Eerder schreef ik over het idee dat een aangevochten geloof
in de zin van dat je door vertwijfeling heen bent gegaan
om het vertrouwen te krijgen dat je Gods kind bent,
dat je daarmee in deze tijden van corona sterker staat in het geloof.
Waarom schreef ik dit?
Laat ik het anders stellen:
Is een positief mensbeeld bestand tegen
de machten en krachten van het kwaad?
Een populair mensbeeld waarbij er alleen maar wordt gesteld
dat God je aanvaard zoals je bent.
Ik wil in deze blog dit verder uitwerken.

De zestiende-eeuwse kerkhervormers
schreven in de Heidelbergse Catechismus
dat de mens niet instaat was tot enig goed.
‘de mens is geneigd tot alle kwaad’ en ‘onbekwaam tot enig goed’.
De zogenaamde leer van de erfzonde.
Eigenlijk wilden ze daarmee een antwoord geven op de vraag:
hoe gaan we om met de werkelijkheid van goed en kwaad?
Want – zo zeiden ze – wij mensen kunnen niets in de weegschaal leggen,
ons nergens op beroepen,
om God ervan te overtuigen dat Hij ons lief zou moeten hebben.
Dat is louter een kwestie van genade.
Binnen de relatie van de mens met God kan ik niet zeggen:
ik deug.
In het licht van Gods heiligheid kan ik pas goed beseffen
dat ik tekortschiet,
maar tegelijkertijd staat daar die tekortkoming
in de context van Gods genade.
Dat helpt ook voor je relatie, je houding naar anderen toe:
je kijkt er niet vreemd van op als anderen soms niet deugen,
want je weet dat dat kwaad ook in jezelf zit.
In die zin kan het idee dat de mens van nature is geneigd tot kwaad,
juist een houding van mildheid opleveren.

Zeker als mensen onderling en in onze relatie met de natuur
kunnen we zeker goede dingen doen.
Iets wat je kunt omschrijven als een rechtvaardig leven.
Maar zo’n leven vergt ook en in de eerste plaats het inzicht
dat ik mezelf niet kan rechtvaardigen.
Niemand leidt een volledig rechtvaardig leven.
Als antwoord op dat idee, dat we altijd tekortschieten, wat we ook doen,
brachten de zestiende-eeuwse kerkhervormers in:
‘God aanvaard mij, maar ik moet ook nog steeds zelf handelen.
Dietrich Bonhoeffer vraagt in zijn gedicht ‘Wie ben ik?’
zich af of hij de sterke persoon is die anderen in hem zien of de zwakke, angstige mens die ik zelf zie.
En dan eindigt hij met: ‘Wie ben ik? Wie ik ook ben, U kent mij’.
Het verwoordt precies het besef geaccepteerd te zijn, ongeacht wie je bent. Het geeft je een realistische blik op het leven.
God accepteert mij, hoezeer ik ook faal alle slechte dingen uit te bannen. Luther zegt het dan mooi:
‘in het geloof in Christus kan je geweten gerust slapen.’
Het beschuldigt je niet meer.
Dit verandert je motivatie om het goede te doen:
je doet het niet om geaccepteerd te worden,
maar omdat je vorm wil geven aan het feit dat je geaccepteerd bent.
Dus als je aanvaardt dat je van nature verloren bent,
Ik geloof niet dat een heel optimistisch mensbeeld uiteindelijk bestand is tegen het kwaad in de wereld. Juist vanuit het besef van het eigen tekort, waarin je je wonderlijk genoeg aanvaard mag weten, ben je in staat om niet gelijk om te vallen door het tekort van een ander.
De Engelse ethicus Theodore Dalrymple zei een jaar of tien geleden:
‘als je geen erfzondeleer hebt,
heb je geen verweer tegen wat er allemaal
aan kwaad kan gebeuren in je leven.’
Dat God je uit genade accepteert zoals je bent
brengt dat uiteindelijk rust teweeg,
zet je anders in relatie met je medemens
en doet je sterker staan in aangevochten geloof.

Al enige tijd worden we gewaarschuwd voor de gevaar van het teveel. Teveel drinken, teveel eten is niet goed voor de mensen. Alcoholisme en obesitas liggen op de loer en kunnen mensen en relaties tussen mensen verwoesten. Beide verslavingen kunnen, zoals elke verslaving, leiden tot een sociaal isolement en uitsluiting. Mensen kunnen vereenzamen. En wat leek het mooi toen het internet zijn intrede deed in het leven van veel mensen dat er allerlei mogelijkheden ontstonden om vanuit je luie stoel thuis of via de smartphone overal contact te houden met mensen die je kent en contacten te leggen met mensen die je nog nooit hebt gezien. Je hebt de hele wereld onder de knop van je computer, telefoon, of wat dan maar ook. Prachtig!!

Maar zoals alles kunnen ook de nieuwe sociale media, wanneer ze teveel worden gebruikt,  leiden tot een verslaving met alle kwalijke gevolgen van dien. In het geval van een overmatig gebruik van social(e) media spreek je dan van ‘Socialbesitas’. De kenmerken van socialbesitas zijn dezelfde van elke verslaving dan ook: onder andere dan je je eigen wereld creëert je en dat  die wereld is het belangrijkste voor je is. In het NRC en het actualiteitenprogramma Een Vandaag werd hier van de week voorbeelden van geschetst. Mensen die het hebben van vrienden op Facebook belangrijker vonden dan vrienden in de normale leven (irl) ‘Sommige jongeren vinden hun Facebook-vrienden belangrijker dan hun echte vrienden. Want wat echte vrienden zeggen, weet alleen jij. Maar wat Facebookvrienden zeggen, weet iedereen’ schreef het NRC; mensen die het belangrijk vinden dat hun berichtjes door zoveel mogelijk mensen worden gezien; de toenemende druk om sociaal te willen zijn, iedereen te willen volgen en niks te missen. ‘Het sturen, lezen en voortdurend checken van de sociale media geeft jongeren een kick, een “instantbevrediging” vergelijkbaar met die van eten, alcohol, drugs en seks’, zegt Herm Kisjes, een van de onderzoekers naar dit fenomeen in de krant.

Een van de effecten van overmatig gebruik van social media is psychische vermoeidheid. Laatst hoorde ik van een iemand van in de twintig die naast haar baan ook nog heel actief was op social media en vond dat ze aan alle events moest blijven meedoen en dat ook via de sociale media  moest blijven uitventen. Uiteindelijk kreeg ze een stevige burn-out omdat ze een (te) druk sociaal leven, haar opgedrongen door de social media, niet meer kon combineren met haar baan.

laat je niet leiden door social media

laat je niet leiden door social media

Bij dit alles moest ik denken aan een heel oud geschrift (450 jaar om precies te zijn) van het protestantisme, de Heidelbergse Catechismus. In veel kerken ligt het geschrift al onder vele lagen stof weg te zinken in de vergetelheid, maar de actualiteit van het belijdenisgeschrift is nauwelijks te overschatten. In 52 delen die ‘zondagen’ worden genoemd wordt de kern van christelijk geloof samengevat door mannen die luisterden naar de namen Caspar Olevianus en Zacharias Ursinus (Beer). Neem nu ‘vraag en antwoord’ 1 (want zo heet dat in de Heidelbergse Catechismus): wat is uw enige troost in leven en sterven? Dat ik met lichaam en ziel, zowel in leven en in sterven, niet mijzelf toebehoor, maar aan mijn getrouwe Zaligmaker Jezus Christus. Juist als mensen vastlopen omdat ze steeds maar moet scoren, steeds maar gezien moeten worden, hogerop moeten komen, geliefd moeten zijn, kunnen die woorden zoveel ruimte bieden. De catechismus troost met de blijde boodschap dat we niet van onszelf hoeven te zijn. We mogen van Christus zijn, We zijn niet afhankelijk van allerlei zaken die ons leven willen beheersen, maar van Jezus Christus. Bevrijd van onszelf en de ziekte van Ikke, ikke, ikke.