Laatst zat ik op een mooie zomeravond in de tuin,
genoot van een goed boek
en de rust om mij heen.
Maar plotseling werd ik opgeschrikt
door een zoemend geluid
– ik dacht dat we al weer last kregen van wespen;
ik had namelijk wat zoetigheden op tafel staan.
Ik keek om me heen om de wespen te ontdekken,
maar ik kon niets waarnemen.
Uiteindelijk keek ik omhoog:
Het geluid was niet afkomstig van wespen,
maar van een drone die boven mijn hoofd zweefde.
Ik zal die sensatie nooit vergeten;
het griezelige gevoel dat iets je in de gaten hield.

In een recent verslag over de oorlog in Oekraïne
documenteert een journalist
het inmiddels wijdverbreide gebruik van drones.
De journalist schuilt met Oekraïense soldaten
onder de dekking van het bos
terwijl een Russische drone het gebied scant.
Ten langen leste kunnen ze naar hun auto vluchten,
waarin een AI-stem zegt:
Detection: multiple drones, multiple pilots, high signal strength‘,
terwijl ze rondom je heen zoemen.
Dit is het nieuwe tijdperk van geheime oorlogsvoering,
waarbij de vijand toeslaat zonder gemakkelijk te identificeren te zijn.
Je hoort het gezoem, maar de bron is ongrijpbaar.

In de komende jaren zal dit soort
psychologische oorlogsvoering
zijn intrede doen in Westerse steden.
Terroristische aanslagen zullen verschuiven
van persoonlijke confrontaties
naar anonieme aanvallen op afstand:
drones die vanuit het buitenland
naar steden vliegen
om burgers aan te vallen,
of zwermen drones die massale aanvallen uitvoeren
in dichtbevolkte stadscentra.
Het doel zal zijn om psychologisch trauma
op grote schaal te veroorzaken.
Burgers zullen aarzelen om hun huis te verlaten,
overgevoelig voor het gezoem
van anonieme drones in hun eigen wijk.
Volgens Michiel Driebergen gebeurd dit al Oekraïense steden.
En onlangs heeft Iran verklaard
dat geen enkele Amerikaanse, Britse of Franse basis
veilig is voor represailles in de Israëlisch-Iraanse oorlog.
Het is dan ook niet moeilijk voor te stellen
dat ook Westerse steden binnenkort
als legitieme doelwitten zullen worden beschouwd.

We gaan een tijd van geïntensiveerd conflict tegemoet,
waarbij nationale veiligheid
het dominante kader voor beleidsvorming wordt.
‘Veiligheid’ zal beleidspunt nummer één worden
van de overheid
en ook de komende verkiezingen zullen ook draaien
om de vraag welke partij en leider de Nederlanders
het beste kan beschermen tegen externe bedreigingen.
In deze context worden zelfs domeinen
die ooit door samenwerking werden beheerst,
getransformeerd worden tot wedlopen
geïnstigeerd vanuit het eigen (lands)belang,
omdat het kader voor nationale veiligheid
van nature de focus verschuift
van wederkerigheid naar beperking van de ander.

Vrijhandel bijvoorbeeld
– in wezen de wederzijds profijtelijke uitwisseling
van goederen en diensten
als onderdeel van de waardecreatie –
wordt in een op veiligheid gerichte wereld een kwestie van inperking.
Handel, in een op veiligheid gerichte wereld,
wordt op zijn kop gezet,
waardoor vrijhandel verandert in handelsoorlogen.
Eerlijkheid (waarin de taart wordt verdeeld over meerdere mensen)
wordt vervangen door belangen,
of het nu gaat om belangen van landen
of gemeenschappen en individuen daarbinnen
die zichzelf willen beschermen.
Naarmate de concurrentie tussen de VS en China escaleert,
kunnen we verwachten dat menselijke relaties
– tussen zowel staten als burgers –
nog meer een alles-of-nietsspel zullen worden.

Doen morele waarden er in zo’n omgeving nog toe?
Wanneer de vijand in een tijdperk van nationale veiligheid
steeds meedogenlozer en innovatiever wordt,
moeten we dan net zo hard optreden als hij?
Of is het nog steeds mogelijk
om principes hoog te houden
en onszelf tegelijkertijd te verdedigen?

Tegenwoordig zou je kunnen denken
dat gebaren van non-agressie
– zoals de vernietiging van zijn voorraad
van één miljoen landmijnen door Finland in 2015(!) –
nu gevaarlijk naïef lijken.
Oekraïne
– en ook enkele Baltische staten –
heeft onlangs
van zijn kant heeft terecht
het verdrag van de Ottawa-conventie
(dat clustermunitie verbiedt) opgezegd.
Want hun voortbestaan hangt af van vindingrijkheid,
van snelle technologische ontwikkeling
en samenwerking met bondgenoten
om geavanceerde systemen
te prototypen en te implementeren.

De Amerikaanse theoloog Reinhold Niebuhr
stelde in zijn artikel ‘Moral Man and Immoral Society
dat men om moreel te zijn,
het vermogen tot geweld moet bezitten;
‘macht moet worden uitgedaagd door macht.’
Die macht moet echter worden uitgeoefend
met verantwoordelijkheid, nederigheid en een moreel doel.
Je kunt vervolgens stellen dat oorlog gerechtvaardigd
kan worden wanneer deze voldoet
aan de criteria van jus ad bellum:
een rechtvaardige reden, legitiem gezag,
juiste intentie, proportionaliteit
en een redelijke kans op succes.

Oorlog kan in deze interpretatie
een ‘vriendelijke hardheid’ uitdrukken:
een vorm van oordeel die wordt toegepast
ter verdediging van slachtoffers.
Niebuhr baseert zijn argument op het Augustijnse realisme:
de wereld is fundamenteel goed, maar toch gebroken.
Omdat het kwaad blijft bestaan,
wordt het morele gebruik van geweld
noodzakelijk om te handhaven wat juist is.
Ik geloof dat dit waar is
en direct toepasbaar
op de op nationale veiligheid gerichte wereld
waarin we ons bevinden.

Wat betekent dit dan voor westerse landen,
nu nationale veiligheid zich opnieuw manifesteert
als het centrale organiserende principe van bestuur?

Dit vereist aanzienlijke en dringende investeringen
in defensie en deep tech,
waaronder bijvoorbeeld opkomende mogelijkheden
zoals cognitieve oorlogsvoering
en wearables die de prestaties van soldaten in gevechten verbeteren,
anti-dronesystemen voor stedelijke,
landelijke en maritieme omgevingen,
en elektronische oorlogsvoering
en geospatiale intelligentie
van de volgende generatie.

Als droneaanvallen op zee toenemen
– zoals die welke door de Houthi’s worden uitgevoerd
om wereldwijde scheepvaartroutes te verstoren –
zullen anti-dronesystemen essentieel zijn
om een veilige doorgang te garanderen.
In een wereld van gemanipuleerde verhalen
en desinformatie
zal geospatiale intelligentie dienen
als een bron van waarheid en helpen vaststellen
wat er daadwerkelijk op de grond gebeurt.
En naarmate AI steeds beter in staat is
om gebruikers te manipuleren
– door middel van vleierij, overreding en andere technieken –
zullen toezichttechnologieën
essentieel zijn om objectiviteit en integriteit te behouden.

Verantwoord geweldsgebruik sluit tegenwoordig pacifisme uit
en voorkomt geweld volledig.
Het betekent het behoud – en de ontwikkeling –
van de mogelijkheid tot overweldigende macht,
zodat deze klaar is voor gebruik indien nodig.
Moraliteit in een tijdperk van nationale veiligheid
vereist snelle investeringen
in defensietechnologieën om tegenstanders
meerdere stappen voor te blijven.
Een ‘gehele samenleving’-aanpak
betekent burgers voorbereiden met een dergelijke mentaliteit.
Terughoudendheid en nederigheid
zijn nog steeds cruciale deugden,
maar mogen niet worden verward met zwakte.
Westerse landen moeten bereid zijn
om snel, daadkrachtig
en met de afschrikkende kracht
te handelen die vrede vereist.

Dit is de wereld die we betreden:
een wereld waarin
zowel regeringen als burgers voorbereid moeten zijn
op onverwachte dreigingen.
Het gezoem van een drone boven ons hoofd
is meer dan een geluid;
het is een waarschuwing,
die niet alleen Oekraïners,
maar ook degenen
die zich momenteel
in een vreedzame situatie bevinden,
eraan herinnert zich voor te bereiden
op mogelijke conflicten die eraan komen.
De gepaste reactie is niet terugtrekken,
maar het verantwoord en moreel uitoefenen van macht:
een noodzakelijke plicht als we vrede,
vrijheid en rechtvaardigheid willen behouden
in een wereld
die er steeds meer op gebrand is deze te bestrijden.

1 Koningen 19,11-12

 

Voorbij het lawaai de alledaagse onrust klinkt een zacht, constant suizen.
Is dit het voorzichtige geluid van een stille opwekking?

‘Er kwamen vanochtend voor het eerst meer jonge mannen naar de kerk.’

‘Plotseling zitten onze kerkbanken vol met twintigers.’

‘Er komt een nieuw gezin op zondag. Hun tienerdochter sleept hen mee.’

Pardon? Dit zijn berichten die ik bijna niet kan geloven.

Want de afgelopen jaren werd de waarschuwing gehoord:
het westers christendom krimpt!
En de gesprekken die er dan over werden gevoerd
werden gekleurd met een ondertoon van verwarring en onzekerheid.
Het geluid werd zelfs zo sterk
dat we zelf er ook in begonnen te geloven.

En nu wijzen cijfers uit dat er sprake is van een voorzichtige groei van het kerkbezoek.

De cijfers van een recentelijk Brits onderzoek ondersteunen
– en later geflankeerd door Nederlands onderzoek
dat zelfs de landelijke media haalde –
de toename van kerkbetrokkenheid in de afgelopen jaren,
met name onder jonge mannen.
Het getuigt van een voorzichtig groeiende kerk,
de toegenomen positieve impact ervan in gemeenschappen
en spirituele openheid onder jongeren.
Dus ook in Nederland zie en hoor je van
hernieuwde en nieuwe belangstelling
voor het christelijk geloof.
Het schetst een beeld van een multi-etnische
en multi-generationele kerk die transformeert,
samen met een voortdurend veranderend cultureel landschap.
En dat het allemaal erg spannend.
Welke kant gaat het op en wat beklijft?

Het Britse rapport signaleert een algemene toename van mensen
die minstens één keer per maand naar de kerk gaan
en zichzelf christen noemen, van 8 naar 12 procent.
Het laat een radicale verschuiving zien
onder jongvolwassenen tussen de 18 en 24 jaar,
allemaal binnen de Generatie Z,
die vaker aan deze definitie van kerkgangers
voldoen dan welke andere generatie dan ook,
met uitzondering van degenen boven de 65.
Een verdere omkering van de normen is
dat het onderzoek mannen vaker naar de kerk brengt dan vrouwen,
in de meeste leeftijdsgroepen,
maar vooral onder mensen onder de 35.
Cruciaal in het rapport is dat het hier niet gaat om
‘jonge mannen die lid worden terwijl jonge vrouwen vertrekken’,
maar om een gezamenlijke toename van kerkbezoek.

Het lijkt erop dat het christendom misschien wel cool wordt gevonden.

Generatie Z gelooft het vaakst in God en bidt regelmatig.
Iets minder dan twee derde zou het fijn vinden als een christelijke vriend voor hen bidt,
en 47 procent van de niet-kerkgaande Generatie Z
vindt het goed dat christenen met niet-christenen over hun geloof praten.
Dit duidt op een verschuiving van het toeschrijven
van groei aan de invloed van culturele commentatoren of mediapersoonlijkheden,
naar zelfverzekerde lokale christenen die hun geloof delen met vrienden.
Maar in plaats van te worden aangespoord door influencers en intellectuelen,
komt de grootste impact voort uit relaties en persoonlijke uitnodigingen.
Journalist Tijs van den Brink laat in het Nederlands Dagblad optekenen:
‘Bereid je als kerk voor op een toestroom van nieuwe gelovigen’
Hij is niet verbaasd dat steeds meer jongeren
belangstelling tonen voor het christelijk geloof.
In zijn programma’s ziet hij signalen van een kentering.
Jongeren die zich via sociale media
tot het geloof bekeren of daar openlijk over praten.
Hardstyle-dj Sefa voelt zich net zo thuis op het festival Defqon.1
als in de Gereformeerde Gemeente.
Hij is op zoek naar zijn plek
in de muziekwereld als jonge gelovige.
‘Zondagsrust is het mooiste wat er is.’ zegt ie.

Deze opmerkelijke openheid voor religie en ervaringsgerichte spiritualiteit
onder Generatie Z is echter niet niet langer een anekdotische curiositeit;
dit is echte, gedocumenteerde groei die wordt getoond
in een opkomende spirituele generatie,
ontvangen door een culturele sfeer die steeds meer openstaat voor geloof.

Naar de kerk gaan is goed voor je.
In een tijdperk van zelfhulpfenomenen positioneert de kerk zich
als tegengif tegen een gefragmenteerd sociaal leven en psychische crises.
Kerkgangers van alle leeftijden zijn vaker gelukkig,
hebben meer hoop voor de toekomst en geloven
dat hun leven zinvol is dan niet-kerkgangers,
en zeggen minder vaak dat ze zich angstig of depressief voelen.
Cruciaal is dat deze bevindingen ook gelden voor jonge kerkgangers,
wat een extra reden is voor hun kerkbezoek. Simpelweg: het maakt ze gelukkiger.

Het is dé oplossing voor een generatie – met name jonge mannen –
die het digitale omringd is, maar sociaal geïsoleerd.
Kerkbezoek leidt tot een betere verbinding
met mensen in de bredere gemeenschap,
waarbij bijna twee derde van de 18- tot 34-jarigen
zich verbonden voelt met mensen in hun buurt,
vergeleken met slechts een kwart
van hun niet-kerkbezoekende leeftijdsgenoten.
Als we specifiek kijken naar jonge mannen in de kerk,
loopt dit percentage op tot 68 procent,
wat kerken een ongelooflijke kans biedt
om de eenzaamheidsepidemie te doorbreken.

‘Het verschil is verbluffend’, tekent het rapport op.
‘Het schetst een beeld van jongvolwassenen
die een diep gevoel van zingeving en levenstevredenheid
hebben gevonden door regelmatig naar de kerk te gaan,
die zich verbonden voelen met hun gemeenschap
en – in de gegevens die we hebben verzameld over hun sociale activiteiten –
ook graag iets terugdoen voor hun lokale gemeenschap.
Dit is niet het beeld
dat we doorgaans van jongvolwassenen in de media zien,
maar het is wel een krachtig beeld.

Naar de kerk gaan is niet alleen goed voor jezelf,
maar ook voor je gemeenschap.
De diepste bemoediging schuilt misschien wel in de blik
die het biedt op een christendom
dat geloof in actie uitstraalt.
Het onderzoek laat een beeld zien van kerkgangers
die niet alleen bezorgd zijn om hun eigen welzijn,
maar ook het leven van anderen willen verbeteren
– 78 procent van alle kerkgangers
is het erover eens dat het belangrijk is
om een verschil te maken in de wereld.

Vooral de jongere generaties van de kerken
die verlangen naar sociale verandering,
hebben vertrouwen en investeren in het bewerkstelligen
van positieve verandering,
en voelen zich verantwoordelijk
om bij te dragen aan hun gemeenschap.
Daden zoals regelmatig doneren aan een goed doel,
een lokale voedselbank steunen
en deelnemen aan activiteiten
ter verbetering van het milieu
worden gezien
als de gevolgen van christelijk geloof in actie.
Het geeft de gevolgen aan van kerkgang
door een diepe belichaming van Gods liefde
en het doorgeven van deze liefde aan anderen.

‘Dit zijn de indicatoren of je een ware gelovige bent of niet’, wordt eraan toegevoegd,
waarbij bemoediging uit bevindingen worden gedeeld.
Het gaat er niet om of je naar de kerk gaat of de liederen zingt.
Jezus legt uit hoe je kunt weten of je in het Koninkrijk bent of niet:
Ik had honger en jullie gaven me te eten,
ik had dorst en jullie gaven me te drinken.

Nu we de cijfers hebben, blijven er vragen over.
Hoe kunnen we reageren?
Waar leidt dit toe?
Zijn we getuige van de dood van het traditionele christendom? En dus?
Zeggen dat de bevindingen de kerk hebben verrast,
is misschien een understatement.
We leven in tijden van politieke onrust.
Religie en zo’n beetje alles wordt als wapen gebruikt.
De armoedekloof neemt toe, en niet alleen in materiële armoede.

De realiteit is dat we allemaal een rol te spelen hebben.
Het rapport is inclusief in zijn aanpak en aanbevelingen.
De eerste oproep is om de omvang en impact van kerkgangers
meer te erkennen,
iets wat kan worden overgenomen door sociale influencers en besluitvormers.
Er zijn ook aanbevelingen die meer gericht op mensen binnen de kerk:
om discipelschap en Bijbelonderwijs prioriteit te geven,
er moet nadruk gelegd worden
op het opbouwen van interpersoonlijke relaties.

Laten we echter dit mooie nieuws
ook met een korreltje zout nemen;
nuchter blijven
en niet meteen té euforisch worden.
Want de populariteit van het christendom
is de afgelopen tweeduizend jaar
vaker toegenomen én ook weer afgenomen.
Er zijn altijd tijden geweest dat het de snoepje van de maand – of van de eeuw – was,
zoals toen het zo’n 300 jaar na Jezus de officiële religie
van het Romeinse Rijk begon te worden.

Maar populariteit brengt ook gevaren met zich mee.
Wanneer de aantrekkelijkheid
van het christendom bekoeld is,
heeft het de neiging zijn ziel te verliezen,
zijn radicale aard verwaterd
zeker door de mensen
die zich tot het kruis trokken
als een soort modeaccessoire.
Op sommige momenten is het geslonken
tot een paar dappere zielen die de neergang trotseerden,
zoals de elf angstige discipelen
die in Jeruzalem bijeenkwamen na de executie van Jezus.
Of tot een groepje stoere, ruige christenen
dat maar blééf bidden tijdens jaren van vervolging
en vaak hun geloof met hun leven moesten bekopen.

Ook zijn de waarheidsaanspraken
van het christendom vaak niet populair.
Maar voor ons christenen
blijft ons geloof waar,
of mensen het nu geloven of niet.
Dus het feit dat er nu meer mensen geloven
dan een paar jaar geleden,
maakt het christelijk geloof
niet meer of minder waar.

Eerlijk gezegd heb ik die voorspellingen
over de ondergang van de kerk
toch nooit al te serieus genomen.
Daarom ben ik ook niet iemand
die meteen de slingers ophangt
als de voorspellingen
voor het christendom nu positief uitpakken.

Ik denk dat zij die geloven in Jezus,
een beetje sceptisch moeten zijn
over onderzoeken en statistieken.
Getalsmatige projecties en kansberekening
zijn nuttig om maatschappelijke trends te ontdekken,
maar ze hebben weinig invloed op waarheidsvragen.
Statistische analyses van wat er doorgaans met overledenen gebeurt,
zouden de opstanding immers nooit hebben kunnen voorspellen.

De aantrekkingskracht van het christelijk geloof
is juist dat het niet gebaseerd is
op hoeveel mensen erin geloven.
Het draait om een gebeurtenis
waarbij het eeuwige tijdelijk werd,
waarbij God de menselijke geschiedenis binnentrad
in de gedaante van een rabbi uit Galilea.
Het overstijgt daarom tijd en ruimte,
opiniepeilingen en enquêtes.
Het geeft een vertrouwen
dat niet geworteld is
in de wisselende stemming van de publieke opinie,
die het ene moment op
en het andere moment weer neer gaat,
maar juist iets blijvends, permanents en betrouwbaars.

Wees dus blij, als je dat wilt,
met het vooruitzicht op een komende,
hernieuwde golf van geloof.
Maar laat je niet misleiden door te denken dat dit iets bewijst.
Zoals Jezus ooit zei:
‘Verheug je er niet over dat de geesten zich aan je onderwerpen,
maar verheug je dat je namen in de hemel geschreven staan.’ (Lucas 10: 20)

En toch….
Voorbij het lawaai van twijfel en onzekerheid over het christendom
resoneert een zacht, laag en constant gezoem.
Het eist niets; het deelt.
Het overstemt anderen niet; het luistert.
Het houdt niets achter; het nodigt uit.
Het waardeert daden boven woorden.
Is dit het geluid van een stille opwekking?