Sinds enige tijd is er in de christelijke media wat ophef
over het vermeende christelijke toon bij de band Coldplay.
Chris Martin, de frontman heeft zich namelijk openlijk uitgelaten
over de impact die zijn christelijke opvoeding op zijn leven heeft gehad.
In een gesprek zei Martin dat hij het moeilijk
vindt om met zijn streng religieuze opvoeding om te gaan.
Ik heb het op dit moment ook zo moeilijk in mijn leven.
En een deel daarvan is dat ik terug moet gaan om naar al die dingen te kijken,’ zei hij.

Een van de laatste nummers ‘We Pray’ lijkt een diepe spirituele honger te verwoorden,
met teksten als: ‘Ik bid dat ik niet opgeef, bid dat ik mijn best doe’
en ‘dus bidden we dat er iemand komt die mij de weg wijst’.
En Martin leent in het nummer ook rechtstreeks uit de Bijbel,
door het hedendaagse leven te beschrijven
als leven ‘vol schaduw van de dood,‘ uit psalm 23.
In het nummer ‘We Pray’ benoemt hij diverse redenen om te bidden.
De song bevat ook een link naar de protestbeweging in Iran.

Inmiddels heeft Martin afstand genomen van het christendom
en zegt dat hij een ‘alltheïst’ is,
wat betekent dat hij gelooft dat God in iedereen en overal is.
Ik denk dat God liefde is’, zei hij in een interview,
‘en God is de magie in elk molecuul, zelfs in mensen die je niet aardig vindt.’
Hij legde dit verder uit tijdens een interview:
Mijn God, voor mij zijn alle dingen en alles.
God is overal en iedereen
en het is ook het onkenbare, de enorme majesteit achter alles.
En het is gewoon het punt waarop je op het punt komt
dat je niet verder kunt denken, dat is waar ik denk dat God is.’
Hij komt God of het goddelijke tegen in allerlei religies,
stromingen en momenten.

Ook op eerdere albums kwamen soms – onverwachte – links
naar geloof en spiritualiteit.

Ik ga er een paar af:

1. Parachutes (2000)

Nummers als ‘Yellow’ en ‘Trouble’ haalden de krantenkoppen.
Wat geloof betreft, is het echter het minder bekende
‘We Never Change’ dat in de schijnwerpers staat.

De coupletten spreken over een verlangen om nooit wreed te zijn,
om goed te zijn, om waarachtig te zijn en om vrienden om je heen te hebben.
Maar met het refrein komt de realiteit:
But we never change, do we? No, no, we never learn do we?’

De brug brengt een duister besef:
O, ik heb geen ziel om te redden, ja, en ik zondig elke dag.’
De tekst is bijna Paulinisch in de wanhoop
die ze voelt omdat ze het goede wil doen, maar het eigenlijk niet doet.
Maar Paulus en het lied komen tot verschillende conclusies.
Paulus ontdekte dat verandering door Jezus kan komen,
terwijl het lied blijft klagen over hetzelfde bekende refrein.

2. A Rush of Blood to the Head (2002)

Het album dat ‘Clocks’ naar reclames en tv-montages bracht,
suggereerde ook dat God glimlachen op gezichten tovert.

‘God put a smile on your face’ is lastig te interpreteren,
maar er is een noot van hoop te bespeuren
in de manier waarop het lied wordt omlijst.
Het lied begint met ‘Where do we go, nobody knows;
I’ve got to say I’m on my way down; God give me style and give me grace;
God put a smile upon my face.’
Het voelt als een persoonlijke geloofsverklaring
die aan het einde van het lied de kracht heeft gevonden
om voor anderen te spreken:
‘Where do we go, nobody knows;
zeg nooit dat je op weg bent naar beneden als God je stijl en gratie gaf;
en een glimlach op je gezicht tovert.’

3. X&Y (2005)

Twee nummers op het derde album van de band
kunnen direct worden toegeschreven aan Martins opvoeding in de kerk.
In een interview met het popblad Rolling Stone legt Martin uit
dat ‘A Message’ is afgeleid van de hymne ‘My Song Is Love Unknown’,
terwijl ‘Til Kingdom Come’
(geschreven met de bedoeling om het uit te voeren met Johnny Cash,
die stierf voordat het kon gebeuren)
werd geïnspireerd door het Onze Vader.

Martin legt uit:
Een van de geweldige dingen aan gedwongen worden om naar kerkdiensten te gaan,
is dat we al die bekende liederen zongen.
Dat is deels de reden waarom ik geobsedeerd ben door het feit dat iedereen meezingt
tijdens onze shows. Het geeft me het gevoel dat ik deel uitmaak van iets.’

De band slaagt er telkens in om ‘universele gevoelens te verklanken’.
Ook hun hit ‘Fix You’ is daarvan een sprekend voorbeeld.
‘Het is een goede verwoording van het idee
dat we ons allemaal weleens klote voelen, maar dat het goed komt.
In de christelijke wereld is dit lied geliefd.
Het kan bijna als een gezang gezongen worden.’

4. Viva La Vida of Death and All of His Friends (2008)

Naast het zwevende ‘Viva La Vida’, dat verwijst naar Johannes
en de legendarische paarlen poorten,
is er een ‘verborgen’ nummer aan het einde van ‘Lovers of Japan’
genaamd ‘Reign of Love’:
Reign of love by the church we’re waiting; Reign of love on my knees go praying;
How I wish I’d spoken up; Away get carried on a reign of love.’

5. Mylo Xyloto (2011)

Mylo Xyloto bracht ons ‘para-para-paradise’,
een albumtitel waar Chris Martin spijt van kreeg
(omdat niemand hem kon uitspreken).
Hieronder staat een lief liedje genaamd ‘U.F.O.’
dat gelezen kan worden als een gebed:
‘Heer, ik weet niet welke kant ik op ga; Welke kant de rivier op gaat;
Het lijkt er gewoon op dat ik stroomopwaarts blijf rollen;
Nog zo’n lange weg te gaan.’
Het tweede couplet brengt een hoopvollere toon met
We’ll find somewhere the streets are paved with gold.’
Is het een verwijzing naar
‘de twaalf stadspoorten waren twaalf parels,
elke poort een parel op zich.
De straten van de stad waren van zuiver goud
en schitterden als glas.’ uit Openbaring 21: 21?

6. Ghost Stories (2014)

De belangrijkste ‘geest’ op dit album lijkt Gwyneth Paltrow te zijn.
Twee maanden voor de release van het album
‘hielden Martin en Paltrow zich bewust los van elkaar’, zo wordt geschreven.
Het is een rauw, kwetsbaar album
en in ‘O’ is er een vluchtige verwijzing naar gebed,
de afsluitende track van het album:
‘Still I always; Look up to the sky; Pray before the dawn.’

7. A Head Full of Dreams (2015)

Aan het einde van ‘Kaleidoscope’ staat een opname
van president Obama’s krachtige uitvoering van ‘Amazing Grace’
bij de begrafenis van dominee Clementa Pinckney,
een van de negen mensen die dat jaar omkwam
bij de massaschietpartij in een kerk in Charleston.

8. Everyday Life (2019)

op dit album van Coldplay staat ‘When I need a friend’;
het is een prachtig koorlied dat schreeuwt om vrede, vriendschap en liefde:
‘Heilig, heilig, God verdedig; bescherm mij, laat mij zien;
wanneer ik een vriend nodig heb.’

en dan is er nog ‘BrokEn’,
in feite een gospellied dat God aanroept in moeilijke tijden:
‘Oh shine a light; shine a light.
And I know that in darkness I’m alright;
See there’s no sun rising. But inside I’m free;
Cause the Lord will shine a light for me.
Oh the Lord will shine a light on me.’

Toch kun je bij alle nummers een vraag stellen.
Als voorbeeld neem ik dat nieuwe nummer ‘We Pray’.
Want de vraag kan worden gesteld tot wie het gebed in ‘We Pray’ gericht is, blijft open.
Dat is typerend voor Coldplay;
het is open voor interpretatie.
Iedereen kan er zijn eigen invulling aan geven.
Ik hoor in het lied niet dat het specifiek over de God van het christendom gaat.
Wat overigens niet betekent dat je dit nummer
niet als oproep kunt beschouwen om het toch te doen.
Dat zelfde geldt trouwens voor ook alle andere nummers.

Of….?

 

Jezus leerde ons God lief te hebben ook met onze geest.
Dus intellectueel onderzoek
is een noodzakelijk onderdeel van ons christelijk leven.

Soms heeft het gezin of de kerk waarin we zijn opgegroeid
onderwezen in allerlei zaken – zoals schepping en evolutie –
die nuttig zijn om later in het leven opnieuw te bekijken.
De truc is om te ontdekken welke dingen niet onderhandelbaar zijn en welke wel.

Als we bijvoorbeeld evolutie nemen,
moeten we onderscheid maken tussen ‘biologische evolutie’,
wat mij een wetenschappelijk gevalideerde, beproefde realiteit lijkt,
en ‘evolutionisme’,
wat een manier is om naar de wereld te kijken alsof God niet bestaat.
Biologische evolutie hoeft het geloof in God
als de goede en wijze Schepper niet te verstoren.
Vragen als deze moeten dus zonder angst worden doordacht.

Het is mijn ervaring dat hoe beter we de Schrift begrijpen
binnen zijn eigen historische en culturele context,
hoe meer deze rechtstreeks tot ons leven spreekt.
En soms is het begrijpen van deze vragen een kwestie van geduld.
Het feit dat ik dit probleem vandaag, of misschien zelfs dit jaar, niet kan oplossen,
mag geen reden zijn om er niet meer over te bidden.
Het feit dat ik bijvoorbeeld niet begrijp
hoe een gedeelte van de Bijbel is geschreven,
of wat het oorspronkelijk betekende,
betekent niet dat ik het niet letterlijk of figuurlijk
op mijn knieën kan lezen
en God kan vragen om met mij door hen te spreken.

 

Nu de focus van de crisis in het Midden-Oosten verschuift van Gaza naar Libanon,
en nu we vandaag de aanslagen van 7 oktober herdenken,
helpt misschien een blik op de verhalen die dit conflict omringen om een weg vooruit te vinden.

In het hart van de crisis in het Midden-Oosten met betrekking tot Israël, Gaza en nu Libanon,
liggen namelijk twee heel verschillende verhalen.

Eén daarvan gaat als volgt:

Israël is de enige goed functionerende democratie in het Midden-Oosten.
Het is een toevluchtsoord voor het Joodse volk
dat door de eeuwen heen en over de hele wereld
buitengewoon veel vervolging en discriminatie heeft ervaren.
Als klein land heeft het zich de afgelopen 76 jaar dapper gevestigd
als een toevluchtsoord van liberale, democratische vrijheid en welvaart,
ondanks de vijandigheid van zijn buren,
zoals de door Iran gesteunde Hezbollah in Libanon.
De Hamas-aanvallen op 7 oktober 2023 waren
een moorddadige aanval op onschuldige burgers,
waarvan de slachting en wreedheid de laatste tijd ongekend waren.
Hamas en Hezbollah vertegenwoordigen beide een islamitische ideologie
die een doorn in het oog is van alle democratische staten
en die wortel heeft geschoten in Gaza en Libanon.
Israëls reactie om te proberen zo’n dodelijke vijand uit buurlanden te verdrijven
is volkomen gerechtvaardigd en redelijk.
Elk land dat geconfronteerd wordt met buren die toegewijd zijn aan zijn vernietiging
zou ongeveer hetzelfde doen.
Ja, er vallen burgerslachtoffers in het conflict, maar die zijn er altijd in oorlog.
Je verzetten tegen Israëls campagnes in Gaza en Libanon
is in feite heimelijke steun verlenen aan terrorisme
en een vorm van antisemitisme,
omdat het het recht van Israël en het Joodse volk
op zelfbeschikking en zelfverdediging ter discussie stelt.

Ook is er nog een ander verhaal, dat zó gaat:
ten tijde van de oprichting in 1948 begingen de pioniers van de staat Israël
een erfzonde die het sindsdien teistert,
de verdrijving van een groot deel van de inheemse Palestijnse bevolking
uit het land in het Arabisch-Israëlische conflict dat volgde op de oprichting van de staat.
Sindsdien heeft Israël geprobeerd de resterende Arabische bevolking te onderwerpen,
door Palestijnen op haar grondgebied als tweederangsburgers te behandelen.
Sinds 1967 heeft het de Westelijke Jordaanoever en Gaza illegaal bezet,
Palestijnen hun basisrechten van burgerlijke gelijkheid ontzegd,
terwijl het Joodse kolonisten in staat stelde en aanmoedigde
om geleidelijk land te stelen dat door de Verenigde Naties als Palestijns wordt erkend.
Binnen Israël en de bezette gebieden vinden Palestijnen het moeilijker
om bouwvergunningen te krijgen, werk te vinden,
op de juiste manier vertegenwoordigd te worden
in het parlement of om onderwijs te volgen.
Het is dan ook niet verrassend dat de sluimerende wrok
die een dergelijke behandeling oproept,
leidt tot incidenteel verzet,
zoals tijdens de intifada’s van de jaren ’90 en 2000,
de verkiezing van Hamas in Gaza
en zelfs de aanslagen van 7 oktober.
Israël beschuldigt regelmatig iedereen die kritiek heeft op haar beleid
van antisemitisme, en gebruikt dit als schild om haar mishandeling
van de Palestijnse minderheid te verbergen.
Het heeft de aanslagen van 7 oktober aangegrepen om een massale aanval op Gaza
en nu ook op Zuid-Libanon te lanceren, ongeacht de burgerslachtoffers.
Het resultaat is, in ieder geval in Gaza,
een humanitaire ramp die jaren,
zelfs decennia zal duren om op te lossen.

Welke van deze verhalen geloof je?
Afhankelijk van een hele reeks andere eigen ideeën 
heb je waarschijnlijk meer met de een of meer met de ander.
Als je meer links bent ingesteld,
geeft je waarschijnlijk de voorkeur aan het Palestijnse verhaal.
Als jouw instincten meer rechts zijn,
zul je eerder de voorkeur geven aan het Israëlische verhaal.
En ik weet zeker dat je gaten kunt prikken
in het tegenovergestelde verhaal als je dat wilt.

Christenen zitten aan beide kanten van dit debat.
‘Christelijke zionisten’ zien de opkomst van de staat Israël
over het algemeen als een vervulling van de Bijbelse profetie
dat God het Joodse volk op een dag terug zou brengen
naar het land waaruit ze in het verre verleden werden verbannen.
Voorstanders van de Palestijnse zaak wijzen op de geboden van de Bijbel
ten aanzien van rechtvaardigheid,
het respect voor de armen en onderdrukten,
en op de roeping van Israël in het Oude Testament
om voor de vreemdelingen in hun land te zorgen.
Heeft Israël niet de plicht om de Palestijnen
binnen haar grenzen als gelijke burgers te behandelen?

Je kunt dus de vraag stellen het christendom iets bijdraagt aan dit conflict?
Of is het net zo verdeeld over dit onderwerp als over andere kwesties?

Een van de meest opvallende kenmerken van de leer van Jezus
is Zijn opmerkelijke en ongekende, sommigen zouden zeggen belachelijke oproep
om je vijanden lief te hebben en te bidden voor degenen die je vervolgen.
Het is natuurlijk puur menselijk om je familie en vrienden lief te hebben.
Maar het is al een grotere uitdaging om je buren
lief te hebben die toevallig naast je wonen.
En dan is het een heel ander verhaal om je vijanden lief te hebben.
De zin rolt van de tong als één die we goed kennen,
maar hoe zou het ooit mogelijk kunnen zijn voor Israëliërs
om Hamas-strijders lief te hebben of voor hen te bidden,
of de inwoners van het land dat hen elke dag beschiet,
de inwoners van Zuid-Libanon, lief te hebben?

Ik kan me dat niet eens voorstellen.
Maar dichter bij huis, hoe beïnvloedt dit idee van liefde voor vijanden
de liefde voor mensen die zo hartstochtelijk aan beide kanten van het debat?

Je vijand liefhebben betekent niet dat je doet alsof je vijand een vriend is,
in ieder geval nog niet.
Veel mensen die dit lezen, zullen zich hartstochtelijk inzetten
voor het ene of het andere verhaal.
Maar onze vijanden liefhebben betekent toch zeker
dat je moet proberen het verhaal vanuit een ander perspectief te zien,
dat je moet proberen om jezelf
in ieder geval in de schoenen van de ander te verplaatsen,
dat je even een beetje twijfelt over de zekerheid van je eigen morele zaak.

Dat is wat sommigen in het land Israël hebben geprobeerd te doen.
Er zijn mensen die laten zien hoe Palestijnse en Joodse christenen
dezelfde Bijbel door een andere lens lezen,
en beginnen zich voor te stellen
hoe een vorm van verzoening mogelijk zou kunnen zijn.

Ja, je vijand liefhebben is misschien wel een belachelijk, onpraktisch idee.
Toch pakt het alternatief nauwelijks goed uit.
Als Israëlische radicalen erin zouden slagen
alle Palestijnen van de Westelijke Jordaanoever of uit Gaza te verdrijven,
of als Hamas/Hezbollah erin zou slagen de Joden uit Israël te verdrijven,
geen van beide is een oplossing die spreekt van rechtvaardigheid.

Het is moeilijk om je enige vooruitgang in de richting van vrede voor te stellen
zonder iets van deze poging om een ander perspectief te proberen te begrijpen.
Je kunt geen vrede bouwen zonder een vredestichter te zijn,
een idee dat vaak verkeerd begrepen wordt,
maar volgens Jezus ook vreemd gezegend is.
Aan welke kant je ook staat,
misschien heb je een morele plicht
om alle moeite te doen om de ander te begrijpen.
Want als we dat niet doen,
kunnen we niet beginnen met het helpen oplossen
van dit meest hardnekkige en gevaarlijke van alle wereldwijde problemen.

‘All shall be well, and all shall be well and all manner of thing shall be well.
(Alles zal goed komen, en alles zal goed komen, en alle dingen zullen goed komen.) Juliana van Norwich

 

Kortgeleden verscheen het nieuwste album Wild God
van de Australische zanger en schrijver Nick Cave.
Al enige tijd volg ik Cave op zijn lange weg van zwartgallige verslaafde,
nieuwsgierige onderzoeker, drager van onmenselijk veel leed
naar nu heilbrenger en gelukzaaier.
Zelfs in en door het ergste verdriet mag er vreugde zijn,
liefst woest en onbeperkt.
Nu onderzoekt hij in tien songs de ruimtes en momenten tussen geloof en ongeloof,
deze wereld en de volgende.

In de songs van Wild God begint Cave vaak herkenbaar;
ijle lijnen, droeve geluiden.
Maar in het midden verandert de kleur, het temperament.
Dat hoor je het meest indrukwekkend in ‘Conversion’,
waarin Cave naar extatische hoogten zingt,
opgejaagd door een koor van twintig mensen.
Bekering lijkt een versleten woord.
Bij Cave is het een proces met vele, mystieke bochten.
‘Ik ben bezig, maar bekeerd ben ik nog niet’, zegt hij.

In de veertiende en vijftiende eeuw leefde er een anonieme mystica
die we inmiddels kennen als Juliana van Norwich.
Nadat ze op dertigjarige leeftijd
huiveringwekkend dicht bij de dood was gekomen,
bracht ze de daaropvolgende decennia van haar leven door
in een kleine kluis in de kerk van Julian van Norwich
(de inspiratie achter haar pseudoniem),
waar ze alleen via ramen met mensen sprak en meesterlijk schreef
over haar bovennatuurlijke visioenen van God.

Haar anonimiteit, bescheidenheid en creativiteit zorgden ervoor
dat ze vrij was om over God te schrijven zonder de druk om
theologisch ‘correct’ te zijn.
Ze was er niet zozeer op uit om haar schrijven
academisch kogelvrij te maken,
en ze hield zich ook niet zo bezig met gevestigde ‘juistheid’.

In plaats daarvan ervoer ze, en ze schreef.
Ze peinsde en ze schreef. Ze leed en ze schreef.
Ze verheugde zich en ze schreef.

Ze was volkomen gegrepen door God,
en dat betekende dat ze vrij was.

Ik denk dat Nick Cave ook vrij is.

Want zijn nieuwste album doet me denken
aan het werk van Julian van Norwich;
verbijsterend, subversief, mystiek,
geworteld in een Waarheid die niet bewezen kan worden.
Een Waarheid die hij toch niet zou willen bewijzen.
Ook die ontwijkt ‘juistheid’.
Ook die weigert de vreemdheid van het geloof te verwateren.
Ook die is onweerstaanbaar intens.
Het album is een tien nummers tellende ode aan een wilde God (Wild God).
die Cave op de donkerste plekken heeft ontmoet.
Plekken waar hij, daar ben ik zeker van, nooit naartoe wilde.
Plekken waar hij, daar ben ik zeker van, nooit helemaal weg zal gaan.
Zo’n wilde God is een uitdaging
voor een cultuur die comfort op de troon heeft gezet.
We laten ons te snel bang maken.
Maar Cave lijkt comfort volledig te hebben geschuwd.
En dus is hij in een uitstekende positie om ons kennis te laten maken
met een God die ons in verwarring zal brengen.

Ja, het boek van Juliana van Norwich en het album van Nick Cave
liggen eeuwen uit elkaar,
maar toch voelt het alsof ze op de een of andere manier
van hetzelfde materiaal zijn gemaakt:
diep ongemak en pure verwondering.

Dit is Caves achttiende album met The Bad Seeds.
Samen hebben ze muziek gecreëerd om in te verdwalen,
een veranderlijk klimaat dat wordt aangestuurd door hun instrumenten:
je wordt meegesleurd in een cycloon tijdens de titeltrack,
de cimbalen beuken als golven op de kust
in ‘The Final Rescue Attempt’,
je hoort de zachte regendruppels vallen in ‘Frogs’,
de strijkers klinken op de een of andere manier
als een zonsondergang in ‘As The Waters Cover The Sea’.

Het is muziek die je zintuigen verbijstert.

En dan zijn er nog de verhalen die de nummers vertellen.

In 2015 verloren Nick en zijn vrouw Susie hun tienerzoon.
In 2022 verloor Nick nog een zoon.
De laatste twee albums die Nick Cave and the Bad Seeds maakten:
Skeleton Tree’ en ‘Ghosteen
die zijn doorspekt met verdriet en voelbare pijn.
En dus, als we dit album halverwege een maat beginnen,
is het alsof Nick ons vertelt dat we een gesprek oppakken waar we in 2019 waren gebleven.
Het album ‘Wild God’ zou niet bestaan als de vorige twee niet bestonden.

Hij gebruikt het openingsnummer om ons te herinneren
aan de tragische omstandigheden
waarin hij zijn tienerzoon Arthur verloor,
door te verwijzen naar het kinderrijmpje Humpty Dumpty,
die natuurlijk ‘een grote val maakte’.
Cave citeert ‘… en alle paarden van de koning en alle…’
voordat hij zichzelf onderbreekt met ‘… ach, laat maar, laat maar.’

Wat is de betekenis van dit terugkerende ‘laat maar’?
Is het pijn of acceptatie? Misschien is het beide.
Misschien is het geen van beide.
Misschien wil Cave, zoals gewoonlijk, niet te kenbaar zijn.

Sommige van zijn gedachten voelen af en vast,
andere voelen onontgonnen en nieuw,
alsof we ze tegelijkertijd horen als Cave.
Soms voelt het alsof hij ons iets leert,
soms is hij degene die de vragen stelt.
Het gaat over hem, en dan weer niet over hem.
Het is intens persoonlijk en dan weer kosmisch gericht.
Het is stevig, dan weer kwetsbaar.
Het is geschreven vanuit het perspectief van een godheid,
dan weer vanuit het perspectief van een kikker in zijn zak.

Het is behoorlijk onbeheersbaar.

Maar het nummer waar mijn geest in vast lijkt te zitten is ‘Joy’,
dat ongeveer een kwart van het album duurt.
Opnieuw begint hij het nummer door ons te vertellen hoe hij
‘vanmorgen wakker werd met de blues om mijn hoofd heen…
Ik voelde me alsof iemand in mijn familie dood was’,
hij spreekt over zijn ‘pijn en hunkerend verdriet’
wat je allemaal raakt,
omdat zulke regels volkomen onverwacht zijn
in een nummer met de titel ‘Joy’.

Je zou een dik boek kunnen lezen over de theologie van vreugde.
Of je kunt gewoon naar dit liedje luisteren.
Ik denk dat het je alles leert wat je moet weten.

Ondanks de verwijzingen naar zijn verdriet,
deelde Nick onlangs dat hij het album bijna de titel ‘Joy‘ had gegeven.
En ik snap waarom.
Als je vreugde ziet als een soort licht en luchtig iets,
zie je het misschien niet.
Maar als je, net als Nick Cave en zijn band The Bad Seeds,
vreugde ziet als iets dat spanning, verwarring en zelfs verdriet kan bevatten,
zul je zien dat het overal in dit project te vinden is.
Zoals Cave ons al heeft geleerd, kunnen geloof en hoop
worden gevonden te midden van bloedbad.
En Caves nieuw(er) gevonden geloof heeft hem duidelijk op zijn kop gezet.

Zijn Wild God heeft hem duidelijk omver geblazen.

De resterende nummers op het album
de nummers waarvan ik niet het aantal woorden heb om recht te doen
nemen God/dood/leven en overdenken ze vanuit elke hoek.
Er zit een kinderlijke verwondering in dit album, een puur soort opwinding.
Het soort waarvan je zou denken dat het onverenigbaar zou zijn
met de realiteit van verdriet,
maar dat er op de een of andere manier toch naast kan staan.
Nick Cave probeert niet de God die hij heeft gevonden,
of de ‘bekering’ die hij heeft ervaren, uit te leggen
hij viert het gewoon en nodigt ons allemaal uit om te luisteren.

Hij houdt gewoon van God en geniet ervan dat hij ook geliefd wordt.
Het is allemaal heel erg ‘Juliana van Norwich-achtig’.
Het zal je beledigen als je te hard probeert het in een keurig krat te stoppen.
Het citaat van Juliana van Norwich ‘all is well’ boven deze blog
is meer een verklaring dat deze niet alle ongeluk, ziekte of dood uitsluit.
Het verwijst eerder naar het vermogen om vrede en zelfs vreugde te vinden
in het oog van de storm;
om te gaan vertrouwen dat het God is die alle chaos en vergankelijkheid overstijgt.

Ik wil nog aandacht vragen voor het het laatste nummer.
Het is een hymne.
Een echte, zij het aangepaste, hymne
het laatste nummer is een uitvoering van ‘As the Waters Cover the Sea’.

Opeens is er een versnelling om mee te worstelen.
Nick plaatst zichzelf in een kerk,
hij verbindt zichzelf aan een bepaalde religieuze traditie,
hij sluit zich aan bij een bepaalde gemeenschap
en associeert zich met een bepaalde geschiedenis.
Het blijkt dat de God over wie hij spreekt niet abstract is,
Hij is de christelijke God.
Je wordt eraan herinnerd dat je hebt zitten te luisteren naar een man
die zijn zoon is verloren,
en dat je in gesprek bent met een God die ook Zijn Zoon is verloren.
De teksten hebben hier de hele tijd op gezinspeeld,
maar Nick besluit het op een manier die hij ons openlijk vertelt.
Zijn afscheid is een richting, zijn epiloog is een uitnodiging. Hij zegt eigenlijk –

Als je geïntrigeerd bent door the Wild God, hier is precies waar ik hem heb gevonden…

En dit soort religieuze invulling wordt gebruikt om een album
zo vol metaforen en mysteries af te sluiten.
Een album waarvan ik dacht dat ik het had uitgevlooid,
een artiest waarvan ik dacht dat ik het eindelijk had begrepen,
een boodschap waarvan ik dacht dat ik het had ontcijferd…

… Ach, laat maar, laat maar.

 

De kerk, dat is de veelkleurige gemeenschap waar:
de één de ander uitnemender acht dan zichzelf’ (Filippenzen 2: 3),
om maar wat te noemen.
Of: waar ieder ‘voor zover het in zijn of haar macht ligt,
alles in het werk stelt om met alle mensen in vrede te leven’ (Romeinen 12: 18).
De kerk is de plaats waar we elkaar ‘aanvaarden
zoals Christus ieder van ons heeft aanvaard’ (Romeinen 15: 7).
En zo is er eindeloos veel te noemen,
wat samen de kerk tot die geestelijke gemeenschap maakt.
Waarvan je ten minste verwachten mag,
dat we op een andere manier met elkaar omgaan.
‘Niet driftig zijn, niet gewelddadig, niet hebzuchtig’,
als kwaliteiten van leiderschap in de gemeente,
volgens de brief aan Titus.
En als positieve competenties gelden dan:
‘gastvrij zijn, goedwillend, bezonnen, beheerst’ en nog meer.

Te mooi om waar te zijn, zegt u misschien.
Ook ik ben nuchter genoeg,
als je lang genoeg meedraait in de kerk weet je daar alles van.
En toch, zeg ik graag: het is te mooi om niet waar te zijn…

‘Tuurlijk; de kerk is een vrijwilligersorganisatie.
Ja, maar we zijn ook en vooral een gééstelijke gemeenschap
en als we dat zouden vergeten, als we de uitdaging die daarin gelegen is,
uit het oog zouden verliezen, dan leven we onder de maat.
Dat laten we toch niet gebeuren?

Daarom wil ik toch tegen het einde nog
even terug naar de gelijkenis.
Er zitten ook problematische kanten aan.
Met name het grove geweld is iets dat opvalt.
De genodigden willen niet komen.
Als de koning aandringt door zijn dienaren op pad te sturen
om hen persoonlijk uit te nodigen,
volharden ze in hun weigering
en slaan ze zelfs de dienaren dood.

De reactie van de koning is al even gewelddadig.
Hij stuurt een strafexpeditie erop af,
laat de moordenaars ombrengen en hun stad in brand steken.
Waar is dat allemaal voor nodig, vraag je je af.

Maar het geweld is nog niet voorbij.
Als de bruiloftszaal gevuld is, blijkt er iemand niet de juiste kleding aan te hebben.
Ook zoiets aparts.
Hij wordt zonder pardon op koninklijk bevel door de uitsmijters verwijderd.

Waarom die strengheid?
Er is door uitleggers volop gespeculeerd over de betekenis van dat slot, wat dat bruiloftskleed,
dat die ene aangelegen persoon kennelijk niet aan had, precies behelst.
In de tekst zelf wordt dat niet duidelijk.

Maar het zou kunnen zijn dat het bruiloftskleed
een beeld is, van hoe je je gedraagt, van je levenswandel.
Zo wordt datzelfde beeld ook elders in het Nieuwe Testament gebruikt.
‘Bekleed je met de nieuwe mens’ (Efeziërs 4: 24),
of ‘bekleed je met Christus’ (Galaten 3: 27),
of ‘met de wapenuitrusting van God’ (Efeziërs 6: 11) 
of is dat weer te gewelddadig?

Hoe dan ook.
Als wij geroepen zijn, en dat geldt voor ieder van ons;
als wij bij de kerkelijke gemeenschap horen, schept dat verplichtingen.
Niet zozeer om ook vrijwilligerswerk te doen, al is dat nooit verkeerd,
maar vooral om te leven naar de maatstaven van de geestelijke gemeenschap,
waarin het beeld van Christus norm en leidraad is.

 

In een gelijkenis vertelt Jezus over een bruiloft van de zoon van de koning.
De bruiloftszaal is afgehuurd en in gereedheid gebracht.
Maar de genodigden willen niet komen.
Waarom niet, wordt niet duidelijk.
Maar ze passen, ze komen niet.

Waar het nu even om gaat is hoe de koning
vervolgens toch zorgt dat het gehuurde zaaltje vol komt.
Hij zegt tegen zijn personeel:
‘Ga naar de toegangswegen van de stad
en nodig voor de bruiloft iedereen uit die je tegenkomt’.
En zo stroomt de zaal vol, uit heggen en stegen,
goede en slechte mensen, staat er
wat al te denken geeft.
Maakt niet uit, de zaal moet en zal vol, is de opdracht.
Alle middelen heiligen het doel.
Mensen die elkaar niet kennen: bent u soms familie?
Mensen die niets met elkaar gemeen hebben,
behalve dan dat ze kennelijk op het juiste moment
op de juiste plaats waren, daar waar de dienaren van de koning waren.
Mensen in allerlei soorten en maten, goeden en slechten,
die zichzelf terugvinden als gasten op een koninklijk bruiloftsfeest.
Wonderlijk is het.

Of je dat één op één met de kerk zoals wij die kennen gelijk kunt stellen,
is overigens ook nog een vraag. Maar laten we daar even op voortborduren.
Dan is de kerk dus een gemeenschap van mensen die elkaar niet zelf hebben uitgezocht.
Je vindt jezelf terug in een gezelschap van mensen van allerlei slag.
De kerk als contrastgemeenschap
Eén die haaks staat op de normen en waarden
van de ons omringende maatschappij waar groepjes
van gelijkgestemden het liefst in hun eigen bubble blijven.

Zo is het in de geschiedenis precies gegaan.
De beweging die ontstaat na Jezus’ dood en leven,
de kerk, is vanaf het allereerste begin divers en veelkleurig geweest.
Vanaf het allereerste begin is er ook kerkelijke gedoe geweest,
laten we dat ook niet vergeten.
Soms is dat troostend… het is van alle tijden.
De kerk, de gemeente van de Heer, of het lichaam van de Heer,
Bijbelse beelden die spreken, is daarbij een geestelijke gemeenschap.
Waarin eigen regels gelden, een bijzondere gedragscode.
Ook dat kom je vanaf het begin tegen, al in het Nieuwe Testament.

 

Wat me de laatste tijd opvalt is dat veel sporters tijdens de wedstrijd blijk geven van hun geloof.
Dat gebeurde ook regelmatig tijdens de Olympische Spelen.                                                                      Én dat veel verslaggevers daar geen oog voor hebben, het niet vertaald wordt
of er maar een draai aangeven: ‘ze roepen de goden aan…’.                                                                      Hun routine vóór of ná hun prestatie is geen gebed tot de goden van een heidens pantheon,
een smeekbede om een beetje geluk of voorspoed,
maar een gebed tot God en Jezus
– ja, van een commentator die zijn huiswerk had gedaan, had je dat kunnen verwachten. –

Zo’n openbare uiting van toewijding is geen uitzondering.
Een kenmerk van de afgelopen Olympische Spelen was het aantal atleten dat hun geloof.
Elke keer zie je wel iemand God bedanken, een kruis slaan, reclame maken voor zijn geloof,
niet zozeer als een smeekbede om de overwinning,
maar meer als een manier om met de ups en downs van de sport om te gaan.

Wanneer je deze openbare christelijk geloofsuiting
naast de rij boven de openingsceremonie plaatst,
roept dat een interessante vraag op.
Tijdens die ceremonie waren christenen over de hele wereld boos
over wat leek op een parodie op het Laatste Avondmaal.
De organisatoren van de Olympische Spelen beweerden toen
dat de aanstootgevende scène niet bedoeld was om de spot te drijven
met het hart van de christelijke eredienst,
maar een verwijzing was naar Dionysius en het feest van de heidense goden,
waarmee de moderne Olympische Spelen werden verbonden
met hun wortels in de heidense wereld van de klassieke periode.

Als het een verwijzing was naar het heidense feest van Dionysius,
was de openingsceremonie misschien een nog veelzeggender teken
van de richting van onze cultuur dan we zouden denken,
en een teken dat christenen misschien nog meer zorgen baart
dan een tweederangs bespotting van het Laatste Avondmaal.
Omdat het een keuze verduidelijkt waar onze cultuur mee te maken kan krijgen
naarmate ons westerse tijdperk vordert.

In 1939, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog,
gaf T.S. Eliot een reeks lezingen.
Daarin deed hij een grimmige prognose:

‘De keuze die voor ons ligt, is tussen de vorming van een nieuwe christelijke cultuur
en de acceptatie van een heidense cultuur.’

Eliot dacht dat zijn samenleving noch volledig christelijk,
noch volledig heidens was, maar ‘neutraal’.
Toch vreesde hij dat dit niet lang zou duren.
Een dergelijk ‘politiek liberalisme’ dreigde zijn eigen ondergang te bevorderen
door een willekeurige weigering om morele waardeoordelen te vellen
en te kiezen tussen versies van het goede.
Toen Eliot de opkomst van het fascisme in Europa zag,
dat op het punt stond van de meest vernietigende oorlog in zijn geschiedenis tot nu toe,
deed hij een belangrijke bewering:
dat het enige alternatief voor wat hij zag als een heidens totalitarisme
een christelijke samenleving was.

Dichter bij onze tijd is een soortgelijke gedachte bij anderen opgekomen.
Onlangs mijmerde onlangs een feministische schrijfster over het idee
dat onze samenleving opnieuw heidens wordt,
waarbij ze het morele raadsel over moderne abortus aanhaalde.
Ondanks dat ze geen praktiserend christen is,
ziet ze abortus vertoont ongemakkelijke overeenkomsten met heidense kindermoord,
een teken dat we teruggaan naar een moreel plan
met een sterke gelijkenis met heidense waarderingen van het menselijk leven.
De Joodse feministische schrijfster Naomi Wolf
heeft hetzelfde gedaan in een buitengewoon essay.
Ondanks haar neiging om te gemakkelijk af te glijden
naar samenzweringstheorieën,
betoogt ze overtuigend dat naarmate het Joods-christelijke ethos
dat de westerse samenleving ondersteunde, is verdwenen,
wat is ontstaan geen goedaardige neutraliteit is,
maar duistere krachten die vroeger
op de achtergrond van de religie van het Oude Testament loerden:

‘de pure amorele macht van Baäl, de vernietigende kracht van Moloch,
de ongebreidelde verleiding en seksuele losbandigheid van Astarte of Ashera,
dat zijn de oerkrachten die mij inderdaad lijken te zijn teruggekeerd…
of in ieder geval de energieën die ze vertegenwoordigen,
morele macht over;
doodsverering; oppositie tegen de seksuele ordelijkheid van het intacte gezin en trouwe relaties,
ze lijken te zijn ‘teruggekeerd’, zonder terughoudendheid.’

Het nazisme waar Eliot naar verwees, was, zoals we nu weten, een doodlopende weg, letterlijk.
We troosten onszelf vandaag met de gedachte dat we zulke extremen achter ons hebben gelaten,
dat de afgoderijen van fascisme en communisme
respectievelijk in 1945 en 1989 werden verslagen,
en dat we nu een seculiere liberaal-democratische ruimte erven
die gelukkig neutraal is en de vrede bewaart tussen verschillende claims op de waarheid,
een vooruitgang ten opzichte van zowel het heidendom als het christendom.

De makers van de openingsceremonie van de Olympische Spelen
rechtvaardigden hun creatie zonder een spoor van ironie
door te zeggen dat het een viering was
van de Franse Republikeinse ideeën van inclusie,
vrijheid, mensenrechten enzovoort,
de vrijheid, broederschap en gelijkheid van de Franse Revolutie,
die op zijn beurt was geboren uit de Franse Verlichting.
Dit was een secularisme dat tentoon werd gespreid.
Het was een klassiek libertair beeld van vrijheid,
de absolute vrijheid om te kiezen wat we met ons leven doen,
van individuele zelfexpressie, zonder overkoepelend, universeel idee van het Goede,
wat natuurlijk een bepaald begrip is van wat vrijheid betekent.
Het onderscheidt zich bijvoorbeeld van een ouder beeld
van vrijheid als geleidelijke bevrijding van (en dus de disciplinering van)
enkele van onze innerlijke, conflicterende impulsen
die als destructief voor de ziel of de samenleving worden beschouwd.
Seculier liberalisme dat zichzelf voordoet als vanzelfsprekend,
de mening van alle weldenkende mensen,
is zo vaak niet in staat te zien hoe het voor anderen
– moslims en christenen bijvoorbeeld –
allesbehalve vanzelfsprekend is.
Er zijn veel mensen over de hele wereld die niet tevreden zijn
met een overkoepelend moreel schema dat erop staat hen te vertellen
dat hun geloof een privéaangelegenheid is
in plaats van een afzonderlijke transcendente waarheid.

Dus, wat als de openingsceremonie een lofzang was op Franse waarden,
geworteld in de Franse Verlichting?
En wat heeft dat te maken met heidendom?

Achter het schijnbare rationalisme of de tolerantie was het voor de Verlichting
het een eis om alles in twijfel te trekken.
Het was een verwerping van één enkele geloofsbelijdenis,
ten gunste van meerdere manieren van leven en geloven.
Het tijdperk greep terug naar het klassieke verleden,
zag zichzelf als een voltooiing van de Renaissance
en liet uiteindelijk de overblijfselen van religie achter die de Renaissance nog had behouden.
De Verlichting was niet zozeer de geboorte van een nieuw rationeel tijdperk,
maar in feite een vernieuwing van een oud heidens sensueel pluralisme.

Dat we tot het heidendom zijn terugkeert kun in meerdere zaken zien.
We zijn teruggekeerd naar een soort pluralisme
waarin er veel objecten van aanbidding zijn onder een overkoepelend schema
dat elk van hen de ultieme waarheid of waarde ontkent.

Natuurlijk, er zijn geen tempels meer voor Bacchus, Aphrodite, Tyche of Plutus
op straathoeken in onze steden.
Toch waren dit vroeger de goden van wijn, liefde, toeval en rijkdom.
Het is moeilijk te ontkennen dat de aantrekkingskracht van die verslavende middelen,
de verleiding van seks, de hoop op een loterijwinst of de wens om rijk te zijn,
het leven in onze wereld niet domineren.
Er wordt beweerd dat heidendom nooit echt is verdwenen.
Het bleef op de loer liggen in de hoeken van Europese samenlevingen,
zoals blijkt uit een bijvoorbeeld een boek van Anton Wessels
‘Kerstening en ontkerstening van Europa’’.

Leslie Newbigin, een christelijke missioloog,
bracht het grootste deel van zijn leven door als missionaris in India
In de jaren 80 keerde hij terug naar het door de Verlichting gevormde Westen.
Hij zag toen dat het Western was verworden tot een seculiere samenleving
waarin geen algemeen erkende normen bestonden.
‘We weten nu’, betoogde hij,
‘dat het enige mogelijke product van dat ideaal een heidense samenleving is.
Want de menselijke natuur verafschuwt een vacuüm.
Maar het heiligdom blijft niet leeg.
Als het enige ware beeld, Jezus Christus, er niet is, zal een afgod zijn plaats innemen.’

Vroege christenen gaven al aan, dat die goden tot slaaf maken.
Als je jezelf volledig overgeeft aan drugs, seks, geld of Dionysisch genot,
zullen ze uiteindelijk je leven beheersen, je tot slaaf maken en vernietigen,
zoals veel verslaafden hebben ontdekt.

Misschien had Eliot gelijk:
Het kost veel tijd om religieuze overtuigingen diep te laten wortelen.
Zowel het christendom als het heidendom zijn diep in onze bodem geworteld.
En dus heeft de Europese cultuur eigenlijk maar twee opties:
het heidendom dat eeuwenlang heeft bestaan vóór de komst van het christendom,
en het christendom dat het heeft vervangen.

De Olympische Spelen lieten ons twee paden zien.
Het ene werd aangeboden door de makers van de openingsceremonie,
het andere door de atleten die een hoger doel zien dan een gouden medaille of aardse roem.
Ach, de makers van de openingsceremonie hadden misschien niet de bedoeling
om het christendom aan te vallen.
Toch juichten ze met plezier iets toe dat Europeanen al lang geleden achter zich hebben gelaten.

En we zouden even moeten stilstaan voordat we dat vieren.

 

De openingsceremonie van de Olympische Spelen van Parijs in 2024,
gehouden aan de rivier de Seine, heeft niet verrassend voor controverse gezorgd.
Zulke momenten, waarbij een land
zich door middel van pracht en praal aan alle anderen presenteert,
zorgen altijd voor commentaar,
niet in de laatste plaats degenen die beweerden
dat de ceremonie een ‘aanval op het christendom’ was.

Hoewel het weer de uitvoering enigszins dwarsboomde,
was het de inhoud van de voorstelling die kritiek kreeg.
De parade van atleten werd overschaduwd
door de kritiek op de creaties van theaterdirecteur Thomas Jolly,
het brein achter de hele ceremonie.
Extreemrechtse politici bekritiseerden Jollys creaties
als een schending van de Franse nationaliteit.
Conservatieve deskundigen richtten hun kritiek op Jollys
verheffing van de LHBTIQ+-cultuur.

Christelijke commentatoren hebben,
met verschillende mate van wrok,
een vreemde scène veroordeeld waarin Leonardo da Vinci’s beroemde schilderij
van het Laatste Avondmaal – volgens hen –
werd ondermijnd door een mengelmoes van ostentatief queer personages.
Centraal stond niet Jezus Christus,
maar een robuust ogende figuur die leek op Lady Liberty.

Voor de ceremonie vertelde Jolly aan het Britse Vogue over het hart achter zijn creatie:
‘er is ruimte voor iedereen in Parijs.
Misschien is het een beetje chaotisch,
dat is waar, maar dat geeft iedereen de mogelijkheid om een plek voor zichzelf te vinden.’
De openingsceremonie zal een succes zijn, zegt Jolly,
‘als iedereen zich erin vertegenwoordigd voelt.’
Ik denk dat dit niet het geval is voor de dertig procent van de wereld
die zich als christen identificeert.
Dat komt omdat elke familie en elke smaak van het christendom zou erkennen
dat de Heilige Communie, Het Heilig Avondmaal,
de centrale handeling van christelijke eredienst gedurende 2000 jaar,
waarvan de instelling is afgebeeld in het schilderij van da Vinci,
publiekelijk en wereldwijd werd verkracht.

Hoe kunnen we dit moment duiden?
Is er nog iets anders dat de christen kan bijdragen dan verontwaardiging of woede?
Wanneer zoiets gebeurt,
herinnert het me aan de centrale rol die het christendom
heeft gespeeld in de westerse cultuur.
Het onbegrip rondom de controversiële scène van de ceremonie
berust op het idee dat het schilderij van Da Vinci
een wereldwijd erkend symbool is.
Anders hadden we alleen maar naar een heel vreemd etentje zitten kijken zonder eten.
En met het beroemde schilderij van Da Vinci in gedachten,
komt de subversieve kracht van Jollys scène dan hard aan.

Ik heb een heel aantal artikelen gelezen van een bepaald soort rechtse journalist
die gedachten napraat als: ‘dat zouden ze niet doen met de Koran.’
en ideeën over de ‘neergang van het christelijke Westen en de westerse cultuur’,
Dan zou dat kunnen kloppen, maar het mist fundamenteel het punt.

De scène is alleen logisch vanwege de nu afnemende machtspositie van het christendom.
Wanneer je – zoals radicaal rechts vaak doet –
Jezus Christus en het christendom op één lijn brengt met de status quo,
wanneer het christendom moreel behang wordt
voor een hele beschaving en haar cultuur.
Dan wordt het niet verrassend genoeg een doelwit voor satire.
Vooral voor iedereen of een groep die zich vervolgd of gemarginaliseerd voelt.
Nee, ik verdedig geen moment wat Jolly deed,
maar probeer te begrijpen waarom het gebeurde.

Het soort culturele macht dat het christendom in het Westen heeft gehad,
gaat ten koste van de duidelijkheid, omdat het christendom
oorspronkelijk zelf een tegencultuur was.
Kruisiging, een opperste daad van keizerlijke overheersing,
werd de basis van het christelijk denken
en uiteindelijk het grootste symbool ervan.
De oorspronkelijke christelijke beweging
werd door zowel de Joodse als de Romeinse religieuze leiders van die tijd
als godslasterlijk gezien om tegenstrijdige redenen.

Het fundamentele verschil tussen het christendom
en het louter vasthouden aan conservatieve waarden
die niet overtreden mogen worden,
is God.
Het is een oprecht geloof in Jezus Christus
als de langverwachte Messias van het Joodse volk,
en de Redder van de hele wereld
een geloof dat zijn eerste verwaarloosde en verbijsterde discipelen
ertoe bracht om op zulke radicale en tegenculturele manieren te leven
dat velen door het Romeinse Rijk werden vermoord.

Het is terecht dat zijn volgelingen vandaag de dag hun mond opendoen
en zeggen hoe fout het is wanneer de speciale en heilige zaken
die hij voor hen deed opnieuw in het openbaar worden vertrapt,
maar het is ook de moeite waard om te onthouden dat het verhaal zo begon,
met het lichaam van Jezus dat werd mishandeld en gebroken.

Dat we op de een of andere manier, in momenten als deze,
de kracht van Jezus missen wanneer we Hem simpelweg verdedigen
op grond van ‘fatsoen’ en ‘respect.’ is meegaan in het narratief van radicaal rechts.

In plaats daarvan,
als we terugkeren naar de oorspronkelijke gebeurtenissen zelf,
onthult Jollys uitbeelding, in zijn spot en subversiviteit,
juist de kracht van Het Laatste Avondmaal.

Laten we even duidelijk zijn:
Da Vinci’s schilderij was niet bedoeld voor een galerie,
maar werd oorspronkelijk geschilderd op de muur van een vrij onbekend klooster,
en pas jaren later getransporteerd naar een galerie
om ineens ‘kunst’ te worden.
Voor Da Vinci was het bedoeld als een fundamenteel hulpmiddel voor de gelovigen
om de oorspronkelijke gebeurtenissen te herinneren.

Het laatste avondmaal,
de maaltijd die Jezus de avond voor zijn kruisiging met zijn vrienden deelde,
was de openingsceremonie van het christendom.
Elke keer dat christenen deelnemen aan het Heilig Avondmaal,
de centrale handeling van christelijke eredienst gedurende meer dan 2000 jaar,
herinneren ze zich de openingsceremonie waarbij:

Jezus nam brood, en toen Hij gedankt had, brak Hij het en gaf het aan Zijn discipelen, zeggende: Neemt en eet, dit is Mijn lichaam.” En Hij nam een beker, en toen Hij gedankt had, gaf Hij die aan hen, zeggende: Drinkt allen hieruit. Dit is Mijn bloed van het verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden.

Maar het meest merkwaardige deel van de openingsceremonie van het christendom,
merkwaardiger dan alles wat we tijdens de openingsceremonie zagen,
is de aanwezigheid van Judas.
De Bijbelse verslagen beschrijven Jezus’ kennis van de intentie van Judas
om Hem aan de Romeinen te verraden,
en toch is Judas nog steeds welkom aan tafel.
Als er ruimte is voor Judas, dan is er ruimte voor ons allemaal.
De openingsceremonie van het christendom
kan niet worden herdacht zonder de aanwezigheid van Judas de verrader,
en Petrus de lafaard, of Thomas de twijfelaar.
De grote ironie en het grote mysterie van het christelijk geloof
is dat je de genade niet kunt overtreffen.
Je kunt het bespotten en ondermijnen, maar Christus stierf voor de goddelozen.

Daarmee komt de scène tijdens de openingsceremonie
niet in de buurt van de oorspronkelijke gebeurtenissen.
Jezus werd niet alleen verraden door zijn vrienden,
Hij werd vervolgens gemarteld, vernederd en publiekelijk geëxecuteerd
op ongeveer de meest pijnlijke manier die mensen hebben bedacht.
Dat was godslastering van een ander niveau,
maar het was ook een overwinning omdat God ervoor koos
om inclusief lief te hebben, voorbij elke menselijke norm.

Dit betekent dat er niets inclusiever is dan de openingsceremonie van het christendom
en tegelijkertijd ook niets exclusiever.
Wij zijn niet degenen die het eten verzorgen, maar God.
In Jollys uitvoering werd de scène van het Laatste Avondmaal
afgesloten door de Franse acteur Philippe Katerine,
die van top tot teen in het blauw was geverfd.
Terwijl deze ‘baardsmurf’ verbijsterde reacties over de hele planeet veroorzaakte, vertegenwoordigde Katherine blijkbaar Dionysius,
de Griekse god die geassocieerd wordt met wilde dronken feesten.
Het eten dat Jolly aanbiedt is een wild verlangen en zelfexpressie.
In het christendom is het eten God zelf, zijn lichaam en Zijn bloed.
Gods liefde wordt gegeven, zelfs aan degenen die hem zullen verraden.

Maar scenes als deze kunnen voor christenen voelen
alsof er nu een golf van seculier liberalisme
eindelijk de machtspositie wil veroveren
die het christendom eeuwenlang heeft gehad.
En wat je nu ziet dat er een nieuwe conservatieve voorhoede van verzet opstaat
om die afbrokkelende positie van het westers christendom te beschermen
of het in te schakelen voor zijn eigen doeleinden.
Uit de mond van Modi of in Trumps tirades
woedt een nieuw religieus bewapend populisme.
Dit zal het voor christenen moeilijker maken om te navigeren,
tussen het volgen van Christus of hen die:
‘ons proberen te misleiden met mooiklinkende filosofie en redeneringen’( Kolossenzen 2)

 

Mieren zijn er in het land van de Bijbel en in ons eigen land. We zien ze vooral in de zomer.
Het zijn kleine beestjes, die vol ijverig bezig zijn om voedsel naar hun nest te brengen.
We kunnen ons er over verbazen dat de mieren zo sterk zijn.
In verhouding tot hun eigen gewicht kunnen ze zware dingen verplaatsen.
Al zien we nog geen mier, dan nog kunnen we aan de kleine korrels grond
tussen de tegels en stenen hun aanwezigheid opmerken.
Wie een mier over zijn arm voelt kruipen, weet dat dit irriteert.

Mieren, ze horen er voor ons besef bij, zonder dat ze veel bijdragen aan ons menselijk leven.
De Bijbel wil ons brengen tot verwondering ook over dit insect,
de Schepper van dit beestje en zijn boodschap. We kijken dus met aandacht naar de mier.
De Spreukendichter stuurt ons op weg naar de mier.
We hoeven dan geen verre reis te maken. Ze zijn achter ons huis te vinden.
Als we dan een mier, meestal meerdere mieren, gevonden hebben
roept de tekst ons om met aandacht te gaan kijken naar dit beestje.
Goed bekeken is dit kleine beestje al een wonder op zichzelf. Het kopje, het lijfje en de pootjes.
Wie dit beestje onder een microscoop legt verbaast zich nog meer. Hoe mooi, hoe kunstig.  Vakmanschap, door God geschapen.
Deze beestjes zijn vol ijver bezig. Niet eentje zit er stil. Ze zijn constant in beweging.
We spreken wel over een bezige bij, maar dat geldt evengoed een mier.
In de zomerperiode zorgen ze voor voldoende voedsel voor de winterperiode.
De ijver van de mieren brengt me bij de ijver van Jezus.
Van Hem lezen we, dat Hij altijd leeft om te bidden voor hen, die door Hem tot God gaan.
Hij is altijd bezig met dat grote werk. Wat een bemoediging.

Behalve dat we opgeroepen worden om te letten op de mieren,
spreekt de tekst ook van wijs worden. We begrijpen wel wat hij bedoelt.
De les van de mier is, dat we onze luiheid achter ons laten en ijverig zijn
in de taak, die we van God ontvangen hebben.
Zo gebruikt God het beeld van de mier. Hij geeft ons onderwijs door dit diertje.
Bij het overdenken van deze tekst vinden we nog een wijze les bij de mieren.
Een les, die we hard nodig hebben in onze tijd.
Mieren leven niet afzonderlijk, maar in een groep, in een volk.
Juist het samenleven maakt, dat een mier kan bestaan en voort bestaan.
De eendracht van dit volk maakt hen sterk.
Wie op de plaats van een mier let, te midden van het mierenvolk,
die merkt dat elke mier een eigen plaats en taak heeft in de kolonie.
Hoe groot is de onderlinge samenwerking!
Alle mieren functioneren zo, dat ze de opbouw en het voortbestaan van de groep dienen
en daardoor hun eigen welzijn.
Niet het eigen belang, maar het gemeenschappelijk belang staat voorop.
Zonder gedoe.

Begint het al te kriebelen?

 

Vorming, vernieuwing van ons karakter,
dat is waar het in de Bijbel vaak om gaat.
Jakob, Mozes, David,
stuk voor stuk kenden ze tijden waarin ze werden gevormd, gekneed.
En woestijnperioden, in tegenslagen en beproevingen, soms vele jaren lang.
Zo ontwikkelden ze het karakter dat ze nodig hadden
om hun roeping te vervullen en tot hun bestemming te komen.

Het is ook een belangrijk inzicht in het bedrijfsleven
In het beroemde boek ‘De zeven eigenschappen voor succes in je leven’
van managementgoeroe Stephen Covey
– die vooral inzet op het vlak van effectief leven en werken – staat:
‘wil je duurzaam succes hebben, focus dan op wie je bent als persoon.
Werk aan de ontwikkeling van je karakter.
Aan integriteit, aan loyaliteit, aan waarachtigheid.’
Duurzaam succesvol zijn, zegt ook Covey. Het is een kwestie van karakter.

Jezus mocht eerst opgroeien en gevormd worden.
‘Het kind groeide op, werd sterk en was begiftigd met wijsheid;
Gods genade rustte op hem.
Jezus groeide verder op en zijn wijsheid nam nog toe.
Hij kwam steeds meer in de gunst bij God en de mensen.’
Bij Jezus zien we dat juist Gods Geest zich bezig houdt met de vorming van karakter.
Als Jezus bij zijn doop in de Jordaan de Geest ontvangt
is het volgende wat we lezen dat diezelfde Geest
hem in de woestijn leidt voor een proces van beproeving, loutering.
Een karaktertest van maar liefst 40 dagen lang.

Jezus zelf is ook heel bewust bezig met karaktervorming.
Hij neemt mensen mee in een andere manier van leven.
Hij richt daarvoor geen klaslokaaltje in de lokale synagoge
maar vormt een leefgemeenschap.
Trekt intensief op met een kleine groep mensen
en door met elkaar op te trekken, samen door ervaringen heen te gaan,
en met vallen en opstaan vindt een proces plaats van karaktervorming.

Jezus noemt de Geest ‘een andere helper’
en wat hij bedoelt is:
Hij wil net als ik met je door alle dingen heen trekken
en werkelijk alles wat je meemaakt,
de kleinste dingen van iedere dag,
het zijn leermomenten, groeimomenten.
En ik wil erbij zijn, bij al die momenten
en stapje voor stapje je leren
hoe je in de stijl van Jezus om kunt gaan met wat er op je pad komt.

Misschien zit je erover na te denken en klinkt het je allemaal te maakbaar.
Je kunt zeggen: er is toch ook van alles wat invloed heeft op mijn karakter
waar ik weinig of geen invloed op heb?
Daar zit wat in. Je startpunt wordt sterk bepaald door anderen.
Je krijgt al van alles mee in je DNA.
In de opvoeding zetten anderen al een stempel op je.
Je kiest zelf niet je beginpunt, wat je meekrijgt.
En wellicht begin je in sommige opzichten aan een achterstand.
Maar bij karaktervorming draait het niet zozeer om waar je start, of waar je nu bent.
Maar veel maar om waar je heen gaat.
Je hebt de keuze waardoor je je laat leiden en vormen.

Er zit zeg maar een God-factor in en een mens-factor.
De God-factor is dat de groei zelf buiten mijn bereik ligt
De groei zelf kan ik niet realiseren.
Dat is aan Gods Geest.
Geestelijke groei is in de kern een geschenk dat je ontvangt.
Het is een vrucht van de Geest.

Tegelijk zit er ook een mensfactor aan.
Je kunt wel de juiste voorwaarden scheppen
waarin de groei kan plaatsvinden en doorzetten.
Zorgen voor voldoende voeding en zonlicht.
Zorgen dat er genoeg ruimte is, onkruid verwijderen.
Zo je leven inrichten dat je Geest niet in de hoek duwt
maar dat Geest steeds ruimer gaat wonen in je
en steeds meer vrij spel krijgt om diep in je binnenste te gaan schrijven
zodat je steeds meer wordt waar je voor bedoeld bent:
Een leesbare brief van Christus.