Volgens mij een werkelijke jobstijding voor de de verkoop van ‘groene’ en biologische producten. Volgens een kleinschalig onderzoek gehouden in opdracht van het Voedingscentrum kiest meer dan de helft van de Nederlanders door de kredietcrisis voor goedkoper eten uit de supermarkt. En de ervaring leert dat dan meestal de biologische producten niet worden gekocht. Immers, het idee bestaat dat deze producten duurder zijn. Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral schreef Bertolt Brecht in de Dreigroschenoper. Eerst het eten, dan de ethiek. Ethiek blijkt een luxegoed te zijn; dat is ook niet verwonderlijk. De primaire levensbehoefte dient eerst te worden gelenigd voordat men aan ethische afwegingen toekomt. De ‘kiloknaller’ lonkt uitnodigend als je toch wat meer op je geld moet letten. Voedingsproducten die goedkoop zijn – en meestal minder ethisch verantwoord zijn geproduceerd – zullen in de winkels meer aftrek vinden. Een oplossing zou er misschien moeten komen van de overheid. Door ethisch minder verantwoorde producten extra te belasten of een andere financiële prikkel. Maar het lijkt of de politiek zich momenteel concentreert op andere zaken.  Dat zie je volgens mij op vele terreinen: de overheid vindt haar taak om het land op andere aspecten te helpen belangrijker dan de mensen er van bewust te worden dat het hyperconsumeren niet langer door kan gaan. Op internationaal gebied hoef ik maar te wijzen op de plannen van de regering Obama. Nu er toch wat grote offers moeten worden gebracht, worden de beloftes die gedaan zijn ineens minder concreet.

Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral…

Gisteren ben ik naar een bijeenkomst geweest waar Hans Schravesande, voorzitter van de Projectgroep Kerk en Milieu van de Raad van Kerken sprak. Het onderwerp waarover hij sprak was de klimaatcrisis. Volgens hem was het echt ‘vijf voor twaalf’. We moeten iets doen en wel nu! Schravesande ergerde zich aan de opstelling van de Protestantse Kerk in dezen: je hoort niets van de kerk en je ziet ( op nationaal niveau) vrij weinig initiatieven en de kerk neemt in de nationale discussie hierover geen deel. Maar Schravesande ergert zich ook aan het relativisme en doorgeschoten rationalisme van bijvoorbeeld Trouw waarin Elma Drayer laatst in haar column schreef dat er duidelijk twee kampen waren: een van de klimaatcrisis’gelovigen’ – zeg maar de mensen die de boodschap van Al Gore c.s.  (an inconvenient truth) volledig geloven – en een van de klimaatsceptici, mensen die grote vraagtekens zetten bij alle angstaanjagende scenario’s die wetenschappers de mensheid voorschotelen. Drayer stelt dan dat de waarheid ongeveer in het midden zal liggen. aarde in noodOver zo’n opstelling windt Schravesande zich enorm op. Er is geen tijd te verliezen, we moeten niet onze tijd verdoen met wetenschappelijk, rationalistisch geneuzel waardoor kostbare tijd verloren gaat. It s is time to turn, NOW.

Tijdens de inleiding van Schravesande moest ik denken aan bericht dat ik onlangs las:

De meeste blanke evangelicals in de Verenigde Staten denken niet dat er sprake is van  the global warming, de wereldwijde opwarming van het klimaat. Zeven van de tien blanke evangelicals vindt ‘global warming;’ maar onzin. Dat blijkt uit een in Amerika gepubliceerd onderzoek. Onder alle evangelicals (dus ook afro-amerikanen en mensen van Spaanse afkomst, etc) denken vijf op de tien dat het met the global warming niet zo’n vaart loopt en dat het vooral politici zijn die er het publiek probeert bang mee te maken. Van alle Amerikanen, ongeacht hun religieuze achtergrond, denkt eveneens een op de vijf dat het met de opwarming van de aarde wel losloopt.

Volgens Schravesande kwam dit omdat een groot aantal Amerikaanse christenen een nogal sterk apocalyptisch getint geloof heeft: de rampen (zoals onder andere beschreven in het Bijbelboek Openbaring) brengen de wederkomst van Jezus Christus dichterbij. Ik snap zulke mensen niet: volgens mij heb je als mens en als christen een verantwoordelijkheid voor het behoud van de jou in bruikleen gegeven aarde. Je dient haar goed te onderhouden, dat is mijns inziens een grote opdracht. Hoe de wederkomst werkelijkheid wordt daar hebben wij geen weet van en daar hoeven wij ons niet in die zin druk over te maken.
Schravesande wijt de hele discussie mede aan het feit dat de klimaatcrisis voor heel veel mensen niet te verbeelden valt. Men kan zich bij de mogelijke gevolgen geen voorstelling bij maken. Kortom: het komt weer neer op geloven. En uit dat geloven zal ook handelen voortkomen. Wat is onze (christelijke) toekomstverwachting in relatie tot onze verantwoordelijkheid?
Winnen de klimaat’gelovigen’ of de klimaatsceptici?
Voor mij is dat geen vraag: we moeten nu handelen en onze verantwoordelijkheid ter hand nemen!
Want praatjes vullen geen gaatjes!

On this day, we gather because we have chosen hope over fear, unity of purpose over conflict and discord.

Zo verwoordde president Barack Obama zijn missie in de inaugurele toespraak in januari 2009. Barack Hussein ObamaHoop blijkt het centrale begrip in zijn toespraak. Hoop die Obama linkt aan de Bijbel:

We remain a young nation, but in the words of Scripture, the time has come to set aside childish things. The time has come to reaffirm our enduring spirit; to choose our better history; to carry forward that precious gift, that noble idea, passed on from generation to generation: the God-given promise that all are equal, all are free, and all deserve a chance to pursue their full measure of happiness.

Je ziet hier duidelijke verwijzingen naar de monumentale speech van Martin Luther King jr. met zijn I have a dream speech: I have a dream that one day this nation will rise up and live out the true meaning of its creed: We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal. Ook refereert president Obama aan 1 Korintiërs 13:

Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, voelde ik als een kind, overlegde ik als een kind. Nu ik een man ben geworden, heb ik afgelegd wat kinderlijk was. Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend ben. Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde.

Twee mannen die aan het begin stonden van een weg vol beloftes van hoop en verandering. En in een sombere tijd als deze lijkt het wel of de mensheid behoefte heeft aan zulke opbeurende, hoopgevende woorden. Vandaar de Nobelprijs voor de Vrede voor Barack Hussein Obama. En ja, misschien heeft hij voor velen nog niet veel voor elkaar gebokst en zijn het alleen maar woorden. Maar woorden kunnen hoop geven, kunnen mensen in beweging brengen. Daarom vind ik deze prijs een aanmoediging voor president Obama op een ingeslagen hoopvolle weg.

Ik vind het altijd weer interessant dat de wereld altijd op zoek is naar mensen die hoop geven, iets om in te geloven; ondanks alle zure kritiek van anderen die de prestaties van president Obama (soms ook terecht) nuanceren. Mensen willen blijven geloven in het ongrijpbare, in het onzichtbare. Soms zijn dat kleine groepjes mensen die zich willen verbinden met elkaar en met een hoopvolle boodschap. Eeuwenlang werd dit geloof, deze hoop beleeft in kerkelijke gemeenschappen. Nu lijkt het een grote groep die benieuwd is naar de vervulling van gedane beloftes van president Obama: eenheid, gelijkheid en geluk voor velen, voor allen.

Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde. Het zijn grote woorden, honderden jaren geleden opgetekend, vaak bezoedeld en verraden. Het zijn Bijbelse woorden die voor veel mensen in de Westerse wereld blijkbaar geen zeggingskracht meer hebben.

Of toch wel?

Vandaag het tweede deel over het thema solidariteit. Het eerste deel verscheen op 2 oktober jl.

In dit tweede deel wil ik meer aandacht besteden aan dit thema vanuit de christelijke ethiek. Zonder twijfel is één van de kernbegrippen binnen het christendom naastenliefde. Dit geeft meteen aan hoe een mens vanuit de christelijke optiek in het leven zou moeten staan: karakteristiek voor een christelijke basishouding is het omzien naar de ander, zeg maar leven vanuit een gemeenschapsbesef. Bijbel en LichtDit gemeenschapsbesef zie je duidelijk vormgegeven worden in de kerkelijke gemeenschap: de gemeente van Christus is een gemeenschap waarin je wordt opgenomen; die gemeenschap was er al voordat jij er was en heeft ook een zeker gezag over jou. Natuurlijk is er ook sprake van interactie, want het behoren bij een gemeente is ook een innerlijke keuze. Maar niet in de sfeer van: ik kies. Eerder: jij wordt gekozen. En je bent deel van een gemeenschap. Dit gemeenschapsbesef is zodoende kenmerkend voor een christelijke visie op de samenleving.

In het huidige economische klimaat is lijkt gemeenschapsbesef steeds meer op het tweede plan gekomen, mede door de sterk individualiserende samenleving. Eén van de taken van de overheid is het stimuleren van de economie. Tegenwoordig zie je dat zich dat uit door het stimuleren van felle concurrentie, ook op gebieden die van oudsher sterke overheidsregulering kende. Hierbij valt te denken aan zorginstellingen voor verstandelijk gehandicapten. Het stimuleren van die concurrentie kennen we ook onder de naam ‘marktwerking’. Hierdoor wordt een situatie gecreëerd waarin geld een allesbeslissende rol kan gaan spelen. De motivatie voor iets als maatschappelijk verantwoord ondernemen neemt dan af.

Ik denk dat ik niet in raadselen spreek als ik schrijf dat we een soortgelijke beweging nu zien in de zorg, waardoor mensen die niet in bepaalde hokjes kunnen worden ingedeeld buiten de boot vallen óf dat groepen mensen hun eigen zorg moeten organiseren óf dat een instelling de te geven zorg te complex of te duur vindt.

Vanuit christelijk ethisch perspectief kun je wijzen op de het gemeenschapsbesef. Mensen staan niet alleen in deze wereld, ze worden aan elkaar gegeven. Door allerlei sociale verbanden staan ze in contact met elkaar. We leven in een maatschappij met elkaar en we dienen ons tot elkaar verhouden. We kunnen niet doen alsof de ander niet bestaat en het zelf maar moet oplossen. Wanneer we dat doen betekent dat het dat de hele structuur van onze samenleving wordt aangetast. In het licht van het sociale verband waarin we met elkaar leven is een verdeling van bestaansmogelijkheden pas ‘recht’ te noemen, wanneer een optimale participatie in die bestaansmogelijkheden voor de hele gemeenschap gerealiseerd is. IJkpunten voor deze ‘rechte’ verdeling zijn degenen die met betrekking tot deze participatie de meest kwetsbare positie innemen in de gemeenschap. Komen dezen iets tekort dan is de gemeenschap en daarmee de gerechtigheid geschonden.

Mijns inziens is passieve solidariteit, namelijk het door belastingmaatregelen veiligstellen van optimale zorg, juist een notie die vanuit de christelijke ethiek naar voren komt. Wij leven in een gemeenschap en dienen zorg voor elkaar te dragen!

Al jarenlang beraadt de christelijke kerk zich op de, laat ik het populair zeggen, de pr van de kerk. Oftewel, de vraag wordt gesteld hoe we het christendom, de kerk, aantrekkelijker maken voor mensen die niet (meer) ‘in de kerk komen’. In die context viel mij het volgende bericht op:  Sinds enkele dagen bouwt de Antwerpse chocolatier Lieven Burie, naar aanleiding van 450 jaar bisdom Antwerpen en de succesvolle tentoonstelling “REUNIE” in de Antwerpse kathedraal, als eerste aan een Onze-Lieve-Vrouwekathedraal in pure chocolade. Na het etalagemoment, eind september, wordt de chocolade kathedraal via e-bay verkocht. Voor deze internetveiling mocht de bisschop van Antwerpen een goed doel uitkiezen. Mgr. Johan Bonny koos voor ’t Vlot. ’t Vlot is een pastoraal project voor plein- en straatbewoners, veelal druggebruikers en (ex-)druggebruikers.

Mijns inziens een mooi initiatief dat ook bijval verdient. Ik heb er echter ook een vraag bij: staat de chocolade kathedraal ook niet symbool voor de te zoete prediking die in veel kerken opgeld deed, waarbij de kern van het evangelie, de dwarsheid, de  ‘onmenselijkheid’ van de boodschap op de achtergrond is geraakt.  Ik merk dat langzamerhand het tij in dat opzicht begint te keren en dat ons meer dan alleen maar melk wordt voorgeschoteld.

Op voedselgebied worden trouwens vanuit christelijke zijde, in deze tijd van de islamitische ramadan,  meer initiatieven ontplooit. Ideeënbureau Kerkopkop, dat onder meer spellen maakt op het gebied van religie, begint per 1 september met een groep vrijwilligers aan het zogenoemde christelijk dieet. Het christelijk dieet heeft niets te maken met calorieën, recepten of bewegingsplannen, geven de initiatiefnemers aan. In tegenstelling tot een gewoon dieet, waarbij het gaat om gewicht, gezondheid en een goed figuur, vallen de deelnemers aan het christelijk dieet af om een ander aan te laten komen. „Dat is wel even andere koek dan enkel en alleen een schoonheidsideaal na te streven.”

Eigenlijk heel interessant hoe christenen vanuit verschillende invalshoeken met het thema voedsel omgaan. Toch blijft bij mij de vraag overeind staan:  staat de kern van het evangelie, de dwarsheid, de  ‘onmenselijkheid’ van de boodschap nog op de voorgrond? Naar analogie van al deze initiatieven moeten ik onwillekeurig denken aan Holle Bolle Gijs:Holle Bolle Gijs

Heb je wel gehoord van de holle bolle wagen
Waar die Holle Bolle Gijs op zat?
Hij kon schrokken, grote brokken
Een koe en een kalf en een heel paard half
Een os en een stier en zeven tonnen bier
Een schip vol schapen en een kerk vol rapen
En nog kon Gijs van de honger niet slapen!

Blijven we hongerig hoeveel we ook eten of wordt onze honger gestild door werkelijk voedsel?

Oké, misschien is het komkommertijd maar het blijven toch altijd weer leuke onderzoeken die gedaan worden in de zomer. Neem nou dit onderzoek: Nederlandse christenen sparen meer en beleggen minder risicovol dan niet-christenen. Dat blijkt uit een onderzoek van twee economen van de Universiteit van Tilburg.Ook vinden zij het belangrijker om geld na te laten aan hun kinderen. In het onderzoek ‘Where angels fear to trade: The role of religion in household finance’ stellen Luc Renneboog en Christophe Spaenjers dat religieuze huishoudens meer geld opzij zetten dan niet-religieuze huishoudens.

Het enige wat je kunt met dit soort onderzoeken is er een beetje over doormijmeren. Want laten we eerlijk zijn: wat is er verder de relevantie van…

Wat me eigenlijk altijd weer verbaasd is dat christenen het altijd lukt om zoveel geld over te houden: meestal hebben grotere huishoudens en geven ze meer geld uit aan goede doelen (en dat is nog exclusief het geld dat ze kwijt zijn aan hun eigen geloofsgemeenschap).  spaarvarkenEn het geld wat ze dan overhouden zetten ze weg op een spaarrekening of beleggen ze.

Protestanten en mensen van evangelische kerken hebben meer gevoel van financiële verantwoordelijkheid. zo besluit het artikel. Ik vraag me af of dit te maken heeft met het ouderwetse weberiaanse idee dat de protestant een arbeidsethos heeft van hard werken en sober leven, het voorportaal van het kapitalisme? Immers, zo stelde Max Weber voor een protestant kon het kapitalisme niet alleen een uitwendig gebeuren zijn, maar moest het ook bezield zijn door een bepaalde ‘geest’. Deze ‘kapitalistische geest’ uitte zich in de levensstijl van individuen, zoals hard werken, een door blijven werken ook als men voor het levensonderhoud al genoeg had, een niet verspillen van tijd, een continu streven naar gewin, sparen van geld in plaats van uitgeven (sober leven en een uitgestelde behoeftenbevrediging) (hierdoor waren nieuwe investeringen mogelijk) en een positieve waardering van welvaart. In landen waar wel de materiële voorwaarden voor het kapitalisme aanwezig waren, maar deze geest ontbrak, zette het kapitalisme zich niet door. Nodig was een religieus gevoed ethos dat mensen krachtig motiveerde tot dat nieuwe, het traditionalisme doorbrekende, handelen. Weber wilde aantonen dat het calvinisme en in bijzonder het engelse puritanisme de weg baanden voor deze kapitalistische geest. Het calvinisme zag de mens namelijk als rentmeester van God die de wereld zo goed mogelijk moest beheren voor Zijn eer (en niet ter eigen nutte). Deze roeping gold een ieder en niet alleen zoals in de Middeleeuwen voor de monniken. De calvinisten droegen de gedisciplineerde levensstijl de wereld in: ‘innerweltliche Askese’. En hoort daar dan ook sparen bij als het hebben van een appeltje voor de dorst?

Maar je kunt het bericht ook negatief uitleggen: christenen potten juist meer hun geld, zijn toch gericht op het hier en nu, terwijl ze juist goed zouden kunnen weten dat het niet alleen draait om het heden.

Zou een christen niet moeten streven naar een economie die in sociaal en ecologisch opzicht duurzaam is, dat wil zeggen niet het milieu vernietigt en niet leidt tot sociale uitsluiting, armoede en vergroting van sociale ongelijkheid. Specifieke aandacht behoeft de verhouding tussen armoedebestrijding en milieu. Om armoede te bestrijden is economische groei noodzakelijk, die onvermijdelijk beslag legt op milieu en schaarse hulpbronnen. Met tegengaan van verspilling en technologie zijn schadelijke gevolgen van deze groei en van de consumptie van middenklassen en rijken in te perken, maar dat zal niet voldoende zijn. Onvermijdelijk is dan ook als men verdere milieuvernietiging wil tegengaan dat middenklassen en rijken een consumptiepatroon ontwikkelen dat minder een beslag legt op het milieu. Dat betekent anders en minder consumeren.  Kortom, die ouderwetse terminologie van rentmeesterschap. En dat kost een paar centen…
Christenen sparen meer…

Is dat een deugd, een goed teken voor een christen dat hij zoveel geld overhoudt voor de spaarrekening?

Willem Bouwman vertelt in het Nederlands Dagblad van een plaat die in het midden van de negentiende eeuw de boodschap moest uitdragen om de mensen terug te brengen naar de kerk.  De plaat is typerend voor de negentiende eeuw, toen de zondagsrust werd bedreigd door de snelle groei van het aantal fabrieken en de trek van miljoenen plattelanders naar de grote steden. Daar woonden ze in verpauperde wijken, ver bij de familie vandaan en zonder toezicht van de pastoor. Het was verleidelijk om ’s zondagsochtends uit te rusten en niet meer naar de kerk te gaan, als die er al was. Velen konden niet eens, omdat ze op zondag moesten werken. In die tijd ging de regel gelden: hoe groter de steden, hoe minder mensen in de kerk.

EnDe brede en de smalle weg tot ieders verrassing lijkt de weg die naar de kerk leidt verdacht veel op de brede die wij Nederlanders zo goed kennen van een heel andere plaat over de brede en de smalle weg en waar de brede weg de weg nou net niet de christelijke levensstijl uitbeeld. Ik vind dit een interessant gegeven. De laatste tijd komen er steeds meer zaken in het nieuws, al of niet geholpen door de spreekwoordelijke komkommertijd, dat christenen en/of christelijke organisaties het zelf niet zo nauw nemen met hun eigen christelijke ethische normen of dat ze het moeilijk vinden het christelijk geluid echt te laten klinken. ‘De brede weg’ lijkt ook voor christenen erg aanlokkelijk. Het begint er werkelijk op dat de brede weg naar de kerk leidt. Laatst las ik dat niet-christenen zich vooral ergeren aan het feit dat christenen zich niet houden aan hun eigen normen en waarden. Ik denk dat we ons dat moeten aantrekken. Het lijkt er op dat christenen zich schamen voor de boodschap die ze uit moeten dragen, dat ze graag willen opgaan in hun omgeving en daardoor ook hun normen en waarden aanpassen aan anderen. Eigenlijk willen we dat de brede weg naar de ‘kerk’ leidt. Niet te veel opvallen, niet te veel anders dan anders zijn. Terwijl de boodschap die het christendom kan en moet uitdragen er een is van een totaal ander beeld met betrekking tot de hele wereld en de samenleving.

De brede weg leidt naar de kerk?

Ik heb daar zo mijn twijfels bij…

De bovenstaande zin is de slogan van de postbus 51 campagne over anti-discriminatie. Nederland is een land waar niemand zijn eigen ik hoeft te verstoppen. zo wil ons deze campagne doen geloven: Het is een plek waar niet geoordeeld wordt over bijvoorbeeld huidskleur, handicap, leeftijd of seksuele voorkeur. Iedereen moet zichzelf kunnen zijn en zich thuis kunnen voelen.

Dit staat volgens mij haaks op het volgende bericht

De uitval van studenten met een lichamelijke en/of geestelijke beperking die een opleiding volgen in het hoger beroepsonderwijs (hbo), is twee keer zo hoog als bij studenten met een handicap op de universiteit. Ook blijken de studenten met een beperking in het hbo vaker hun opleiding voortijdig af te breken dan hbo’ers zonder handicap. Terwijl dit verschil niet te zien is in het wetenschappelijk onderwijs. Daarmee kunnen hbo-studenten met een handicap gezien worden als een „risicogroep”.

Mijns inziens ligt het probleem bij het feit dat onze samenleving is geconstrueerd op de idee van het sociaal contract. In het sociaalcontractenken wordt geprobeerd onze huidige maatschappelijke samenleving te verklaren vanuit de fictie dat mensen ooit zonder regels en in onbeperkte vrijheid (in een soort natuurtoestand) leefden, maar om uiteenlopende redenen (maar altijd uit eigenbelang) een contract met elkaar hebben gesloten.  Volgens het sociaal contract gaat het bij het afsluiten van een contract om partijen die relatief gelijk zijn in capaciteiten zoals intelligentie en lichaamskracht, dat wil zeggen dat ze een min of meer gelijke onderhandelingspositie hebben. In ieder geval zijn ze allemaal in staat om productieve arbeid te verrichten. Door deze aanname, denk ik, dat mensen met een beperking buiten de orde van rechtvaardigheid plaatst, of in ieder geval ‘marginaliseert’. Daarbij beschouwen de contractdenkers de contractanten niet alleen als subjecten van het contract, maar ook als enige ‘objecten van rechtvaardigheid’. Rechtvaardigheid is enkel verschuldigd aan hen die rechtvaardigheid kunnen betrachten. Een filosofe die zich hiermee heeft beziggehouden is de Amerikaanse Martha Craven Nussbaum.  Zij  is een toonaangevende en productieve filosofe. Zij werkt als hoogleraar recht en ethiek aan de universiteit van Chicago en schreef de voorbije jaren een indrukwekkend aantal essays en boeken over de relatie tussen filosofie en literatuur, menselijke emoties, feminisme, sociale rechtvaardigheid en wereldburgerschap. Het ethisch karakter van een samenleving kan volgens Nussbaum afgelezen worden aan de inspanningen die men zich getroost om ook voor diegenen die het fysiek of mentaal moeilijker hebben al deze ontwikkelingsmogelijkheden te waarborgen. Een aantal beperkingen zijn natuurlijk wel in de idee van het sociaal contract meegenomen. Contractanten kennen allemaal de frequent voorkomende klachten als rugpijn. Blindheid of doofheid zijn minder frequent voorkomende klachten de samenleving wordt ingericht door de mensen die alleen rekening houden met de meer frequent voorkomende klachten. de rolstoelHet is echter vreemd dat de contractanten zich dan wel de wetenschap toedichten dat hun fysieke vermogens binnen het zogenaamde ‘normale’ bereik vallen. Nussbaum schrijft dan dat de omgeving aangepast was aan mensen met een ‘normale’ handicap. Geluid kan worden gehoord door mensenoren en niet alleen voor hondenoren, bijvoorbeeld. De samenleving houdt geen rekening met mensen met atypische beperkingen. Er wordt soms geen rekening gehouden met de protheses van mensen met beperkingen. ‘Normale’ mensen kunnen ook gebruik maken protheses, die heten dan bus of auto. Voor mensen die afhankelijk zijn van anderen is er geen plaats in de basisstructuur van de samenleving. Globale gelijkheid als structureel kenmerk, en wederkerig voordeel als het beoogde doel, bepalen nog steeds wie er oorspronkelijk participeren en wat elke betrokkene uit de samenwerking probeert te halen.  In het sociaal contractdenken vigeert de de aanname dat burgers over ‘normale capaciteiten’ moeten beschikken om in ieder geval productieve arbeid te kunnen verrichten. Er is geen plaats voor atypische maatschappelijke voorzieningen die mensen met een beperking in staat kunnen stellen zo goed mogelijk te participeren. Want vervolgens moet niemand opdraaien voor de kosten die voortvloeien uit de aanpassingen die gedaan moeten worden voor speciale voorzieningen. Vooral deze laatste toevoeging maakt  het interessant om over mensen met een beperking na te denken in de huidige context. Mensen worden steeds ouder en zullen op een bepaalde leeftijd moeten gaan leven met beperkingen die inherent zijn aan het ouder worden. Als we het sociaal contractdenken nu extreem doorvoeren zou dit betekenen dat deze mensen die tijdelijk met een beperking leven, niet meer meetellen in de samenleving van ‘normale’ mensen. Deze theorie schaart mensen met een levenslange beperking en zij die met een tijdelijke beperking onder dezelfde noemer: het zijn beide personen die niet meetellen in de ‘normale’ samenleving. Zeker in de huidige context waarin mensen een steeds hogere leeftijd bereiken, met alle tijdelijke beperkingen vandien, is een ‘herwaardering’ van de sociaal contracttheorie op zijn plaats.

Dat de uitval van hbo-ers met een beperking momenteel zo hoog is, heeft volgens mij ook te maken met dit denken waar onze samenleving op gebaseerd is. Aanpassingen zijn er voor de beperkingen van ‘normale’ mensen. Maar mensen met een atypische beperking zullen door ‘stroperige’ instanties die bepaalde voorzieningen zouden moeten faciliteren en door het feit dat onze samenleving niet ingericht is op mensen met atypische beperkingen niet snel op een volwaardige wijze kunnen deelnemen aan de samenleving!

Sinds 19 juli is Nederland in het bezit van een ‘eerlijke kerk’ staat in een bericht: een protestantse wijkgemeente in Delft mag zich de eerste Nederlandse kerk noemen met het fairtrade keurmerkFairtrade, omdat ze veel eerlijke producten gebruikt of promoot.

Dan vind ik nou opmerkelijk nieuws: een filiaal van de christelijke kerk dat eindelijk voor het eerst in haar meer dan 2000 jaar bestaan dit keurmerk opgespeld krijgt. Volgens waren wij al eeuwenlang verkondigers van een eerlijke ‘weg’ (zoals je het Engelse trade ook kunt vertalen). Als aankomend  ‘makelaar in ongeziene waren’  zoals een dominee  door Constantijn Huygensz. wordt omschreven, ben ik mij al degelijk bewust van dit keurmerk, deze opdracht. Ik probeer vele ‘ongeziene’ eerlijke ‘producten’ te promoten en te gebruiken. 😮

Maar goed, fijn dat het rentmeesterschap van de kerk in deze vorm erkenning krijgt en ik hoop dat vele gemeentes zullen volgen. En wat mij persoonlijk betreft: ik hoop nog jarenlang deze eerlijke en ware ‘weg’ te promoten.

In het kader van het Calvijnjaar 2009 dan ook een post van mij over Johannes Calvijn.

(Noyon, 10 juli 1509 — Genève, 27 mei 1564)

(Noyon, 10 juli 1509 — Genève, 27 mei 1564)

Waar andere artikelen al heel veel andere en achtergrondinformatie over Jehan Cauvin (want zo heet hij natuurlijk eigenlijk) hebben gegeven en ook verschillende andere kanten van Calvijn hebben belicht, wil ik mij graag beperken en richten op de ethische kant van Calvijn. Je bent ten slotte ethicus of je bent het niet.

‘Calvinism was an active and radical force. It was a creed which sought, not merely to purify the individual, but to reconstruct Church and State, and to renew society by penetrating every department of life, public as well as private, with the influence of religion’ schreef Tawney in 1926. In zijn tijd nam Calvijn zelf actief deel aan het verbeteren van de kwaliteit van leven van de zogenaamde minder geprivilegieerde bevolkingsgroepen omdat volgens Calvijn geestelijke en politieke waarheid onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Volgens Calvijn moeten christenen altijd storende elementen zijn in hun samenleving omdat zij zich verzetten tegen elke vorm van onrechtvaardigheid. Dat was de reden waarom Calvijn zo hartstochtelijk sprak over armoede en rijkdom, rente en arbeidsloon. De eigen activiteiten die Calvijn in zijn tijd ontplooide op het gebied van sociale hervorming geven duidelijk een voorbeeld van het feit hoe anders zijn inzichten over sociale kwesties waren dan de gangbare mening. Calvijn was namelijk niet geïnteresseerd in conservatieve restauratie, maar hield zich bezig met het plaatsen van alle gegevens onder de norm van het Woord van God. Natuurlijk was hij ook een kind van zijn tijd en daarom was het voor hem onmogelijk recht te doen aan veel aspecten van de sociale ethiek die pas veel later aan de orde kwamen. Zijn uitgangspunt schiep echter ruimte voor een benadering waarin het sociale aspect niet is beperkt tot het individu en waarin de bestaande orde en sociale en politieke structuren en de publieke instituties niet zomaar worden geaccepteerd als een gegeven met eeuwigheidswaarde. De Heilige Schrift is voor Calvijn ook de uiteindelijke norm voor het scheppen van humaan leven in de samenleving. BijbelDus: natuurrecht (dit begrip staat hier voor de regels en beginselen die voor alle mensen gelden, omdat ze voortvloeien uit het verstand, zoals dat bepalend is voor de menselijke natuur)  is zeer zeker belangrijk voor burgerlijke rechtvaardigheid en de publieke orde, maar uiteindelijk zullen al onze sociale instituties moeten vallen onder de kritiek van Gods Woord. Calvijns ethos sprak uit zijn uiteenzetting over het leven van een christen. Dit is het hart van de ethiek van Calvijn. Zijn verstaan van het leven van een christen berust op de kennis dat wij niet aan onszelf toebehoren, maar aan God door Jezus Christus.Wij zijn niet van onszelf, hierop gebaseerd ontwikkelde Calvijn zijn ‘ethiek’ als volgt. Aangezien wij bij God behoren, worden we opgeroepen te zoeken naar rechtvaardigheid en gerechtigheid in onze relaties met anderen en met God. Dat is het hart van het leven van een christen. God toebehoren in Jezus Christus betekent ook dat we elkaar toebehoren. Je zou dit kunnen omschrijven als een wereldtransformerend christendom waarin rechtvaardigheid en vrede elkaar omarmen of sociaal humanisme. De World Alliance of Reformed Churches (dat is een christelijke organisatie met meer dan 200 kerken) zou de economische en sociale getuigenis van Calvijn met betrekking tot het huidige leven van een christen omschrijven als een kritische uitdaging voor onze huidige economische politiek en praktijk.

Het standaardbeeld dat we van Calvijn hebben is er een van gebod, verplichting, verantwoordelijkheid en de oproep tot gehoorzaamheid. Maar de zorg voor rechtvaardigheid vanaf haar begin; de zoektocht naar sterkere vormen van gemeenschapszin en solidariteit in onze huidige wereld; de overtuiging van het belang van menselijke waardigheid en mensenrechten; ondersteuning bieden aan de worsteling tegen racisme, uitsluiting en onrechtvaardigheid. Dat zijn nu juist de connotaties die het denken van Calvijn stempelen, en die ook belangrijke kenmerken (dienen te) zijn van de hedendaagse calvinisten. Calvinisme wil mensen krachtig motiveren tot nieuw, het traditionalisme doorbrekende, handelen. Het calvinisme ziet de mens namelijk als rentmeester van God die de wereld zo goed mogelijk moest beheren voor Zijn eer (en niet ter eigen nutte). Calvijn legt zo de vinger op de zere plek van het egoïsme egoisten zelfverrijking. Zijn waarschuwing tegen ‘overtollige overvloed’ (of zoals adagium van Mahatma Gandhi luidde: ‘Er is genoeg voor ieders behoefte, maar niet voor ieders begeerte.’) en oproep tot ‘onthouding, soberheid, matigheid en ingetogenheid’ klinken ouderwets en wereldvreemd in de oren en zijn dan ook volstrekt niet wervend, maar bevatten een diepere waarheid: overmaat belet het genieten, omdat men de waarde van de dingen niet meer kent. Goede relaties, een democratische samenleving, bestaanszekerheid, veiligheid en een zinvol bestaan blijken dan veel belangrijker dan egoïsme en ongelimiteerde zelfverrijking.

Calvinisme achterhaald? Nee dus!

Dus ten bate van een ieder: Lang leve Johannes Calvijn!!