De goede voornemens liggen al bij het grofvuil. We zouden toch gezonder, fitter, rustiger, beter worden. Twee weken later zaten we alsnog met chips op de bank. We knikten zelfs braaf bij Blue Monday – zogenaamd de somberste dag van het jaar – alsof we een officiële stempel nodig hebben voor dat knagende gevoel dat het allemaal wat minder glanst dan gehoopt.
Maar misschien zit de echte somberte niet in het weer. Misschien zit ’ie dieper.
Kijk om je heen. Twee derde van de wereld leeft inmiddels in landen waar te weinig kinderen worden geboren om de bevolking op peil te houden. Voor stabiliteit heb je gemiddeld 2,1 kind per vrouw nodig. In Nederland is dat 1,43. In grote delen van Europa is het niet veel beter. Dat is geen dipje. Dat is een trend.
En natuurlijk: we noemen het Vrijheid, Keuze, Zelfbeschikking. We plannen ons leven zorgvuldig. We optimaliseren, vergelijken, berekenen. Alles moet kloppen. Het huis. De baan. De planeet. Onszelf.
Maar onder al dat plannen ligt een stillere laag. Twijfel. Uitstel. Wachten op betere tijden. Tot de hypotheek betaalbaar is. Tot de politiek rustiger wordt. Tot het klimaat stabieler voelt. Tot we zelf ‘klaar’ zijn.
Alleen: dat moment komt zelden.
Misschien is dat wel de kern van onze tijd. Niet egoïsme. Niet onwil. Maar een te broos vertrouwen in de toekomst. Want we zijn opgegroeid met het idee dat alles groter, beter en rijker zou worden dan gisteren. Die belofte kraakt. Oorlog. Klimaatstress. Polarisatie. Het voelt soms alsof we leven in een wereld die haar glans verloren heeft.
En toch.
En juist nu schuift de christelijke kalender de veertigdagentijd binnen. Na het uitbundige van Vastenavond volgt Aswoensdag. Een zwart kruis op je voorhoofd, met de woorden: ‘Gedenk, mens, dat je stof bent.’ Geen marketingpraatje. Geen maakbaarheidsmantra. Gewoon een reality check: je bent eindig. Kwetsbaar. Beperkt.
Dat klinkt somber. Maar misschien is het bevrijdend.
Want we zijn moe van het idee dat grenzen er zijn om te doorbreken. Dat plafonds altijd hoger te kunnen. Dat groei vanzelfsprekend is. Wat als volwassen worden betekent dat je leert leven mét grenzen, in plaats van ertegen te vechten? Wat als hoop niet ontstaat uit onbeperkte mogelijkheden, maar juist uit eerlijkheid over wat breekbaar is?
Het askruis zegt niet: geef het op. Het zegt: kijk eerlijk. Het leven is kwetsbaar. Jij ook. En precies daar kan iets nieuws groeien.
Hoop is geen optimisme dat alles goed komt. Hoop is het vertrouwen dat betekenis niet afhankelijk is van perfecte omstandigheden. Dat zelfs in een tijd van dalende cijfers en stijgende zorgen, de toekomst niet gesloten is.
Half februari.
De regen tikt tegen het raam. De voornemens zijn gesneuveld. Maar misschien is dat geen nederlaag. Misschien is het een uitnodiging om kleiner te denken en groter te verwachten. Niet van onszelf, maar van wat ons draagt.
Misschien begint hoop precies hier. Niet in glans. Maar in eerlijkheid.
We hebben het christendom al zo vaak begraven dat de begrafenisondernemer er moedeloos van moet worden. In talkshows, in opiniestukken, op universiteiten: het was klaar, passé, iets voor oma’s met hoedjes en dorpskerken die naar vocht ruiken. Zeker in het Westen zou het geloof z’n langste tijd gehad hebben. De Verlichting had gewonnen, Netflix had het met plat entertainment overgenomen.
En toen gebeurde er iets ongemakkelijks.
Terwijl wij zelfverzekerd concludeerden dat God met pensioen was gestuurd, begonnen jongeren zonder kerkelijke bagage – zonder de kramp van oude ruzies – opnieuw vragen te stellen. Geen cynische vragen, maar existentiële. Wie ben ik? Wat doe ik hier? Is er méér dan dit algoritme dat mij beter kent dan mijn moeder? Ze lopen niet massaal in ganzenpas de kathedralen binnen, maar ze kloppen wel aan. Openminded. Nieuwsgierig. Soms zelfs geestelijk hongerig.
En kijk naar onze schermen. House of David,Mary, The Chosen; met honderden miljoenen kijkers wereldwijd. In een oververhitte streamingmarkt, waar elke seconde aandacht geld is, blijken Bijbelse verhalen ineens geen stoffige relieken maar winstgevende titels. Het christelijke entertainment is, zo kopte een artikel, ‘opgestaan’. Ironischer wordt het niet.
Begrijp me goed: het is niet allemaal goud wat er blinkt. Sommige producties zijn houterig, braaf, esthetisch armoedig. Alsof vroomheid automatisch gelijkstaat aan middelmatigheid. En ja, we herinneren ons nog Mel Gibsons bloederige The Passion of the Christ uit 2004 dat bij velen vooral misselijkheid opriep.
Dit is geen triomftocht met wierook en gejuich.
Maar de vraag dringt zich op: waarom nu? Waarom deze toename?
Misschien omdat de wereld donkerder voelt dan we willen toegeven. Niet objectief per se want statistieken zijn grillig, maar existentieel. Het nieuws is een eindeloze stoet van crises. Oorlog. Polarisatie. Klimaatangst. Economische onzekerheid. Zoveel mensen zijn afgehaakt, niet uit onverschilligheid maar uit zelfbescherming. Nog één pushbericht en je zakt door je hoeven.
In zo’n klimaat klinkt de zin van een studiobaas bijna profetisch: mensen willen iets kijken dat ‘het geloof herstelt’. Dat is geen marketingtruc. Dat is een noodkreet.
Christelijke verhalen – wanneer ze goed verteld worden – bieden geen suikerlaagje over de realiteit. Ze tonen verraad, geweld, schaamte, dood. Maar ze durven ook iets wat wij verleerd zijn: een verlossend einde denken. Vergeving boven wraak. Nederigheid boven trots. Wonden die genezen. Licht dat niet wordt opgeslokt door duisternis. Zelfs de dood die niet het laatste woord heeft.
Misschien verlangen we daar niet naar omdat we zo religieus zijn, maar omdat we zo moe zijn.
Laatst vertelde een jonge moeder mij, met trillende stem, dat zij en haar man weer naar de kerk gingen. Niet uit traditie. Niet uit overtuiging. Maar omdat ze net een baby hadden gekregen en het leven hen overspoelde. ‘We weten niet of we het gaan redden,’ zei ze. ‘maar we hebben iets nodig om op te hopen.’
Dat is het.
Hoop is geen luxeartikel voor optimisten. Het is zuurstof voor mensen op een slagveld van verantwoordelijkheden, verwachtingen en angsten. We proberen allemaal te overleven in een wereld die tegelijk schitterend en meedogenloos is. De oude vraag blijft: hoe kunnen we hier niet alleen bestaan, maar ook bloeien?
Misschien is het momentum van christelijk entertainment geen cultureel ongelukje, maar een spiegel. Een teken dat onder onze cynische buitenlaag een koppig verlangen leeft. Naar betekenis. Naar vertrouwen. Naar een God die niet is weggevaagd door onze scepsis.
We hebben Netflix misschien niet nodig om te overleven.
Maar verhalen van geloof en hoop? Die wel. Zonder die verhalen redden we het niet. Met hen – hoe gebrekkig ook verteld – durven we tenminste te geloven dat het licht nog steeds sterker is dan het donker.
Ik ben van nature altijd een optimist geweest. Dat zit gewoon in mij. Ik probeer het goede in mensen te zien. Ik ga er meestal van uit dat iemands intenties beter zijn dan ze er misschien op het eerste gezicht uitzien. En ik geloof diep vanbinnen dat er altijd weer een morgen komt. Dat problemen vaak minder groot blijken te zijn als je er eenmaal mee aan de slag gaat. Dat dingen kunnen veranderen.
Misschien is dat ook wel de reden dat ik me altijd zo thuis heb gevoeld bij Star Trek. Die serie ademt hoop. Het laat een toekomst zien waarin de mensheid haar grootste problemen achter zich heeft gelaten: oorlog, armoede, discriminatie. In plaats daarvan richt ze zich op iets hogers. Op samenwerking. Op ontdekken. Op leren. Op beter worden, samen, als mensheid, binnen die Verenigde Federatie van Planeten.
Maar als ik terugkijk op de afgelopen jaren, dan moet ik toegeven dat dat optimisme langzaam is weggesijpeld. Het voelde alsof het op allerlei niveaus achteruitging. Kijk alleen al naar het wereldnieuws. Oorlogen in Oekraïne, Israël en Gaza, Soedan, Jemen, een wispelturige, rancuneuze kleuter die zijn wil oplegt aan de wereld. De macht van de sterkste die lijkt te regeren. Dag na dag beelden van geweld en menselijk leed. Daarbovenop het constante nieuws over klimaatverandering: overstromingen, bosbranden, smeltende ijskappen, ecosystemen die instorten. Het is moeilijk om daar niet moedeloos van te worden.
En dan is er wat dichter bij huis gebeurt. De energiecrisis. De steeds hogere kosten van het dagelijks leven. Zorgen over de toekomst van de zorg, over speciaal onderwijs, over hoe we omgaan met vrouwenhaat en het groeiende geweld tegen vrouwen en meisjes. En dit is nog maar een greep uit de krantenkoppen.
Alsof dat nog niet genoeg is, komt daar ook nog bij: de invloed van giftige sociale media, de angst voor kunstmatige intelligentie die ons boven het hoofd groeit, de steeds fellere polarisatie in het publieke debat, en zelfs de serieuze kans op een nieuwe pandemie. Op een gegeven moment dacht ik: waar moet ik dit allemaal laten? Ja, hoe blijf je hoopvol in zo’n wereld?
Toen stuitte ik min of meer toevallig op een boek van Tom Ough: The Anti-Catastrophe League. De titel klinkt alsof het zo uit een Marvel-film komt, maar het boek gaat juist over heel concrete, aardse problemen. En over mensen die daar iets aan proberen te doen. Het lezen ervan zette iets in beweging. Het hielp me om voorbij de eerste laag van angst en doemdenken te kijken en te vragen: wat gebeurt hier nu echt?
Ough is journalist en werkte een tijd bij een filantropische organisatie die zich bezighoudt met de grootste risico’s voor de mensheid. In zijn boek neemt hij je mee langs allerlei mogelijke rampen. Van een asteroïde die de aarde raakt, tot een extreme zonnestorm die onze wereldwijde elektriciteitsnetten kan uitschakelen. Maar ook meer bekende zorgen komen voorbij: klimaatverandering, kunstmatige intelligentie en een toekomstige pandemie – die door de WHO zelfs alvast ‘Ziekte X’ wordt genoemd.
Wat het boek bijzonder maakt, is dat Ough niet blijft hangen in angst. Bij elk risico introduceert hij de mensen die ermee bezig zijn: wetenschappers, diplomaten, eigenzinnige denkers en stille doorzetters. Mensen die hun morele zorg niet alleen voelen, maar er ook naar handelen. Vaak tegen de stroom in, soms met grote persoonlijke offers.
Na al dat onderzoek komt Ough uit bij wat hij ‘existentiële hoop’ noemt. Hij ontkent de ernst van de problemen niet, maar hij weigert te geloven dat het einde onafwendbaar is. Zoals hij zelf schrijft: ‘Het einde is zelden zo dichtbij als wordt beweerd.’
Die zin bleef bij me hangen. Want hoe we de wereld zien, wordt enorm beïnvloed door de verhalen die we horen. En daarin spelen de media een grote rol. Nee, dat is geen nieuwe gedachte. Al jaren wordt kritisch gekeken naar hoe nieuws wordt gebracht: de constante focus op wat er mogelijk mis kan gaan, de speculatie, het drama.
Al in 2008 werd uitgelegd hoe de media omgaan met wat hij ‘complexe noodsituaties’ noemde. Er werd gewerkt met vaste clichés: de heldhaftige hulpverlener, het hulpeloze kind, het Westen als redder. Conflicten werden gepresenteerd alsof het sportwedstrijden waren, met duidelijke winnaars en verliezers.
En eerlijk gezegd: dat is nauwelijks veranderd. Vandaag de dag wordt alles ingedeeld in kampen. Links of rechts. Voor of tegen. Pro-Israël of pro-Palestina. Klimaatactivist of ontkenner. Voor of tegen AI-regulering. Het is altijd een nulsomspel: ik win alleen als jij verliest.
Juist daarom vond ik het boek Feitenkennis van Hans Rosling zo interessant. Deze Zweedse statisticus liet zien hoe vaak onze gevoelens botsen met de feiten.
Rosling toonde, met data aan, dat veel dingen wereldwijd juist beter gaan. Minder extreme armoede. Minder kindersterfte. Meer meisjes naar school. Meer vaccinaties. Het nieuws focust op uitzonderingen en rampen, maar dat zegt weinig over het grote geheel.
Dat zelfde geldt ook voor milieuverhalen. Door alles als een onafwendbare apocalyps te presenteren, raken mensen verlamd. Terwijl de werkelijkheid genuanceerder is. Problemen worden aangepakt. Er wordt vooruitgang geboekt. En er zijn echte, haalbare oplossingen.
Ja, klimaatverandering is ernstig, maar het betekent niet automatisch het einde van de mensheid. Zelfs in de zwaarste scenario’s blijft een groot deel van de aarde bewoonbaar. Het zou een tragedie zijn, zeker. Maar geen totale ondergang.
Ik pleit daarom voor een ander verhaal. Niet wij als de laatste generatie die alles kapotmaakt, maar misschien juist als de eerste generatie die echt een duurzame wereld bouwt. Dat vraagt geen naïef optimisme, maar hoop die gebaseerd is op feiten en mogelijkheden.
Wat me vooral raakt in dit hele verhaal, is hoe sterk het raakt aan theologie. Aan hoe we nadenken over het einde, over de mens, over hoop. Apocalyptische taal is overal. Maar in de christelijke traditie, zeker in het boek Openbaring, gaat het niet om een letterlijke voorspelling van vernietiging. Het is beeldtaal. Het gaat over hoop. Over volhouden. Over God die de geschiedenis niet loslaat.
Theoloog Jürgen Moltmann zei het treffend: christendom is hoop. Geen vlucht uit deze wereld, maar een kracht die het heden verandert.
Vanuit dat perspectief is het idee dat alles eindigt in totale vernietiging eigenlijk slechte theologie. En hetzelfde geldt voor een mensbeeld waarin de mens alleen maar wordt gezien als een fout in de schepping. Ja, we zijn gebroken. Maar we zijn ook geschapen naar Gods beeld. Gezegend vanaf het begin. In staat tot liefde, zorg en verantwoordelijkheid.
En precies daar, op dat snijvlak van realisme en hoop, heb ik mijn houvast weer teruggevonden. Geen blind optimisme. Maar een hoop die gevoed wordt door feiten, door geloof, en door het besef dat de toekomst nog openligt.
Of zoals Jean-Luc Picard in Star Trek het zegt: ‘het verleden ligt vast. Maar de toekomst? Die mogen we samen vormgeven. Met openheid. Met optimisme. En met een nieuwsgierige geest.’
Het begin van een nieuw jaar voelt meestal als een frisse start. Nieuwe kansen, goede voornemens, een beetje hoop. Maar wees eens eerlijk? Zo voelt het nu niet echt. Aan het begin van 2026 lijkt de wereld gevaarlijker dan ze in lange tijd is geweest, zeker vanuit westers perspectief.
Psychologen kennen het begrip ‘catastroferen’: mensen, vaak met PTSS of andere psychische problemen, gaan dan elk mogelijk gevaar uitvergroten en zien hun eigen ondergang als onvermijdelijk. Hun gevoel voor realiteit is verstoord. Als je elke dag de krant openslaat en wordt overspoeld door berichten over oorlog, corruptie en rampen, is het toch knap lastig om níét somber te worden. Denk aan drones en moderne oorlogsvoering, schuivende machtsblokken, groeiende ongelijkheid, cyberaanvallen, door staten gesponsorde hacks, en AI die we steeds minder lijken te begrijpen. En dan hebben we het nog niet eens over klimaatverandering, torenhoge kosten van levensonderhoud en toenemende polarisatie.
Optimistisch? Niet bepaald.
Wat mij misschien nog wel het meest zorgen baart, is hoe waarheid en verantwoordelijkheid lijken te verdwijnen uit het publieke debat. Gezond verstand voelt soms als een zeldzaamheid. In plaats van gesprek is er geschreeuw. Macht wint het van argumenten. Natuurlijk is ‘gezond verstand’ deels subjectief, maar ik ben vast niet de enige die zich afvraagt hoe het kan dat mensen wegkomen met overduidelijke leugens, of keihard bewijs wegwuiven als ‘nepnieuws’. Waar staat de werkelijkheid eigenlijk nog op?
In die stemming raakte ik diep getroffen door een tekst van de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer, geschreven kort voor zijn arrestatie in 1942. Hij schrijft over het falen van de ‘redelijke mensen’: mensen met goede bedoelingen die denken dat je met logica en nuance een ontspoorde wereld wel weer recht kunt trekken. Ze willen recht doen aan alle kanten, maar worden vermalen tussen botsende krachten. Teleurgesteld trekken ze zich terug, of worden slachtoffer van hardere spelers.
En dan stelt Bonhoeffer de pijnlijke vraag: wie houdt het dan wél vol? Volgens hem alleen degene die bereid is zijn eigen rede, principes en zekerheden los te laten wanneer hij geroepen wordt tot verantwoord handelen — niet vanuit eigen gelijk, maar vanuit gehoorzaamheid aan iets dat groter is dan hijzelf. Ja, waar zijn die mensen?
Terwijl ik daarover nadacht, draaide op tv weer eens de cyclus van The Hobbit en The Lord of the Rings. Tolkien beschrijft daarin de strijd tegen het ultieme kwaad, en noemt die strijd ‘de lange nederlaag’. Tolkien was maar iets ouder dan Bonhoeffer. Op het eerste gezicht hadden ze weinig gemeen: een Engelse katholiek versus een Duitse lutheraan; een fantasyschrijver tegenover een radicale theoloog. Maar beiden waren gevormd door de verschrikkingen van oorlog. Tolkien had de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog meegemaakt en had geen romantische ideeën meer over de mensheid. En toch gaf hij de hoop niet op.
Die lange nederlaag komt maar één keer letterlijk voor in The Lord of the Rings, maar wel op een cruciaal moment. Galadriel, de elfenkoningin, zegt dat zij en haar volk al eeuwenlang die lange nederlaag strijden. Dat roept een vreemde vraag op: waarom vechten, als je weet dat je uiteindelijk verliest?
Het verhaal laat zien waarom. Iedereen in het gezelschap faalt op een of andere manier. Zelfs Frodo, die de Ring draagt, bezwijkt op het allerlaatste moment. Hij kán de Ring niet vernietigen. Toch wordt het kwaad verslagen — niet door heldendom, maar door wat lijkt op toeval: Gollem valt in de afgrond. Tolkien maakt daarmee een ongemakkelijke maar eerlijke boodschap duidelijk: zelfs de besten onder ons falen. En tóch kan het goede winnen, op een manier die niemand gepland had.
Dat betekent overigens niet dat Frodo faalt als persoon. Immers, zonder zijn inzet was de Ring nooit op die plek gekomen. Tolkien schreef zelfs dat niemand, uitgeput en gekweld zoals Frodo, weerstand had kunnen bieden.
De vraag blijft dus: waarom blijven vechten? Omdat niet vechten erger is. In Tolkiens wereld is wanhoop een wapen van het kwaad. De ‘lange nederlaag’ betekent niet dat alles zinloos is, maar dat menselijke pogingen altijd tekortschieten. En tóch zijn ze noodzakelijk.
Dat idee sluit aan bij wat Martin Luther King ooit zei: ‘De boog van het morele universum is lang, maar hij buigt naar rechtvaardigheid.’ Dat betekent niet dat alles vanzelf goed komt door onze plannen. Integendeel: mensen falen voortdurend, zelfs met de beste bedoelingen. Maar het wijst op een hoger doel dat niet afhankelijk is van onze perfectie.
Hoop komt dan niet uit systemen, vooruitgang of natuurwetten — die lopen uiteindelijk allemaal vast. Hoop komt voort uit vertrouwen: dat er Iemand is die door chaos, toeval en zelfs menselijk falen heen werkt. Tolkien geloofde dat ook. Hij noemde het ‘eucatastrofe’: precies wanneer alles verloren lijkt, gebeurt er iets onverwachts dat het hele verhaal laat kantelen.
Dat is geen excuus om niets te doen of ons terug te trekken. De ‘lange nederlaag’ is geen totale nederlaag. Het betekent dat onze pogingen om vrede, recht en genezing te brengen in een gebroken wereld – wat het Oude Testament van de Bijbel ‘shalom’ noemt – nooit compleet zullen zijn, misschien zelfs gedoemd zijn onvolledig of zelfs te mislukken — maar dat ze daarom niet waardeloos zijn.
Zoals de elfen blijven vechten, zo doen wij wat we kunnen. Niet omdat we denken dat we de wereld redden, maar omdat het goed is om het goede te doen. Dat is misschien geen grote overwinning, maar wel een voorzichtige hoop. En soms zijn onze daden korte momenten waarin iets van die uiteindelijke gerechtigheid zichtbaar wordt.
De titel van deze post is gebaseerd op het effect bekend uit de politicologie genaamd het ‘rally ‘round the flag’: pas tijdens een crisis zien we dat burgers van een land zich massaal achter hun leider(s) scharen. Ik pas het in deze post natuurlijk letterlijk toe als ‘rondom de vlag’.
In de aflopen campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen nam de Nederlandse vlag ineens een prominente plaats in toen Rob Jetten de vlag als teken van nationale eenheid en identiteit ging inzetten. Hij zei: ‘Ik vertel daarin waarom we de Nederlandse vlag niet mogen overlaten aan de PVV. Want die vlag is niet van één partij. Ze is van ons allemaal.’
Een vlag symboliseert die eenheid binnen een natie. Maar de afgelopen tijd werden vlaggen in het Nederland minder een bron van saamhorigheid en meer een brandpunt van verdeeldheid. Rechtse partijen en groeperingen zetten de vlag doelbewust daarvoor in. We hoeven alleen maar te kijken naar de pins met de Nederlandse vlag op de kleding van Kamerleden, of de Nederlandse en geuzevlaggen die meegevoerd werden met diverse demonstraties.
Eerder verschenen deze vlaggen – vaak ondersteboven – In dorpen en steden, op bruggen, lantaarnpalen en gebouwen door het hele land. De motieven van degenen die de vlaggen hijsen waren divers, maar de manier waarop verschillende groepen mensen deze vlaggen ervaren, draagt een alarmerende boodschap uit over de groeiende kloof die nu in onze natie bestaat.
Mensen met racistische motieven eisen de natie van hen ‘terug’, want zij voelen dat zij stateloos achterblijven en nergens meer bij horen. Maar voor hen die zich in het centrum of links van het politieke spectrum bevinden, voelen de vlaggen daarentegen als een regelrechte machtsclaim van extreemrechts en een teken van de groeiende populariteit van hun beleid en retoriek. Voor deze mensen zijn de vlaggen sinister en roepen een diep gevoel van dreiging op. De vlaggen dragen een intimiderende boodschap uit.
Maar er speelt nog een ander verhaal mee. Want terwijl de vlaggen blijven wapperen in de herfstbries, is iets wat voor de ene groep mensen een symbool van angst is, voor de andere groep een welkom teken van hoop: de vlaggen staan voor het herwinnen van een zelfverzekerde Nederlandse identiteit, die verloren was gegaan door een mislukt experiment in multiculturalisme dat de eigen gemeenschap diep angstig heeft gemaakt. En beide groepen hebben zo lijkt geen mogelijkheid meer om elkaar te verstaan.
Ik denk dat ‘de kerk’ hierbij een essentiële taak heeft om de verschillende groepen weer met elkaar in gesprek te brengen. Geloofsgemeenschappen zijn als geen ander staat om in een cultuur van echokamers en algoritmen, om elke kant van een conflict te begrijpen.
Want aan de ene kant moeten we ons bewust zijn van de duistere kant van het vlagfenomeen. Maar we dienen ook te begrijpen wat de behoeften en angsten zijn van de mensen voor wie de vlaggen welkom zijn.
En de grens tussen mensen is soms heel dubbel. Het kan bijvoorbeeld best zo zijn dat een vrijwilliger die in haar kerk meehelpt met projecten voor kwetsbaren en goed bevriend is met asielzoekers in haar gemeente, toch nog steeds een vlag laat wapperen omdat ze vindt dat de immigratie ‘te ver is gegaan’.
Want de vlaggen kunnen fungeren als een uitlaatklep voor de intense frustratie van mensen die zich achtergesteld en genegeerd voelen of leven met de chronische desillusie over een politiek systeem dat hen in de steek heeft gelaten. Vlaggen wapperen soms als uiting van een wanhopige roep om een land dat beter voor hen zou zorgen. Een beetje zoals een verwaarloosd kind dat iedereen eraan probeert te herinneren dat ook hij deel uitmaakt van de familie. Anderen voelen zich gefrustreerd omdat hun instellingen bereid lijken om veel verschillende vlaggen te voeren – de Oekraïense vlag of de LGBTQI+-vlag – maar zij vinden dat diezelfde instellingen zich schamen voor de vlag van hun eigen land.
Uiteindelijk zijn veel mensen oprecht trots op de vlaggen die boven hun gemeenschap wapperen, omdat het hen de kans geeft om hun trots te uiten voor een land dat zich vaak overdreven verontschuldigt voor zijn verleden en zich schaamt voor patriottisme.
Voor veel groepen is de globalisering en het transnationalisme, die door degenen die de macht hebben als de weg naar meer welvaart worden gezien, slecht nieuws geweest. Het heeft banen uitbesteed, lonen verlaagd, waardoor veel werkenden nog steeds afhankelijk zijn van uitkeringen, en het heeft geleid tot grote demografische veranderingen in gemeenschappen waarbij de lokale bevolking geen inspraak had.
Dit gecombineerd met jaren van slopende bezuinigingen en een politieke klasse die snel belooft maar traag levert, heerst er een krachtige en intense woede in veel groepen mensen en voor hen zijn de vlaggen een bliksemafleider geworden.
Het lijkt erop dat één vlag nu twee naties symboliseert. En wat zo alarmerend is, is dat de ene kant de andere nauwelijks begrijpt.
Hoe moeten christenen reageren? Want een verdeelde natie wil dat de kerk partij kiest en ziet ons zelfs als zwak en wankelmoedig als we dat niet doen. Maar de taak van een christen is niet om in elk binair debat de ene of de andere kant te kiezen. De opdracht is om aan de kant van de Heer te staan. En in deze context denk ik dat dat een tweeledig antwoord betekent.
Het betekent aandachtig luisteren naar iedereen. We moeten de angsten horen van hen voor wie vlaggen een teken zijn van groeiende intolerantie en daarom racisme en haat veroordelen. Maar even belangrijk is dat we, zelfs als we het niet met elkaar eens zijn, de woede van mensen moeten begrijpen en er een stem aan moeten geven. Want zij vrezen dat de natie die ze liefhebben, hen wordt afgenomen. Als die stem niet gehoord en begrepen wordt, zal extreemrechts maar al te graag het vacuüm opvullen dat ontstaat. In een verdeelde natie is het een deel van de roeping van de kerk om de ene kant te helpen de andere te begrijpen.
Het betekent ook om op de plek van conflict woorden van christelijke vrede te spreken. We mogen wijzen op het verlossende werk van Jezus Christus, waardoor we verzoend worden met de Vader en zo met elkaar. Laten we luisteren en begrijpen, maar bovenal het kruis hoog houden, want in dat symbool schuilt de enige ware en blijvende bron van eenheid.
Soms is het goed, wanneer de mens even moet wachten. Want wij mensen leven vaak veel te gehaast. Wij hebben geen tijd meer om te ‘wachten’, om even tot bezinning te komen, het even laten bezinken, tot inkeer komen en alles opnieuw op een rijtje te zetten. Zeker de grote dingen en beslissingen in je leven hebben een tijd van wachten, verwachten, nodig. Voorbereiding, bezinning, wikken en wegen. Zo wachtte Johannes de Doper in de woestijn en Jezus deed dat ook, veertig dagen lang. En Israël moest 40 jaar wachten, voordat zij het Beloofde Land mocht binnentreden. En Paulus moest na zijn bekering 6 jaar wachten in de Arabische woestijn. De woestijn is dus een wachtplaats, waar mensen zich zelf leren vinden en hun roeping en bovenal God Zelf! Het is goed voor een mens om even in de woestijn te moeten verkeren, letterlijk en figuurlijk. In het Koninkrijk van God zijn tijden en gelegenheden, maar ook wachttijden. Laten we daar maar eens op letten!
Maar ‘wachten’ hoeft niet te betekenen, dat je dan niets doet. Het is niet wachten op de trein of de bus. Met de handen over elkaar! Nee, je kunt in die tijd al vast vooruit lopen op wat er gaat gebeuren. Dat zie je hier bij de discipelen. Zij werden actief: ‘Zij gingen naar de bovenzaal, en daar bleven zij eendrachtig bijeen. (…) vurig en eensgezind wijdden ze zich aan het gebed.’ ten eerste springt het woord ‘eendrachtig’ er uit. Allemaal zijn zij verdrietig, allemaal hebben zij troost nodig, allemaal hielden zij zoveel van de Heer. En dat verbindt hen, maakt hen eendrachtig. Zij denken niet meer aan zichzelf, maar aan de Meester en hadden daarin ook oog voor elkaar, voor elkaars verdriet. Eén gevoel leeft er in ieders hart, éénzelfde gemis houdt hen samen, éénzelfde hoop houdt hen staande: de vervulling van de belofte van de Vader. Zij denken aan het afscheidswoord van de Heer: ‘Ik zal u niet als wezen achterlaten, zie, Ik kom tot u!’ Zo voelen zij zich ook, als wezen, Daarom – ten tweede – volharden zij zo in het gebed: zij bleven bidden dat de Heiland maar weer tot hen mag komen! En zo wordt ook het verlangen in hen gewekt, het verlangen naar de Geest, die Jezus beloofd had. De Trooster, Die hen in alle waarheid zou gaan leiden. Wat hadden zij Die nodig! Want, eerlijk gezegd, zij begrepen er niet veel van. Er zou ook aan de discipelen nog heel wat uit te leggen zijn. Ook daar hadden zij de Heilige Geest voor nodig. Net als wij. Die Geest moet ons de woorden van de Heiland indachtig maken en ook Zijn daden en wat er met Hem is gebeurd. Daar moeten ook wij om bidden. Eendrachtig, ja, alle kerken en gelovigen met elkaar!
Ik moest twee keer met mijn ogen knipperen, toen ik mij plotseling realiseerde wat er gebeurde: president Trump en president Zelensky die in een tête-à-tête met elkaar spraken op de begrafenis van paus Franciscus. Dit was zó belangrijk!
De meeste berichtgeving over de requiemmis van paus Franciscus richtte zich toch op het ‘spektakel’ of de kans voor wereldleiders om contact te leggen. Het is verleidelijk om te denken dat het hoofdpodium van de Sint-Pietersbasiliek eigenlijk een bijzaak was van de marginale gebeurtenissen van politici die de wereld verdeelden. Met alle planning die gepaard gaat met gebruikelijke geopolitieke topconferenties, heeft het Vaticaan een spectaculair, geïmproviseerd decor geboden.
Toch kijk ik hiernaar met gemengde gevoelens. Maar als het om zaken van leven en dood gaat, is er geen betere locatie dan een begrafenis.
Dit veronderstelt natuurlijk dat leiders de tegenwoordigheid van geest hebben om het dode lichaam voor zich te erkennen (niet ‘overleden’), in plaats van alleen maar de handelingen te verrichten en na te denken over de fotomoment. Maar de raderen van de dood kunnen niet worden vermeden.
‘Bittere rivalen kunnen de rituelen van de sterfelijkheid erkennen‘ werd er ergens door een analist geschreven. Verhalen over leiders die recent begrafenissen bijwoonden, zijn soms onthutsend. De begrafenis van paus Franciscus was niet anders: Een onhandige Trump bijvoorbeeld die door zijn vrouw moest worden aangespoord om mee te doen met het gebruik van de vredesgroet.
Naast degenen die Franciscus prioriteit gaf – degenen die naar de marge werden verdrongen – was er een kritische ‘massa’ op de begrafenis aanwezig van mensen die zich in het hart van de samenleving bevonden: Er waren 170 delegaties, waaronder 50 staatshoofden, 15 regeringsleiders en 12 regerende monarchen. Treffend wordt er dan bericht: ‘Omdat de dood altijd bij ons is (…) bestaat er weinig twijfel over dat deze begrafenis nu de belangrijkste ceremoniële gebeurtenis is in het wereldwijde diplomatieke systeem’.
Daarom moest deze onwaarschijnlijke kans op bilaterale diplomatie ten volle worden benut.
Juist omdat begrafenissen, terwijl de lichamen in het graf neerdalen, ons uit het alledaagse, de 24-uurs nieuwscyclus en het doomscrollen verheffen, bieden ze ons de mogelijkheid om contact te maken met wat er echt toe doet. Minder dan 24 uur voor zijn dood sprak de paus op Paaszondag de woorden:
Christus is verrezen! Deze woorden vatten de hele betekenis van ons bestaan samen, want we zijn niet gemaakt voor de dood, maar voor het leven. God schiep ons voor het leven en wil dat de menselijke familie weer opstaat!
En nu onze wereldorde wankelt, zou de menselijke familie wel eens weer kunnen opstaan wanneer de machthebbers elkaar ontmoeten op een begrafenis.
Zeker, we zullen moeten afwachten of de geopolitieke ontmoetingen die hebben plaatsgevonden, vruchten afwerpen. Maar we mogen in die hoop leven. Als wereldleiders lering zouden trekken uit de raadselachtige, overleden paus, zouden ze inzien dat hij als teflon was voor de politieke etiketten die mensen hem probeerden op te plakken. Je krijgt de indruk dat hij streefde naar iets blijvenders dan soundbites, snelle overwinningen en populariteit.
Ik zou er ook aan toe willen voegen dat begrafenissen er zijn voor de levenden. Begrafenissen helpen ons te rouwen. Ze helpen ons verlies te verwerken, en daarom blijven de ‘stoffelijke resten’ bestaan. De oude verklaringen, de preek, het breken van het brood en het uitschenken van de wijn, ja zelfs de theatrale aspecten, helpen ons ons eigen leven te plaatsen op een wereldtoneel waar we zowel bijfiguren zijn als ook de onverdeelde aandacht van vele toeschouwers waard zijn.
In een wereld waar geopolitiek miljoenen mensen dreigt te depersonaliseren en te ontmenselijken, botsen begrafenissen onvermijdelijk tussen het universele en het individuele. De context van aanbidding en dankzegging tilt ons ook uit de aantrekkingskracht van de vluchtigheid van natiestaten en ons eigen leven, om de mogelijkheid te ontdekken en te laten draaien om Iemand die veel grootser en standvastiger is. Net als bij diplomatie is er geen betere plek om de dood te overdenken dan een begrafenis.
Ergens in een kloostertuin in het Atlasgebergte in Algerije liggen zeven eenvoudige grafstenen naast elkaar. Ze horen bij evenzovele vermoorde monniken. Onder hen de abt: frère Christian de Chergé. Het verhaal achter deze grafstenen wordt gevangen in de film ‘Des hommes et des dieux’ uit 2010. Frère Christian en zijn zes medebroeders bewonen een klooster in Algerije. Christian was aanvankelijk Frans officier. Hij werd vrienden met de Algerijnse politieagent Mohammed. Mohammed was moslim, Christian christen. Het stond hun vriendschap niet in de weg. Maar anderen rond Mohammed hadden hier grote moeite mee. Christian was voor hen een vijand: Fransman, militair en christen. Op een dag werd Christian ingesloten door moslimfundamentalisten. Hij vreesde voor zijn leven. Maar Mohammed sprong er tussen en redde zo Christians leven.
Een paar dagen later werd Mohammed gevonden bij de put achter z’n huis: gewurgd. Zijn vriendschap met Christian en zijn reddingdaad kostten hem zijn leven. Dit bepaalde Christians verdere leven: iemand had létterlijk zijn leven voor hem overgehad. Dat deed hem zoveel dat hij besloot in te treden in het klooster, om zich te wijden aan God en de mensen. In zijn denken en geloven werd een bepaald begrip belangrijk: het martelaarschap van de liefde. Dat had hij van zijn vriend Mohammed geleerd: de liefde is bereid om te lijden omwille van de ander. Zelfs voor de vijand.
Toen een tijd later een stel moslimfundamentalisten de omgeving onveilig maakte, kwamen ze ook bij het klooster. Hun leider eiste drie dingen: de dokter van het klooster, medicijnen en geld. Christian weigerde. Hij schreef later: ‘Niet alleen omdat ik mijn broeders hoeder ben, maar ook omdat ik deze broer moest hoeden, die voor me stond, die het nodig had om iets te ontdekken in hemzelf, dat anders was dan wie hij geworden was (…) ik wil niet sterven met haat, ik geloof in God, die onze Vader is. Ik geloof in genade, voor jou en mij.’ Zo wilde Christian getuige zijn.
Maar de spanningen lopen op. Het wordt steeds gevaarlijker en angstiger. Op een dag zijn de kloosterlingen bijeen in de kapel om te bidden. Ineens horen ze het geluid van een naderende gevechtshelikopter. De helikopter richt z’n boordmitrailleur op de kapel. Christian begint te zingen, de broeders slaan de armen om elkaars schouder. En tegen die herrie boven hen, tegen het dreigend geweld in, zingen ze.
Ik vind het een prachtig beeld voor ons als kerk, als gelovige. Om tegen alles in, tegen de dreiging, de terreur, de haat, de onverschilligheid, de lauwheid, de crisis, de oorlog, de verdeeldheid. Om tegen dat alles te zingen. En moed te houden. Te blijven hopen. Vanwege Hem, die is en die was. Die gekomen is en komen zal.
In verband met het eenjarig herdenken van de moord op Navalny, een repost van een eerder bericht
In de rechtszitting kort na zijn arrestatie, waarin zijn voorwaardelijke straf werd omgezet in echte gevangenisstraf, vertelde Navalny het gerechtshof in Moskou dat hij christen was geworden.
Tijdens dat proces in 2021 zei hij: ‘Feit is dat ik christen ben… Ik was zelf ooit een behoorlijk militante atheïst… Maar nu ben ik een gelovige, en dat helpt mij enorm bij mijn activiteiten… Er zijn minder dilemma’s in mijn leven, omdat er een Boek is waarin over het algemeen min of meer duidelijk staat welke actie in elke situatie moet worden ondernomen.
‘Het is natuurlijk niet altijd gemakkelijk om dit Boek te volgen, maar ik probeer het echt. En dus is het, zoals ik al zei, waarschijnlijk gemakkelijker voor mij dan voor vele anderen om zich met politiek bezig te houden.’
Navalny citeerde vaak verzen uit de Bergrede van Jezus, in het bijzonder: “Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden” (Matteüs 5:6). ‘Ik heb altijd gedacht dat dit specifieke gebod min of meer een instructie tot activiteit is’, merkte Navalny op.
Aleksej Navalny vocht onbevreesd tegen de corruptie in Rusland en werd vergiftigd, gevangengezet en op 16 februari 2024 vermoord door de staat.
Sinds het nieuws over zijn dood bekend werd, heb ik nagedacht over de woorden van Navalny. Hij zag de instructie van Jezus niet alleen als een belofte die in de toekomst vervuld zou worden, maar als een zeer actuele oproep tot actie. Het motiveerde hem niet alleen om op te komen voor gerechtigheid, maar ook om zich uit te spreken tegen onrecht. Het gaf hem de moed om zijn eigen leven op het spel te zetten in het belang van anderen.
Zijn honger en dorst naar gerechtigheid waren niet alleen spiritueel, maar letterlijk: soms koos hij voor een hongerstaking om de aandacht van de wereld te trekken, soms werd hij uitgehongerd als straf in de gevangenis. Hoe dan ook, hij bleef zich inzetten voor het teweegbrengen van verandering in het politieke systeem van zijn land.
Als Navalny zijn geloof kan vasthouden, gerechtigheid kan blijven nastreven en anderen kan uitdagen om de leer van Jezus te volgen, zelfs terwijl hij gevangen wordt gezet, gemarteld en zelfs vermoord, moeten we misschien allemaal heroverwegen hoe we de vrijheden en kansen die we hebben gebruiken.
Misschien moeten ook wij ons meer uitspreken als er sprake is van misbruik van publieke middelen, ongepaste invloed van de media, het oppotten van rijkdom door enkelingen, of om de verslaving aan geld, seks en macht aan te pakken.
Kunnen we nog meer doen om te pleiten voor de gemarginaliseerden en om ervoor te zorgen dat degenen die aan de macht zijn, werken ten behoeve van degenen die dit het meest nodig hebben? Hoe kunnen we pleiten voor een goed landsbestuur en onze leiders ter verantwoording roepen, en eisen dat degenen die leiding geven dit met integriteit en mededogen doen?
Navalny’s leven, dood en geloof dwingen de vraag af: wat kunnen we vandaag de dag in de naam van Jezus en met behulp van de Bijbel doen om rechtvaardigheid en gerechtigheid na te streven?
In zijn eigen woorden: ‘You’re not allowed to give up!’
De enorme overvloed van beloftes en getekende decreten in de eerste paar dagen van de nieuwe regering van president Donald J. Trump gingen als een ongekende storm over de wereld.
Wanneer een nieuwe regering de macht overneemt, is het gebruikelijk om een noot van hoop voor de toekomst te laten horen, de natie te verenigen, voorzichtig te anticiperen op een nieuwe dageraad, te beloven het beste voor het volk te doen, enzovoorts. Toch was Trumps toespraak optimisme ‘on steroids’. Hij kondigde het begin aan van een ‘Gouden Eeuw’ voor Amerika. ‘Vanaf deze dag’, stelde hij, ‘zal ons land bloeien en weer overal ter wereld gerespecteerd worden. We zullen de afgunst van elke natie zijn en we zullen niet langer toestaan dat we worden uitgebuit.’
Elon Musk, zijn partner in crime, ging nog verder. Musk zei dat de tweede periode van de regering Trump ‘splitsing in de weg van de menselijke beschaving wordt.’ Als gevolg van de Republikeinse kiezers, ‘werd de toekomst van de beschaving veiliggesteld’, terwijl hij uitkeek naar een dag waarop de sterren en strepen (de Amerikaanse vlag) zelfs op de planeet Mars zouden worden geplant.
Er is een dun lijntje tussen hoop en arrogantie. Veel commentatoren hebben deze sombere vooruitzichten vergeleken met het optimistische optimisme van de Republikeinen.
Hoop verheft de geesten van mensen. Het geeft een gevoel van mogelijkheden en wijst op een onbekende maar stralende toekomst. Paulus vraagt: ‘Wie hoopt op wat hij kan zien?’ (Romeinen 8,24) Hoop erkent dat de toekomst niet volledig in onze handen ligt, dat gebeurtenissen – en onze eigen koppigheid – de best voorbereide plannen kunnen dwarsbomen. Het weet dat de toekomst onzeker is en gelooft toch, vanwege het simpele vertrouwen dat de wereld uit goedheid is ontstaan en met goedheid zal eindigen, dat de toekomst soms ondanks, in plaats van dankzij, onze inspanningen stralend is.
Hubris (Grieks: hoogmoed) is echter wanneer het menselijk vertrouwen in overdrive gaat. In de klassieke wereld zagen schrijvers als Hesiodos en Aeschylus hubris als het gevaarlijke moment waarop een sterveling beweerde gelijk te zijn aan, of beter dan, een god.
Phaëthon was een tienerjongen die dagelijks met zijn zonnewagen racete, een zoon van de zonnegod Helios. Hij nam op een zekere dag de strijdwagen van zijn vader en dacht dat hij beter kon sturen dan zijn bejaarde pa, hij reed te snel, te dicht bij de aarde, verbrandde deze en verdiende zo een kenmerkende bliksemschicht van Zeus voor zijn moeite. Arachne kon buitengewoon goed weven en zij maakte een doek mooier dan dat van Athena, de godin van alle wevers.
En natuurlijk, de beroemdste van allemaal, Icarus, hij maakte voor zichzelf een paar vleugels, zweefde net iets te hoog naar de zon, en zo smolt de was die de vleugels bij elkaar hield, en stortte in de zee als een uitgebrande satelliet, en zonk vervolgens in de donkerblauwe diepten van de uitgestrekte oceaan.