Toch nóg een post naar aanleiding van de geloofsbelijdenis van Nicea
Ditmaal meer over belijdenissen in z’n algemeenheid.

zoals ik al eerder schreef markeert 2025
de 1700e verjaardag van het opstellen van deze geloofsbelijdenis.
Een belijdenis is vorm die de Kerk
tot op de dag van vandaag blijft zeggen
om haar geloof te belijden en uit te leggen.
Overal ter wereld reageren christelijke gemeenschappen
op deze mijlpaal door opnieuw na te denken
over de inhoud van die verklaring, de waarheid
en ook over de vorm ervan: een geloofsbelijdenis.

Maar de Kerk is geen bron van waarheid.
De Kerk kan belijden wat waar is,
maar waarheid is niet haar bezit om ermee te doen wat ze wil.
Voortkomend uit Jezus’ opmerkingen in Johannes 14 vers 6
heeft de christelijke traditie
over de waarheid nagedacht.
Als waarheid primair verband houdt
met de persoon van Jezus Christus,
dan is waarheid iets fundamentelers dan de Kerk.
De Kerk heeft haar basis in de waarheid
in plaats van dat de waarheid haar basis heeft in de Kerk.

Een geloofsbelijdenis is een uitdrukking van het geloof
dat dit de stand van zaken is.
Meer dan dat, het is een verklaring
van de toewijding van jezelf
aan deze stand van zaken.
Het uitspreken van een geloofsbelijdenis
is een existentiële daad,
een beslissing, hiervoor.
Het is een beslissing voor datgene
wat we niet hebben gecreëerd
en waar we geen controle over hebben.
En zelfs daarbuiten is het een beslissing
die we niet eens hebben genomen!
Het was een beslissing die door christenen
vóór ons werd genomen die dit en niet dat bepaalden.

Het is moeilijk om een daad te bedenken
die minder in overeenstemming is
met een ‘moderne’ menselijke geest.
Als Immanuel Kant gelijk had dat Verlichting
de ‘ontstaan van de mensheid uit zijn [sic]
zelfveroorzaakte onvolwassenheid’ is,
waarbij deze onvolwassenheid wordt gedefinieerd
als ‘het onvermogen om je eigen begrip te gebruiken
zonder de begeleiding van een ander’,
dan staat de praktijk van het belijden van een waarheid
die we niet persoonlijk hebben bepaald gelijk aan
het in ons denken zelf niet verder komen dan de een kinderwagen.

Dichter bij huis spreken de geloofsbelijdenissen
op een manier die niet altijd overeenkomt met onze ervaring.
Er is een waarheid die zelfs fundamenteler is
dan wat ik tot waarheid verleid
Geloofsbelijdenissen zijn hulpmiddelen
om een gemeenschappelijke opvatting te vestigen
over landgrenzen en talen heen.
Een gemeenschappelijke afhankelijkheid
aan de waarheid die fundamenteel en universeel is,
ongeacht de bijzonderheid van de ervaring.

Daarnaast worden de uitspraken
die in geloofsbelijdenissen worden gedaan
mogelijk niet als waar gezien.
De ervaring kan in feite een andere richting inslaan.
De wereld met al haar problemen en pijnen
lijkt misschien niet de schepping
van een almachtige en welwillende Heer.
De Geest die Heer en gever van leven is,
lijkt misschien niet de nieuwe vitaliteit
van het tijdperk dat in het heden komt,
te ademen.
De kerk lijkt misschien niet altijd één en heilig te zijn.

Waarom dan geloofsbelijdenissen?

Dat wat we hebben en weten,
is wat we hebben ontvangen,
is ingebakken in de aard van de christelijke aanspraak
om iets over God te weten in plaats van niets.

In die tijd zei Jezus:

‘Vader, Heer van de hemel en de aarde, ik dank u!
Want u hebt al die dingen bekendgemaakt aan heel gewone mensen.
Maar voor wijze en verstandige mensen hebt u die dingen verborgen.
Ja, Vader, zo wilde u het doen.
Alle macht die ik heb, heeft mijn Vader aan mij gegeven.
Alleen de Vader kent de Zoon.
En alleen de Zoon kent de Vader.
En de Zoon vertelt over zijn Vader aan de mensen die hij uitkiest.’
(Mattheüs 11,25-27)

God kennen is niet iets dat in onszelf geworteld is.
God de Zoon is mens geworden
en kent de Vader als een van ons en voor ons allemaal.
Het is op basis van zijn belijdenis van God
als Vader dat wij God als Vader belijden.

De voortdurende en herhaalde praktijk
van het uitspreken van de geloofsbelijdenis
herinnert ons eraan
dat de mogelijkheid om over God
en het werk van God te spreken
geen menselijke mogelijkheid is.
Het is een mogelijkheid voor ons
op basis van de gegeven gebeurtenis van Gods toespraak tot ons.
Wij letten op datgene wat gegeven is.
Het is een daad van geloof waardoor wij steeds weer terugkeren
naar het Woord van God zoals de Kerk het heeft ontvangen.

In deze periode begint voor christenen de tijd van Advent:
verwachtingsvol uitzien naar de herdenking
van de komst van Jezus Christus in deze wereld.
Zijn volgelingen – christenen – worden opgeroepen
om juist dan na te denken over hoe zij Jezus Christus volgen
en hoe ze Hem ingang in hun leven wil geven.
Willen ze echt hun geloof hun leven laten bepalen?
Dat vergt in deze tijd het een en ander van de christen.

Want zo bij tijd en wijle poppen er weer bepaalde discussies op
waarbij de conclusie is dat religie – dus ook het christendom –
misschien een mooie levensovertuiging is
maar toch alleen beleden moet worden ‘achter de voordeur’.
Wanneer dit soort discussies zich voor doen denk ik
dat juist christenen de opdracht hebben zich uit te spreken.
Zij moeten in een democratie leren het publieke debat niet schuwen.
Dat is volgens mij een voorwaarde van christelijke ethiek
die beraadt hoe men goed moet handelen.
In navolging van de lijn van kerkvader Augustinus
is het de opdracht van een christen op zoek te zijn
naar de zuiverheid van het christelijk handelen
en naar het compromis in een gemengde wereld.
Dit zou een christelijke ethische levensoriëntatie moeten zijn.
Hierbij is ethiek meer dan alleen reflectie op handelen.
Christelijke ethiek zou zich rekenschap moeten geven
van de vraag naar wezen en bestemming van de mens.

Over het algemeen veronderstelt ethisch handelen
vrijheid om keuzes te maken.
Maar waardoor wordt een keus voor het goede bepaald?
Is het de rede die de toon aangeeft?
En moet de wil de rede volgen,
zoals ethici vanaf de oudheid tot en met Kant verdedigd hebben?
Bij hem treedt de wil als bepalend element op de voorgrond.
Niets anders kan in absolute zin voor Kant en de zijnen
goed heten dan de redelijke wil.
Een visie die nog altijd aanhangers heeft,
maar tegelijk heftig bestreden is onder invloed
van Schopenhauer, Nietzsche en Freud.
Maar je behoeft geen christen te zijn om te erkennen
dat de wil op drift is geraakt en mensen geneigd zijn tot kwaad.

Daarbij laat het christendom met haar belijdenis van zonde en genade
wel een eigen geluid horen.
Het kwaad schuilt in de wil zelf, de wil die zich van God heeft afgekeerd, de verdorven wil. Dat is geen tragiek, maar schuld.
Daarom begint christelijke ethiek, zo leert Calvijn,
niet met vrijheid, zij begint met bevrijding.
Een mens behoeft zich niet zoals baron Von Münchhausen
zelf uit het moeras op te trekken.
De Tien Geboden beginnen met de proclamatie van God die bevrijdt.
En het apostolisch getuigenis verkondigt de bevrijding
van de wil uit de macht van de zonde tot de vrijheid van het leven
als kinderen van God. Zo wordt de wil tot rede gebracht.
Het goede is niet inherent aan de mens. Het is vrucht van de Geest.
Geloof, hoop en liefde zijn geen te verwerven deugden,
maar gaven van de Geest.
Christelijke ethiek staat zo gezegd, in de schijnwerpers
van Pasen en Pinksteren.
Het vrije leven is het leven in gehoorzaamheid
en liefde onder de tucht van de Geest die ons het gebod leert verstaan.

Maar wat betekent dat nu voor de concrete velden van de politiek,
de sociale ethiek, de gezondheidszorg, de economische vragen?
Wat is de christelijke boodschap voor leven en samenleving?
En volgens mij zit ‘m daar de kneep.
Immers, dwang is niet verenigbaar met het christelijk geloof.
Kerkhervormer Maarten Luther verwoordde het eens zo:
‘Een christen is een vrij heer over alle dingen en niemands onderdaan.’

Maar hoezeer christenen ook hun best moeten doen
om via argumentatie verstaanbaar over te komen,
uiteindelijk staat een ethische reflectie
die zich de wet laat voorschrijven door de Geest
die hem bepaalde gedragsregels voorhoudt;
weer in de woorden van Luther:
‘Een christen is een dienstbare knecht
van alle dingen en ieders onderdaan.’
Omzien naar elkaar, de ander belangrijker achten dan jezelf
Dat maakt de christen weerloos in een wereld
waar de autonomie van het Eigen Ik hoge ogen gooit.
Nu is dat voor het christelijke geloof geen vreemde zaak.
Een christen is, zo laat het Nieuw Testament zien,
een vreemde eend in de bijt van de samenleving.
Wat mensen doet ophoren en doet vragen
naar de Weg is ten diepste niet de argumentatie,
maar een getuigend leven in de navolging van Christus.
Ik denk dat christenen juist nu moeten laten zien
in woord en daad dat hun levensoriëntatie
van barmhartigheid en solidariteit
in een samenleving waar individualisme de heersende levensfilosofie is
hét Verschil kan maken.
Laten we daar in de periode van Advent verder over door denken.