We gaan verder met het thema tweestrijd:

Bij Paulus, Jezus en Jakob zien we een tweestrijd.
Paulus lijkt te stikken in zijn tweestrijd en zegt:
‘Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit dit bestaan.’
Maar hij vindt een tweede adem
als hij zich in zijn tweestrijd wendt naar zijn God:
‘God, zij gedankt, die ons redt door Jezus Christus, onze Heer.’ (Romeinen 7,24-25)
Zo verzoent Paulus zich met zijn gebroken bestaan.
En begint hij aan de mooiste, meest krachtige passage die hij ooit heeft geschreven.
Romeinen 8 dat uitloopt op de vaststelling dat niets,
ook geen enkele tweestrijd,
ons zal scheiden van de liefde van God in Christus Jezus onze Heer.

Jezus wordt innerlijk verscheurd door tweestrijd.
Hij kruipt als een worm door het stof in bloed, zweet en tranen.
Hij hervindt zichzelf als hij zich in zijn tweestrijd
tot driemaal toe wendt naar zijn hemelse vader.
‘Abba, Vader’, horen wij hem bidden in de nacht.
Zo richt hij zichzelf op en zegt daar in Getsemané:
‘Sta op, laten wij gaan.’
Zo verzoent Jezus zich met zijn weg.
Met het kruis dat Hij zal dragen.

En ook bij Jakob gebeurt iets van heelheid juist
in de ontmoeting met de ander.
Eerst wordt hij gedwongen God in de ogen te kijken bij Pniël.
En daarna kijkt hij Ezau in het gezicht.
En voor beide ontmoetingen gebruikt Jakob soortgelijke woorden.
Na Pniël zegt hij:
‘Ik heb God gezien, van aangezicht tot aangezicht en mijn leven is gered.’ (Genesis 32,30)
En als hij Ezau ontmoet:
‘Ik heb uw aangezicht gezien, alsof ik het aangezicht van God zag
en u bent mij goedgezind geweest.’ (Genesis 33,10)

Goede Vrijdag

Ik neem je mee naar Golgotha. Het is vrijdagmiddag tegen drie uur.
Het is dus nog volop dag en toch is het hier.
Al sinds het middaguur vreemd donker.
Alsof er een sluier van duisternis ligt over alles.
Alle geluid en kabaal is inmiddels door deze deken gesmoord.
De ophitsende hogepriesters en oudsten.
De menigte die als uit één mond kruisigt hem riep.
De lallende Romeinse soldaten met hun wrede grappen.
De venijnige spot van omstanders en voorbijgangers.
Er valt over dit alles een diepe vreemde stilte.
Ook de natuur hult zich in stilzwijgen.
Je hoort geen vogel meer fluiten.

Kom, dan lopen wat dicht naar het kruis toe.
Die ene Man daar aan dat middelste kruis.
Hij wordt gemeden als de pest.
Op pakweg anderhalve meter links en anderhalve meter rechts van hem
hangen nog twee mannen aan een kruis.
De een spuwt zijn laatste venijn, de ander wendt zich naar Jezus toe.
Zelf hangt hij op laten we zeggen anderhalve meter boven de aarde, van de mensheid.
Weggehoond, verguisd, bespot, uitgekotst.
Met pek en veren de stad uitgedragen.
Geen intensive care maar intense haat.
Geen beademing maar bespotting.
Niet omringd door helden uit de zorg maar verlaten, zelfs door zijn beste vrienden.

Volgens Mattheüs is Jezus zelf ook stil.
Daar hangend aan het kruis, heeft Jezus al die tijd
geen kik gegeven, geen woord gezegd.
Maar nu, aan het einde van drie uren duisternis
verbreekt hij de stilte met een schreeuw:
‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’

Wat hier gebeurt is een groot mysterie.
Laten we er stilletjes naar kijken.
Er om heen lopen, er wat over na denken.
Kijk alles wat er gebeurde met Jezus, de vernederingen, de martelingen,
Het venijn, de spot, de spijkers en het kruis.
Het was wreed en verschrikkelijk.
Maar in deze schreeuw proeven we dat zich hier
nog een ander, dieper lijden afspeelt

Jezus hangt daar niet voor zichzelf.
Hij hangt daar voor ons allen.
Hij is het hoofd van alle dingen.
Van alle mensen en de hele schepping.
En Jezus zegt niet: ik ben alleen.
Hij zegt: u hebt mij verlaten.
En God verlaat hier dus niet alleen Jezus.
Maar in hem verlaat God hier alles en iedereen.
En het hele gewicht daarvan, dat voelt alleen deze ene man.
En als God gaat, dan gaat het licht uit.
En wat overblijft is een godverlaten, godvergeten wereld.
Je kunt zeggen: dit is de hel.

Jezus ervaart hier iets wat niemand zo ervaren heeft.
Het is wat hij al aanvoelde in de hof van Getsemane.
Waar het hem zo aanvloog dat hij als een worm over de grond kroop en bloed zweette.
Als God verdwijnt is er in plaats van zegen vloek.
Dan verdwijnt alle zin en samenhang.
In plaats van heelheid, eenheid, shalom is er vloek, verval, verrotting, verwelking.
Zoiets als een doolhof zonder uitgang, waanzin zonder overkant.
Zonder zin en uitzicht wordt alles krankzinnig, absurd, idioot.
Dat klinkt door in deze schreeuw: tot wat? God van mij, tot wat?
Het is teveel, ondragelijk, je zou je ervoor willen afsluiten.

Deze schreeuw van Jezus aan het kruis.
Het is ook de schreeuw van de schepping.
Jezus schreeuwt hier niet alleen voor en namens de mensen.
Hij schreeuwt namens de hele schepping.
Waar nu alle licht is gedoofd, en geen vogel meer zingt.
Deze Godverlaten wereld waar de machten van de duisternis.
De woestheid en ledigheid van voor het begin weer vrij spel heeft.
Die schepping die zo deelt in de gevolgen van de zonde.
Die is hier begrepen in deze schreeuw.
Alles schreeuwt hier mee.

Jezus schreeuw neemt alle schreeuwen in zich op.
Voor alle machteloosheid, alle onrecht,
al het verdriet dat ons mensen kan overkomen.
Door andere mensen aangedaan,
of je overkomen door deze kapotte wereld.
Ziekte, depressie, gebrokenheid in je relatie,
of in de relatie met je kinderen, met je ouders, met vrienden.
Een ongeluk, of verdriet omdat niet lukt wat je wilt bereiken,
werkeloosheid en lichamelijk ongemak.

Soms praten wij mensen niet meer met God.
En als we niets meer weten te zeggen, zeggen we soms nog:
mijn God! O my God!
Begrijpen er soms helemaal niks meer van.
Maar Jezus daalt in die diepste, donkerste momenten af.
Begrijpt ons hierin beter dan wij onszelf begrijpen
en neemt ons zwijgen en ons schreeuwen
en alles er tussen in op in deze ene hartverscheurende schreeuw.
En is zo echt Immanuel, God mét ons!!

Deze schreeuw is een klacht.
Waarom? Tot wat?
En Jezus sterft te midden van zijn vragen.
Binnen zijn aardse leven is hij niet verhoord.
Er is een nare, wrede, niets ontziende dood.
Er is geen uitkomst, geen verhoring.
Daarmee deelt Jezus in al die pijn van onverhoorde gebeden,
van lijden zonder zin.

Het diepere geheim van deze schreeuw is dit.
God verlaat niet alleen zijn zoon.
Hij verlaat niet alleen de mensen en de schepping.
Hij verlaat hier ook zichzelf.
God neemt deze scheur op in zichzelf.
Hij ondergaat dit, gaat er in onder.
God gaat tot het uiterste in zijn liefde.
De drie-ene God kraakt in zijn eenheid in zijn toewending naar ons.
God gaat hier zelf stuk, kapot.

Nou, stuk, kapot. Toch niet helemaal.
Want Jezus schreeuwt wel intens.
Maar hij blijft daar wel hangen.
En zijn schreeuw tot wat, zijn waarom gaat door merg en been.
Maar hij blijft ook schreeuwen:
God van mij, God van mij.
Wie U zegt of jij, is ondanks alles toch nooit echt alleen.
En in Jezus die daar aan het kruis blijft hangen tot het einde
zien we God zelf die wel kraakt in al zijn voegen.
Maar in Jezus ons en deze wereld toch niet loslaat,
trouw blijft en standhoudt.
En daarvoor de hoogste, zwaarste prijs voor wil betalen.
Wil afdalen tot in de hel. Wil sterven voor de wereld.

Als het langzaam weer licht wordt daar op Golgotha
zien we daar een paar mensen staan, onderaan het kruis.
Een Romeinse officier plus wat Joodse vrouwen.
Dit is zeg maar het begin van de kerk.
Mensen die deze laatste schreeuw niet meer, nooit meer kunnen vergeten.
Een schreeuw die we elke dag opnieuw horen.
Om ons heen en in onszelf.
En waar we deze schreeuw horen weten we:
die wordt gedragen en meegenomen
in de laatste schreeuw van deze man aan het kruis.

Dan is er die tweede schreeuw en sterft Jezus daar aan het kruis.
Je zou misschien verwachten dat het dan nog donkerder wordt.
Maar nee, als Jezus sterft, wordt het juist weer licht.
Jezus neemt in zijn dood alles mee en alles weg.
Dood, duisternis, vloek, oordeel, kloof, breuk.
Matteus schrijft: Nog eens schreeuwde Jezus het uit.
Toen gaf hij de Geest. Dat doet hij echt actief, als een eigen keuze.
De Geest geven.

Bij een afgematte, uitgeputte, stervende man
verwacht je als laatste hooguit nog een zucht, een kreun.
Maar Jezus schreeuwt het nog eens krachtig uit.
In deze schreeuw klinkt er naast al het andere ook iets mee van overwinning.
Want juist als Jezus met deze laatste schreeuw sterft
begint het weer licht te worden.
En zijn er de eerste tekenen van een nieuw begin.
De schepping begint aan een eerste vreugdedans.
De aarde beeft, graven barsten open, doden komen tot leven.
En in de tempel scheurt het voorhangsel van boven naar beneden.
Er gaat er bij God en in God een deur open.
Voor jou, voor mij en voor alle mensen.

 

Tweestrijd is in de Bijbel een regelmatig terugkerend thema.
Ik proef het bij Paulus in Romeinen 7,18-19:
‘Ik wíl het goede wel, maar het goede doen kan ik niet.
Want ik doe niet wat ik wil, het goede,
maar juist wat ik niet wil, het kwade, dat doe ik.’
Ik denk aan Jezus’ tweestrijd in Getsemané:
‘Neem deze beker van Mij weg.
Maar laat niet gebeuren wat Ik wil, maar wat U wilt.’ (Markus 14,36)
Tegen zijn slapende leerlingen zegt hij daar en toen:
‘De geest is wel gewillig, maar het lichaam is zwak.’

Ook in het eerste deel van de Bijbel kom ik tweestrijd tegen.
Het oorspronkelijke Hebreeuws van de Thora
kent zelfs een apart leesteken waarmee tweestrijd wordt uitgedrukt.
Het is de Sjalsjelet, die eruit ziet als een kleine bliksemschicht, soort zigzagbeweging.
Het geeft aan dat het personage besluiteloos is en onzeker
en worstelt met een innerlijk conflict.
Deze sjalsjelet zien we in de Hebreeuwse Bijbel vier keer opduiken.
Bij Jozef in Genesis 39,8
als hij weigert om met de vrouw van Potifar het bed te delen.
Bij Lot die in Genesis 19,16
aarzelt als hij alles moet achterlaten om Sodom te ontvluchten.
Bij Abrahams knecht Eliëzer die bij de put voor Isaak een vrouw zoekt.
Hij verkeert in Genesis 24,12
in tweestrijd omdat hij mogelijk zelf in beeld zou komen als erfgenaam,
als hij zonder huwelijkskandidaat terugkeert.
En in Leviticus 8,23 krijgt Mozes een sjalsjelet
wanneer hij Aäron inwijdt als hogepriester en door die taakverdeling
zelf niet meer deze intimiteit met God in de tempel zal ervaren.
Telkens staat er iets op het spel.
Een tweestrijd tussen hebben of loslaten, claimen of dienen, houden of gunnen.

Zelf denk ik bij tweestrijd aan de Bijbelse figuur Jakob.
Strijd typeert zijn hele leven.
Al voor zijn geboorte vecht hij met zijn broer Esau.
Hij strijdt met Esau om het eerstgeboorterecht en de zegen.
Hij strijdt met Laban om diens dochters Lea en Rachel
en om een eigen deel van de veestapel.
En de meest bepalende ervaring van zijn leven
is een worsteling in de nacht met God.
Zijn beide namen roepen de sfeer van strijd op: Jakob: hij die de hiel vastpakt.
Israël: hij die strijdt met God en mensen en wint.