‘Geloof is louter bijgeloof’
zo wordt het geloof door het atheïsme vaak karikaturaal beschreven.
Ze stelt er dan tegenover dat het atheïsme juist objectief en neutraal is.
Toch is het idee van seculiere objectiviteit op zichzelf een drogreden.
Secularisme is, net als elk wereldbeeld, een perspectief,
ironisch genoeg geënt op het christendom,
de geschiedenis van de mensheid van het verlaten van geloof
en de morele basis daarvan heeft rampzalige gevolgen gehad.

Want secularisme is ook een vooroordeel,
vaak gegrond in een ethische ijdelheid,
waarvan de zogenaamd universele principes
zeer christelijke wortels hebben.
Begrippen als persoonlijke autonomie
komen voort uit een traditie die het leven als heilig beschouwt,
gebaseerd op het geloof dat mensen
uniek geschapen zijn naar Gods evenbeeld.
Beroepen op mededogen
weerspiegelen Jezus’ leringen
en christelijke argumenten voor sociale rechtvaardigheid
door de geschiedenis heen.
Zelfs de scheiding van het seculiere en het heilige
is afgeleid van Jezus’ leer om ‘aan de keizer te geven wat van de keizer is
en aan God wat van God is’.
Een auteur als Tom Holland heeft in zijn boek Heerschappij laten zien
hoe westerse samenlevingen,
hoewel vaak losgekoppeld van hun christelijke wortels,
nog steeds opereren binnen kaders
die gevormd zijn door eeuwen van christendom.

Een politiek secularisme begon op te komen
na de Europese godsdienstoorlogen
in de zeventiende eeuw,
maar het veronderstelde historische conflict
tussen wetenschap en religie,
waarin de eerste zegeviert
over bijgeloof en een vijandige kerk,
is een mythe.
Deze ‘conflictthese’, die in de achttiende eeuw
werd gepromoot blijft bestaan,
ook al is deze uitgebreid ontkracht.
Historici benadrukken nu de complexe relatie
tussen geloof en wetenschap.

Geloof was niet zozeer een tegenstand
tegen intellectueel onderzoek,
maar juist de basis ervan.
Het middeleeuwse christelijke Europa
bracht de grote universiteiten voort;
dit was niet alleen omdat de kerk macht en rijkdom had,
maar omdat kennis van God werd gezien
als de basis voor alle begrip.
Deze verwevenheid van geloof en academie
voedde de Verlichting, toen wetenschappers als Newton of Kepler
de studie van de schepping
(wat Calvijn beschreef als ‘het theater van Gods glorie’)
benaderden als een bevestiging van de goddelijke orde
van een God die er behagen in schepte
dat Zijn schepselen ‘Zijn gedachten na Hem dachten’.

Hun christelijke overtuigingen gaven niet alleen
een impuls voor rigoureuze verkenning,
maar brachten hen ook nederigheid
bij over het menselijk intellect.
In tegenstelling tot de visie van de moderniteit op de geest
als een losstaand, alziend oog,
geloofden zij dat de cognitieve vermogens
van de mens waren verminderd,
zowel moreel als intellectueel,
door de val van Adam,
waardoor perfecte kennis onbereikbaar werd.
Blaise Pascal legt deze worsteling
met onzekerheid vast in zijn Pensées:
‘We verlangen naar waarheid, en vinden in onszelf alleen maar onzekerheid (…)
Dit verlangen is aan ons overgelaten, deels om ons te straffen,
deels om ons te laten inzien vanwaar we zijn gevallen.’

Voor Pascal en zijn gelovige tijdgenoten
was het tegengif tegen menselijke trots
en zelfbedrog te vinden in de Almachtige.
Ironisch genoeg was het deze nederigheid,
geworteld in een zeer theologische bezorgdheid
over de menselijke cognitieve feilbaarheid,
die de wetenschappelijke methode
het leven schonk,
het proces van systematisch experimenteren
gebaseerd op empirisch bewijs,
en dat later centraal kwam te staan
in het denken van de Verlichting.

Hoewel veel van de leidende figuren gelovigen waren,
versnelde het Verlichtingstijdperk
een verschuiving van God naar de mens
als het centrum van begrip en ethiek.
Filosofen als David Hume
marginaliseerden of elimineerden God helemaal,
wat de weg vrijmaakte voor Zijn latere afwijzing
als een spook van menselijke projectie (Freud)
of als een instrument van uitbuiting en onderdrukking (Marx),
terwijl Rousseau het aantrekkelijke idee populariseerde
dat de mens niet inherent gebrekkig was,
maar van nature goed,
alleen zijn omgeving deed hem slechte dingen doen.

Maar het was de nihilist Nietzsche,
de zoon van een lutherse dominee,
die het morele vacuüm voorspelde
dat ontstond door de dood van God
en de diepgaande gevolgen daarvan.
Ethische grenzen werden onstabiel,
waardoor nieuwe ideologieën alles konden rechtvaardigen
in het nastreven van hun utopische doelen.
Nietzsches profetieën over de opkomst van het totalitarisme
en concurrerende ideologieën
die de twintigste eeuw zouden kenmerken,
waren huiveringwekkend accuraat.
Duitse universiteiten leverden de intellectuele rechtvaardiging
voor nazi-gruweldaden tegen de Joden,
terwijl de door marxisten geïnspireerde revoluties
en het beleid van de Sovjet- en Chinese communistische regimes
leidden tot afschuwelijk lijden
en de dood van tussen de 80 en 100 miljoen mensen.
Zonder Goddelijke verantwoording
versterkten deze pseudo, mensgerichte religies
de menselijke kwaadaardigheid
en de destructieve impulsen van de mens.

Begin jaren negentig was de Sovjet-Unie ingestort,
wat Francis Fukuyama ertoe bracht
vanuit zijn ivoren toren te beweren
dat seculiere liberale democratie
het natuurlijke eindpunt was
in de sociaal-politieke evolutie
van de mensheid
en dat de geschiedenis ‘was geëindigd’.
Maar zijn optimisme was van korte duur.
De gebeurtenissen van 9/11
en de heropleving van een krachtig islamisme
gaven de leugen dat iedereen een seculiere liberale democratie in westerse stijl wilde,
terwijl in het Westen een herverpakte versie
van het oude marxistische onderdrukkersnarratief
op de campussen begon te verschijnen,
met zijn bedrieglijke utopische sirenenzang
dat de mens de auteur van zijn eigen verlossing kon zijn
die de academie betoverde.
Deze keer kwam het in de vorm
van verdeeldheid zaaiende
identiteitsgebaseerde ideologieën
bedekt met postmoderne machtsnarratieven
die de realiteit leken te tarten en Chestertons visie bevestigden
dat ‘wanneer de mens ophield in God te geloven, hij in alles kon geloven’.

Terwijl universiteiten ideologie boven bewijs
en conformiteit boven intellectuele vrijheid propageerden,
leek George Orwells kritiek
op intellectuele goedgelovigheid
en het duistere fanatisme
dat het vaak bevordert,
belichaamd in de distopische roman 1984
waar de realiteit zelf wordt gemanipuleerd door dogma,
relevanter dan ooit.
Orwell was niet de enige die dacht
dat sommige ideeën zo dwaas waren
dat alleen intellectuelen ze geloofden.
Andere commentatoren zijn net zo sceptisch
en bekritiseren de vaste academici
wiee levens geïsoleerd zijn
van het lijden van degenen
die moeten leven onder hun favoriete ideologieën,
en die theorieën verkiezen
boven werkbare oplossingen.
Intellect, zo merken zij op, is niet hetzelfde als wijsheid.
Meer recentelijk betwijfelt
de Amerikaanse schrijver David Brooks,
het nut van elitaire onderwijssystemen
die te veel nadruk leggen op cognitieve vaardigheden
ten koste van andere kwaliteiten,
en suggereert dat ze de neiging hebben
om een bekrompen heersende klasse
te produceren die blind is
voor hun eigen vooroordelen en valse overtuigingen.

Maar het seculiere vertrouwen lijkt af te nemen.
Sinds het hoogtepunt van het Nieuwe Atheïsme
halverwege de jaren 2000
is er een groeiende ontevredenheid
met wereldvisies
die beperkt zijn tot rede en materialisme.
Kunstenaars als Nick Cave
hebben kritiek geuit op het onvermogen
van het secularisme
om concepten als vergeving en genade aan te pakken,
terwijl mensen als Ayaan Hirsi Ali
het christendom openlijk hebben omarmd.
Het verlangen naar het transcendente
en een wereld die ‘opnieuw betoverd’ is,
lijkt wijdverbreid te zijn.

Het verhaal van de val, vergeving,
verbondenheid en de transformerende liefde van God
is het verhaal dat het meest aansluit
bij onze diepste menselijke verlangens
en geleefde ervaring,
terwijl het ons tegelijkertijd de hoop biedt
op verlossing en – met Goddelijke hulp –
betere versies van onszelf worden;
het soort mensen
waarvan het secularisme
denkt dat we dat al zijn.

Op 21 maart jongstleden werd de Internationale dag tegen Racisme en Discriminatie weer gehouden. Begrijpelijke en terechte onderwerpen zoals islamofobie, vrouwenrechten, de rechten van de holebi-gemeenschap en transgenders werden over het voetlicht gehaald. Maar als ik de discussies die dag een beetje goed gevolgd heb bekroop mij toch ook een gevoel van selectieve verontwaardiging.

Waar ik op duid is het volgende: al jaren vindt er in Nederland een subtiele uitsluiting plaats van orthodoxe christenen, zozeer zelfs dat de Raad van Europa Europese regeringen oproept een einde te maken aan ‘subtiele vervolging van christenen’. En Nederland wordt in het rapport dat ten grondslag ligt van deze oproep meermalen genoemd. Oké, ik zou de term vervolging als het om Nederland gaat niet gebruiken, maar er is zeker sprake van discriminatie. vrijheid van meningsuitingOf noem het vrijheid van godsdienst, of van meningsuiting. Voorbeelden hiervan zijn er te over: de ‘weigerambtenaar’ die koste wat het kost het veld moest ruimen, voortdurend dreigend gevaar om de wet op het bijzonder onderwijs (over het christelijk onderwijs) aan te passen en de plannen om christelijk onderwijs te verplichten om seculiere lesprogramma’s over homoseksuele relaties aan te bieden aan hun leerlingen.

Is dit nu een kwestie van ‘wie geschoren wordt moet stilzitten’, simpel om het feit dat waar Nederland volgens sommigen ooit zuchtte onder het juk van christelijke betutteling, er nu een andere wind waait de christenen zich daarbij aan moeten passen of is dit een subtiele vorm van discriminatie? Is Nederland nog tolerant waar de mening van een ieder er toe doet of wordt door de secularisatiedictatuur (deze term is van dr. S. Meijers) de dominante mening maatgevend? Wordt er van iedereen verwacht zich te laten persen in het seculiere procrustesbed of mag een groep op eigen wijze pro christus kiezen?

Soms zijn het de kleine berichtjes die je doen opschrikken. Zo las ik laatst dat men in Groot-Brittannië zich zorgen maakt over de kwaliteit van het godsdienstonderwijs aldaar. Kinderen in het Verenigd Koninkrijk zouden te weinig voorlichting en informatie krijgen  over de verschillende godsdiensten. Al enige tijd geleden  las ik ergens anders dat sommige mensen zich daarover voor de Nederlandse situatie ook al zorgen maken. Kinderen die geen weet meer hebben, geen basale kennis meer hebben van christelijke feestdagen. Oké, ze zijn met Pasen vrij, maar waarom? Joost mag het weten. En dat is nu precies ook het probleem: meester Joost heeft er ook geen flauw idee van. Nooit kennis over opgedaan in de opleiding… Om maar te zwijgen over feesten van andere godsdiensten die ook – zij het op kleinere schaal –  in Nederland gevierd worden.

Nu zou je misschien je schouders kunnen ophalen over dit feit. So what, Nederland seculariseert, de westerse wereld seculariseert, dus dat grote groepen mensen totaal geen binding meer hebben, geen kennis meer hebben over godsdienst en godsdienstige feestdagen, dat is nogal wiedes. Laat ik voorop stellen: ik vind het erg jammer dat de westerse wereld zich in steeds mindere mate christelijk, godsdienstig noemt, maar daar gaat het mij in eerste instantie in deze column niet om. SamenWaar het mij hier om gaat is  dat grote groepen mensen elkaar niet meer kunnen begrijpen, elkaar niet meer verstaan omdat ze niet meer weten wat de andere persoon drijft. Er wordt wat fragmentarische, verouderde kennis ‘uit de oude doos’ opgediept, wat spullen van het wereldwijde web afgeplukt en op een vreemde aan elkaar geknoopt en voor je weet ontstaan er vijandsbeelden die de werkelijkheid onrecht aandoen. ‘Christenen drinken met hun Avondmaal echt bloed’ en ‘dé islam is een gewelddadige godsdienst die de hele wereld wil veroveren’ en meer van dat soort ongenuanceerde onzinuitspraken over welke godsdienst dan ook. En voor je het weet blijft het niet bij scheldpartijen, maar slaat op een gegeven moment de vlam geweldig in de pan! Talloze voorbeelden uit de minder recente en recente geschiedenis getuigen daarvan.

Om met elkaar een samenleving te kunnen (blijven)  vormen houdt ook in dat we kennis van elkaars (godsdienstige) denkbeelden en gebruiken dienen te hebben die we op goede wijze kunnen verkrijgen. Want anders groeien we als mensen die de samenleving moeten vormen steeds  verder uit elkaar en blijft er uiteindelijk alleen maar onbegrip over. Deze kennis moet overgedragen worden op onderwijsinstellingen opdat we een werkelijke samen-leving blijven vormen.

Want onbegrip leidt tot onbekend en dat maakt onbemind en dat…

Volgens een onderzoeksbureau zijn religieuze onderwerpen goed voor scores op netwerksite Facebook, waar mensen van over heel de wereld verbinding met elkaar zoeken.
Op de eerste plaats staat de pagina Jesus Daily, met meer dan 3.7 miljoen bezoekers per week. De pagina biedt fragmenten uit de Bijbel, foto’s en nieuws over geloof en christelijke organisaties. De Bijbel staat op plaats 4, en Jezus Christus op plaats 9, een plaatsje lager komt de pagina Dios es bueno. Religie is zogezegd hot.

Eerlijk gezegd lijkt me dit niet zo verwonderlijk. Immers, volgens Lactantius (ca. 250 – 320 AD), ook wel de christelijke Cicero genoemd, wordt het woord religie verklaart uit het Latijnse woord religare (opnieuw binden, goed binden) en verstaat hij onder religie de band (liga) tussen God en de mens (Divinae Institutiones IV, 28).

Tsja, religie blijft mensen binden, helaas soms ook verdelen, maar soms ook weer opnieuw binden. Religie blijft voor veel mensen een deel van hun imago (face) om daarover met elkaar na te denken op dit wereldwijde, digitale smoelenboek.

Schreef ik kortgeleden een blogje over het initiatief voor een (protestantse) Nationale Synode in Nederland, naast deze voorgenomen synode hebben verschillende media een zelfde beweging op meer plaatsen in wereld waargenomen.

Er wordt gewag gemaakt van het gesprek tussen de Russische-orthodoxe archimandriet Ilarion met de rooms-katholieke paus Benedictus XVI om te spreken over een gemeenschappelijk platform tegen de ‘zonde’ van verdeeldheid en vrijzinnigheid. Deze stap wordt gezien als een ‘dooi’ tussen de kerken in Oost en West, die in 1054 scheurden en in de eeuwen daarna nog verder splitsten.

Ook wordt er geschreven over de toenadering van paus Benedictus XVI tot de  Anglicaanse Kerk. Die kerk brak in 1534 met ‘Rome’.

ik schreef dat de media daar aandacht aanbesteedt, maar dat doet ze niet zo schrik en beven. Ik citeer de NRC:

Deze recente pogingen om de schisma’s te boven komen, illustreren dat opzichtig triomfalisme over de teloorgang van religie op zijn minst voorbarig is. Er moet namelijk niet uit het oog worden verloren dat de kerken ook bezig zijn met machtsvorming, en dus politiek bedrijven. Over een brede linie is er sprake van consolidatie van zowel rechtzinnigheid als organisatiekracht. In kwantitatieve termen: wie de christenen aller landen verenigt, verzamelt ongeveer 2 miljard wereldburgers tegen ruim 1 miljard moslims van verschillende denominaties.

Onderhuids voel je al de angst van de atheïst: worden we weer teruggeworpen naar een tijd ver voor de Verlichting waar de religie de macht in handen had? Omineus sluit het artikel af met de volgende waarschuwing:

de scheiding van Kerk en Staat moet het fundament blijven van een liberale democratie!!

De media zien voor hun geestesoog  waarschijnlijk al allerlei kerkelijke gremia geen plaats voor andere meningendie het dagelijks leven weer terugwerpen in die duistere tijd doortrokken van spruitjeslucht en van stille zondagen. Een tijd waarin het geluid van godsdiensten de stem van de redelijkheid overstemt.

Even een vraag van mijn kant: zouden al die breuken tussen de eens ongedeelde christelijke kerk het idee zijn van een atheïst onder het motto:

Verdeel en heers…