Van Pasen tot Kerst

Maar waarom 25 december?
Gebaseerd op hun begrip van Daniëls profetie
redeneerden sommige vroegchristelijke schrijvers
dat Jezus werd verwekt op dezelfde dag
waarop Hij later werd gekruisigd.
Tertullianus (ca. 155–220)
berekende dat Jezus werd gekruisigd op 14 Nisan,
overeenkomend met 25 maart
op de Romeinse (zonne)kalender;
precies negen maanden vóór 25 december.
Christenen berekenden de datum van Kerst
daarom op basis van hun viering van Pasen.
Augustinus van Hippo (354–430) gaf deze interpretatie
weer in Over de Drie-eenheid:

Men gelooft dat Hij werd verwekt op 25 maart,
op welke dag Hij ook leed(…)
maar Hij werd, volgens de traditie, geboren op 25 december.

Dat Jezus werd verwekt op dezelfde dag
waarop Hij uiteindelijk zijn leven zou geven,
lijkt op het eerste gezicht onwaarschijnlijk.
Maar bedenk, net als de vroege kerk,
de even onwaarschijnlijke mogelijkheid
dat de verzoenende dood van de Messias
exact zou samenvallen met de viering van Pesach.
Zoals Petrus erkende, worden alle gebeurtenissen,
of ze nu ogenschijnlijk onbeduidend
of onschatbaar belangrijk zijn,
geleid door Gods ‘vaste plan en voorkennis’ (Handelingen 2:23).
Zijn werken in de schepping en zijn wegen
in de geschiedenis zijn prachtig (Jesaja 46:10).

 

De wijzen uit het oosten of drie koningen zijn,
binnen de christelijke traditie,
de wijzen die Jezus van Nazareth
na zijn geboorte kwamen vereren
en geschenken van goud, wierook en mirre brachten.

De vermelding van de wijzen komt in het Nieuwe Testament
alleen voor in Matteüs 2:1-12.
Over hun herkomst wordt alleen gezegd dat ze uit het oosten kwamen.
Ook hun aantal en hun namen worden niet vermeld.

De wijzen kwamen volgens de overlevering
uit de drie verschillende werelddelen.
Ze vertegenwoordigen de drie takken van het menselijk geslacht
– een twintiger, een veertiger en een zestiger –
volgens de Bijbel het nageslacht van de drie zonen van Noach:
Sem, Cham en Jafet.
De mannen vertegenwoordigen drie leeftijden van de mens.

Het verhaal in Matteüs werd in de loop van de eeuwen uitgebreid
met allerlei elementen die niet worden genoemd in het Bijbelse verhaal.
Mattheüs noemt het aantal niet,
maar volgens de traditie in het westers christendom zijn er drie wijzen.
Dit getal van drie werd wellicht vastgesteld
aan de hand van het aantal geschenken dat ze meebrachten.
In tradities in het oosters christendom zijn er niet drie maar twaalf wijzen.

Het bezoek van de wijzen uit het oosten aan Jezus
wordt in het westers christendom oorspronkelijk gevierd op 6 januari,
in de volksmond Driekoningen.
De wijzen een lange geschiedenis van betrokkenheid bij de monarchie,
waarbij ze paden volgens de overlevering
kruisten met illustere koningen,
waaronder Cyrus de Grote van Perzië,
Alexander de Grote en de Romeinse keizer Nero.

De wijzen of erfelijke priesters waren oorspronkelijk
lid van een stam van de Meden
die 600 jaar voor de geboorte van Jezus in Noord-Iran leefden.
De Griekse historicus Herodotus schreef rond 425 v.Chr.
hoe deze wijzen in het hele oude Midden-Oosten bekend werden
vanwege hun vermogen om dromen te interpreteren
en hun kennis van de sterren.
Ze waren aanhangers van de zoroastrische religie
en waren verantwoordelijk voor de heilige vuren
die centraal stonden in de zoroastrische eredienst.

Voor de Grieken waren de zoroastriërs en de magiërs
– want zo worden de wijzen ook wel genoemd –
exotische objecten van fascinatie.
Veel latere Griekse filosofische werken beweerden
dat ze ontsproten waren uit de verbeelding van Zoroaster (of Zarathustra) .
Maar honderd jaar voor Herodotus
vinden we de eerste vermelding van magiërs in de Bijbel,
in het boek Daniël.
Dit was de periode van de Joodse ballingschap
en gevangenschap in Babylon.
Jojakim, koning van Judea
en afstammeling van de koningen David en Salomo,
werd verslagen in de strijd
en gedood door Nebukadnezar II van Babylon.
Jeruzalem en de tempel werden verwoest
en veel Judese edelen werden gevangengenomen.
Daniël was een van deze gijzelaars
en wordt meegenomen naar het Babylonische hof,
waar God hem de mogelijkheid geeft
om de dromen van de koning te interpreteren.
Onder de indruk van zijn capaciteiten,
geeft Nebukadnezar Daniël
de leiding over al zijn wijze mannen.
Het is onduidelijk welke relatie deze Babylonische ‘magiërs’
hadden met de Meden, maar de sterke Medische invloed
op het Babylonische hof
suggereert dat de Babylonische wijze mannen
heel goed Zoroastrische magiërs kunnen zijn geweest.

Daniël bleef aan het Babylonische hof,
totdat de Babyloniërs werden binnengevallen
door Cyrus de Grote,
die de Joden toestond terug te keren uit ballingschap
en te beginnen met het herstellen van Jeruzalem.

Het Perzische rijk van Cyrus duurde tweehonderd jaar,
totdat het in 331 v.Chr. werd binnengevallen
door Alexander de Grote en zijn leger.
Alexander zocht het advies van magiërs,
maar liet velen van hen op gewelddadige wijze doden
en hun heilige vuren doven
toen hij de Perzische hoofdstad Persepolis met de grond gelijk maakte
als wraak voor de Perzische vernietiging
van de Akropolis door Xerxes 150 jaar eerder.
De Griekse opvolgers van Alexander werden gekenmerkt
door bloedige rivaliteit en onderlinge strijd
en werden later onderworpen door het Parthische rijk,
dat de meest geduchte rivaal van Rome in het oosten zou worden.
De magi consolideerden hun reputatie
als koningsmakers tijdens de Parthische periode,
met een raad van magi (de Megistanen)
die verantwoordelijk was
voor het kiezen van Parthische koningen.

In de tijd van Jezus waren er overal in het Midden-Oosten ‘magiërs’
en in deze context beschrijft de Romeinse historicus Plinius de Oudere
de reis van Armeense magiërs om keizer Nero te bezoeken in 66 na Christus.
Tegen die tijd waren Parthië en Rome al een eeuw in hun langdurige strijd
en hadden ze net een vijf jaar durende oorlog gevoerd
over de Armeense opvolging.
Ondanks een vernederende nederlaag,
redde Rome wat gezicht door een zeer eenzijdig verdrag
waarbij Parthië de volgende Armeense koning koos,
maar waarbij de Romeinse keizer
de kroon op zijn hoofd mocht zetten!
Nero draaide dit in zijn voordeel
door de nieuwe koning Tridates I
naar Rome te laten komen
om zijn kroon in ontvangst te nemen.
Tridates, die zowel een zoroastrische priester als een koning was,
kwam met een enorm gevolg,
waaronder andere magiërs en duizenden ruiters,
om zijn kroon in ontvangst te nemen.
De enorme processie kwam tot een hoogtepunt toen
de magi-koning boog voor de keizer
en hem erkende als zijn heer.

Het bezoek van de Armeense magiërs
heeft duidelijke overeenkomsten
met het bekende verhaal van magiërs
die het kindje Jezus bezoeken in het evangelie van Matteüs.
Gezien de vele verfraaiingen die door de eeuwen heen
aan het magiërsverhaal zijn toegevoegd,
is het nauwelijks verrassend dat sommigen hebben gesuggereerd
dat het magiërsverhaal een verzinsel was
en een geremixte versie
van het bezoek van koning Tridates aan keizer Nero.
Maar als magiërs standaardpersonages waren in het oude Nabije Oosten
en ook echt geïnteresseerd waren in monarchen
(die vaak ook als ‘goden’ werden behandeld),
dan zou het niet zo verrassend zijn
dat er meer dan één bezoek van koninklijke magiërs zou zijn
met emotioneel geladen religieuze ondertonen.
Wat een verzonnen magiërsverhaal minder waarschijnlijk maakt,
is wat het Joodse publiek van de evangelieschrijver Matteüs
van de magiërs zou hebben gedacht.
Hoewel de Grieken en Romeinen enthousiast waren
over buitenlandse ‘goden’ en exotische wijsheid,
waren de Joden uit de eerste eeuw dat absoluut niet.
Voor hen en voor de vroege christenen
zouden de magiërs charlatans en volgelingen
van een valse buitenlandse ‘god’ zijn geweest.
Een bezoek van een paar buitenlandse astrologen
zou eerder gênant zijn geweest
dan het soort verhaal dat je zou verzinnen.

Dus, wie waren de magiërs in het evangelie van Matteüs?
De twee dominante theorieën waren
dat ze ofwel Perzisch waren of dat ze later fictie waren.
Meer fantasierijke theorieën omvatten oorsprongen
in India, China en zelfs Mongolië.
Een andere, misschien realistischer mogelijkheid,
is dat de magiërs afkomstig waren uit het Arabische koninkrijk Nabatea.
De Nabateeërs stonden bekend om het gebruik van irrigatie
om de woestijn te bewerken en om de handelsroutes
door de Arabische woestijn te controleren.
Twee handelsgewassen waarin Nabatea de handel domineerde,
waren wierook en mirre.
De rijkdom die werd gegenereerd door deze lucratieve handel
werd gebruikt om Petra te bouwen,
de wereldberoemde valleistad van rotsmonumenten.
De Nabateeërs hadden nauwe banden met Israël
en waren mogelijk bekend met de profetieën van Daniël en Jesaja.
Ze zouden ook geïnteresseerd zijn geweest
in de Judese monarchie
en zouden natuurlijke bezoekers zijn geweest
van de paranoïde koning Herodes.
Herodes’ moeder was een Nabateese prinses
en de Nabateese koning Aretas IV
moest de gunst van Herodes versterken,
zodat de Nabateeërs
geïnteresseerd zouden zijn
in een nieuwe koning der Joden.

Waarschijnlijk zullen we nooit zeker weten
wie de wijzen uit het oosten waren.
Maar voor mij is er iets diep fascinerends
aan deze mysterieuze bezoekers van het kindje Jezus.
Deels lijken ze hogere dingen te vertegenwoordigen
– met hun wijsheid en rijkdom in goddelijke dienst.
Het kan lijken alsof hun uitstekende kennis
en astronomische vaardigheden
een soort van kosmische puzzel hebben opgelost,
waarbij de magiërs de ster volgen en een despoot ontwijken
om de baby aan het einde van de schattenjacht te vinden.
Dit klopt niet,
de kennis van de magiërs
is niet het object van verwondering.
De kennis die ze hebben is kapot,
het is een rommelige mix van gekke occultisme,
astronomie, wiskunde
aangevuld met een ongezonde obsessie met royalty.

De kennis die wij hebben is ook kapot.
Maar God gebruikt de dwaze dingen
om de wijzen te verwarren,
en in de gekke puinhoop van horoscopen en waarzeggerij
laat God de magiërs een uitnodiging achter.
De uitnodiging accepteren is een risico nemen:
de lange reis riskeren,
de toorn van Herodes
en zelfs het risico lopen het mis te hebben.
Maar als ze deze uitnodiging accepteren,
realiseren ze zich
dat het een uitnodiging is om God Zelf te ontmoeten.

 

Het lezen van reacties op Donald Trumps verkiezingsoverwinning
in verschillende nieuwsmedia de afgelopen dagen
was een les in het hedendaagse politieke landschap:

Voor linksgeoriënteerde media ziet de toekomst er somber uit.
Men klaagt dat
‘we moeten leren leven met een Amerika
waar een overweldigend aantal van burgers
een president heeft gekozen die de meest fundamentele waarden en tradities
van de democratie, de grondwet en zelfs het leger met minachting aanhangt.’
Of het wordt ‘een buitengewoon, verwoestend moment
in de geschiedenis van de Verenigde Staten’ genoemd.
Het lijkt wel een seculiere versie van de preek ‘Wee ons, het einde is nabij’.

Maar als je de rechtse media bekijkt, zie je een mengeling van gejuich
– ‘Trumps triomf is een ramp voor de egocentrische, deugdzame elites!’-
en optimisme dat er een nieuwe dag aanbreekt.
Trump zelf prees de komst van een ‘gouden eeuw’ voor het Amerikaanse volk.
Een welkom stukje goed nieuws voor degenen aan de rechterkant.

Aan beide kanten is de apocalyptische noot moeilijk te missen:
‘2024 is het echte werk, een revolutionair moment,
een herinrichting en heroriëntatie van de Amerikaanse
en westerse politiek rond nieuwe principes.’
‘er niets dan slecht nieuws is voor Europa
in de Amerikaanse verkiezingsoverwinning van Donald Trump.
De enige vraag is hoe erg het zal worden.’

Direct na zulke verkiezingen is er altijd
een beetje van deze apocalyptische toon te horen:
wie herinnert zich nog hoe George W. Bush een rampzalige campagne voerde
voor een machtswisseling in het Midden-Oosten.
Of hoe Barack Obama begon met grote hoop,
een tweede termijn won,
maar de wapenwetten niet veranderde
en over algemeen werd beschouwd als degene die de VS verzwakte
door een mislukt buitenlands beleid.
En ook Joe Biden zou hebben gefaald omdat hij de inflatie liet toenemen
en de Amerikaanse grenzen te poreus liet worden.

Ja, ook Donald Trump zal falen.
Hij kan, zoals hij beloofde, een verbeterde economie opleveren.
Hij kan illegale immigratie tegengaan.
Dat is tenslotte de reden waarom velen op hem stemden.
Maar uiteindelijk zal hij teleurstellen.
Dat zou Kamala Harris ook hebben gedaan als zij had gewonnen.
En dat is niet om deze specifieke leiders te bekritiseren.

Het is altijd verleidelijk om in tijden als deze naar apocalyptische taal te grijpen.
Maar de echte betekenis van ‘apocalyps’ is ‘openbaring’ of ‘onthulling’.
Als we het op langere termijn bekijken,
is het echte apocalyptische moment in tijden
als deze misschien wel de onthulling van de ware plaats van politiek
als belangrijk, maar niet hét belangrijkst.
Deze momenten onthullen de ontoereikendheid
van alle menselijke koninkrijken,
en ons verlangen naar een ander koninkrijk,
een koninkrijk van ‘rechtvaardigheid,
vrede en vreugde in de Heilige Geest’ zoals de Bijbel het zegt,
dingen die geen enkele regering of verkiezingsuitslag ooit kan leveren.

Politiek is belangrijk omdat we het in de samenleven belangrijk vínden.
Maar wat politiek op zijn best kan bieden
– een goed functionerende economie, wet en orde,
het beheren van goede internationale relaties –
gaat maar tot op zekere hoogte om een bloeiend leven mogelijk te maken.
Net als terugkeren naar een bekende verlangen
waarvan we denken dat we er eens en voor altijd gelukkig van kunnen worden.
Ondanks de talloze keren dat het eerder is mislukt,
geloven we op de een of andere manier steeds weer
dat politiek al onze problemen kan oplossen.
Trump will fix it, Trump zal het oplossen’, zeiden de spandoeken
– hoewel dat in feite is wat elke politicus belooft.
Maar Jezus waarschuwde al:
‘Velen zullen in mijn naam komen en zeggen “Ik ben het”,
en veel mensen op een dwaalspoor brengen.’ (Mattheüs 24,5)

Waarschijnlijk zal Donald Trump niet zo slecht zijn als velen vrezen,
en niet zo goed als velen hopen.
Want politiek is nooit het laatste woord.
Zoals de Amerikaanse theoloog Matthew Burdette het onlangs verwoordde:
‘De oplossing voor onze politiek is geen politieke oplossing.
Stemmen op de juiste of de verkeerde kandidaat
zal de situatie niet veranderen:
de duivel is onpartijdig, zolang politiek onze afgod is.
Nee, wat nodig is, is fundamenteel en grondig spiritueel.
Alleen als we met de profeet Jesaja kunnen zeggen
dat “de volken zijn als een druppel uit een emmer,
en worden gerekend als stof op de weegschaal,” (Jesaja 40,15-17)
En
“ Vertrouw niet op mensen met macht,
op een sterveling bij wie geen redding is.
Stokt zijn adem, hij keert terug tot de aarde,
op die dag gaat hij met zijn plannen ten onder.” (Psalm 146,3-4)
dat wil zeggen, alleen als we tegen de horizon
van het ultieme kunnen zien hoe klein onze zorgen zijn,
zullen deze relatieve, voorlaatste dingen zoals politiek
worden rechtgezet en hun ware betekenis in ons leven krijgen.’

 

Soms komen zinvolle dingen ter sprake.

Te vaak gebeurt het dat de geachte spreker

niet meer in de aanbieding heeft dan een praatje voor de vaak.

De situatie kan er ook naar zijn, dat je met stomheid geslagen bent.

Hoe dan verder?

Roept u maar!

Het hoort bij een gespreksleider die een geanimeerde discussie wil aanzwengelen.

Zo’n onvoorwaardelijke uitnodiging is niet zonder risico’s.

Je mag tenminste enige zelfkennis en kennis van zaken veronderstellen.

Discussiëren komt van een werkwoord in het Latijn,

met de letterlijke betekenis: uiteen splijten.

Willem Barnard vertaalt het dan ook met ‘splijtzwammen’.

Deze negatieve duiding is niet zonder reden.

Een regel, die meer is dan spelen met woorden:

inspraak zonder inzicht leidt tot uitspraak zonder uitzicht.

Een oude profeet, op naam van Jesaja, wordt tot spreken geroepen.

In een ellendige, dat is: uitlandige situatie.

Het volk Israël is in ballingschap, ontredderd en ontheemd.

Wie kan dan zinnige dingen zeggen, laat staan mond van God zijn?

Toch weet de profeet zich van Hogerhand geroepen.

Blijkbaar is de Here, door middel van zijn Woord en Geest,

hem te machtig geworden.

De profeet weet vooralsnog niet meer uit te brengen

dan een besef van machteloosheid:

‘Wat zal ik roepen?’ .

‘Roepen’ heeft de klank, de kracht van een nieuw begin,

zelfs van leven uit de dood.

Zoals de Here ooit deed bij de schepping:

‘En God riep het licht: dag! en de duisternis riep Hij: nacht!’.

Dat roepen, dat spreken met gezag, die bevrijdende taal,

waartoe wij zelf niet bij machte zijn, is verankerd in het Woord van onze God,

dat eeuwig stand houdt.

Dat Woord hebben wij niet in, bij of achter de hand.

Onze woorden kunnen alleen maar tot Woord worden,

waar en wanneer het God behaagt,

als zijn Adem, zijn Geest de woorden vult.

Zo is de Bijbel ontstaan en overgeleverd.

Woorden van mensen, waarin en waardoor God zichzelf ter spraken wil brengen.

Daarom wordt bij de opening van dit Boek altijd gebeden

om de verlichting van en door de Heilige Geest.

‘Want ieder blijft Gods Woorden vreemd, behalve wie ze van Hem zelf verneemt’ (M. Nijhoff).

Eeuwen later heeft Johannes de Doper

deze profetische woorden opnieuw in de mond genomen

met het oog op Jezus Christus.

Even tevoren, in de proloog van het evangelie naar Johannes,

is deze Ene bezongen als degene,

in wie de Here God zichzelf geheel en al heeft uitgesproken.

Hij wordt dan ook WOORD genoemd, sprekend God.

Alle voorgaande Woorden van God vinden in Hem hun diepste bestemming.

Alle volgende Woorden hebben hun bestand in Hem.

Karl Barth sprak in dit verband over de drie gestalten van het woord:

WOORD, Woorden, woord.

Onze woorden staan in dit bezielde verband.

Daarbuiten is er niets te zeggen dat echt beklijft.

Advent kan nooit zonder Pinksteren.

Met de woorden van een gebedslied (Lied 680), uitziende naar de Heilige Geest:

Waar Gij niet zijt, is het bestaan,

is alle denken, alle doen

zo leeg en woest, zo dood als toen

Gij, Geest, nog niet waart uitgegaan.

Er is geen licht dan waar Gij zijt,

uw vleugels breidt, uw vleugels strekt,

geen leven, dan waar Gij het wekt

in een gemis dat tot U schreit.

 

God kan ons uitschelden. God kan ons best pijn doen. Omdat het nodig kan zijn.
Wij blijven niet buiten schot.
Het Woord van God kan ons treffen als een open-hart-operatie.
God weet precies wat er bij je van binnen zit.
En als Hij daar niet blij mee is, gaat het mes er in.
Dan heb je een nieuw hart nodig. En dat is wel diep ingrijpend.

Moet Jesaja dan wel van die harde woorden spreken?
Dat deed hij in eerste instantie tegen de inwoners van Jeruzalem en dus nu ook tegen ons.
‘Maar’ denk je misschien ‘kan hij niet beter troosten, gerust stellen, moed in spreken?
Gelukkig komt Jesaja dat wel op uit,
maar eerst moet het even pijn doen, moeten we even doorbijten.

‘Maar, hoezo, wat is er mis met ons dan?’
Dat hebben de mensen zich in Jeruzalem vast ook afgevraagd.
Ze vonden zichzelf hele vrome mensen. Ze dienden de HEERE voorbeeldig.
Wij zijn toch Jeruzalem, Gods eigen stad!

Maar als we God willen leren kennen, dan kan het niet anders dan zo:
de weg die voor ons geopend is door Jezus Christus gaan, achter Hem aan.
Alleen die zijn leven zal willen verliezen, die zal het vinden,
maar die het wil behouden, zal het verliezen.

Gewillig zijn en luisteren. Accepteren wat God over je leven te zeggen heeft. Je laten gezeggen.

Dat is voor ons moderne mensen niet gemakkelijk. Wij zijn mondige mensen.
Maar voor nu: Mond houden en luisteren. God zegt: Het is je redding als je het doet.
Luisteren, dat is hier meer dan horen alleen. Het is ook gehoorzamen.
Doe nou gewoon wat God van je vraagt. Open staan voor God zelf.
Wat je gezegd wordt in de kerk, door Zijn Woord. Neem dat nou eens echt serieus.
Niet alleen ernstig knikken, maar het ter harte nemen. En er handen en voeten aan geven.

Als je maar wilt luisteren…

 

‘Sta op en schitter! Sta op en schitter!’
Als Nederlander zal je eerste reactie kunnen zijn:
‘Nou zeg: sta op en schitter! Mag het ook een onsje minder zijn?’
Dat zullen de mensen die deze woorden voor het eerst hoorden ook hebben gedacht.
Zij waren net terug uit ballingschap. Jeruzalem lag nog in puin.
De muren waren nog niet opgebouwd. En er stond ook nog geen nieuwe tempel.
En de mensen leken ook niet erg veranderd.
Hun harten waren nog net zo koud en hard als vroeger. Het valt allemaal behoorlijk tegen.
Zo schitterend is het allemaal niet. En toch klinkt juist dan en juist daar dit woord van God.
‘Sta op en schitter, jouw licht is gekomen. Over jou schijnt de luister van de Heer.’
Duisternis bedekt de aarde en donkerte de naties.
Maar over jou schijnt de Heer…. Nee, de duisternis wordt niet ontkend.
Het leven valt zeker niet altijd mee.
Het is inderdaad vaak een rommel, een bende, een puinhoop.
En van Gods nieuwe wereld zie je soms zo weinig.
En ook in je eigen hart, in je eigen leven kan het soms best donker zijn, en somber.
En kan er over je leven iets van een sluier liggen.
Van huis uit is het bij ons van binnen koud, kil, donker en valt er bijzonder weinig uit te stralen.
Soms kom je mensen tegen die het licht-van-buiten niet nodig hebben.
Ze zijn bewoond door een andere Aanwezigheid: Licht-van-binnenuit.
Door hun aanwezigheid laten ze anderen stralen en dat doet goed.
Je voelt dat je wordt gekend, bemoedigd, gezonden ook.
Het lichtpunt van Gods aanwezigheid
dat in Christus Jezus helderder is gaan stralen dan ooit tevoren.
Vandaar de oproep om op te staan en in dat licht te staan.
Om dat licht op te vangen en te weerkaatsen. Sta op en schitter. Dat is de actieve vorm.
Je kunt het ook passief vertalen: Sta op en wordt verlicht.
In een donkere tijd en een duistere wereld zoekt God mensen die op staan
en in dat licht van Christus gaan staan om dat licht op te vangen.
In dat licht te leven en dat licht ook uit te stralen.
Licht dat ons aanstoot in de morgen, de morgen van Pasen …

Jesaja 51,12

Werkelijke troost wordt altijd door een ander gegeven.
Dat mogen we tenslotte nog zien als het om ons actieve leven gaat.
In de sfeer van het onszelf troosten komen we niet verder dan
een kom op, volgende keer beter, volgende keer beter je best doen, volgende keer wat meer geluk hebben.
En hoe snel leven we niet in die sfeer.
Als fantastische doe het zelvers
zijn we aan de gang met Gods geboden.
Voor we het weten lopen we eindeloos achter onszelf aan:
hier nog wat te verbeteren en daar nog wat te corrigeren,
een schroefje hier en een likje verf daar.
Maar als we eerlijk worden,
dan weten we eigenlijk niet waar we het voor gedaan hebben.
Waren we nu werkelijk dankbaar?
Of wilden we toch gewoon wel graag in de hemel komen?
Of wilden we eigenlijk gewoon dat iedereen ons aardig vindt?
Of zochten we respect en aanzien?
Hoe langer je er over nadenkt, hoe minder grip heb je er op.
En rustig word je daar niet van.

Besef dat troosten niet het antwoord is
voordat je de vraag goed hebt beluisterd.
Het is niet het aanbrengen van allerlei goede adviezen.
Troosten is helpen te leven met vragen waarop geen antwoorden zijn.
Daar kun je rust in vinden.

Rust vind je pas als je met heel je hebben en houden, je plannen,
je wensen, en al je daden, bij Jezus binnenloopt,
je door Hem laat bemoedigen en stimuleren,
je door Hem laat bezielen met zijn Geest.
Pas samen met Jezus leven, maakt je leven een rustig leven.
Zo wil Hij je troosten in je werkelijke leven.
Het gaat hier niet maar om pep-talk,
niet maar om jezelf troosten met wat goede dingen.
Het gaat hier in alles om leven met Jezus
en Hem horen spreken tegen jou zelf.
Hoor het Hèm maar zeggen: rustig maar,
Ik heb al voor jou geboet, rustig maar,
Ik zorg voor jou, rustig maar, kalm aan,
Ik heb al voor jou geleefd.
Voortaan zal ons niet alles gaan lukken.
En dat hoeft ook niet. Want alles is Hèm al gelukt.
Ik denk zo, als Hij dat tegen ons zegt,
dan mogen we ook werkelijk rustig worden.
Telkens weer, ons leven lang.

Bijna niemand heeft hem gemist:
de wilde theorie dat Bill Gates met hulp van het 5G-netwerk
het coronavirus verspreidt, zodat iedereen zijn vaccin nodig heeft.
Inmiddels vijf jaar geleden voorspelde miljardair Bill Gates
dat er weleens een virus kon ontstaan dat de hele wereld zou ontwrichten. Nu is er het coronavirus.
Dat kan geen toeval zijn, denken sommige mensen.
Gates heeft het zelf in de wereld geholpen,
zodat hij geld kan verdienen aan een vaccin,
waarbij hij en passant een chip laat implanteren
bij iedereen die dit vaccin ontvangt.
Het teken van het beest uit het Bijbelboek Openbaring,
vinden sommige christenen.
(een soortgelijke gedachte deed trouwens ook de ronde
bij de invoering van de streepjescode)
Of deze:
de anderhalvemetersamenleving is ingesteld
zodat camera’s gezichten beter kunnen herkennen.
Je hebt zulke complottheorieën waarschijnlijk wel gehoord.
Misschien haal jij je schouders erover op en vind je zoiets lachwekkend.
Hoe ga je om met zulke verontrustende berichten
en met aanhangers van complottheorieën?
Je merkt misschien dat zulke theorieën een kloof scheppen
als je erover in gesprek bent met je buren of familieleden.
Discussiëren of factchecken verkleint de kloof zelden.
Integendeel, het lijkt of je alleen maar meer
tegenover elkaar komt te staan. Hoe ga je daar nu mee om?

Allereerst: geruchten en complottheorieën zijn er altijd al geweest
en waren voor de komst van journalistiek en internet
nog veel sterker.
Jesaja en Jeremia bijvoorbeeld leefden in zo’n tijd.
Zij maanden tot kalmte: ‘Noem niet alles een samenzwering
wat zij een samenzwering noemen.
Wees niet bang voor wat hun angst aanjaagt’ (Jesaja 8:12).
‘Wees niet bang voor geruchten her en der.
Dit jaar gaat er een bang gerucht, het volgend jaar gaat er een ander’ (Jeremia 51:46).
En Jezus zei tegen zijn leerlingen:
‘Jullie zullen berichten horen over oorlogen en oorlogsdreiging.
Laat dat je dan niet verontrusten’ (Matteüs 24:6).

Een beetje nuchterheid kan dus geen kwaad.
Er zijn voortdurend nieuwe geruchten of theorieën
en die zijn echt niet allemaal waar.
Maar het kan onbevredigend zijn om alleen nuchter naar ‘de feiten’ kijken. Is het coronavirus er alleen,
omdat sommige mensen in China vleermuizen eten
en een virus van dier op mens is overgegaan?
Is het slechts stomme pech dat de globalisering
er vervolgens voor zorgde dat het zo’n wereldwijde ramp is geworden? Hoewel dat misschien heel verstandig klinkt,
is het ook nogal nihilistisch om te zeggen:
dingen gebeuren nu eenmaal omdat ze gebeuren.
Zo’n gedachtegang zit niet achter Jesaja’s, Jeremia’s en Jezus’ oproepen
tot nuchterheid.
Voor hen is de grootste reden om niet bang te zijn
de overtuiging dat God zelf aan het werk is.
‘Alleen de HEER van de hemelse machten is heilig,
voor Hem zijn angst en ontzag op hun plaats’ (Jesaja 8:13).
Jeremia ziet in de rampen die plaatsvinden
God zelf zijn oordeel uitvoeren (Jeremia 51:47).
Jezus spoort de leerlingen aan vooral waakzaam te zijn
voor de komst van de Mensenzoon.
Alle rampen die plaatsvinden, zijn het begin van de weeën,
de aankondiging van Jezus’ komst. (Matteüs 24:6-44).
Ook elders in het Nieuwe Testament kun je lezen
dat in alles wat er gebeurt God aan het werk is.
Het meest uitgebreid wordt dat geschilderd in het Bijbelboek
dat ‘Onthulling’ of ‘Openbaring’ heet.
Daar wordt gesproken over dat de dingen zijn niet wat ze lijken:
het altaar van Zeus in Pergamum is niet alleen een religieus bouwwerk,
het is de troon van Satan zelf (Openbaring 2:12).
Het Romeinse rijk is niet het rijk van vrede,
maar het is een allesverslindend godslasterlijk beest
en het geld met de afbeelding van de keizer is het teken van dat beest (Openbaring 13).

Het gevoel dat er ‘meer aan de hand is’, klopt dus volgens de Bijbel.
God is aan het werk. Dat is zeker ook verontrustend.
Angst en ontzag voor Hem zijn op hun plaats.
God kijkt niet vanuit de hemel machteloos toe,
terwijl mensen oorlog voeren, elkaar onderdrukken, bedriegen,
aan de kant zetten of zwartmaken.
God haat al dat kwaad en wil het vernietigen.
Daarom gaan volgens Openbaring zijn oordelen nu al over de wereld.
Je kunt in rampen die de wereld treffen
iets proeven van Gods woede over het kwaad
en van zijn verlangen het kwaad te vernietigen.
Uiteraard mag je er niet simplistisch over spreken,
alsof je het allemaal snapt.
Bijvoorbeeld door te veronderstellen
dat zij die het hardst getroffen worden, ook het meest gezondigd hebben. Juist het besef dat God aan het werk is, moet jou ook nederig maken.
Wie zou kunnen overzien wat God allemaal doet en waarom?
Aansluitend bij Jezus’ woorden en de beelden van Openbaring
kun je in de rampen van deze wereld ook Gods oordeel zien
en de aankondiging van Jezus’ komst om alles en iedereen te oordelen.
Jezus is én de komende rechter
én degene die Gods oordeel heeft ondergaan.
Onbegrijpelijk genoeg kan Jezus tegelijkertijd
aan de kant van het slachtoffer en van de schuldige dader staan.
Als slachtoffer liet Hij zich doodmartelen aan het kruis
om daar een misdadiger welkom te heten in het paradijs.
Gods oordelen hoeven niet alleen maar beangstigend
en verpletterend te zijn
als je ziet dat God ons zelfs in het oordeel niet alleen laat.
Juist ook dan is Hij Immanuel (Jesaja 8:8,10).
God is ook aan het werk door hen die protesteren tegen onrecht,
die zieken en slachtoffers genezen en hen niet aan hun lot overlaten.

Je hoeft het coronavirus en de verspreiding ervan
dus niet alleen maar te zien als domme pech. Er zit meer achter.
God is daarin het werk.
Je kunt er zijn oordeel in zien: deze wereld kan zo niet blijven bestaan. Tegelijkertijd:
Hij is aanwezig in ieder die er alles aan doet om er voor de ander te zijn. Hij toont Zijn liefde voor de mens.

Hoe ga je dus om met verontrustende berichten
en met aanhangers van complottheorieën?
Als je gelooft dat God aan het werk is,
is het goed om een beetje bescheiden te blijven
en niet te denken dat jij precies weet hoe het allemaal in elkaar zit. Neerkijken op mensen die bizarre theorieën aanhangen,
past al helemaal niet.
Hun intuïtie dat er (soms) meer aan de hand is,
wordt in de Bijbel bevestigd.
Maar daar krijgt dat ‘meer’ wel een heel andere invulling:
God is aan het werk!
Daarom hoef je ook niet bang te zijn voor wat er gebeurt
of wat er verteld wordt.
Wel is het terecht om ontzag te hebben voor God
die met zijn oordelen en zijn goedheid toewerkt
naar een nieuwe wereld vol gerechtigheid.

Jesaja 54,10

naar aanleiding van Jesaja 54

Bergen en heuvels zijn ook in de Bijbel toonbeeld van vastheid.
Bomen kunnen door de wind ontworteld worden, huizen kunnen door vuur verbranden, steden door een oorlog worden verwoest, maar bergen, die staan vast en wankelen niet. Bergen zijn indrukwekkend. Ze zijn er altijd.
Dat bergen wijken, kun je je gewoon niet voorstellen. Misschien alleen wanneer er een aardbeving komt.

Hier in de profetie zijn bergen ook zekerheden die zullen wankelen.
En dat niet alleen. Bergen werden in de oudheid, vanwege hun hoogte en majesteit, ook met de goden verbonden. De berg is de plek waar de goden hun verblijf houden.
Dat was in Griekenland zo. Maar ook in Egypte en Mesopotamië. Op de bergen hielden de goden hun vergadering. Daar werd het lot van mens en wereld beslist. Daarom heeft men altijd op de toppen en hoogten offers gebracht aan de goden. Dat was in Israël ook zo. Op de heuvels knielde men neer voor Baäl en de andere afgoden.
Dus wanneer deze bergen wankelen, dan gaat dat over de vastheid en zekerheid waarmee men leefde, die op de helling komt te staan. Dat heeft ook met het godsdienstige leven te maken.

Bergen zullen wijken en heuvels wankelen. Waar zouden wij aan moeten denken vandaag?
Er zijn veel dingen om ons heen die wankelen. Als het gaat om de zorg, de economie, het milieu, de politiek, je gezondheid.
Misschien zijn er ook andere zaken in ons eigen leven die aan het wankelen zijn.
Het kan ook zijn dat er aan onze levensboom geschut wordt, omdat God bezig is ons te snoeien. Dat Hij takken weghaalt, die verhinderen dat we voor Hem vrucht dragen. Dingen die misschien voor ons heel belangrijk zijn, maar niet voor Hem. Dat is niet leuk. Snoeien is een pijnlijk proces. Wat zeker was in ons leven, kan komen te wankelen.

Dan is er maar één ding wat maakt dat je toch niet de moed verliest:
dat is maar en dat is de belofte van God!
‘Bergen zullen wijken, heuvels wankelen, maar…’ en dat is de bemoediging.
Tegenover alles dat wankelen kan, staat iets dat onwankelbaar is; iets dat vast en zeker is, en dat is de trouw, de goedertierenheid van God ‘Mijn goedertierenheid zal van U niet wijken.’

En wat die belofte zo bijzonder maakt is dat het woordje ‘wijken’.
‘Bergen zullen wijken’, ‘Mijn goedertierenheid zal niet wijken.’
Hetzelfde werkwoord, maar met één verschil.
Het Hebreeuwse werkwoord betekent ‘bewogen worden’ als het om voorwerpen gaat, maar als het om mensen gaat dat betekent het ‘vertrekken’.
Zo zegt God tegen Israël en vandaag ook tegen ons: er kunnen heel veel dingen in je leven wankelen, maar mijn goedertierenheid zal van u niet wijken. Niet vertrekken.
God zegt: Ik ga er niet vandoor! Ik zal er zijn!
Dat is een woord, een belofte, die we met beide handen moeten aanpakken. Dat is denk ik, de enige reden, waarom we met vertrouwen naar de toekomst kunnen kijken. Ook al is er veel onzeker, maar wat blijft, is dat de Heere blijft. Hij gaat er niet vandoor! Hij zal er zijn.
Met zijn goedertierenheid. Het Hebreeuwse woord ‘chesed’ is lastig te vertalen.
We hebben er twee woorden voor nodig in het Nederlands:
‘standvastige trouw’ of ‘onwankelbare liefde’. En die standvastige trouw is geworteld in het verbond. Het verbond van Mijn vrede, zegt God. Het is geen bevlieging. Dat kan ook niet bij God. Maar het rust in een verbond. De afspraak van God met zijn volk.
Dat verbond zal niet wankelen omdat er een handtekening onder staat namelijk
‘zegt de Here, uw Ontfermer.’
Dat is de handtekening, die de inhoud bekrachtigt. Uw Ontfermer.
Ontfermen, ‘rachamim’ heeft met de ingewanden te maken. Zo diep gaat Gods barmhartigheid.
Hij buigt zich voorover. Hij komt naar ons toe: ‘kom eens dichterbij’, en fluistert het in ons oor.
Ik ga er niet vandoor. Ik ben jouw Ontfermer.

Kijk niet angstig naar wat komt, kijk naar Mij. Ik zal er zijn!

jesaja-53-4

Sommige berichten zijn moeilijk om te geloven.
Toen ik in januari filmpjes zag van inwoners van de Chinese stad Wuhan,
die werkten in ruimtes die helemaal in plastic waren ingepakt,
kon ik niet geloven dat we later zelf met quarantaine te maken zouden krijgen.
Ook het RIVM kon dat nog niet geloven.
Eind januari las ik nog een bericht, waarin gemeld werd dat het virus niet besmettelijk was.
Ook deskundigen dachten dat het hier niet zo’n vaart zou gaan lopen.

Jesaja 53 begint ook met een bericht dat niet werd geloofd:
Wie heeft onze prediking geloofd?
Het antwoord is: er is niemand die destijds geloofde wat er werd gezegd.
Al werd het door een profeet aangekondigd als Gods eigen woord,
niemand hechtte er geloof aan,
niemand kon zich voorstellen dat die boodschap waar zou zijn.
Wat de profeet hier verwoordt is een belijdenis die hij namens het volk uitspreekt
en hij sluit zichzelf erbij in:
Ook al hebben wij van tevoren horen zeggen dat we God aan het werk konden gaan zien,
we hebben het niet gezien, we hebben het niet willen zien.

In deze dagen van crisis zien we hoe belangrijk het is
als een regeringsleider uitstraalt dat hij weet wat er gedaan moet worden in crisistijd,
dat hij verstand van zaken heeft, met kracht leiding kan geven,
het vertrouwen kan geven dat hij weet wat hij doet en dat het daardoor goed komt.
Maar voor de Messias die gekomen is, was het tegendeel het geval:
geen krachtige leider, die je als volk kon meenemen de crisis uit,
Die voorop ging met maatregelen nemen, die je ook opvolgde
omdat je wist dat je deze leider kon vertrouwen – dat straalde hij uit.
Maar nee, zo was deze Messias niet.
Geen leider, geen koning die leiding gaf en maatregelen afkondigde,
bij wie je wist dat het goed zou komen,
maar eerder een patiënt, die ziek geworden is, lijdend,
zoals een coronapatiënt ernstig ziek het ziekenhuis werd binnengedragen,
in eenzaamheid, zoals dat in Italië gebeurt,
Waar de mensen alleen worden binnengedragen in het ziekenhuis,
zonder familie, omdat ze bang zijn zelf ook ernstig ziek te worden.
een Man van smarten, bekend met ziekten.
Dat was niet de Messias waar ze op hadden gewacht.
Dat was niet de redder, die hen uit deze crisis kon redden en in veiligheid kon brengen.
In zo iemand kun je Gods werk toch niet zien.

Dat de mensen niet konden geloven, dat die lijdende Man de Messias was,
was niet omdat ze niet geloofden in Gods macht.
Ze geloofden in God, ze klampten zich vast aan Hem, juist in deze onzekere tijd,
maar ze konden zich niet voorstellen dat God zich op deze manier liet zien.
Zo in zo’n kwetsbare gestalte:
Had iemand Gods arm, die krachtig is om te redden, in deze Man gezien?
Dat verwachtte je toch niet? God werkt toch krachtdadig?
Voor niemand was het duidelijk dat juist Hij de Messias is die door God gezonden werd.
De eerste christenen hebben in deze Messias,
die te kwetsbaar zou zijn om Gods Knecht te zijn, Jezus herkend
en begrepen dat dit over Hem ging, hun Heer die aan het kruis ging,
en een weg van lijden ging, van Gethsemané waar Hij worstelde, streed, leed,
tot Hij aan het kruis Zijn einde vond en stierf.
Op dat moment keek je liever een andere kant op, omdat je het niet kunt aanzien,
zoals je nu niet teveel verhalen moet horen, van het enorme drama wat zich aan voltrekken is,
of niet te veel verhalen uit vluchtelingenkampen, omdat je er toch niets aan kunt doen,
zo was dat verhaal van die Jezus aan het kruis iets dat je niet kon aanzien,
Waar je voor weg moest lopen, het was te pijnlijk – je zag er zo weinig van God in.

Maar Hij werd door God verlaten, opdat wij nooit meer door God verlaten zouden worden.
Ook niet als wij getroffen worden door een virus, of als elders het virus slachtoffers maakt.
Bekend met ziekte, zegt Jesaja 53, op zich genomen, gedragen,
dat betekent dat God zich ermee inlaat,
zich in risicogebied begeeft en zich niet in quarantaine begeeft om pas op te duiken
als alles voorbij is en de quarantaine is opgegeven omdat het gevaar voorbij is.
Nee, dat Christus de ziekten draagt, zoals hier voorspeld en in Mattheüs vervuld,
laat zien dat God komt, ook waar de ziekten van deze wereld zijn,
of het nu het coronavirus is of in de vluchtelingenkampen op Lesbos,
of het nu de ebola of malaria is, die in Afrika zoveel slachtoffers kan eisen.
Heeft God ons dan in de steek gelaten? In de crisis, in de diepte?
Bij de onzekerheid of we er ooit nog uit zullen komen en of er nog een leven is.
De Man van Smarten, die ook onze smarten droeg.
Maar daar in dat lijden is Hij niet zomaar, niet alleen maar solidair – dat ook!
Maar ook om het te dragen en weg te dragen, zoals Hij dat kruis wegdroeg buiten de stad.
Dan is het een lofzang, al begrijp je wellicht Gods wegen nog niet
en toch een lofzang, omdat je in je ziekzijn, in je lijden niet alleen bent, maar Hij er is
en Hij draagt, jou, u draagt en ook jouw ziekten draagt:
Onze ziekten heeft Hij op Zich genomen en ons leed heeft Hij gedragen.