprimerend is dan een van de andere,
maar ook de veranderende seizoenen herkennen
die onze emoties doormaken
op dezelfde manier als de natuurlijke wereld dat doet.

Wat ertoe doet, is dat we ons richten op het seizoen
van het leven waarin we ons bevinden
en het niet ontkennen.
Het kerkelijk jaar stelt ons in staat
dit te doen door middel van liturgie,
terwijl we door Advent, Kerst, Vastentijd, Pasen
en gewone tijden fietsen.
Er zijn mogelijkheden om te rouwen om ons verlies,
onze vreugde te vieren, lessen te leren en te oefenen
wat het betekent om in gemeenschap te zijn
door elke emotie heen.
Om ons door deze seizoenen te bewegen
geven we onszelf de kans
om onze emotionele spieren te strekken in rouw, vreugde
en gewoon uit te vinden hoe
we door het dagelijks leven kunnen navigeren!

Paulus, die in de begintijd van de kerk pastor was
en aan veel gemeentes schreef,
vertelde om
met je blije vrienden te lachen als ze blij zijn;
deel tranen als ze down zijn’, (Romeinen 12)
en ik denk dat dit eenvoudig advies is voor ons
terwijl we door de seizoenen van ons leven en het jaar reizen.
Alle emoties – hoe ongemakkelijk ze ook mogen zijn –
hebben aandacht nodig.

Ja, Blue Monday mag misschien een marketingmythe zijn,
maar erkennen dat we ruimte moeten maken
voor al onze gevoelens
– de blije en de verdrietige –
kan precies de aanmoediging zijn die we nodig hebben.

 

Bij het ervaren van een Godsontmoeting
speelt niet alleen het verstand een rol.
Niet voor niets stelt Rahner
dat achter zakelijke argumenten tegen het christelijke geloof
bijna altijd ervaring de vooronderstelling is
– ervaring van de ongrijpbaarheid
van God en van het bestaan.
Als we stellen dat de moeite met God
en met het bestaan niet tot het besluit hoeft te leiden
om afscheid van God te nemen,
dan volstaat het dus niet om aannemelijk te maken
dat God zich bekend kan maken
en dat God en mens elkaar ontmoeten kunnen.
Dat hetgeen door het verstand begrepen werd
als ‘tot de mogelijkheden behorend’
ook feitelijk gebeurt,
dat kan het verstand niet aantonen,
maar alleen de ervaring,
overigens niet zonder de christelijke traditie.

De houding die daarvoor nodig is,
is niet meer de bereidwillige inspanning
van het verstand dat zoekt naar begrip
en niet bang is om daar moeite voor te doen.
Als men, nog zonder bevredigend resultaat,
het einde van de verstandelijke mogelijkheden bereikt,
‘laten we het dan kort houden:
dan kan alleen een sprong in het geheel andere aanbevolen worden’.
Die sprong, dat andere, de nu aanbevolen houding is:
capitulerend zich overgeven.
‘Men moet zich tegenover de onbegrijpelijkheid
die een antwoord belet in deze onbegrijpelijkheid laten vallen,
als was het de ware vervulling en zaligheid, en afzien van een antwoord’.
Zo’n houding klinkt simpel, bijna naïef:
geen vragen meer stellen, en zich overgeven aan God.
Het is echter niet het simplisme van de absolute naïviteit.
Het loslaten van vragen wordt pas aanbevolen
na het stellen en beantwoorden ervan.
Als dan blijkt dat Godsontmoeting
aannemelijk gemaakt kan worden
zonder bewezen te worden,
en als dan blijkt dat reflectie
de moeite van Godsontmoeting niet kan oplossen,
pas dan wordt het tijd voor de eenvoud van
‘een soort nieuwe naïviteit’.

 

Maar al te vaak eist de wereld van ons
dat we het een zijn, of het ander.
In onze reacties, onze ideologieën, onze overtuigingen,
wordt van ons verwacht
dat we dit zijn, of dat zijn.
Erin of eruit. Ja of nee. Rood of blauw. Zwart of wit.
De wereld vindt het leuk als we onszelf labelen
met een zekerheid die het makkelijker maakt om ons te marketen,
vast te leggen in een strategisch plan of te bereiken in een algoritme.

Op sociaal niveau kunnen deze zelfcategoriserende definities
– wat ik geloof, op wie ik stem, wat ik consumeer –
een filtersysteem worden voor
wie toegang tot ons krijgt en wie niet.
In een combinatie van associatie en veronderstelling
bepalen we wie ‘onze mensen’ zijn en wie niet.
En het lijkt eenvoudig.

Dat is het totdat je je twee dingen realiseert:
het grootste deel van het leven speelt zich niet af
binnen de grenzen van zwarte of witte zekerheid,
maar in het grijze, tussengebied.
En niemand van ons is een-voudig.

We geloven misschien graag dat we duidelijke individuen zijn
die gemakkelijk te definiëren,
mooi georganiseerde ideeën en overtuigingen hebben,
maar de werkelijkheid is veel rommeliger.
Onze houdingen, opvattingen en gevoelens
zijn lichtjes gebonden aan een spectrum
en we bevinden ons bijna altijd ergens in het midden.

Denk er eens over na.
Kunt u zich de laatste keer herinneren
dat u zich onafgebroken, onvervalst gelukkig voelde,
zonder dat er ergens in uw achterhoofd
iets of iemand om u heen bleef hangen?
Het omgekeerde is ook waar.
Ik ken mensen die in de loopgraven van verdriet
hardop lachen om hun favoriete Instagram-reels.
Meestal is er niet veel voor nodig
om ons weg te slepen van de hoogtepunten
en dieptepunten van het leven.
We zijn erop ingesteld om in de tussenruimtes te leven.

Deze aantrekkingskracht naar het midden die we voelen
is niet verrassend.
Eén van de leiders van de vroege kerk, Paulus,
zei dat
als iemand in Christus is, de nieuwe schepping is gekomen.’ (2 Korintiërs 5)
Wij zijn dus nieuwe scheppingswezens,
omringd door nieuwe scheppingsideeën,
in een oude scheppingswereld.
Onze sociale constructies, systemen en levens
zijn gebouwd op de vooronderstelling
van ergens tussen het oude en het nieuwe,
een grijs gebied van deels heden en deels toekomst.

Paula Gooder, een Britse nieuwtestamenticus,
zegt over Paulus’ geschriften:
Met Jezus’ dood en opstanding
ligt de nieuwe schepping bij de oude schepping.
Van tijd tot tijd zul je momenten van perfectie zien,
momenten van opstanding,
en dat zijn de momenten
die ons gaande houden in de moeilijke tijd (…)
Hoewel je nieuwe schepping bovenop hebt liggen,
heb je nog steeds oude schepping eronder liggen.
Als je de vraag wilt stellen
waarom de wereld zo verschrikkelijk is zoals hij is,
komt dat doordat we in een oude schepping leven.

Door het Koninkrijk van God te omarmen,
zowel het alreeds als het nog niet,
zetten we ons in voor een daad van verzet
tegen ideeën over zwart-wit bestaan
door te leven in een grijs gebied
dat geschikt is om uit te barsten
in heldere, hemelse kleuren.

Oppervlakkig gezien suggereert het verhaal
dat onze oorsprong van bestaan vormgeeft,
het scheppingsverhaal in Genesis,
een God die werkt in binaire verhoudingen
– nacht en dag, land en zee.
Maar we weten dat er ook
dat de minder gemakkelijk te definiëren schemering,
schemering en dageraad, moeras en mist is.
De schepping zelf geeft aan dat leven
in dualiteit een onmogelijke opgave is.
We zijn tenslotte niet gemaakt voor scheiding,
maar voor eenheid en verzoening.
Overal om ons heen getuigt de natuurlijke wereld
van een God die de dingen
daartussen heeft geschapen en,
net als de ondergaande en opkomende zon,
ze spectaculair en boeiend heeft gemaakt.

Richard Dawkins en de nieuwe atheïstische beweging
proberen alles netjes in het midden te verdelen
tussen dingen die je zonder enige twijfel kunt bewijzen,
en blind geloof.
Maar zij zien niet dat de meest interessante dingen
zich op geen van beide plekken afspelen.

Hoewel zekerheid zijn moment en zijn verdiensten heeft,
denk ik niet dat het slecht is om in een grijs gebied te leven.
Ik denk zelfs dat we er allemaal beter aan toe zouden zijn
als we eraan zouden kunnen wennen.
We zijn evoluerende wezens
en als zodanig zal de materie
die we vandaag in ons hoofd en hart hebben,
morgen veranderen en groeien
en mogelijk veranderen.

Ons leven is meer dan een optelsom
van winst en verlies, komedie en tragedie,
oud en nieuw, zwart en wit.
Dus, nu we aan het begin van dit jaar staan,
vraag ik u om ruimte te maken
voor alles wat gebeurt binnen de grenzen
van wat de wereld verwacht en accepteert.
Om de puinhoop van het tussenliggende te omarmen.
Om door te gaan in de grijze gebieden van het leven;
alleen om het vol, levendig en glorieus
te ontdekken in een nieuwe scheppingskleur.

 

(voorgaande blogs over dit onderwerp: zie 21 november en 28 november)

Voor velen leidt juist die onbegrijpelijkheid van God, aldus Rahner ,
tot het afscheid nemen van God en het christelijke geloof.
Want de wortel van twijfel aan God
en de daaruit voortkomende diskwalificatie van het christendom
is bijna altijd de moeite met God,
eerder dan rationele en wetenschappelijke argumenten.

Het eigenlijke argument tegen het christendom
is de ervaring van het leven,
deze ervaring van de duisternis.
en ik heb steeds gemerkt dat achter de vakargumenten
tegen het christendom van de wetenschappers
als laatste kracht en als a priori
beslissing vooraf …
steeds deze laatste ervaringen van het bestaan stonden,
die de geest en het hart duister maken en moe en twijfelend.’

Soms gaat dat afscheid heel heftig,
vaker ‘gewoon’ heel geleidelijk en stilletjes.
Waarom geloven in iets dat ongrijpbaar blijft?
Waarom geloven in iets dat,
voorzover het wel te begrijpen
en te benaderen is, kwelling betekent?
Waarom niet, simpelweg,
zich beperken tot het bestaan hier en nu?
Waarom niet mijn levensvervulling vinden
in de vele goede zaken op aarde?

‘en toch’: er is een andere weg mogelijk.
‘en toch’ is de weg van de geloofstraditie,
waarin steeds weer geloofd is
dat de verborgen God wel degelijk bestaat,
en dat die verborgen God wel degelijk zich laat ontmoeten.
Het is mogelijk, zo is de ervaring
en de belijdenis van velen voor ons,
om in God te blijven geloven
en om Gods nabijheid te blijven ervaren.
Niet het onbegrip en de kwelling
hebben het laatste woord, maar Gods nabijheid.
Dat deze traditie tot de mogelijkheden behoort,
dat het zinvol is om je aan die traditie
over te geven en toe te vertrouwen,
en dat je te midden van de moeite simpelweg
– voorzover dat simpel is –
vol moet houden, dat kan je niet bewijzen.
Het kan alleen toegelicht en aannemelijk gemaakt worden,
en dan slechts in zoverre iemand
welwillend en betrokken wil zijn.
Want alleen met welwillendheid en betrokkenheid
kunnen woorden verwijzen
naar dat wat ermee bedoeld is,
kan zo het verband met de eigen ervaring gezocht worden,
en kan dus overtuiging groeien.

 

De wijzen uit het oosten of drie koningen zijn,
binnen de christelijke traditie,
de wijzen die Jezus van Nazareth
na zijn geboorte kwamen vereren
en geschenken van goud, wierook en mirre brachten.

De vermelding van de wijzen komt in het Nieuwe Testament
alleen voor in Matteüs 2:1-12.
Over hun herkomst wordt alleen gezegd dat ze uit het oosten kwamen.
Ook hun aantal en hun namen worden niet vermeld.

De wijzen kwamen volgens de overlevering
uit de drie verschillende werelddelen.
Ze vertegenwoordigen de drie takken van het menselijk geslacht
– een twintiger, een veertiger en een zestiger –
volgens de Bijbel het nageslacht van de drie zonen van Noach:
Sem, Cham en Jafet.
De mannen vertegenwoordigen drie leeftijden van de mens.

Het verhaal in Matteüs werd in de loop van de eeuwen uitgebreid
met allerlei elementen die niet worden genoemd in het Bijbelse verhaal.
Mattheüs noemt het aantal niet,
maar volgens de traditie in het westers christendom zijn er drie wijzen.
Dit getal van drie werd wellicht vastgesteld
aan de hand van het aantal geschenken dat ze meebrachten.
In tradities in het oosters christendom zijn er niet drie maar twaalf wijzen.

Het bezoek van de wijzen uit het oosten aan Jezus
wordt in het westers christendom oorspronkelijk gevierd op 6 januari,
in de volksmond Driekoningen.
De wijzen een lange geschiedenis van betrokkenheid bij de monarchie,
waarbij ze paden volgens de overlevering
kruisten met illustere koningen,
waaronder Cyrus de Grote van Perzië,
Alexander de Grote en de Romeinse keizer Nero.

De wijzen of erfelijke priesters waren oorspronkelijk
lid van een stam van de Meden
die 600 jaar voor de geboorte van Jezus in Noord-Iran leefden.
De Griekse historicus Herodotus schreef rond 425 v.Chr.
hoe deze wijzen in het hele oude Midden-Oosten bekend werden
vanwege hun vermogen om dromen te interpreteren
en hun kennis van de sterren.
Ze waren aanhangers van de zoroastrische religie
en waren verantwoordelijk voor de heilige vuren
die centraal stonden in de zoroastrische eredienst.

Voor de Grieken waren de zoroastriërs en de magiërs
– want zo worden de wijzen ook wel genoemd –
exotische objecten van fascinatie.
Veel latere Griekse filosofische werken beweerden
dat ze ontsproten waren uit de verbeelding van Zoroaster (of Zarathustra) .
Maar honderd jaar voor Herodotus
vinden we de eerste vermelding van magiërs in de Bijbel,
in het boek Daniël.
Dit was de periode van de Joodse ballingschap
en gevangenschap in Babylon.
Jojakim, koning van Judea
en afstammeling van de koningen David en Salomo,
werd verslagen in de strijd
en gedood door Nebukadnezar II van Babylon.
Jeruzalem en de tempel werden verwoest
en veel Judese edelen werden gevangengenomen.
Daniël was een van deze gijzelaars
en wordt meegenomen naar het Babylonische hof,
waar God hem de mogelijkheid geeft
om de dromen van de koning te interpreteren.
Onder de indruk van zijn capaciteiten,
geeft Nebukadnezar Daniël
de leiding over al zijn wijze mannen.
Het is onduidelijk welke relatie deze Babylonische ‘magiërs’
hadden met de Meden, maar de sterke Medische invloed
op het Babylonische hof
suggereert dat de Babylonische wijze mannen
heel goed Zoroastrische magiërs kunnen zijn geweest.

Daniël bleef aan het Babylonische hof,
totdat de Babyloniërs werden binnengevallen
door Cyrus de Grote,
die de Joden toestond terug te keren uit ballingschap
en te beginnen met het herstellen van Jeruzalem.

Het Perzische rijk van Cyrus duurde tweehonderd jaar,
totdat het in 331 v.Chr. werd binnengevallen
door Alexander de Grote en zijn leger.
Alexander zocht het advies van magiërs,
maar liet velen van hen op gewelddadige wijze doden
en hun heilige vuren doven
toen hij de Perzische hoofdstad Persepolis met de grond gelijk maakte
als wraak voor de Perzische vernietiging
van de Akropolis door Xerxes 150 jaar eerder.
De Griekse opvolgers van Alexander werden gekenmerkt
door bloedige rivaliteit en onderlinge strijd
en werden later onderworpen door het Parthische rijk,
dat de meest geduchte rivaal van Rome in het oosten zou worden.
De magi consolideerden hun reputatie
als koningsmakers tijdens de Parthische periode,
met een raad van magi (de Megistanen)
die verantwoordelijk was
voor het kiezen van Parthische koningen.

In de tijd van Jezus waren er overal in het Midden-Oosten ‘magiërs’
en in deze context beschrijft de Romeinse historicus Plinius de Oudere
de reis van Armeense magiërs om keizer Nero te bezoeken in 66 na Christus.
Tegen die tijd waren Parthië en Rome al een eeuw in hun langdurige strijd
en hadden ze net een vijf jaar durende oorlog gevoerd
over de Armeense opvolging.
Ondanks een vernederende nederlaag,
redde Rome wat gezicht door een zeer eenzijdig verdrag
waarbij Parthië de volgende Armeense koning koos,
maar waarbij de Romeinse keizer
de kroon op zijn hoofd mocht zetten!
Nero draaide dit in zijn voordeel
door de nieuwe koning Tridates I
naar Rome te laten komen
om zijn kroon in ontvangst te nemen.
Tridates, die zowel een zoroastrische priester als een koning was,
kwam met een enorm gevolg,
waaronder andere magiërs en duizenden ruiters,
om zijn kroon in ontvangst te nemen.
De enorme processie kwam tot een hoogtepunt toen
de magi-koning boog voor de keizer
en hem erkende als zijn heer.

Het bezoek van de Armeense magiërs
heeft duidelijke overeenkomsten
met het bekende verhaal van magiërs
die het kindje Jezus bezoeken in het evangelie van Matteüs.
Gezien de vele verfraaiingen die door de eeuwen heen
aan het magiërsverhaal zijn toegevoegd,
is het nauwelijks verrassend dat sommigen hebben gesuggereerd
dat het magiërsverhaal een verzinsel was
en een geremixte versie
van het bezoek van koning Tridates aan keizer Nero.
Maar als magiërs standaardpersonages waren in het oude Nabije Oosten
en ook echt geïnteresseerd waren in monarchen
(die vaak ook als ‘goden’ werden behandeld),
dan zou het niet zo verrassend zijn
dat er meer dan één bezoek van koninklijke magiërs zou zijn
met emotioneel geladen religieuze ondertonen.
Wat een verzonnen magiërsverhaal minder waarschijnlijk maakt,
is wat het Joodse publiek van de evangelieschrijver Matteüs
van de magiërs zou hebben gedacht.
Hoewel de Grieken en Romeinen enthousiast waren
over buitenlandse ‘goden’ en exotische wijsheid,
waren de Joden uit de eerste eeuw dat absoluut niet.
Voor hen en voor de vroege christenen
zouden de magiërs charlatans en volgelingen
van een valse buitenlandse ‘god’ zijn geweest.
Een bezoek van een paar buitenlandse astrologen
zou eerder gênant zijn geweest
dan het soort verhaal dat je zou verzinnen.

Dus, wie waren de magiërs in het evangelie van Matteüs?
De twee dominante theorieën waren
dat ze ofwel Perzisch waren of dat ze later fictie waren.
Meer fantasierijke theorieën omvatten oorsprongen
in India, China en zelfs Mongolië.
Een andere, misschien realistischer mogelijkheid,
is dat de magiërs afkomstig waren uit het Arabische koninkrijk Nabatea.
De Nabateeërs stonden bekend om het gebruik van irrigatie
om de woestijn te bewerken en om de handelsroutes
door de Arabische woestijn te controleren.
Twee handelsgewassen waarin Nabatea de handel domineerde,
waren wierook en mirre.
De rijkdom die werd gegenereerd door deze lucratieve handel
werd gebruikt om Petra te bouwen,
de wereldberoemde valleistad van rotsmonumenten.
De Nabateeërs hadden nauwe banden met Israël
en waren mogelijk bekend met de profetieën van Daniël en Jesaja.
Ze zouden ook geïnteresseerd zijn geweest
in de Judese monarchie
en zouden natuurlijke bezoekers zijn geweest
van de paranoïde koning Herodes.
Herodes’ moeder was een Nabateese prinses
en de Nabateese koning Aretas IV
moest de gunst van Herodes versterken,
zodat de Nabateeërs
geïnteresseerd zouden zijn
in een nieuwe koning der Joden.

Waarschijnlijk zullen we nooit zeker weten
wie de wijzen uit het oosten waren.
Maar voor mij is er iets diep fascinerends
aan deze mysterieuze bezoekers van het kindje Jezus.
Deels lijken ze hogere dingen te vertegenwoordigen
– met hun wijsheid en rijkdom in goddelijke dienst.
Het kan lijken alsof hun uitstekende kennis
en astronomische vaardigheden
een soort van kosmische puzzel hebben opgelost,
waarbij de magiërs de ster volgen en een despoot ontwijken
om de baby aan het einde van de schattenjacht te vinden.
Dit klopt niet,
de kennis van de magiërs
is niet het object van verwondering.
De kennis die ze hebben is kapot,
het is een rommelige mix van gekke occultisme,
astronomie, wiskunde
aangevuld met een ongezonde obsessie met royalty.

De kennis die wij hebben is ook kapot.
Maar God gebruikt de dwaze dingen
om de wijzen te verwarren,
en in de gekke puinhoop van horoscopen en waarzeggerij
laat God de magiërs een uitnodiging achter.
De uitnodiging accepteren is een risico nemen:
de lange reis riskeren,
de toorn van Herodes
en zelfs het risico lopen het mis te hebben.
Maar als ze deze uitnodiging accepteren,
realiseren ze zich
dat het een uitnodiging is om God Zelf te ontmoeten.

Wij geloven in één God, de almachtige Vader,
Maker van hemel en aarde,
van alle zichtbare en onzichtbare dingen.
En in één Heer Jezus Christus,
de eniggeboren Zoon van God,
uit de Vader geboren voor alle eeuwen,
licht uit licht,
waarachtig God uit waarachtig God,
geboren, niet gemaakt,
één van wezen met de Vader: door wie alle dingen geworden zijn;
die om ons mensen en om ons behoud is neergedaald uit de hemelen,
en is vleesgeworden uit de Heilige Geest en de maagd Maria,
en is mens geworden;
die voor ons ook is gekruisigd onder Pontius Pilatus,
geleden heeft en begraven is
en op de derde dag is opgestaan naar de Schriften;
is opgevaren naar de hemelen
en zit aan de rechterhand van de Vader,
en die zal wederkomen in heerlijkheid, om te oordelen levenden en doden;
en zijn rijk zal geen einde hebben.
En in de Heilige Geest,
die Heer is en levend maakt,
die voortkomt uit de Vader [en de Zoon],
die samen met de Vader en de Zoon aanbeden en verheerlijkt wordt,
die gesproken heeft door de profeten;
in één, heilige, katholieke en apostolische kerk;
wij belijden één doop tot vergeving van zonden;
wij verwachten de opstanding der doden
en het leven in de wereld die komt.

Als christenen hebben we dit jaar iets extra’s te vieren,
namelijk de verjaardag van de de Geloofsbelijdenis van Nicea.
In 2025 is het 1700 jaar geleden dat het Concilie van Nicea werd bijeengeroepen
door keizer Constantijn, en dat de eerste versie van de geloofsbelijdenis opstelde.
Er zijn immers niet veel 1700 jaar oude documenten
die elke week hardop worden voorgelezen
en uit het hoofd worden geleerd door miljoenen mensen over de hele wereld.
Toch zullen er veel mensen zullen verbijsterd zijn,
zelfs hier onverschillig of afwijzend tegenover staan.
Want veel mensen kennen deze geloofsbelijdenis helemaal niet,
of als ze dat wel doen, zien ze het als dogmatisch,
uitsluitend en verwoord in de obscure taal
van de klassieke filosofie uit de vierde eeuw,
die weinig relevant lijkt te zijn voor de wereld waarin we vandaag leven.

maar is het echt de moeite waard om te vieren?
Laat me een paar redenen noemen waarom ik denk dat het dat is.

Allereerst markeerde 325 een periode
van enorme verandering voor het christelijk geloof.
De voorgaande 300 jaar sinds de tijd van Jezus
had het christendom zich verrassend snel verspreid,
maar over het algemeen zonder steun van de rijken of machtigen,
en regelmatig vervolgd.
Maar aan het begin van de vierde eeuw
verklaarde keizer Constantijn zichzelf tot ‘christen’.
Er is veel discussie over wat hij daarmee bedoelde;
het weerhield hem er bijvoorbeeld niet van
om het grootste deel van zijn familie te vermoorden.
Maar Constantijn schreef zijn zegevierende keizerlijke campagne
toe aan de bescherming van de christelijke God,
en begon veiligheid en privileges te bieden aan christenen en hun leiders.
Het was Constantijn die het Concilie van Nicea bijeenriep,
omdat hij zijn eigen autoriteit wilde laten gelden,
maar ook wilde dat deze ontluikende ‘institutionele’ kerk grip kreeg
en zich achter hem zou verenigen.
Plotseling kregen christenen de kans om de wereld vorm te geven,
om de cultuur vorm te geven, van bovenaf en van onderaf.
Of dit nu goed of slecht is, en wat het deed en doet
met het karakter van het christelijk geloof
in de 1700 jaar sinds Nicea is ongetwijfeld
iets dat 2025 zal moeten onderzoeken.

Ten tweede bood het Concilie van Nicea
een model van besluitvorming
dat sindsdien van groot belang is geweest in het christelijk leven.
Nicea werd bewust gekozen als de plaats om dit concilie te houden
omdat het ongeveer op de scheidslijn lag
tussen het oostelijke deel van het Romeinse Rijk,
waar Grieks de gemeenschappelijke taal was,
en het westelijke deel, waar Latijn de taal van het publieke debat was.
Constantijn probeerde zichzelf als enige keizer over beide delen te vestigen
en hij riep christelijke leiders uit het hele rijk bijeen in Nicea.
We hebben een goed idee van wie er aanwezig waren
vanwege de ondertekenaars van de resoluties van het Concilie.

Leiders kwamen uit enkele van de meest rijke
en ontwikkelde delen van het Romeinse Rijk,
zoals Alexandrië, met zijn beroemde school en bibliotheek.
Maar ze kwamen ook uit de eenvoudigste streken,
waar het boerenleven de norm was
voor zowel de bisschop als de congregaties.
Spiridion, nu de patroonheilige van Corfu, was een van de ondertekenaars;
hij hield zijn harde leven als herder vol terwijl hij zijn menselijke kudde leidde;
Sint Nicolaas van Myra, ja, die we nu kennen als Sinterklaas, was er ook;
in totaal waren er waarschijnlijk 200 tot 300 bisschoppen aanwezig,
wat de buitengewone verspreiding
van het christelijk geloof in het Romeinse Rijk benadrukt.
Daarom wordt het Concilie van Nicea
het Eerste Oecumenische of wereldwijde Concilie genoemd.
Dit was de eerste gelegenheid voor de Kerk
om de balans op te maken
en haar diversiteit op te merken en ervan te leren.

Dit model van ‘conciliaire’ discussie en bijeenkomsten is de sleutel gebleven
tot de manier waarop christenen proberen conflicten
op te lossen en beslissingen te nemen,
door elkaar te ontmoeten, te discussiëren, te bidden
en te luisteren naar stemmen en ervaringen, dit heet consultatie,
die de hele diversiteit van de mensheid vertegenwoordigen.
Maar niemand kan beweren dat het Concilie van Nicea
precies zo’n proces was
– er waren bijvoorbeeld geen vrouwen bij het concilie –
maar de intentie was significant.
In onze eigen tijd van diepe onenigheid tussen christenen
zou een toewijding aan de Niceaanse methode
van consultatieve besluitvorming
een goed uitgangspunt zijn voor het onderzoeken
van 1700 jaar van proberen naar elkaar te luisteren,
zelfs als we vaak falen.

Ten derde, en het allerbelangrijkste,
heeft het Concilie van Nicea
natuurlijk de geloofsbelijdenis van Nicea voortgebracht,
een beknopte verklaring van wat christenen
geloven over God en de wereld
en hoe dit het leven veranderd door duidelijk te spreken
over de betekenis van dood, opstanding en hemelvaart van Jezus.
Maar dee korte, duidelijke uitspraken in de geloofsbelijdenis
werden hard bevochten en niet door iedereen geaccepteerd, toen of nu.
Ze werden noodzakelijk toen mensen
verschillende beschrijvingen probeerden op te stellen
van wie Jezus is in relatie tot God,
wat steeds duidelijker naar voren bracht
hoe fundamenteel deze vraag is voor ons begrip van God,
en dus ons begrip van ons eigen doel en bestemming.
Sommigen suggereerden dat Jezus
gewoon een uitzonderlijk begaafd mens was,
begunstigd door God.
Maar zo stelden anderen, de wereld is vol met grote profeten,
van wie de meesten op zijn best lippendienst ontvangen,
maar geen werkelijk verschil maken.
Dus stelden andere mensen dat Jezus God was,
gekleed in een vermomming maar niet echt, werkelijk, menselijk was
Dat suggereert dat God zich niet echt kan verbinden aan de geschapen orde.
De meest populaire suggestie in de vierde eeuw,
naar voren gebracht door een geleerde leraar genaamd Arius,
was dat Jezus iets ertussenin is,
niet de eeuwige God, maar ook niet zomaar een mens.
Maar dat is het ergste van alle werelden:
we kunnen niet vertrouwen op wat Jezus ons laat zien
over God of over mensen.

Zo probeerden al deze ‘oplossingen’
Gods transcendentie en anders-zijn te beschermen:
God staat boven en buiten het geschapen bestaan
en goddelijkheid kan of wil zichzelf niet bezoedelen
met de aardse, historische levens die mensen leiden.

De radicale suggestie van de Geloofsbelijdenis van Nicea verwoordt het anders:
zij probeert trouw te blijven aan het getuigenis van de Bijbel,
dat Jezus werkelijk God is, die onder ons leeft,
maar ook werkelijk een mens is, geboren
in een bepaalde tijd en plaats in de geschiedenis
en een echte, historische dood sterft.
Jezus Christus als Zoon van God is absoluut gelijkwaardig aan
en moet als even goddelijk geacht worden als de Vader.
Aanduidingen als ‘het geloof van Nicea
of ‘de belijdenis van de 318 vaderen
werden in de praktijk gebruikt
voor iedere formulering
die erkende dat Jezus Christus ‘één van wezen met de Vader’ was.

Maar het leven blijft echter altijd sterker dan de leer.
In het Westen heeft men de tekst nog op twee punten aangevuld.
In de eerste plaats hebben de woorden
God uit God’ vanuit de oorspronkelijke formulering van Nicea 325
ook in de nieuwe tekst
(die dus eigenlijk van Constantinopel 381 is)
weer een plaats gekregen.
Zo horen we dus in het Latijnse Credo:
deum de deo, lumen de lumine, deo uerum de deo uero
(God uit God, licht uit licht, ware God uit de ware God),

Deze aanvulling is eigenlijk puur stilistisch van aard,
en herstelt de oorspronkelijke drieslag.
In de de meest gebruikte Nederlandse tekst is deze aanvulling weer ongedaan gemaakt.

Een tweede aanvulling is ingrijpender:
het ‘uitgaan’ van de Geest is op zeker moment
in de vroege middeleeuwen niet alleen als
van de Vader’ maar ook als ‘van de Zoon’ opgevat.
Het gaat hier om een uitbreiding
van slechts één woord in het Latijn (filioque),
maar deze aanvulling is officieel
door de oosters-orthodoxe kerken afgekeurd
en door de Rooms-Katholieke Kerk bekrachtigd.
Niet alleen verschil van onderliggende theologische inzichten
maar meer nog het eigenmachtig wijzigen
van een bindende tekst houden
sinds die tijd op dit punt
de kerken van het Oosten en het Westen gescheiden.

En dat moet betekenen dat de Almachtige God niet denkt
dat het Gods macht en majesteit in gevaar brengt
om te komen en ons leven te delen.
Maar het betekent ook dat de volledige leven gevende kracht van God
niet alleen ‘buiten’ maar ‘binnen’ de wereld is.

Dus waarom is deze belijdenis nog steeds belangrijk?
Vier simpele redenen:

1) Omdat het in principe om identiteit ging,
en de vraag naar Christus’ identiteit is nog steeds belangrijk.

2) Omdat we nog steeds mensen zien die Jezus Christus als bovenmenselijk beschouwen
– niet echt een van ons, of halfgoddelijk – niet God in dezelfde zin als God de Vader.
Want als we werkelijk interkerkelijk willen zijn, over verschillende denominaties heen,
maar ook door de tijd heen,
moeten we bevestigen dat Gods Zoon en Geest echt van de ene God zijn.
Al in de tweede eeuw karakteriseerde de eerste grote christelijke theoloog, Irenaeus,
het Woord en de Geest als Gods twee handen;
we kunnen ons voorstellen dat de Drie-eenheid zich eerst uitstrekt om ons te scheppen
en ons vervolgens te omarmen met Gods verlossende liefde.

3) Omdat het betekent dat we naar Jezus kunnen kijken
en daar een glimp kunnen opvangen van Gods eigen liefdevolle gezicht;
niet alleen een vaag beeld, maar de realiteit zelf.

4) En omdat alleen God ons naar Gods eigen beeld kon herscheppen
en ons tot nieuw leven kon verwekken.