Het Zoutpad (The Salt Path) is een internationale bestseller en is zelfs verfilmd.
Maar hoe kan het dat de memoires van een echtpaar van middelbare leeftijd
dat het South West Coast Path bewandelt, toch zo’n impact hebben?

Nou, omdat we ons kunnen herkennen
in het verhaal. Het klinkt oprecht.
Het gaat over het leven zoals we dat kennen,
ook al hebben we de 1014 kilometer
van het pad niet van begin tot eind afgelegd;
Een reis die gelijkstaat aan het vier keer beklimmen
van de Mount Everest.

In de aanloop naar hun wandeling
krijgen Raynor (Ray) en Moth Winn
een reeks klappen te verduren.
Ze raken bankroet en dakloos,
en worstelen met een
verslechterende gezondheid.

En op het punt dat de deurwaarders
aan de deur kwamen
om beslag te leggen
op hun boerderij,
ziet Ray een oud boek liggen:
500 Hundred Mile Walkies van Mark Wallington,
en ze raakt geïnspireerd.

Zij zegt tegen Moth: ‘We zouden gewoon kunnen gaan lopen.’

En dat deden ze.

Maar welke waarheden over het leven en onze menselijke ervaring
onthult dit verhaal dan voor ons?

Ten eerste dat leven onzeker is.
Want er gebeuren nare dingen in ons leven.
Soms veroorzaken we het zelf,
als gevolg van verkeerde of ondoordachte beslissingen.
Een andere keer is het volkomen onverdiend.
Het leven keert zich tegen ons
en bijt ons hard in de kuiten.
We blijven achter met een verdoofd hoofd
en tollen rond met de aanhoudende
maar onbeantwoorde vraag: ‘Waarom ik?’

Voor Ray en Moth Winn is het mislukte een investering
in het bedrijf van een goede vriend.
De deal die de vriend smeedde,
maakte Ray en Moth verantwoordelijk
voor alle schulden van zijn bedrijf.
Het einde van een lange juridische strijd
en betekende dat ze alles verloren:
hun boerderij, hun huis, hun bedrijf
én de goede vriend.

Maar diezelfde week bevonden ze zich ook
in een ziekenhuis in Liverpool
waar ze de diagnose kregen
voor de chronische schouderpijn van Moth.
Het was niet een vermoedelijke zenuwschade,
maar eerder de fatale neurologische aandoening
corticobasale degeneratie: CBD.

En of het nu gaat om het South West Coast Path
of de bekende details van ons eigen leven,
we kunnen nooit volledig anticiperen op morgen.
We weten niet wat er achter de volgende landtong ligt
of welke onaangename verrassingen
het leven ons kan brengen.
Nee, we moeten in het nu leven.
Het heeft geen zin om ons zorgen te maken over morgen;
We kunnen alleen in vandaag leven.

Of zoals Ray tegen het einde van hun tocht memoreerde:

‘Deze seconde in de miljoenen seconden was de enige,
de enige waarin we konden leven.’

Want wie ben ik werkelijk?

Aan het begin van het boek herinnert Ray zich:
‘Ik heb ooit een lezing van Stephen Hawking bijgewoond,
waarin hij zei:
‘Het is het verleden dat ons vertelt wie we zijn.
Zonder het verleden verliezen we onze identiteit.’
Misschien probeerde ik mijn identiteit te verliezen,
zodat ik een nieuwe kon verzinnen.’

Wie zijn we als alles ons ontnomen wordt?
Wat definieert ons?
Dakloosheid en werkloosheid,
vragen over waar we vandaan komen
en wat we doen zijn niet alleen ongemakkelijk,
ze creëren ook een existentiële leegte.

Ray en Moth, die vaak voor zwervers worden aangezien,
merkten dat mensen hen anders behandelden:
Sommigen vertrokken stilletjes,
en met het oog op de ziekte van Moth
waren anderen nog directer: ‘Compleet onverantwoord!’
Maar het oordeel van anderen bepaalt niet wie we zijn.
Maar wie waren zij eigenlijk in deze nieuwe wereld van hen?

En dan is er nog de impact
van een verslechterende gezondheid.
Elke fase van achteruitgang
belooft te ondermijnen
wat er fysiek mogelijk is
en vereist een herdefiniëring
totdat er helemaal niets meer over is.

Maar identiteit gaat dieper dan dat.
Het vormt de kern van wie we zijn,
in ons diepste wezen.
Het is de som van onze ervaringen en keuzes,
onze successen en mislukkingen,
van wat we met plezier hebben omarmd
en wat het leven ons onverwachts
heeft toegeworpen.
We zijn unieke individuen met intrinsieke waarde,
waarde en waardigheid.
Mensen die liefhebben en bemind worden.

Aan het einde van het pad mijmert Ray:

‘De meeste mensen gaan hun hele leven
door zonder hun eigen vragen te beantwoorden:
Wat ben ik, wie heb ik in mij? De grote dingen.
Wat een verspilling.’

Misschien is dat
één van de aantrekkelijke kanten
van wandelen
het ruimte maken is:
ruimte om de afleidingen
en drukte van ons extreem compliceerde leven te vergeten,
zodat zelfontdekking kan intreden.

Maar hoe krijg je het voor elkaar
om 1000 kilometer te lopen?
Hoe kun je de eisen voldoen van het beklimmen
van onbekende heuvels en kliffen
en het navigeren door hun kloven en ravijnen?

En bovendien het beruchte Engelse weer trotseren?
En dat met weinig geld
en alleen een tent als rustpunt:
als het regent, word je nat
en blijf je nat,
en als het koud is,
ril je en trek je zoveel mogelijk lagen kleding aan.
Zélfs in augustus kan het een uitdaging zijn.

Wandelen, eten, slapen en dat maar blijven herhalen.
Soms is het enige wat je kunt doen,
de ene voet voor de andere zetten.

‘Elke stap had zijn eigen resonantie,
zijn moment van kracht of mislukking.
Die stap, en de volgende
en de volgende
en de volgende,
was de reden en de toekomst.
Elke dag overleefd
was een reden om de volgende te overleven.’

Ja, er is altijd keuzevrijheid.
Er is altijd de mogelijkheid
om vandaag te kiezen
welk pad je wilt bewandelen
en met welke houding.
Toegeven of doorgaan,
defaitistisch of hoopvol zijn,
klagen of gul zijn;
Die keuzes zijn er altijd,
zelfs als ze beperkt zijn.
Zelfs na oneerlijke beslissingen
en onverwachte tragedies
kiezen we vandaag
de weg die we nemen.
En soms is dat alles
wat we kunnen opbrengen.

Het verhaal van Ray en Moth
zit vol momenten van vriendelijkheid en warmte.
Van de verliefde serveerster
die hen de overgebleven pasteitjes
van de dag toestopt
tot de vrijgevigheid
van een hippiecommune:
er is een terugkerend thema
dat een onderliggende goedheid
in de aard van mensen weerspiegelt.
En vaak zijn het degenen
met het minste
die het meest vrijgevig
en attent blijken te zijn.

Meer dan eens delen Ray en Moth
zelf hun schamele voedselvoorraad
– met name hun kostbare fudgerepen –
met mensen die in een onzekerdere situatie
verkeren dan zijzelf.
Een andere keer
belanden ze in een gespannen
en potentieel gewelddadige situatie
met een jonge vrouw,
die het slachtoffer is van een gewelddadige relatie.
Ze bieden haar gezelschap aan en een uitweg
en betalen uiteindelijk haar busreis van £5
om naar haar familie te gaan.

Er is iets hartverwarmends aan vriendelijkheid,
iets verheffends.
Zowel de gever als de ontvanger
voelen zich bemoedigd,
lichter en gelukkiger.
Het gezegde ‘het is ‘beter te geven dan te ontvangen
blijkt de tand des tijds te hebben doorstaan.

Vriendelijkheid blijkt dieper in de aard der dingen te zitten,
dan we ons kunnen voorstellen.

The Salt Path gaat over de relatie tussen Ray en Moth:
Hoe ze onvoorstelbaar moeilijke omstandigheden trotseren
en er samen een weg doorheen vinden.
Dit is een diep hoopvol verhaal.
En daaruit kunnen wij ook hoop putten.

Er was niets religieus aan wat ze deden
of zoals in het boek klinkt:
‘Het is toch geen pelgrimstocht?’

Aan de ene kant is het puur een reactie op wanhoop.
Maar te midden van dit alles hebben ze elkaar.
Tweeëndertig jaar samen, begonnen ze hun relatie
toen Ray 18 was,
en ze zijn nog steeds diep verliefd.
Ze belichamen de waarden
die in de huwelijksgeloften zijn vastgelegd:

‘… om te hebben en te houden vanaf deze dag, in voor- en tegenspoed,
in rijkdom en armoede, in ziekte en gezondheid,
om te beminnen en te koesteren,
tot de dood ons scheidt…’

Nee dat is geen slap sentimenteel gewauwel,
maar eerder liefde
die zichzelf bewijst
in het licht van de aanval
van ‘het ergere… het armere…’
van ‘de ziekte… de dood’.

Het einde van hun reis bracht Ray tot het besef:
‘Ik was thuis, er was niets meer te zoeken, zij was mijn thuis.’

of zoals een oude Bijbelse dichter ooit eens schreef:

‘Draag mij als een zegel op je hart,
als een zegel op je arm.
Sterk als de dood is de liefde,
beklemmend als het dodenrijk de hartstocht.
De liefde is een vlammend vuur,
een vuurgloed van de HEER.
Zeeën kunnen haar niet doven,
rivieren spoelen haar niet weg.
Zou een man met al zijn rijkdom
liefde willen kopen,
dan werd hij smadelijk veracht.’
(Hooglied 8)

Het boek wekt herkenning op
omdat ze ons het leven dat we kennen,
omdat het de levens die we leiden,
weerspiegelt.
Ja, onze levens zijn
als het ware aanwezig
in de keuzes die Ray en Moth maken,
maar dat verheldert de zaken voor ons.
De meesten van ons zullen zich
nooit in dezelfde situatie bevinden als zij,
maar we kunnen ons inleven.
De meesten van ons zouden
nooit overwegen om te doen wat zij deden,
zelfs als we dat wél waren.
Maar ondanks alles
zien we het,
begrijpen we het
en lijkt het logisch.

Voor mij speelt het meest aangrijpende
en veelzeggende moment van het verhaal
zich af als Moth zegt:

‘Als het zover is, het einde, wil ik dat je me laat cremeren.
Bewaar me dan ergens in een doos,
en als je doodgaat, kunnen de mensen ook jou erin stoppen,
ons dan door elkaar schudden en ons samen op pad sturen.
Zo kunnen ze ons naar de kust laten gaan,
in de wind,
en samen vinden we de horizon.’

NASCHRIFT
Recentelijk zijn er twijfels gerezen over de
de waarachtigheid van delen van dit verhaal.
Ja, als deze kritiek waar is
doet het zeker iets af van het verhaal.
Toch denk ik dat de onderliggende ervaringen
of ze nu fictief of niet-fictief zijn
blijvende universele zeggingskracht mogen hebben
die mensen kan bemoedigen.
Daarover in mijn volgende webpost.

 

In de afgelopen periode ben ik veel opgetrokken
met het evangelie naar Mattheüs.
Ik verdiepte me ook in de persoon van Mattheüs .
Een evangelist met een rafelrand.
Hij was ooit tollenaar van beroep.
Daar heeft hij bepaald geen vrienden mee gemaakt.
Het is hem waarschijnlijk nog lang blijven achtervolgen.
Hij heeft het zichzelf vast ook nog lang kwalijk genomen.
In de serie The Chosen (Prime Video), die gaat over het leven van Jezus,
neemt Mattheüs in de kring van Jezus’ leerlingen
een eenzame plek in in de marge.
Hij wordt door de andere leerlingen niet zomaar vertrouwd
en als het kan op afstand gehouden vanwege zijn bedenkelijke verleden.
Niet zo gek dat juist Mattheüs in zijn evangelie
Jezus een bijzondere naam geeft: ‘vriend van tollenaren en zondaren’.
Daar heeft Mattheüs zichzelf aan opgetrokken en vastgehouden.

Mattheüs vertelt ons in zijn evangelie
dat Jezus ook dat beeld van de werkelijkheid schetste.
Als een complex geheel waarin de dingen vermengd zijn en door elkaar liggen.
In Mattheüs 13 gebruikt Jezus het beeld van een boer
die tot de dag van de oogst tarwe en onkruid samen laat opgroeien.
Het is niet keurig uit elkaar te houden.
Voor je het weet trek je met het onkruid ook de tarwe uit de grond.
Je kunt je kennelijk zomaar vergissen in wat tarwe is en wat onkruid.
De boer moet dealen met beiden.
Het beeld blijft dus gemengd en rommelig.

In Mattheüs 5 lees ik over de ‘armen van geest’. (vers 3 in de HSV).
Dat zijn diegenen die het niet precies op een rijtje hebben.
Zij die het niet gemaakt hebben in het leven.
Iemand herschreef deze verzen eens als volgt:

Zalig zijn zij die mislukken, maar toch proberen.
we zijn een stille wanorde, ontregelde boel
we hebben het niet op een rijtje
we falen bij de vleet dat is een voldongen feit
vanuit hemels perspectief zijn we allemaal gelijk
geen verschil in behandeling tussen jou en mij
je anders denken en zondigen zet ik voor de goegemeente niet te kijk.

we zijn de kerk van brokkenpiloten
gezegend zijn zij die het verkloten
zalig zijn zij die proberen maar mislukken
Christus laat zich vinden te midden van brokstukken
niet om te oordelen maar om te redden
wat er te redden valt tussen schip en wal
we zijn onvolmaakt en verre van af

Ook in 1 Korintiërs 1 lees ik eenzelfde boodschap.
Ook hier vinden we geen keurig gepolijst beeld van geloof.
Paulus identificeert zichzelf en zijn medegelovigen met het beeld van een dwaas.
Het beeld van de dwaas kende men in Paulus’ dagen.
Hij speelde een belangrijke rol in het theater.
Hij werd daar stereotype uitgebeeld met fysieke lelijkheid en onnozelheid.
Bij voorkeur met een grote neus, grote flaporen en een kaal hoofd.

Wat verderop in dezelfde brief aan de Korintiërs
zet Paulus dat beeld van dwazen nog wat scherper aan.
‘Wij zijn het uitschot van de wereld, het uitvaagsel van de mensheid.’ (1 4,10)
Uitschot of schuim is volgens het woordenboek
‘dat wat afvalt na een sortering op kwaliteit.’
Een beetje als te kleine, magere visjes
die na de vangst weer worden teruggeworpen.
Onder de maat. Niks mee te beginnen.
Overboord ermee.
Uitvaagsel is wat je aan afval overhoudt na een grondige schoonmaak.
The Message van Eugene Peterson spreekt hier zelfs over de ‘Messiah’s misfits
en vertaalt uitschot en uitvaagsel met:
‘garbage, the leftovers that nobody wants.’

Dat dwaze heeft bij voor Paulus en de Korintiërs
natuurlijk alles te maken met het bizarre geloof
in een gekruisigde Jood als redder van de wereld.
Het dwaze zit ‘m ook in het gegeven
dat dat handjevol gelovigen in Korinthe
nou niet bepaald bestond uit de elite van de samenleving.
Laagopgeleid, niet veel invloed, geen grote namen.
Mensen uit de onderste laag van de samenleving,
het klootjesvolk zeg maar.
Maar dat dwaze zit ‘m voor een ander deel ook in het gedrag
dat Paulus ziet bij deze gelovigen.
Het is nogal een zooitje ongeregeld
waarin zaken spelen als seksuele losbandigheid, incestueuze affaires,
echtscheidingen, geruzie en jaloezie
ontaardend in escalerende beschamende rechtszaken,
haantjesgedrag, wettische scherpslijperij, afgoderij, jaloezie,
slordigheid in de samenkomsten zoals dronkenschap rond avondmaal.
Rommeligheid is hier echt een understatement.

En in deze brief komt dit allemaal ter sprake.
Niets wordt gladgestreken, geen rommel verdwijnt onder het tapijt.
En toch begint juist deze brief
aan deze specifieke rommelige gelovigen
met woorden van genade.
‘ Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus’ (1 1,3).
En ook het laatste woord van de brief is een genadewoord:
‘De genade van de Heer Jezus zij met u.
Mijn liefde gaat uit naar u allen, met wie ik verbonden ben in Christus Jezus.’ (1 16,23)

Als ik deze tekstgedeelten goed op me laat inwerken
kom ik deze rommeligheid ook in mij zelf tegen.
Het is de kloof tussen het ideale opgepoetste beeld van mijzelf als gelovige.
En de persoon die ik zie als ik eerlijk in de spiegel durf te kijken.
Een deel van mij wil omhoog, vooruit, groeien, beheersen, grip hebben.
En een ander deel struggelt met innerlijke leegte, angst en onvermogen.

Ik zie dat Mattheüs er nog maar net is begonnen aan zijn evangelie.
Hij schrijft het geslachtsregister van Jezus.
En ineens realiseer me dat die passage ook echt helemaal past
bij het beeld van zijn eerste werk.
Het laat zien hoe de geslachtslijn van de Messias door en door
is verweven met allerlei rommelige levens.
Dat geslachtsregister is opgebouwd rond Abraham,
David en de ballingschap. Abraham en David
mannen van God vol geloof en moed.
Maar tegelijk worden ook hun schaduwzijden zichtbaar.
En de ballingschap is het trieste dieptepunt
van het collectieve morele falen van een heel volk.
Er worden in dit geslachtsregister ook diverse vrouwen genoemd
die om verschillende redenen geen beste reputatie hadden.
Al speelden in al die gevallen ook mannen een bedenkelijke rol.
Tamar verleidde haar schoonvader, Rachab werkte als prostituee,
Batseba kreeg een buitenechtelijk kind, Ruth was geen Joodse.
Dit is een line-up van stuk voor stuk rommelige, rafelige levens.
Die desondanks of misschien wel juist daarom een plaatsje krijgen
in het geslachtsregister van Jezus.

Door de generaties heen is er een wonderlijke God
aan het werk die allerlei losse eindjes aan elkaar knoopt.
Een rode draad van genade die uitloopt op de man
die niet komt om ons te verlossen ván dit bestaan
maar verlossing wil brengen ín (!) dít leven.
Afdaalt in de rommel die wij er vaak van maken.
In de kerk als een verzameling misfits, brokkenpiloten.
Zoekende zielen met alle rommeligheid die daar bij hoort.
Hij verstrengelt Zich met mij. met Zijn Geest
ondanks alles toch ook in mij doet wonen.
En in mijn rommelige kleine leven weeft Hij zijn draden
van wijsheid, rechtvaardigheid, heiligheid en verlossing (1 1, 30)