Maar zo vredig en vriendelijk
als deze woorden klinken
– overgeven, loslaten, eenvoud –
zo is het niet.
Het is als met een slootje waar je alleen maar óverheen kunt
en waarbij je bij het springen
maar hoopt dat je het haalt
en ook dat je dan niet wegzakt
in de walkant aan de overzijde.
Het is een ‘waagstuk’.
Dit waagstuk vraagt niet de inspanning van spierballen of het verstand,
maar vraagt om die van het hart en van de wil.
Het vraagt om de moed om zich in te laten
en over te geven aan het onbekende
van een onbegrijpelijk bestaan en een onbegrijpelijke God.
Het christendom vraagt in zekere zin veel van een mens….
en toch…. niet alleen het verstandig nadenken levert wat op
– begrip –
ook deze houding van moedige overgave leidt ergens toe.
Want nog terwijl het moeite kost,
ervaart een mens dat God een mens tegemoet komt.
Men ervaart dat Hij de moedige keuze van de overgave bevestigt
en dat dankzij zijn genade Godsontmoeting tot werkelijkheid wordt.
Men ervaart dat het christendom veel vraagt
en tegelijkertijd ook heel eenvoudig is.
Zoals Rahner het zegt:
‘wat is het christendom eenvoudig:
de intentie om zich in capitulerende liefde over te geven
aan de onbegrijpelijkheid van God’.
Onze goede bedoeling volstaat, zo lijkt het wel.
De vragen ‘hoe kan ik God ontmoeten?’
en ‘hoe komt God voor mij tot leven
door de uiterlijkheden van liturgie en leven heen?’
getuigen van de moeite van de Godsontmoeting.
Daar waar die vragen en de onderliggende moeite
vaak leiden tot de conclusie dat God niet bestaat,
stel ik een andere weg voor.
Als de genoemde vragen inderdaad vooral een klacht zijn,
vraagt het niet zozeer om rationele argumentatie
met een sluitend antwoord
als wel om een verantwoord alternatief.
Dat verantwoorde alternatief is ‘simpelweg’:
volhouden en je toevertrouwen aan God.
Als de mens zich die houding
van volharding en overgave eigen maakt,
dan blijkt dat God tot leven komt, door de uiterlijkheden heen.
De uiterlijkheden van de liturgie zijn meer dan uiterlijkheden.
Ze worden dan wat ze al waren:
verwoording en verbeelding
van een oorspronkelijke ervaring
en naar die ervaring heenleidend.
Het blijkt dan dat de mens niet anders kan dan, moeitevol,
beleven dat hij uitingen nodig heeft en die hij tevens overstijgt.
Het blijkt dat dat ook voor geloof en God geldt:
dat uitingen de enige manier zijn om de woordloze ervaring
van God te verwoorden
en om die ervaring op te zoeken,
maar dat die uitingen alleen zinvol zijn
in verband met een hen voorafgaande
en woordloze ervaring.
Bovendien blijkt God niet het privilege van de liturgie.
Hij komt ten leven door diezelfde houding van volharding en overgave
te midden van de uiterlijkheden van het dagelijkse leven.
Dan beleeft de mens zichzelf zoals hij is:
levend met concrete woorden, concrete daden, een concrete geschiedenis,
waarin Hij als transcendentaal, een geestelijk wezen óók, ja:
tegelijkertijd, voorbij aan dat concrete leeft, in reflectie, overgave en liefde.
Zo het dagelijkse leven beleven, spanning en moeite niet ontvluchtend,
is al geloof en gebed,
omdat het de ontmoeting is met de diepte van het bestaan
waar God te ontmoeten is.



