Heel worden is geen groots en eenmalig gebeuren.
Het is nooit af.
Ook dat zien we bij Jakob.
Net voor Pniël had hij nog een sluwe strategie uitgezet
om zijn broer gunstig te stemmen.
Hij had een hele stoet aan geschenken vooruit willen sturen
en ook zijn vrouwen en kinderen voorop willen laten gaan.
Zijn minst favoriete vrouw en kinderen voorop,
zijn lievelingen daarachter.
Om tenslotte zelf als allerlaatste zijn broer onder ogen te komen.

Maar na Pniël laat Jakob zijn handige, manipulatieve plannetjes varen.
Hij verstopt zich niet langer voor wie dan ook.
Er staat:
‘Zelf liep hij voor iedereen uit en terwijl hij zijn broer naderde
boog hij zevenmaal diep voorover.
Ezau rende hem tegemoet, sloot hem in zijn armen en kuste hem.
Beiden huilden.’ (Genesis 33,3-4)
Ik moet hierbij sterk denken
aan de terugkeer van de verloren zoon.
In Lukas 15,20 staan soortgelijke woorden:
‘Zijn vader zag hem in de verte al aankomen.
Hij kreeg medelijden en rende op zijn zoon af,
viel hem om de hals en kuste hem.’
Jakob is hier als de verloren zoon
die na een jarenlange ballingschap eindelijk thuis komt.
Ezau vervult hier de rol van de barmhartige.
Hij ziet hem aankomen, rent hem tegemoet, omarmt hem,
kust hem en huilt om hem en met hem.

 

In de naam Israël zit iets dubbels.
De Bijbelschrijver mag dan wel vertellen
dat de naam betekent dat Jakob strijdt met God en mensen.
Maar taalkundig betekent Israël: Gód strijdt.
God strijdt voor en met Jakob.
Dat is het diepste geheim van de zegen die Jakob ontvangt.
Dat dubbele zat wellicht ook al in in zijn eerste naam Jakob.
Die vertalen we doorgaans als hielenlichter, bedrieger
en dat is ook wat Bijbelschrijvers doen.
Maar die naam kwam in oude Semitische talen vaker voor
in verschillende varianten op Jakob of Jakob-El,
steevast afgeleid van het werkwoord beschermen.
Dat zou betekenen dat ook in deze naam al de betekenis schuilgaat
van ‘moge God hem beschermen’ of ‘God heeft hem beschermd’.

De kern van het gevecht bij Pniël is dat Jakob Ezau leert loslaten.
Zodat hij innerlijk echt vrij is voor God.
De volgende dag geeft hij Ezau letterlijk zijn zegen terug
en gaat hij nu heel bewust echt zijn eigen pad.
En als alles achter de rug is en Jakob Sichem bereikt,
noteert de Bijbelschrijver in Genesis 33,18:
‘en Jakob kwam als een heel mens aan.’(vertaling Jonathan Sacks)

Een heel mens.
Dat is nogal wat voor een man die heel zijn leven in tweestrijd is.
Een heel mens.
Dat klinkt als iemand die zichzelf is tegengekomen.
Zichzelf in de ogen heeft leren kijken.
Niet langer wegkijkt van wat hem niet bevalt.
Zijn schaduwzijde niet verdringt en wegdrukt in zijn onderbewuste
waar het dan rondspookt en ongecontroleerd
en op de gekste momenten naar boven en naar buiten kan komen.
Een mens die niet langer leeft in een gefantaseerde werkelijkheid.
Zich niet blind staart op zijn ideaalbeelden
en hoe het zou moeten zijn.
Maar zich kan verhouden tot de complexe, weerbarstige werkelijkheid,
met zichzelf kan leven en in het reine is gekomen.

Hoe word je dat eigenlijk, een heel mens?
Ooit leerde ik dat heel worden niet iets groots en eenmaligs is
dat je overkomt en dan af is.
Heel worden gebeurt in talloze kleine momenten
wanneer je ervoor kiest je toe te wenden naar de ander
en in verbinding te treden.