Paus Franciscus schreef op 4 oktober 2023 een brief aan alle mensen van goede wil: Laudate Deum, prijs God! In die brief uit hij zijn zorgen over het klimaat.
Hij schrijft: Acht jaar zijn verstreken sinds ik de encycliek Laudato si’ publiceerde, toen ik met u allen, mijn broeders en zusters van onze lijdende planeet, mijn oprechte zorgen wilde delen over de zorg voor ons gemeenschappelijk huis. Maar met het verstrijken van de tijd heb ik me gerealiseerd dat onze antwoorden niet adequaat zijn geweest, terwijl de wereld waarin we leven aan het instorten is en misschien wel het breekpunt nadert.
De paus rekent in zijn brief af met het oude beeld van de mens als kroon op de schepping die over alles mag heersen, de mens als middelpunt.
De mens die de plaats van God wil innemen wordt de ergste vijand van zichzelf (LD 73). God is de Schepper en eigenaar van deze wereld.
We dachten dat we over de natuur konden heersen. En misschien heeft dat ook wel te maken met theologie, met onze interpretatie van het scheppingsverhaal uit Genesis. Waarin we een opdracht tot heersen lazen?
Vandaag is dan het het conclaaf begonnen. Onder het zingen van ‘Veni Creator Spiritus’ zullen de kardinalen zich afzonderen om – geleid door de Heilige Geest – een nieuwe paus uit hun midden te kiezen.
En het houdt van links tot rechts de gemoederen enorm bezig. Want er is iets aan de manier waarop pausen worden gekozen dat tot de verbeelding spreekt. Degene die het idee van zwarte rook voor ‘geen besluit’ en witte rook voor ‘habemus papam‘ – ‘we hebben een nieuwe paus’ – bedacht, was een marketinggenie. Zoveel beter dan een persbericht of een tweet van het Vatican X-account.
Natuurlijk sprak heet conclaaf zo levendig tot onze verbeelding door recente gelijknamige film met Ralph Fiennes. Naar het boek van Robert Harris. Ja, we zijn dol op het idee van geheime debatten en intriges, mensen die van de wereld worden afgesloten totdat ze een besluit nemen met geheimzinnige, oude rituelen en een onzekere uitkomst. Was er ooit een film waarvan de release beter getimed was?
En dan zijn er nog de enorme aantallen. Er zijn vandaag de dag ongeveer 1,4 miljard katholieken in de wereld; ongeveer evenveel als de bevolking van India en China, de meest bevolkte landen ter wereld. Toch is de identiteit van de nieuwe paus ook voor ons van belang. De leider van China of India is vooral interessant voor mensen die in China of India wonen, maar misschien minder voor degenen onder ons die daar niet wonen. Maar de nieuwe paus is het hoofd van de kerk misschien om de hoek van waar je woont, of van mensen met wie je samenwerkt, of, als je zelf katholiek bent, je eigen spirituele leider. Deze benoeming is dus enorm belangrijk.
Maar het gaat niet alleen om de uiterlijke schijn, het drama, de aantallen. En het geldt ook niet alleen voor katholieken.
Officieel wordt een paus aangeduid als de opvolger van Petrus, één van Jezus’ vrienden. Je zou dus kunnen zeggen dat zijn ambt als het ware een levende link vormt met de oorsprong van de christelijke beweging, de eerste tekenen van de revolutie.
Natuurlijk is er een aantal behoorlijk vreselijke pauselijke zetelbezitters geweest, wier persoonlijke levens nauwelijks enige kennis van of relatie met Jezus vertoonden. Denk bijvoorbeeld aan de zestiende-eeuwse Roderigo Borgia (paus Alexander VI), die ondanks de regel van het geestelijk celibaat, meerdere kinderen kreeg van diverse maîtresses, en het pausschap verwierf door kardinalen om te kopen en zijn favoriete zoon op achttienjarige leeftijd tot bisschop van verschillende lucratieve zetels maakte, en op negentienjarige leeftijd tot kardinaal. Er is dus niets vanzelfsprekends aan – en daarom ontkenden de protestantse hervormers het idee van een algeheel automatisch pauselijk gezag.
Maar wanneer een persoon van evidente heiligheid wordt gecombineerd met dit besef van het gewicht van het ambt, wordt het pausschap een geschenk aan ons allen, dat ons verbindt met de eerste volgelingen van Jezus – zelfs met Jezus zelf.
Het pausschap is een van die unieke dingen in het moderne leven – een navelstreng met het verleden. Monarchieën doen iets soortgelijks: ze verbinden ons met het verleden via de lange rij koningen en koninginnen. Maar vaker wel dan niet onthullen de gebeurtenissen waarnaar ze ons terugvoeren, het proces waarmee die families de macht grepen, duistere politiek, omkoping en bloedige gevechten.
Dit is een lijn in de geschiedenis die ons verbindt met de gebeurtenis die, als we Tom Hollands boek Heerschappij mogen geloven, meer impact heeft gehad op de vorming van de westerse cultuur dan welke andere ook: het opmerkelijke leven, de dood en de wederopstanding van Jezus – een radicaal leven vol liefde, zelfopoffering en transformerende kracht – voor zowel individuen als hele beschavingen. En daarvoor zouden we, of we nu katholiek, protestant, orthodox of misschien zelfs ongelovig zijn, een gebed – of een glas – van dankzegging kunnen heffen.
Het boek Exodus, laat ons de namen herinneren, niet alleen van de zonen van Israel, maar ook van twee dappere vrouwen, verzetsstrijders: Sifra en Pua. Ze staan op tegen de kwade macht die dood wil.
Deze kwade macht is naamloos. Hoe de farao heette vertelt het verhaal niet. Wel zien we duistere trekken die dit volk maar al te goed herkent: van slavenarbeid, tot genocide. Terwijl in de tussentijd, van kwaad tot erger, de woonplaatsen langzaam zijn verandert tot werkkampen. Het kwaad mag dan geen naam hebben, we kijken hier de dood recht in de ogen.
Is het verhaal hier afgelopen? Is dit de moraal van het verhaal? Dat het goed met je gaat, als je je verzet…?
Wat ik van verzet weet, komt uit jongensboeken, en het stoere beeld wat ik ervan heb, is ongetwijfeld geromantiseerd. Maar de werkelijkheid was rauwer; het gaat op leven en dood. En misschien wel meer van dat laatste: de dood.
Als je je verzet tegen het kwaad, stoot je je. Een Stolpersteen, een steen waarover je struikelt. Van hen herinneren we ons de namen. Maar zo’n struikel-steen laat ook zien: We vertillen ons snel aan het kwaad. Het botst, het schuurt. Blijkbaar lukt het ons als mensen niet, om nee te zeggen tegen kwaad: Het is zo groot, en zo universeel.
Wat zou jij doen? Zou ik de moed hebben om op te staan? Of is mijn gebrek aan lef nu precies hoe diep het kwaad in de wereld zit?
Zelfs al heeft iemand de moed om in verzet te komen, vaak lijkt het zinloos. Je kunt het zien het aan die laatste regel: Toen gaf de farao aan heel zijn volk het bevel om alle Hebreeuwse jongens die geboren werden in de Nijl te gooien; de meisjes mochten in leven blijven. Die twee kraamvrouwen, heldinnen, hadden zich verzet. maar het kwaad neemt alleen maar toe. De kinderen die zij hebben gekregen, je hoopt maar, dat het meisjes waren; zouden ze het anders hebben overleefd?
Maar toch; verzet denkt niet na over zin. Die vrouwen, Sifra en Pua, gaan niet berekenen, of hun lef levens zal kosten. Net zomin als dat je afwoog of het wel verantwoord was, om een kind illegale kranten te laten rondbrengen. Verzet kost je soms alles, en toch doe je het.
En door dat verzet heen klinkt dat hogere doel, dat intense verlangen naar bevrijding. Opkomen voor dat Godgegeven leven, waar je net als die vrouwen ontzag voor hebt, ja, ontzag voor de Heer zelf.
Het Wilhelmus zingt eerst: ‘den Koning van Hispanje heb ik altijd geëerd.’ Verzet is nooit de basis; de uitgangspositie. En doorgaans, is gehoorzaamheid iets goeds. We proberen het aan te zien, tot het echt niet langer gaat. Of moeten tot onze schaamte erkennen dat we gewoon het lef niet hebben. Maar als je doorzingt, komt toch echt de bede: ‘dat ik toch de tirannie mag verdrijven, die mij mijn hart doorwondt.’ Dat is verzet. En dan raakt het me dat deze regel wordt voorafgegaan door de wens: ‘dat ik toch vroom mag blijven.’ Ik hoor daarin het vroedvrouwen-verzet: het ontzag voor God.
Het boek Exodus laat ons de namen herinneren van deze Sifra en Pua. Het boek gaat verder, want bij verzet kan het niet blijven. Exodus is een boek van bevrijding. Vol ontzag uitkijkend naar het werk dat de Bevrijder verzet.
Zwemmen leer je door te doen. Goed zwemmen leer je door in een steeds dieper bad te oefenen. Dat is logisch. Ook geloven leer je ook alleen maar door te doen. Goed geloven leer je door het te oefenen in de diepe lagen van jezelf en van het leven. Dat is logisch. Toch denken veel mensen dat geloven iets is van: ‘aan’ of ‘uit’. Je hebt het of je hebt het niet. Maar een beetje gezond verstand – en ook de mystieke traditie van de kerk – vertelt iets anders: In geloven kun je groeien. Want geloven lijkt nog het meest op zwemmen. Op de kant krijg je uitleg, in het pierenbadje wen je aan het water, en dan steeds verder het diepe in. En onvermijdelijk krijg je af en toe een flinke slok zwemwater binnen..
De Duitse theoloog Karl Rahner was gespecialiseerd in de spiritualiteit van de kerk. Zo’n vijftig jaar geleden probeerde hij zich voor te stellen hoe de spiritualiteit van de 21ste eeuw er uit zou zien. Volgens hem zou het drie kenmerken hebben: ·de Godservaring zou centraal staan ·de betrokkenheid op de wereld zou vanzelfsprekend zijn. ·het alledaagse leven zou de vorm zijn waarin spiritualiteit geoefend zou worden (wat ze vroeger: ascese noemden).
Hij meende: de gelovige van morgen zal iemand zijn die iets van God ervaren heeft – of zal geen gelovige meer zijn.
God ervaren? ‘Ja, mijn oma, die deed dat’, zegt de jonge vrouw met wie ik spreek. ‘Die beleefde God. Dat kon je merken toen ze dood ging, namelijk heel rustig, vol overgave. Maar ik weet het nog niet zo net. Hoe weet je dat je het niet allemaal fantaseert?’ ‘Vertel me eens’, zeg ik: ‘Heb je weleens meegemaakt dat je iets zeker wist, zonder dat je weet hóe je dat wist?’ ‘Ja’, zegt ze na enig nadenken. ‘Toen ik mijn vrouw leerde kennen. Ik wist gewoon dat zij het was.’
Met geloof is het net zoiets. Het kennen van God is als het kennen van de liefde. In de liefde geef je jezelf en word je kwetsbaar. Het is net alsof je dan niet alleen met je ogen, maar met je hart kijkt. En wat je dan van de ander leert kennen, heeft zo zijn eigen bewijskracht.
In de tijd van onze oma’s was het geloof vooral overgave, vertrouwen, juist in je kwetsbaarheid. In onze tijd is het geloof vooral een soort denksysteem. Een opvatting, een gedachte, een wereldbeeld, een set normen en waarden waar je het mee eens bent of niet. Daarom is het moeilijk voor mensen van deze tijd om een connectie met God te ervaren.
We leven horizontaal: de wereld is alles en de hemel ver weg. Het grote voordeel van zo’n levensgevoel is dat we ons echt bekommeren om de aarde. We leven niet voor het hiernamaals zoals mensen vroeger wel deden (en gelijk hadden ze: zo’n pretje was het niet om in grote armoede en kindersterfte te leven). Wij leven voor nú – en als we geloven, dan moet het voor het hiernumaals zin hebben. Toch heeft het een nadeel om zo horizontaal te leven. Ook de eeuwigheid is het verlengstuk van de tijd geworden: voordat je geboren wordt en nadat je dood bent. Eeuwigheid als een hoeveelheid van tijd. Maar eeuwigheid kun je ook zien als de verticale dimensie van de tijd: een kwaliteit ervan. We kennen het nog wel in onze spreekwoorden: een eeuwig moment is een heel bijzonder moment: zo bijzonder dat de tijd zelf iets tijdloos krijgt. Waarom zouden we niet herontdekken hoe de eeuwigheid van de tijd iets heel bijzonders maakt? Geloven is niet iets anders dan leven in de wereld – maar dan goed.
Leren zwemmen doe je in een zwembad. Maar waar leer je geloven? In het gewone leven, zegt de wijsheid van de kerk, lang voordat Karl Rahner het opnieuw onder de aandacht bracht. Hoe dan? Met aandacht leven en luisteren naar wat de praktijk tegen je zegt. De manier waarop je naar het leven kijkt, laten bijstellen door de Bijbel. In de praktijk brengen wat je echt zelf hebt geleerd, al is het maar met kleine stapjes. Oefen in je relaties hoe je waarheid en liefde bij elkaar kunt houden. Doe er dan een scheutje barmhartigheid en vergeving bij dan ben je aardig op weg. En als je echt goed wilt geloven: ga dan de diepte in. Breng de moeilijke dingen van het leven in gesprek met de God van Jezus. Leef je vragen en houd het uit tot ze zichzelf tot rust brengen. Als je zo leeft, zul je merken dat er iets gaat schuiven. Net als bij het zwemmen: het water zelf gaat je dragen.
Still uit de film Bonhoeffer. Pastor. Spy. Assassin.
Dietrich Bonhoeffer heeft zijn 40ste verjaardag nooit gehaald.
Hij werd ter dood veroordeeld in een schijnproces in het concentratiekamp Flossenbürg. Hij werd naakt, naar de galg geleid en in april 1945 op direct bevel van Adolf Hitler geëxecuteerd; officieel wegens verraad.
Sindsdien zijn Bonhoeffers leven en gedachten onderhevig geweest aan projecten en wensvervulling. Bonhoeffer is geseculariseerd, geliberaliseerd, geradicaliseerd en gepopulariseerd door mensen uit het hele religieuze en politieke spectrum, op manieren die slechts een oppervlakkige zorg voor historische feiten en weinig (of geen) begrip van zijn literaire nalatenschap laten zien. Onlangs en opmerkelijk genoeg, in feite weerzinwekkend, is Bonhoeffers naam zelfs gebruikt door de Amerikaanse rechtse Heritage Foundation om het zogenaamde ‘open-grenzenactivisme’ en ‘milieu-extremisme’ van Amerikaanse links te veroordelen in hun Project 2025, een verlanglijst voor het presidentschap van Donald Trump.
Het was dan ook met gemengde gevoelens dat ik de nieuwe film Bonhoeffer: Pastor. Spy. Assassin ben gaan kijken.
Uitgebracht door het christelijke productiebedrijf Angel Studios heeft de film de volgende trailer:
‘Terwijl de wereld op de rand van vernietiging balanceert, wordt Dietrich Bonhoeffer meegesleurd in het epicentrum van een dodelijk complot om Hitler te vermoorden. Met zijn geloof en lot op het spel, moet Bonhoeffer kiezen tussen het hooghouden van zijn morele overtuigingen of alles op het spel zetten om miljoenen Joden te redden van genocide. Zal zijn verschuiving van het prediken van vrede naar het beramen van moord de loop van de geschiedenis veranderen of hem alles kosten?’
De bijbehorende afbeelding toont de pacifisme predikende Bonhoeffer met een pistool in zijn hand.
Zoals elke biopic voor het grote scherm, mengt de film Bonhoeffer feiten en fictie met een flinke scheut artistieke en filmische vrijheid. Deze vrijheid is natuurlijk noodzakelijk voor de kunst van het scenarioschrijven: tijd moet worden gecomprimeerd; biografie moet worden verlevendigd; karakters van mensen moeten worden gedemonstreerd; want uiteindelijk moet de film worden bekeken.
Het lijdt geen twijfel dat Bonhoeffer tijd doorbracht aan het Union Theological Seminary in New York en dat hij daar klaagde over de staat van de Amerikaanse theologie; dat hij actief deelnam aan de Abyssinian Baptist Church in Harlem en goede vrienden werd met een Afro-Amerikaanse student genaamd Frank Fisher.
Maar leren jazzpiano spelen in een nachtclub in Harlem? Met de kolf van een geweer worden geslagen door een racistische hoteleigenaar? En een vurig voorvechter worden van Afro-Amerikaanse burgerrechten? En de fictieve Harlem-preek bevat ook een verwijzing naar de executie van 33.000 Joden nabij Kiyv – het bloedbad van Babi Yar, dat pas in september 1941 plaatsvond. Bonhoeffers verblijf in Harlem stond inderdaad centraal in zijn denken, met name over kwesties die verband hielden met ras. Toch bagatelliseert de vermenging van gebeurtenissen die plaatsvonden rond het hoogtepunt van de genocide (de meeste Joden die tijdens de Holocaust werden vermoord, stierven in 1942 en 1943) met gebeurtenissen en geschriften uit de zomer voor de oorlog de ontwikkeling van Bonhoeffers theologie; zoveel van zijn denken was een nauwgezette maar directe reactie op wat hij met eigen ogen zag.
Er bestaat ook geen twijfel over dat toen Hitler aan de macht kwam, dat Bonhoeffer zich uitsprak tegen de gevaren die inherent waren aan het Führer-concept en dat hij in de jaren dertig onverzettelijk kritiek uitte op het nazisme en de nationaalsocialistische ideologie.
In de film krijgt hij de volgende woorden in de mond gelegd: ‘Ik kan niet blijven doen alsof bidden en onderwijzen genoeg is.’ ‘Vuile handen … Dat is alles wat ik te bieden heb.’ Of, als antwoord op de vraag van zijn vriend en student Eberhard Bethge, of Hitler de eerste kwaadaardige leider is sinds de Schrift werd geschreven: ‘Nee. Maar hij is de eerste die ik kan stoppen.’
Waren dit ooit zijn woorden?
Nee, niemand zal ook betwisten dat Bonhoeffer een ondergronds seminarie leidde in Finkenwalde om toekomstige predikanten van de Bekennende Kirche in Duitsland op te leiden; of dat hij zei: ‘Elke roep van Christus leidt tot de dood’. Maar de film verdraait ook enkele belangrijke aspecten van de bredere historische context. Cruciaal is dat Hitler en de nazipartijleiding, net als – foutief – in Eric Metaxas’ Bonhoeffer-biografie, worden afgeschilderd als degenen die de Deutsche Evangelische Kirche (Duitse Protestantse Kerk, DEK) overnemen en die hun greep daarop blijkbaar nooit opgeven, waarmee ze een Reichskirche creëren. Ondertussen bestrijdt de Bekennende Kirche – hier geleid door Bonhoeffer en Niemöller – moedig de nazi’s, met name hun anti-joodse beleid en acties, waaronder de Holocaust. Dit misleidende verhaal suggereert dat er twee kanten aan de Kerkstrijd waren: de (ogenschijnlijk onverschrokken) Bekennende Kirche en de Reichskirche, die in de film het restant van de DEK vertegenwoordigt, die zogenaamd door Hitlers ‘brute nationalisme’ was ingelijfd.
Deze versie van de kerkstrijd versmelt de Rijkskerk, de aanzienlijke minderheidsfractie van de DEK, de Duitse christenen, die gretig vele aspecten van het nazisme omarmden en ‘gedejudaïseerde’ Bijbels en gezangboeken creëerden en gebruikten. Toch laat ze de meerderheid van de Duitse protestanten volledig buiten beschouwing, die ervoor kozen zich niet aan te sluiten bij de Duitse christenen of de Bekennende Kirche. Ze verzwijgt ook het feit dat Hitler uiteindelijk het idee van een Rijkskerk opgaf.
Maar wat wel betwistbaar is, is dat (zoals de film suggereert) Finkenwalde een veilige haven was van waaruit een complot om Hitler te vermoorden werd gelanceerd, en dat Bonhoeffers meest memorabele aforisme van christelijk discipelschap bedoeld was om te worden samengevoegd, zoals in de film gebeurd, met beelden van een samenzweerder die een zelfmoordbom voorbereidde.
En Bonhoeffer sloot zich zeker aan bij de Duitse militaire inlichtingendienst en fungeerde als een soort dubbelagent. Hij gaf zeker informatie over de samenzwering door aan internationale kerkleiders tijdens zijn reizen buiten Duitsland. Hij wist zeker van zowel ‘Unternehmen Sieben’ (een plan om een kleine groep Joden en Joodse christenen uit Duitsland te smokkelen naar veiligheid in Zwitserland), als het geplande complot om Hitler te vermoorden.
Maar om, zoals de film ook doet, te suggereren dat Bonhoeffer centraal stond in deze plannen en er persoonlijk bij betrokken was, of dat hij via bisschop George Bell aan Winston Churchill vroeg om te lobbyen voor het leveren van een bom die de samenzweerders konden gebruiken om Hitler te doden, is niets meer dan een zeer omstreden en zelfs samenzweringstheorie. Andere scènes zijn – onbedoeld – onnauwkeurig of ‘metaforisch’. Wanneer Martin Niemöller het (inmiddels beroemde) gedicht ‘Als die Nazis die Kommunisten holten..’ voordraagt, doet hij dat met een donderende preek op profetische wijze, alsof hij die beroemde woorden al uitsprak voordat de nazi’s ‘hem kwamen halen’. In de film wordt de preek blijkbaar in 1944 gehouden, hoewel Martin Niemöller in 1937 werd gearresteerd en in 1944 in Dachau zou zijn geweest (de Niemöller in de film verklaart tijdens de preek dat hij ‘dertien jaar’ hun predikant was geweest; Niemöller werd in 1931 predikant in Berlijn-Dahlem). Wat bekend zou worden als Niemöllers ‘bekentenis’ werd pas na de oorlog uitgesproken, dus na zijn zeven jaar durende opsluiting in eerst een Berlijnse gevangenis, vervolgens Sachsenhausen en uiteindelijk Dachau.
Zeker, Bonhoeffers leven en gedachtegoed zijn duidelijk boeiend, maar het is ook complex.
Bonhoeffer liet een reeks boeken, essays, preken, onafgemaakte manuscripten, werknotities en brieven na, die allemaal notoir moeilijk te interpreteren zijn. Bonhoeffer walst over deze moeilijkheid en complexiteit heen en trivialiseert daarmee de erfenis van een hedendaagse, gemartelde christelijke heilige. De film vertelt ook gedeeltelijk een onwaar verhaal: het verhaal van een man die voorbestemd is, ja vastbesloten, om een leven van gebed, onderricht en diplomatie te verloochenen om een potentiële huurmoordenaar te worden en zich koste wat kost bezig te houden met gewelddadige politieke spionage en activisme.
Dit alles is (heel) ver verwijderd van de man die in 1930 Amerikaanse christenen aanspoorde om te onthouden dat ze broeders en zusters hebben ‘in elk volk,’ niet alleen in hun eigen volk, en dat als het volk van God verenigd zou zijn, ‘geen nationalisme, geen haat van rassen of klassen zijn plannen kan uitvoeren en (…) de wereld vrede zal hebben.’
Zeker, het is gebruikelijk dat filmmakers gebeurtenissen samenvoegen om een verhaal efficiënter te kunnen vertellen. Maar het verhaal van de film is een heel eind verwijderd van de man die in november 1940 schrijft dat ‘radicalisme,’ en ‘christelijk radicalisme’ in het bijzonder, ‘voortkomt uit een bewuste of onbewuste haat (…) jegens de wereld, of het nu de haat is van de goddelozen of van de vrome.’
En het is een heel eind verwijderd van de man die met Kerst 1942 reflecteert op de ‘onvergelijkbare waarde’ van het hebben geleerd ‘de grote gebeurtenissen van de wereldgeschiedenis van onderaf te zien, vanuit het perspectief van de verstotenen, de verdachten, de mishandelden, de machtelozen, de onderdrukten en verguisden, kortom vanuit het perspectief van het lijden.’
de film Bonhoeffer loopt daarom het risico Bonhoeffers erfenis als theoloog, pastor en man van verzet bloot te stellen aan nog meer misbruik. In een tijd waarin het politieke en religieuze discours steeds meer doorspekt is met xenofobe, autoritaire en nationalistische retoriek, en in het slechtste geval christelijk nationalistische retoriek, is dit niet wat nodig is. Het is niet verrassend dat Bonhoeffer-experts over de hele wereld en Bonhoeffers eigen familie zich zorgen maken.
Maar is Bonhoeffer desondanks de prijs van een kaartje waard? Na het zien van de film blijft het bij mij toch knagen. Want naast het pathetisch overdreven Amerikaans-Duitse accent van de acteurs, naast de enorm vrije omgang met situaties en teksten uit de Bijbel, de enorm vrije filmische brei en fouten van fictie en geschiedenis, blijf ik het mij afvragen: is dit nu wel of niet een goede kennismaking met de figuur van Dietrich Bonhoeffer? ‘Tuurlijk, er is inhoudelijk heel, heel veel mis met deze film, – maar dat geldt voor mij ook met de jaarlijkse The Passion op tv – kan het dan toch niet een ingang vormen voor mensen als kennismaking met Dietrich Bonhoeffer?
Misschien verrassend genoeg denk ik dat het dat wel is: al was het maar vanwege de ontknoping.
In een opeenhoping van verfraaide feiten zijn de laatste scènes van de film ook enorm aangrijpend en diep ontroerend. Kort voor zijn executie gaat Bonhoeffer zijn medegevangenen voor in het ochtendgebed, waarbij hij brood breekt en wijn met hen drinkt als herdenking van de dood van Jezus Christus. Vervolgens loopt Bonhoeffer in vrede naar de galg, wetende dat voor hem, als discipel van Jezus Christus, zijn dood slechts het begin van het leven is.
Het is zo’n standvastige hoop, in het aangezicht van alle vernederende absurditeit van menselijke tegenstrijdigheden (om wat woorden van Fjodor Dostojevski te lenen), waar de kerk en onze wereld vandaag de dag misschien het meest wanhopig behoefte aan hebben.
Ik moest twee keer met mijn ogen knipperen, toen ik mij plotseling realiseerde wat er gebeurde: president Trump en president Zelensky die in een tête-à-tête met elkaar spraken op de begrafenis van paus Franciscus. Dit was zó belangrijk!
De meeste berichtgeving over de requiemmis van paus Franciscus richtte zich toch op het ‘spektakel’ of de kans voor wereldleiders om contact te leggen. Het is verleidelijk om te denken dat het hoofdpodium van de Sint-Pietersbasiliek eigenlijk een bijzaak was van de marginale gebeurtenissen van politici die de wereld verdeelden. Met alle planning die gepaard gaat met gebruikelijke geopolitieke topconferenties, heeft het Vaticaan een spectaculair, geïmproviseerd decor geboden.
Toch kijk ik hiernaar met gemengde gevoelens. Maar als het om zaken van leven en dood gaat, is er geen betere locatie dan een begrafenis.
Dit veronderstelt natuurlijk dat leiders de tegenwoordigheid van geest hebben om het dode lichaam voor zich te erkennen (niet ‘overleden’), in plaats van alleen maar de handelingen te verrichten en na te denken over de fotomoment. Maar de raderen van de dood kunnen niet worden vermeden.
‘Bittere rivalen kunnen de rituelen van de sterfelijkheid erkennen‘ werd er ergens door een analist geschreven. Verhalen over leiders die recent begrafenissen bijwoonden, zijn soms onthutsend. De begrafenis van paus Franciscus was niet anders: Een onhandige Trump bijvoorbeeld die door zijn vrouw moest worden aangespoord om mee te doen met het gebruik van de vredesgroet.
Naast degenen die Franciscus prioriteit gaf – degenen die naar de marge werden verdrongen – was er een kritische ‘massa’ op de begrafenis aanwezig van mensen die zich in het hart van de samenleving bevonden: Er waren 170 delegaties, waaronder 50 staatshoofden, 15 regeringsleiders en 12 regerende monarchen. Treffend wordt er dan bericht: ‘Omdat de dood altijd bij ons is (…) bestaat er weinig twijfel over dat deze begrafenis nu de belangrijkste ceremoniële gebeurtenis is in het wereldwijde diplomatieke systeem’.
Daarom moest deze onwaarschijnlijke kans op bilaterale diplomatie ten volle worden benut.
Juist omdat begrafenissen, terwijl de lichamen in het graf neerdalen, ons uit het alledaagse, de 24-uurs nieuwscyclus en het doomscrollen verheffen, bieden ze ons de mogelijkheid om contact te maken met wat er echt toe doet. Minder dan 24 uur voor zijn dood sprak de paus op Paaszondag de woorden:
Christus is verrezen! Deze woorden vatten de hele betekenis van ons bestaan samen, want we zijn niet gemaakt voor de dood, maar voor het leven. God schiep ons voor het leven en wil dat de menselijke familie weer opstaat!
En nu onze wereldorde wankelt, zou de menselijke familie wel eens weer kunnen opstaan wanneer de machthebbers elkaar ontmoeten op een begrafenis.
Zeker, we zullen moeten afwachten of de geopolitieke ontmoetingen die hebben plaatsgevonden, vruchten afwerpen. Maar we mogen in die hoop leven. Als wereldleiders lering zouden trekken uit de raadselachtige, overleden paus, zouden ze inzien dat hij als teflon was voor de politieke etiketten die mensen hem probeerden op te plakken. Je krijgt de indruk dat hij streefde naar iets blijvenders dan soundbites, snelle overwinningen en populariteit.
Ik zou er ook aan toe willen voegen dat begrafenissen er zijn voor de levenden. Begrafenissen helpen ons te rouwen. Ze helpen ons verlies te verwerken, en daarom blijven de ‘stoffelijke resten’ bestaan. De oude verklaringen, de preek, het breken van het brood en het uitschenken van de wijn, ja zelfs de theatrale aspecten, helpen ons ons eigen leven te plaatsen op een wereldtoneel waar we zowel bijfiguren zijn als ook de onverdeelde aandacht van vele toeschouwers waard zijn.
In een wereld waar geopolitiek miljoenen mensen dreigt te depersonaliseren en te ontmenselijken, botsen begrafenissen onvermijdelijk tussen het universele en het individuele. De context van aanbidding en dankzegging tilt ons ook uit de aantrekkingskracht van de vluchtigheid van natiestaten en ons eigen leven, om de mogelijkheid te ontdekken en te laten draaien om Iemand die veel grootser en standvastiger is. Net als bij diplomatie is er geen betere plek om de dood te overdenken dan een begrafenis.
De dubbelheid van deze wereld zit me dwars. Bijvoorbeeld de gruwelijke beelden vanuit de Oekraïne of uit het Midden-Oosten, de complete verwoesting van steden, miljoenen vrouwen en kinderen op de vlucht; is dit nu ‘beschaafd’ 2025? Aan de andere kant lacht het voorjaar ons tegemoet, de zon krijgt de overhand, de natuur kondigt de nieuwe lente aan en ondanks alle ellende in de grote wereld om ons heen werd het gewoon Pasen. Het zijn twee kanten van dezelfde medaille.
Denk aan een pauw. Als je de pauw van de voorkant ziet, heeft hij prachtig mooie veren. Als de pauw zijn staart opzet, is het een lust voor het oog. Wat heeft God zo’n pauw mooi gemaakt! Maar hebt u een pauw wel eens in de kont gekeken? Diezelfde pauw wel eens van de achterkant gezien? Hoe lelijk ‘t-ie-dan is? Bruine veren, vieze achterkant. Toch is het één en dezelfde pauw. Zijn mooie voorkant en zijn lelijke achterkant. Die pauw heeft maar één Schepper. God heeft die pauw geschapen, zijn voorkant én zijn achterkant
God schiep niet alleen de pauw, God schiep deze hele wereld. Met zijn voorkant en zijn achterkant. Ook in uw en mijn leven. De mooie en de moeilijke kanten. Goed bestaat niet zonder slecht. Mooi bestaat niet zonder lelijk. Zo zit deze wereld in elkaar. We zijn hier nog niet in het paradijs. Het kwaad is hier in alle soorten en maten. Palmpasen is feestelijke intocht en tegelijkertijd het begin van het einde. Heden Hosanna, morgen kruisigt Hem. Pasen is kruis, graf en dood, maar ook opstanding en nieuw leven. Ook hier geldt, het één bestaat niet zonder ander. Dat is geloven: aan de ene kant je hart en je ogen open houden voor de pijn en de lijdensweg, die mensen in deze wereld moeten gaan. Maar er niet in blijven hangen, er niet aan ten ondergaan. Want die andere kant mag je ook zien: een nieuwe toekomst, die heeft God ons heeft beloofd met de Opstanding van Jezus zelf.
En mocht je dat soms even kwijt raken, denk dan aan de pauw.
De laatste tijd lijkt er enorm veel belangstelling te ontstaan voor de meeslepende Netflix-drama Adolescence. Zelfs zoveel dat er nu naar aanleiding van de problematiek die serie wil agenderen een lespakket wordt ontwikkelt. Zeker, Adolescence is een deels verzonnen verhaal maar het wil wel échte problematiek aan de kaak wil stellen. Het feit is dat het (mannelijke) brein enorm wordt beïnvloed door content, inhoud, die te vinden is op sociale media. Dat betekent dat mensen die extreem geweld zien op de sociale media die ook vaker bezigen in het échte leven.
Want hoe zit het met de rol van sociale media in deze verhalen? De perstonnages in Adolescence werden geradicaliseerd door de gewelddadige content die ze online hadden bekeken. Op sociale media doet extreme content het goed, vooral op sites zonder filters voor pornografie en geweld. Ze zaten opgesloten in een konijnenhol, een bubbel waar ze geen oog ben oor meer hadden voor andere zaken. En ook in het echte leven beginnen we langzamerhand te ontdekken dat contentalgoritmes niet neutraal zijn, maar ons juist opsluiten in echokamers die ons doelbewust vormen tot betere consumenten van content, reclame en objecten. Sociale media verzamelen onze data en verkopen die door, wat betekent dat ze ons als product cultiveren.
Toch verhullen deze manipulaties het diepste probleem. Sociale media depersonaliseren ons, verhinderen ons om een echte menselijke verbinding aan te gaan en verdraaien onze kijk op iedereen behalve onszelf. De Duitse filosoof Martin Buber maakte onderscheid tussen twee verschillende manieren waarop mensen in de wereld kunnen bestaan.
De ene was Ik-Het; een persoon behandelt iedereen en alles waarmee hij of zij in contact komt als een ‘Het’, iets om te gebruiken of uit te buiten.
De andere was Ik-Gij, waarbij mensen ieder ander mens benaderen als een uniek wezen, met middelen om het Ik aan te bieden, wat ervoor zorgt dat er een wederzijdse, open, actuele verbinding ontstaat. Voor Buber was de ultieme ‘Gij’ God, met wie mensen de diepste en meest transformerende verbinding kunnen hebben.
Sociale media zorgen ervoor dat we het leven in de ‘ik/het’-modus zien door oprecht contact met anderen te vermijden en een nep-bestaan te bieden die nooit open kunnen staan voor oprechte verbinding met anderen. Liefde en genegenheid worden gecommercialiseerd: likes, volgers, reacties. Onze presentatie van onszelf wordt extremer, perfecter, mooier, om nieuwe zaken op te blijven delven. Onze ogen en ons hart worden naar binnen gedwongen en we verliezen elk gevoel van een ‘Jij’ onderweg. We blijven gewoon het ik tegenkomen: onze eigen gedachten, behoeften, verlangens, zelfgeradicaliseerd door ons eigen brein dat op een eilandje blijft zitten.
Kerkvader Augustinus ontwikkelde in de vierde eeuw het idee van de ‘erfzonde’. Alle mensen zijn vatbaar voor vernietiging: het zit in ons DNA. Het bewijs voor zo’n idee is te vinden in elke menselijke ervaring, als degene die vernietigt en degene die vernietigd wordt. Zonder controle, zonder oprechte verbindingen met anderen om ons hart uit te dagen en te verruimen, graaft een ik/het-leven steeds dieper in deze destructieve impulsen totdat onze menselijkheid verdraaid wordt tot gewelddadige obsessies.
Het ik/het-leven richt zich volledig op zelfverheerlijking via alle mogelijke middelen, iets wat versterkt wordt door sociale media. Wat als we niet genoeg likes, volgers en reacties krijgen? Wat als we zelfverheerlijking niet kunnen bereiken via de meer banale media van aantrekkingskracht, aandacht en populariteit?
De personnages uit Adolescence zeiden dat ze berucht wilden worden en probeerden de meest extreme uitingsvorm voor hun geweld te vinden om ervoor te zorgen dat ze nooit vergeten zouden worden. Helaas ze zullen niet de laatsten zijn. De persoon in Adolescence blijft zijn misdaad ontkennen, maar in aflevering drie van Adolescence stelt hij dat hij het jonge meisje dat hij vermoordde, alles kon aandoen wat hij wilde. Dezelfde impulsen komen terug; andere als objecten om te gebruiken voor zelfbevrediging.
De goede bedoelingen voor menselijk contact, waar sommige van die vroege socialemediasites voor bedoeld waren, zijn grotendeels verloren gegaan. Maar de goede bedoeling kan blijven bestaan in ons eigen voornemen om een ik/gij-leven te leiden. Door sociale media naast ons neer te leggen en verbindingen met mensen in de echte wereld aan te gaan door de ander met nieuwsgierigheid en openheid te bekijken, zorgen we ervoor dat we ons hart voortdurend naar buiten richten, oprechte relaties omarmen en ruimte in ons hart vinden om aan de ander te denken vóór onszelf. Dit zijn de relaties die ons menselijker zullen maken.
Uiteindelijk had Buber gelijk dat de ultieme ‘jij’-verbinding die we kunnen maken, die met God is. Het christelijke verhaal zit vol met Gods verlangen om een relatie met de mensheid te zoeken, om ons in staat te stellen een verbinding met God te vinden die onze eigen menselijke ervaring overstijgt en ons transformeert tot mensen die langzaam groeien, weg van onze destructieve instincten.
Wat zou het christelijk geloof kunnen bijdragen aan het gesprek over de cultuur waarin jonge mannen opgroeien? Een ik/gij-leven leiden dat nieuwsgierig, open en op zoek is naar de meest ware goddelijke en menselijke verbinding. Zo’n leven zou zelfs degenen kunnen raken die geteisterd zijn door sociale media en genegeerd worden door andere ik/het-levens. Het zou hen zelfs kunnen inspireren tot mededogen en nieuwsgierigheid, waardoor ze verder kijken dan de inhoud die hen naar binnen keert, zich naar buiten keren en een gezondere toekomst vinden.
Pasen is het feest van de hoop. Hoop is wat ik vaak mis in gesprekken. Hoop heeft te maken met geloof dat het goed komt. Tegen alle verwachtingen in.
Denk niet dat wat dood, uitzichtloos lijkt, ook het einde is. Denk niet dat de toekomst een voortzetting zal zijn van het verleden. Wij kunnen een andere toekomst denken, verbeelden. Dat is de droom, de hoop van de Bijbel. Pasen is geloven in, is hopen op verandering. Geloven dat het nochtans, ondanks alles mogelijk is. Dat het onverwachte waar kan worden. Die hoop tegen alle cynisme in, dat vuur, dat licht mogen we als christenen inbrengen in het debat in onze samenleving.
Pasen is het feest van de opstanding. Niet alleen van Jezus. Maar van mensen die in zijn spoor opstaan en tegen de klippen op blijven vasthouden aan het ideaal van Jezus. Aan goedheid en waarheid, rechtvaardigheid en gerechtigheid, aan liefde en vrede.
Jezus gaf de Geest, zijn Geest leeft voort in wie hem volgen willen.
Het is drie uur in de middag. Vanaf het tempelplein klinken duidelijk hoorbaar de stoten van de bazuin. Het is de tijd voor het avondgebed. Dat avondgebed begint deze dag – in verband met de viering van het Pascha – om drie uur in plaats van om vier uur. Op dit moment bidden alle vrome Joden, waar ze zich ook bevinden, hardop de woorden van het avondgebed: ‘In uw hand zijn de zielen van de levenden en de doden. In uw hand beveel ik mijn geest. Gij hebt mij verlost, HERE, getrouwe God.’ (Psalm 31:6)
Hangend aan het kruis vangt Jezus de klanken van de bazuin op. En samen met alle Joden roept Hij – zoals men gewoon is met luide stem: ‘Vader, in uw handen leg ik mijn geest.’ (Lucas 23: 46) Maar bij de gekruisigde Jezus is het meer dan een gebed. Bij Hem is het ook de verwoording van de zekerheid dat zijn taak is volbracht. De helse verschrikking van de godverlatenheid is voorbij. Gods toorn is gestild. De gemeenschap met God is hersteld. De verlossing is aangebroken! Nu kan Jezus zijn aardse leven afleggen. Zijn leven en alles wat Hij op aarde heeft gedaan. Het werk is volbracht!
Als een kind dat zich veilig weet bij zijn vader geeft Jezus hier zijn leven in bewaring bij God. “Vader!” “Pater!” In dat ene woord ligt al de liefde opgesloten die Jezus voor zijn hemelse Vader voelt. En met zijn liefde spreekt Hij ook zijn vertrouwen uit. Jezus sterft niet in wanhoop, maar in het vertrouwen dat zijn leven veilig in de handen van de Vader is. Laten die handen nu doen wat goed is. Als straks machteloze mensenhanden zijn lichaam van het kruis zullen halen, dan is de geest van de gekruisigde Jezus allang veilig in Gods handen. ‘Toen Hij dat gezegd had, blies Hij de laatste adem uit.’ (Lucas 23: 46) Heel bewust legt Jezus hier zelf zijn leven af. Dat had Hij al gezegd tegen zijn leerlingen: ‘Niemand neemt mijn leven, Ik geef het zelf. Ik heb de macht om het te geven en om het weer terug te nemen – dat is de opdracht die Ik van mijn Vader heb gekregen.’(Johannes 10: 18)
Een Romeinse legerofficier buigt voor de gekruisigde Jezus. Hij heeft gezien Wie Jezus was: ‘Werkelijk, deze mens was een rechtvaardige! (Lucas 23: 47) Hij looft God. En dan wordt het stil op Golgotha. De mensen die voor het schouwspel van de kruisiging zijn komen kijken en alles van dichtbij hebben meegemaakt, keren terug naar hun huizen in de stad. Als teken van rouw slaan ze zichzelf op de borst. Zullen ze begrepen hebben wat ze hier vandaag hebben gezien en gehoord? Er is haast geboden. Om zes uur breekt de sabbat aan. In elk gezin wordt vanavond opnieuw het feest van de bevrijding gevierd: Pascha. Een heel bijzondere Paasfeest dit jaar in Jeruzalem.
En wij?
Eigenlijk wordt in Jezus’ dood het begin van zijn overwinning al zichtbaar. Kijk maar: de aarde begint te scheuren, graven breken open en vele heiligen staan op (Matteüs 27: 51-53). Zij zijn er de levende bewijzen van dat de dood is overwonnen. De dood als laatste vijand is verslagen. ‘Door zijn dood, zegt Hebreeën 2 vers 14, heeft Hij definitief afgerekend met de heerser over de dood, de duivel. Zo heeft Hij allen die slaaf waren van hun levenslange angst voor de dood, bevrijd!’ Dankzij Jezus’ dood heeft onze dood dan ook niet meer een definitief en onherroepelijk karakter. Er zit al iets van de overwinning in.
Leg je geest, je ziel, je diepste zelf maar in de handen van Gods vaderliefde. Je zult zien wat een rust je dat geeft. Je bént uit de netten van het kwaad bevrijd omdat het eens Goede Vrijdag en Pasen is geweest. De gekruisigde Jezus spreekt ook jou aan: ‘Ik heb je verlost!’
Dat is het geheim van dit laatste bewogen kruiswoord!