Enige tijd geleden – ver voor de coronacrisis – publiceerde een aantal collega’s een artikel over het geloof onder kerkgangers. Ze ontmoetten vaak mensen die het geloof beu waren. Allerlei signalen wezen daarop: kerkgang zonder verlangen naar de ontmoeting met God, Bijbellezen zonder verwachting en verrassing, een kwijnend gebedsleven.
Een belangrijke oorzaak daarvoor was volgens hen gelegen in het feit dat het geloof ongemerkt en sluipenderwijs tot ‘gemeengoed’ is geworden. Het is niet langer een gave van God, door twijfel, verwarring en aanvechting verworven.

Als je in een traditie staat waarin God niet automatisch jouw God was en jij niet vanzelfsprekend zijn kind is geloof zeker geen ‘gemeengoed’. God moet gezocht en gevonden worden. Sterker nog: het gaat erom dat jij door Hem gezocht en gevonden wordt. Je bent niet bij voorbaat gered, eerder van nature verloren. Intussen was je in de doop wel het beslissende toegezegd. Maar dat lag niet voor het oprapen. God is niets aan ons verplicht, maar wel alles verplicht aan zichzelf – en daarmee aan ons. In die beloftevolle spanning kwam het aan op een diepe doorleving. Het spande erom om van Hemzelf te vernemen en er zo van overtuigd te raken, dat Hij jou genadig is. In die strijd tussen hoop en vrees kon het er heftig aan toe gaan. God kon nabij komen en eindeloos ver weg zijn. Je kon in de ban zijn van de twijfel aan zijn bestaan als je dagen en nachten niks van Hem vernam. En er kon een diep vertrouwen geboren worden als Hij van zich liet horen. Het was een strijd met God, óm God.

Het gevolg was een geloof dat was verankerd in de Levende zelf. Wars van alle zelfverzekerdheid en tegelijk zekerder dan wat ook maar. Het was het geloof dat door de diepten van ‘verliezen en verloren zijn’ was heen gegaan; het geloof als vrucht van bange worsteling en verrassend geschenk van God. Kostbaar, omdat het je niet was komen aanwaaien of was aangepraat. Weerbaar, omdat het door allerlei innerlijke vertwijfeling was heen gegaan, gehard en gestaald in het gevecht: ‘ik laat U niet gaan, tenzij U mij zegent’.

Zou het kunnen zijn dat een opgroeiende generatie van kinds af aan inmiddels te veel wordt aangepraat dat Jezus op voorhand je beste vriend is? De gevolgen daarvan zie ik om me heen: geloof als het sluitstuk van een redenering, zonder daadwerkelijke bekering, zonder ‘goede strijd’ om met God in het reine te komen. Een geloof ‘van horen zeggen’, zonder zelf zijn overtuigende stem te hebben vernomen. Een geloof dat je jezelf voor een appel en een ei hebt eigengemaakt. Dat daarom ook voor de eerste de beste schotel linzen van de hand kan worden gedaan.

Daarmee zijn we bij de kern. Een geloof dat niet op leven en dood is verworven, wordt niet als een kostbaar geschenk gekoesterd. Het is niet bestand tegen de kritische vragen van een wereld die het zonder God ook prima voor elkaar heeft. Het is evenmin opgewassen tegen de harde werkelijkheid van alledag, waarin je vaak bitter weinig van God gewaar wordt. De twijfel zit bij velen maar net onder de oppervlakte. En zodra ze de kop opsteekt, blijkt ze veel dieper geworteld dan men zelf vermoedde. Geruisloos valt het geloof af, als een verdord blad van een boom. Geloof dat niet ontvonkt is aan de omgang met God, met alle verbijstering en verrukking vandien, wordt op den duur een saaie bedoening. Het wordt een riedel, die je steeds minder raakt en die je na verloop van tijd beu wordt. Bovendien – kijk om je heen! – zonder geloof kun je toch ook prima een goed mens zijn?

Deze overtuiging is tegenwoordig wijdverbreid. Mijn vraag is of zo’n geloof ook bestand is tegen de coronacrisis waarbij mensen voornamelijk op zich zelf zijn teruggeworpen.
Kunnen we – juist in deze periode –  het tij keren?
Daar wil ik in een volgende blogpost verder op door gaan.

In deze periode beleggen veel kerken hun Startzondag:
de aftrap van een nieuwe kerkelijk seizoen
waar veel activiteiten op het kerkelijk erf weer opnieuw beginnen.
Maar de eerlijk gebied te vragen ‘Wat starten we eigenlijk?’
Startzondag, dat is een woord uit een andere tijd, zo lijkt het wel. In de anderhalvemetersamenleving kan zo veel niet. De atmosfeer is nu anders. De wereldwijde coronacrisis heeft diepe sporen getrokken in onze samenleving. Het kerkelijk leven is op veel plaatsen ontwricht en het is de vraag hoe gemeenten uit de crisis tevoorschijn komen. We zitten immers helemaal niet in de cyclus van een jaarlijkse carrousel die we weer aan de gang proberen te krijgen.
De coronacrisis versterkt daarmee het gevoel dat een gure, winterse kou veel kerken in haar greep heeft. We somberen met elkaar over lege kerkbanken, afnemende interesse in de Bijbel en het geloof dat verdwijnt naar de rand van de samenleving. Volgens sommige berichten versnelt de coronacrisis de neergang van de kerk. Men stelt dat de kerk qua ontvolking nu jaren eerder komt dan geprognosticeerd is voor een situatie van over een paar jaar. We zitten midden in een vreemde tijd, waarin we afvragen wie uit de gemeente waar zit, hoe mensen erbij zitten en met wie we amper nog contact krijgen. Een periode waarin je lange adem nodig hebt, wijsheid, gezamenlijke reflectie en gebed. Misschien ook iets van besef dat het in onze eigen recente kerkgeschiedenis het zonder precedent is dat de gemeente zo lang niet samen heeft kunnen komen.
Ik merk in contacten met collega’s hoeveel er onder de oppervlakte speelt. De teleurstelling over wat ons ontvalt, de verzwakking die je om je heen ziet gebeuren, de geestelijke dynamiek van de liturgie en de prediking die zo verandert. Soms ook de mensen die de gemeente in de steek laten, door hun afwezigheid of hun onbereikbaarheid. Ook je eigen dorheid of onbestemdheid van binnen. En je bezorgde intuïtie hoe je er in deze omstandigheden eind oktober aan toe moet zijn. Ondertussen moet je flexibel zijn, mediageniek en vol nieuwe ideeën over kerkzijn.

Vanuit verschillende kanten worden aanbevelingen aangereikt.
Bijvoorbeeld ‘Heb aandacht voor de sociale en spirituele functie van de kerk’ of ‘Neem ruimte om te bouwen vanuit de kern’.

Ten aanzien van het eerste legde ik in mijn vorige blog al de vinger op één punt dat mijns inziens best belangrijk is: namelijk dat er is eigenlijk heel weinig behoefte aan prediking want gemeenteleden willen vooral ontmoeting en sociaal contact. Uit een onderzoekje bleek namelijk als antwoord op de vraag naar wat mensen missen in het kerkzijn,
preken behoorlijk laag te scoren. Ook werd ergens onlangs gesteld dat gemeenteleden eerder het gezellig samenzijn missen dan de gezamenlijke viering van het Heilig Avondmaal. 

Ondanks dat ik dat herken en ik geloof dat het van belang is om daar heel aandachtig naar te kijken en ons op te bezinnen, speelt bij mij van binnen vooral sterk de gedachte op dat dat eigenlijk heel zorgwekkend is. Als ik het even ruwweg vertaal, doe ik dat zo: de kern van kerk zijn (dat het evangelie van Jezus Christus en zijn koninkrijk van Geest en liefde er klinkt en mensenlevens aanraakt en transformeert) is vervangen door verlangen naar sociaal contact.
Nee, met sociale aandacht is niets mis. Maar die vinden we ook in het buurthuis en op de sportvereniging en de muziekband waarin we spelen.
Als dan de kern van het kerkzijn verwordt tot een verlangen naar sociaal contact dan zie ik een tekort aan aandacht voor en ervaring met het werk van de Heilige Geest. Een spiritueel tekort gaat in wezen dus over iets wat nogal ernstig is: geen of te weinig ruimte voor de Geest die waait waar en wanneer hij wil; geen of te weinig aandacht voor het eigen werk van de heilige Geest die troost, vernieuwt, wijsheid schenkt, profetisch leert spreken en geneest; geen of te weinig focus op de gaven van de Geest en de vrucht van de Geest; geen of te weinig aandacht voor gebed en biddend leven, kortom voor spiritualiteit als leven in de Geest van Jezus.

Juist omdat ik het zo herken in het kerkelijke leven dat ‘gelovigen ontmoeting broodnodig hebben’, juist omdat ik zie hoezeer de kerk kan verworden tot een sociaal netwerk dat aan elkaar hangt van barbecues en andere ontmoetingen zonder veel inhoud, juist omdat het me raakt hoe groot de machteloosheid lijkt te zijn om in kleine groepen geloofsgesprekken te voeren, juist omdat ik merk dat de Woordverkondiging naar de marge van het kerkzijn wordt gedrongen door al die andere dingen die moeten gebeuren in kerkdiensten, juist omdat ik zoveel biddeloosheid lijkt het me dat gelovigen Jezus juist broodnodig hebben.

Ondanks al deze somberingen moet ik denk aan dat clubje van 12 doodsbange mannen op dat zolderkamertje meer dan twee duizend jaar geleden. Hun leider was dood, alle beloftes en voorspellingen waren in hun ogen niet uitgekomen en ze zagen alleen een boze wereld om hun heen die op z’n zachtst gezegd niet op hen zat te wachten. We weten wat er gebeurd is sinds die tijd. En meermalen is de kerk al doodverklaard en het christelijk geloof ten grave gedragen. Ik geloof dat de Geest nog steeds nieuwe kieren vindt om mensen te inspireren en te stimuleren om Gods vrederijk dichterbij te brengen en op een of andere manier proberen het Evangelie uit te dragen.

In deze coronatijd is de kerk naarstig op zoek naar hoe zij in en na deze tijd kerk kunnen zijn. Misschien scherper gesteld: Hoe kunnen de kerken zich ontworstelen aan het dilemma tussen verstarring en beleving? Moet zij zich onveranderlijk vasthouden aan haar oude dogmatische wortels, of geeft zij zich over aan grenzeloze vrijzinnigheid. In beide gevallen mist ze aansluiting bij de behoeften van de (post)moderne mens. In beide stromingen blijft de liturgie strak en conservatief terwijl de kern van het geloof en de essentie van het Evangelie worden verdrongen door respectievelijk krampachtig kerk-zijn of juist niet langer op een kerk willen lijken. Een kerk die zich openlijk afvraagt of God wel bestaat en de Bijbel tot een interessant literair verschijnsel maakt, reduceert God tot een menselijk bedenksel dat op den duur het opstaan op de vroege zondagmorgen niet meer waard is. Zij verliest haar angel, het mysterie van de opgestane Christus, de ongemakkelijke wrijving die het geloof in een God die niet te doorgronden valt, met zich meebrengt. Ondertussen dendert de wereld door en bereikt de kerk in haar verschijningsvorm in snel tempo haar uiterste houdbaarheidsdatum.
Als er nu niets verandert, is het christendom in Nederland binnen enkele decennia op sterven na dood en verliest onze samenleving voor altijd haar diepste

We zijn zulke individualisten geworden, dat het eerste woord dat vier- of vijfjarige kinderen leren schrijven ik is: ik, een losstaand, eigen individu. Maar wie ben ik dan? Wat betekent die ik? Wie geeft er invulling aan de identiteit van onze jonge kinderen? Als onze ouders in niets geloven en niet weten waarvoor ze staan, hoe zouden onze kinderen dat dan moeten weten?
Mensen gaan op zoek en nemen beslissingen die hen dichter brengt bij hun levensdoel – of niet. Dit is het twijfelachtige wonder van de vrije wil.

In die zoektocht kan een levende en betrokken kerk voeding geven aan de zoekende ziel en haar volgelingen helpen hun levensbestemming te vinden.
Onze maatschappij is verweesd en schreeuwt om leiders met een verhaal. Het geloof biedt die noodzakelijke richting en houvast. De kerk kan het broodnodige sociale vangnet vormen in onze wankelende welvaartstaat, maar uitgerekend deze christelijke stem is verstomd. De christelijke stilte ten aanzien van de grote vragen van vandaag zoals milieuproblematiek, armoede en sociale ongelijkheid is een fluisterstem geworden. Gebrek aan een uitgesproken en principieel getuigenis heeft de rol van religie in de moderne maatschappij tot bijna nul gereduceerd.

In de jaren zestig van de vorige eeuw kwam een ontkerkelijking op gang die tot op de dag van vandaag doorgaat. Maar al eerder is de kerk ontzield geraakt. Sprankelend geloof werd door papier en inkt verstoten. Levende ervaring door ratio verdreven. Niet God, maar religie is een heilige zaak geworden. Wat we vergeten is dat God ons niet nodig heeft om te bestaan. God is. 

Willen we mensen weer terug de kerk in krijgen en voorkomen dat nog meer gemeenteleden vroeg of laat de kerk verlaten, dan moet zij geen geloof van angstig “gij zult niet” maar van opgewekt “u mag wel!” prediken. Hierin ligt vooral een uitdaging voor de kerken.

Van gebrokenheid naar heelheid, van scheiding naar eenheid, dat is de grote uitdaging voor de postmoderne christen anno nu. Dit nieuwe christen-zijn vereist een grote ommezwaai in ons denken. Het zal geen eenvoudige weg zijn, de kerk zal verkeerde afslagen blijven nemen (zoals christenen door de eeuwen heen zo vaak hebben gedaan) maar stil zijn is geen optie meer. En dus moeten we op zoek naar een nieuwe manier van christen zijn – het christen 2.0 zoals ik dat noem. Levend en overtuigend, maar ook transparant en eerlijk.

De eerste stap op weg naar dit nieuwe christendom is een terugkeer naar de kern van het Evangelie. Het goede nieuws van de dood en opstanding van Jezus Christus is radicaal en zal altijd op weerstand stuiten. Zij is echter ook een boodschap van oneindige inclusieve liefde en genade.
De grenzeloze liefde van God en Zijn genade voor ons feilbare mensen is wat het christelijk geloof van andere religies onderscheidt, en wat ons in staat stelt bruggen te slaan. Wat voor mij onvervreemdbaar is dat ik Jezus Christus belijd  als mijn Opgestane Heer. Over de invulling van kerkelijke dogma’s en theologische zienswijzen valt te discussiëren, over de essentie van het Evangelie niet.

De tweede stap is het erkennen van de diepe pijn die de kerk haar volgelingen door de eeuwen heen heeft berokkend – en blijft toebrengen.
Het wordt tijd dat de kerk op de knieën gaan en haar zonden belijden: het onrecht dat zwarten is aangedaan, kleurlingen, vrouwen en kinderen, andersdenkenden en andersgelovigen.

De derde stap is niet langer kijken naar dat wat verdeelt, maar wat samenbindt – als kerken onderling, maar ook als kerk en alles wat daarbuiten ligt. We zijn allen schepselen van God die mogen rekenen op Zijn onvoorwaardelijke liefde.

Het wordt tijd dat de kerk leiderschap toont. Dat wij leiderschap gaan tonen. Iedereen die zich christen noemt is gewild of ongewild de kerk. Ik als gelovige ben deel van de gemeente van God en zal dus als gelovige mijn verantwoordelijkheid moeten nemen en leiderschap moeten tonen op de plaats en plek die God mij heeft toebedeeld.
Het is zoals de vrouwelijke pastor Bridget Willard schreef: “Kerk is niet waar je samenkomt, kerk is geen gebouw, kerk is wat je bent. Laten we niet naar de kerk gaan, laten we de kerk zijn.”

naar aanleiding van psalm 145

(Na twintig afleveringen van ‘meditaties in tijden van corona’ heb ik besloten dat dit de voorlopig laatste meditatie is in deze reeks. Niet dat ik ophoud met bloggen, maar er zijn ook nog andere vormen en onderwerpen die aandacht verdienen. Ik hoop van harte dat veel mensen iets gehad hebben aan de meditaties en dat onze Here God mag werken via deze woorden.)

Verwondering, verrassing dat God die zo verheven is, tegelijk zo nabij kan zijn, zo betrokken op ons, op mij. Zo nabij dat ik voor hem een woning kan zijn.
Deze psalm gaat over Gods grootheid én nabijheid. Over een God die ver is én tegelijk nabij. Maar liefst zeventien keer staat in dit lied het Hebreeuwse woordje kol: heel, al, alles. Vers na vers benadrukt dit lied dat God goed is voor alles en voor allen.
Voor heel zijn schepping en al zijn schepselen. Voor alle geslachten en in alles wat hij doet.

En deze God die het geheel overziet en draagt is tegelijk betrokken op de enkeling, die ene mens. Die gevallen is, die gebukt gaat, die honger heeft, die hem aanroept.
Ja onder miljoenen, heeft hij ook mij op het oog.
En andersom: de ogen van allen wachten op U (vers 15a)
Want voor velen was het geen makkelijke tijd. Een aantal weken geen kinderen of kleinkinderen zien. Zorgen over het werk. De angst om ziek te worden.
Degenen die ziek geworden zijn en daar nog lang niet van zijn hersteld.
De vraag hoe lang we nog in deze situatie zitten en wanneer het weer normaal wordt.
Ogen die wachten. Dat zeggen we niet zo snel. Het gaat om het wachten op de Heer.
Daar gaat vers 16 verder op in: Gij doet uw hand open en verzadigt al wat leeft naar uw welbehagen 
God opent zijn handen door mensen die hun handen openen.
In een Joods midrasj – uitleg –  wordt dit vers 16 daarom als volgt vertaalt: Hij verzadigt al wat leeft met wil. Hij verzadigt al wat leeft met wil….
En de uitleg van de rabbijnen hierbij is dan:
aan ieder mens die voor God openstaat geeft God het verlangen om de dingen te willen die bij God horen. En zo kan God hen dan ook gaan geven wat ze willen.
Zo lezen zij ook vers 19 waar in onze vertaling staat: Hij vervult het verlangen van wie hem eren. De Joodse uitleg van dit vers is: de wil van die hem vrezen vormt hij.
In deze psalm wordt bezongen hoe de schepselen beseffen dat zij het voedsel uit Gods hand ontvangen. Zoals een jonge vogel wacht op het eten dat vader of moeder vogel komt brengen.
Zo kijkt de gelovige uit naar de Vaderlijke zorg van onze Schepper.
Jezus Christus zegt in Johannes 15: wat je de vader in mijn naam vraagt zal hij je geven.
Het is kennelijk mogelijk om zo te groeien in je omgang met God,
zo gekneed en gevormd te worden en met Hem één van geest te zijn,
dat je steeds beter aanvoelt hoe God de dingen ziet
en waar Hij aan het werk is of aan het werk wil gaan.
En dat je eigen denken en doen en met name ook je gebedsleven
steeds meer in lijn komt met de wil van de Vader.
Wachtende ogen: Ogen die vol verlangen uitkijken. Ogen die willen zien wat God doet.
Die daar niet aan voorbij willen kijken, maar willen zien dat die zorg er inderdaad is.
Wachten is in de Bijbel nooit afwachten.
Maar wel het besef dat alles wat we hebben van de Heer komt. Gegeven wordt door God.
En dat Hij zal geven wat we nodig hebben. De ogen van allen wachten op de Heer, totdat Hij geeft. Niet uit onzekerheid, maar uit geloof dat God zal geven.
Als mens zijn we altijd in alles van de Heere afhankelijk.
Nu in deze tijd beseffen we des te meer dat we van Hem afhankelijk zijn.
We kunnen niet anders dan ons leven in Zijn hand leggen.
We kunnen niet anders dan met onze ogen ‘wachten’. Dat betekent niet niets doen.
Dat betekent actief zijn. In het zoeken van de Heer.
In het zien hoe God ook in een moeilijke tijd doorhelpt.
In het ervaren dat God kracht geeft om bezig te zijn. Wijsheid geeft om beslissingen te nemen.
Dat kunnen wij niet uit onszelf. De Heer geeft dat. Daarom wachten we op Hem.

‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten’ Matteüs 27,46

Ja, we moeten het horen. We moeten het tot ons door laten dringen.
We moeten het laten weerklinken in ons leven.
Jezus wil dat. Hij roept het uit.
Voor God was dat niet nodig. God hoort ook de stille schreeuw van ons hart.
Hij leest de pijn in onze ogen.
Niemand hoeft voor God te roepen: mijn God, waarom?
Ook Jezus hoefde dat voor God niet. Hij deed het voor ons.
Wij moeten horen. Wij moeten iets leren beseffen.
Jezus schreeuwt een vraag uit: Waarom mij? En het is zo’n ‘waarom’ vol verbijstering.
Zo’n ‘waarom’ dat het heeft opgegeven nog te willen begrijpen,
maar dat eindeloos diepe pijn stem geeft.
Jezus hangt daar niet voor zichzelf. Hij hangt daar voor ons allen. Hij is het hoofd van alle dingen. Van alle mensen en de hele schepping.
En Jezus zegt niet: ik ben alleen.
Hij zegt: u hebt mij verlaten. En God verlaat hier dus niet alleen Jezus.
Maar in hem verlaat God hier alles en iedereen.
En het hele gewicht daarvan, dat voelt alleen deze ene man.
En als God gaat, dan gaat het licht uit.
En wat overblijft is een godverlaten, godvergeten wereld.
Je kunt zeggen: dit is de hel.
Jezus ervaart hier iets wat niemand zo ervaren heeft.
Deze schreeuw van Jezus aan het kruis. Het is ook de schreeuw van de schepping.
Jezus schreeuwt hier niet alleen voor en namens de mensen.
Hij schreeuwt namens de hele schepping. Waar nu alle licht is gedoofd, en geen vogel meer zingt. Deze Godverlaten wereld waar de machten van de duisternis.
De woestheid en ledigheid van voor het begin weer vrij spel heeft.
Die schepping die zo deelt in de gevolgen van de zonde. Die is hier begrepen in deze schreeuw. Alles schreeuwt hier mee.
Jezus schreeuw neemt alle schreeuwen in zich op.
Voor alle machteloosheid, alle onrecht, al het verdriet dat ons mensen kan overkomen.
Door andere mensen aangedaan, of je overkomen door deze kapotte wereld.
Ziekte, depressie, gebrokenheid in je relatie, of in de relatie met je kinderen,
met je ouders, met vrienden. Een ongeluk, of verdriet omdat niet lukt wat je wilt bereiken, werkeloosheid en lichamelijk ongemak.
Soms praten wij mensen dan niet meer met God.
Begrijpen we er soms helemaal niks meer van.
Maar Jezus daalt in die diepste, donkerste momenten af.
Begrijpt ons hierin beter dan wij onszelf begrijpen en neemt ons zwijgen en ons schreeuwen
en alles er tussen in op in deze ene hartverscheurende schreeuw.
En is zo echt Immanuel, God mét ons!!
Jezus sterft te midden van zijn vragen. Binnen zijn aardse leven is hij niet verhoord. Er is een nare, wrede, niets ontziende dood. Er is geen uitkomst, geen verhoring.
Daarmee deelt Jezus in al die pijn van onverhoorde gebeden, van lijden zonder zin.

Dan is er die tweede schreeuw en sterft Jezus daar aan het kruis. Je zou misschien verwachten dat het dan nog donkerder wordt. Maar nee, Als Jezus sterft, wordt het juist weer licht. Jezus neemt in zijn dood alles mee en alles weg. Dood, duisternis, vloek, oordeel, kloof, breuk.
Matteüs schrijft: Nog eens schreeuwde Jezus het uit.
Toen gaf hij de Geest. Dat doet hij echt actief, als een eigen keuze. De geest geven.
Jezus schreeuwt het nog eens krachtig uit.
In deze schreeuw klinkt er naast al het andere ook iets mee van overwinning.
Want juist als Jezus met deze laatste schreeuw sterft begint het weer licht te worden.
Voor mensen zoals wij is Jezus hier deze duisternis door gegaan.
Voor ongevoelige en dubbelzinnige types als wij
is deze eindeloos gevoelige en eenvoudige mens verscheurd door pijn en verdriet.
De God die met ons een leven lang geduld heeft,
die ons de tijd geeft om tot bezinning te komen en naar Hem terug te keren,
is bij zijn eigen Zoon huiveringwekkend consequent, voor ons, in onze plaats:
Jezus wordt genegeerd en in de steek gelaten.
En in Jezus’ naam komt nu ons leven lang Gods roep tot ons:
keer om, kom terug, hier ben ik, hier ben ik!
Waar wij ook in verzeild raken, in Jezus naam blijft voor ons nu die stem van God,
die van het Evangelie: hier ben ik, ik hoor je, ik ben bij je, we gaan er uitkomen.
‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?’ En er komt geen antwoord.
God lost het raadsel van het kwaad niet op, maar draagt het voor ons weg. Onbegrijpelijk.
Het wonder van liefde die zin schept en nieuwe betekenis in het leven roept.
Nooit heeft iemand ons zó liefgehad als de God
die zijn eniggeboren Zoon gegéven heeft om te ondergaan wat wij moesten ondergaan
en om zo iedereen die in Hem gelooft eeuwig leven te geven. Nooit zullen we deze liefde begrijpen. Er gaat er bij God een deur open. Voor jou, voor mij en voor alle mensen.

naar aanleiding van psalm 30

In Psalm 30 ontmoet je David die gewend is aan de situatie waarin hij zich bevindt.
‘Ik zei in mijn zorgeloze rust: ik zal voor eeuwig niet wankelen.’
We voelen aan wat voor type mens dit is.
Het is iemand die het goed getroffen heeft in deze wereld.
De dingen gaan hem voor de wind – privé en zakelijk.
Het gaat hier ook over iemand die dat allemaal wel èrg goed weet.
Zijn zelfvertrouwen loopt over in zelfoverschatting.
Hij noemt weliswaar de naam van God,
maar beseft niet écht meer van wie hij alles ontvangen heeft. Hooghartig
‘In mijn overvloed dacht ik: nooit zal ik wankelen.’
Mij kan niets gebeuren.
Maar toen… toen ging het mis. David werd ziek, heel ziek.
Hij lag op het randje van de dood. Zomaar opeens.
Zijn hele wereld stortte in. En wat had hij nu aan zijn macht?
Ineens was hij heel klein en kwetsbaar. David riep tot God, hij smeekte om hulp, om genezing.
Hij beseft dat hij van Gods hulp afhankelijk was. Weg zorgeloze rust.
Is die geschiedenis van David niet heel herkenbaar?
Hoe makkelijk denk je niet dat al het goede vanzelf spreekt. Je leeft in zorgeloze rust.
Alles gaat goed, en niets wijst er voorlopig op dat dat zal veranderen.
Prachtig natuurlijk, als het zo gaat in je leven!
Maar van wie krijg je het? Heb je dat zelf allemaal voor elkaar gebokst?
Misschien heb je er hard voor gewerkt… Maar nogmaals, wie geeft je al dit goede?
Het had ook zo anders kunnen zijn, ondanks je inspanningen!
Wat gebeurd er als Hij even laat voelen dat het ook anders kan.
Als Hij, zogezegd, zich even achter een wolk terugtrekt.
‘Toen u uw aangezicht verborg’ zegt de psalm, ‘werd ik door schrik overmand’.
Dan merk je pas hoe weinig je het zelf in de hand hebt allemaal.
Je wordt wreed wakker geschud, ineens!
Doet God dan zulke dingen? Wil Hij mensen pootje haken?
Laten we voorzichtig zijn in wat we zeggen.
De psalmdichter heeft er echter geen moeite mee, om Gods hand achter allebei de dingen te zien: zijn voorspoed én zijn ziekte!
Die ervaring van ziekte vormt voor hem een keerpunt. Een wake-up call.
Wanneer zijn leven in elkaar valt als een kaartenhuis dan ziet hij het opeens weer:
als God zich verbergt dan trekt alle kleur uit mijn leven weg.
Als Hij er niet is, is alles donker om mij heen.
Want alles heb ik aan Hem te danken, niet aan mezelf.
Is God dan wispelturig? Zegent hij nu eens, terwijl Hij een andere keer ellende stuurt?
Moet je het maar afwachten hoe Hij het jou laat vergaan?
Nee, Hij ís liefdevol. Dat is hoe Hij ten diepste is: genadig, goed, en liefdevol.
Ook als Hij zich soms even terugtrekt.
De psalm zegt het zo mooi ‘een ogenblik duurt zijn toorn, een leven lang zijn liefde.’
Blijf vasthouden aan het feit dat God góed is. Ook al ervaar je dat op een bepaald moment niet.
Ook al heeft Hij zijn aangezicht verborgen. Dat je blijft roepen tot Hem, net als David deed.
Tóch blijven vertrouwen dat Hij betrouwbaar is.
Ja, als alles goed gaat, is dat niet moeilijk – hoewel…
dan val je al snel in die zorgeloze rust die Hem vergeet.
Maar als Hij ver weg lijkt, dan toch zeggen en blijven zeggen
‘een ogenblik duurt zijn toorn, een leven lang zijn liefde.
‘s Avonds overnacht het geween… maar ’s morgens is er gejuich!’
Soms ga je slapen vol met zorgen. Maar na de avond komt de morgen.
David mocht het ervaren in zijn eigen leven. Maar ook nú is het waar!
Al verbergt de Here zich misschien een tijdje – wie Hem verwacht zal merken dat Hij niet ver is.
Als dat ergens zichtbaar wordt, dan in Jezus Christus.
Toen Hij aan het kruis hing, verborg God Zijn aangezicht ook.
Dat is donkerste nacht die je je voor kunt stellen. Dat is de hel.
Maar Christus is er doorheen gekomen. Hij is opgestaan!
Psalm 30 is een lied over het leven dat sterker is dan dood.
Over licht in de donkerste duisternis.
‘Overnacht ’s avonds het geween, ’s morgens is er gejuich!’
In Christus is dat waar
Hij was sterker dan de dood!
Hij leeft! Hij is opgestaan!
En Hij belooft ons nooit alleen te laten.
In onze zwartste nacht is Hij nabij.
Ook als we niet genezen – Hij is er.
We ontvangen alles van de hemelse Vader.
Die door Jezus Christus ook onze Vader is.

HEER, mijn God, u wil ik eeuwig loven!

naar aanleiding van psalm 27

David heeft deze psalm vermoedelijk geschreven in een heel onrustige periode in zijn leven.
Aan de ene kant wordt hij gezien als een man op wie de zegen van God rust. Iedereen draagt David op handen. Aan de andere kant wil Saul hem uit de weg wil ruimen. David wordt een politiek vluchteling. Hij trekt van onderduikadres naar onderduikadres. Hij is nergens, er is geen plek waar hij rust vindt. Hij is een stuk opgejaagd wild. Onrustig, ontheemd. En in deze periode vol stress en onveiligheid schrijft hij deze psalm.
Het kloppend hart van dit lied zijn de verzen 4 en 5, die beginnen met de krachtige woorden: één ding heb ik van de Heer verlangd, dát zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van de Heer, al de dagen van mijn leven. En dat valt wel te begrijpen, dat David juist daar wil zijn. Want de tempel in Jeruzalem heeft in die tijd een soort van asielfunctie. Zoals ambassades dat in onze tijd hebben. Als je op zo’n plek aanklopt en asiel vraagt. En als men je dan opneemt, dan kunnen je achtervolgers je niets meer doen. Logisch dat David er sterk naar verlangt om in het huis van de Heer te zijn, te wonen. Om daar veilig te schuilen in zijn hut in het verborgene van zijn tent, hoog op een rots.
Maar daarmee is niet alles gezegd. David diepste verlangen is niet rust, geborgenheid, veiligheid. Hij schrijft: één ding heb ik van de Heer verlangd, dát zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van de Heer, al de dagen van mijn leven, om de lieflijkheid van de Heer te aanschouwen en te onderzoeken in zijn tempel. David is geen rustzoeker. Hij is vooral een Godszoeker. Zijn hart verlangt en gaat uit naar God zélf.

Spiegel jezelf eens aan deze woorden. Doe je aan godsdienst, of gaat je hart uit naar God? Ken je je dorst, voel je de stille schreeuw? Vaak proberen we het te sussen en te stillen. Het te vullen met van alles en nog wat. Hard werken, leuke dingen doen, het fijn hebben. Maar gezegend ben als het je niet meer lukt.. Als je verbonden bent met je diepste verlangen.

Dat verlangen naar God, die schreeuw, die heimwee in je hart dat is geen verdienste. Dat is de echo van een Ander en nog veel dieper, sterker verlangen buiten ons zelf. We hebben Hem lief omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. Dat andere sterkere verlangen dat aan ons verlangen voorafgaat dat is een enorm sterk verlangen dat leeft in het hart van God. Al op de eerste bladzijden horen we dat verlangen doorklinken als God op zoek is naar de mens: Adam, waar ben je? En sindsdien is God altijd en overal op zoek gebleven. En gaat zijn hart uit naar de mensen. Wil hij niets liever dan vriendschap, vertrouwelijke omgang

En voor God is het geen goedkope vriendschap. Hij heeft er werkelijk alles voor over geen prijs is hem te hoog om die vriendschap te bewerkstelligen. Hij zond zijn Zoon om een van ons te worden en ons in Hem van zijn liefde te verzekeren. Hij geeft zijn Geest die in ons wil komen wonen en diep in ons bestaan die vriendschapsband wil laten groeien. Hij geeft ons zijn Woord die deze band kunnen verdiepen. Hij geeft ons het teken van de doop als een teken van zijn vriendschap zodat er al helemaal aan het begin van ons leven een vriendschapsverzoek aan ons hart wordt gelegd. En als teken van zijn eeuwigdurende vriendschap en verlangen stelt hij een maaltijd in, dé uiting van vertrouwelijke omgang. Als Jezus voor de laatste keer met zijn vrienden een maaltijd heeft dan zegt hij: Ik heb er hevig naar verlangd deze maaltijd met jullie te houden. Er is iets in het hart van God dat zo sterk uitgaat naar ons. Hij wil met ons omgaan als met een vriend. Vertrouwelijk, intiem. Met ons eten en drinken.

En dat verlangen zoekt een antwoord in ons hart.
Eén ding heb ik van de Heer verlangd, dát zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van de Heer, al de dagen van mijn leven. Misschien klinkt het je net iets te benauwend. Eén ding, al de dagen van mijn leven…. Moet alles dan echt draaien om godsdienst, de kerk en zo? Nou, om te wonen in het huis van de Heer. Hoef je niet letterlijk in een kerk of een tempel te zijn. Die tempel mogen we ook zelf zijn. Een tempel zijn van de Geest. En die Geest schept in ons eigen hart een heiligdom, een stille en lege plek waar God kan wonen. Ik Hem elke dag mag ontmoeten.

En als je vanuit die grondhouding leeft. Dan ontwikkel je iets van een gevoeligheid om iets van Gods liefelijkheid en goedheid te zien oplichten hier en nu om je heen in het gewone leven van iedere dag. Dan mag je iedere dag die God je geeft ingaan met een open, verwachtingsvolle en hoopvolle blik. Dat is wat doorklinkt in dat mooie slotvers van deze psalm:

Mag ik niet verwachten de goedheid van de Heer te zien in het land van de levenden? Wacht op de Heer, wees dapper en vastberaden. Ja, wacht op de Heer.

naar aanleiding van Kolossenzen 4:2-6

Paulus roept de gemeente te Kolosse op om volharden in het gebed.
Hij vraagt ook voorbede voor zichzelf,
of dat God deuren wil openen voor het Woord.
Blijf volhouden met bidden is belangrijk;
al te snel schiet het gebed erbij in.
Leven met de Heer kan echter niet zonder gebed.
En in dat gebed moet er ook ruimte zijn voor dankzegging,
schrijft Paulus,
anders lopen we het gevaar met verlanglijstjes bezig te zijn.
Ook worden we geroepen wijs om te gaan met de mensen om ons heen,
voorzichtig en op het juiste moment met de goede woorden.

Gebed en dankzegging.
Als de dank ontbreekt, mist er iets wezenlijks.
Dank richt zich op God. Op wat Hij schenkt.
Zijn grootste geschenk: Jezus Christus.

Die mensen in Kolosse waren niet zo lang christen.
Net de Alpha cursus afgerond en net gedoopt.
Paulus schrijft een brief. Hij is de gevorderde christen.
Dé apostel.
En toch deze grote Paulus vraagt hulp. We zijn hulpeloze mensen.
Aangewezen op God en op medegelovigen. We zijn aan elkaar gegeven.
Dat vind ik bijzonder aan de christelijke gemeente.
Er is geen hoger of lager.
Als we wel zo naar elkaar kijken, is het helemaal scheef.
Misschien beweeg je je op de voorgrond,
of je schuift achteraan aan. Maar principieel zijn we één.
Eén in de Heer. Allemaal aangewezen op Hem.
Welke plek je in het leven je hebt:
hoe veel geld je ook verdiend, hoe vitaal ook.
Allemaal aangewezen op Christus.

Paulus had dat geleerd.
Ik ben niet meer dan de christenen in Kolosse.
In hoofdstuk 1 dankt hij voor hen. Nu vraagt hij gebed.
Waarvoor? In vers 3 staat: dat God de deur van het Woord opent.
Je kunt ook vertalen:
dat God voor ons de deur voor het Woord opent.
Paulus opent de deur,
maar de deur van hun leven moet ook open gaan.
Dat gebeurt niet automatisch. Dat wist Paulus als geen ander.
Hij vraagt gebed.
Als ik de woorden breng, luisteren ze niet vanzelf.
Ze geven zich niet vanzelf over.
Ik denk dat wij dat dit herkenbaar is.
Als de woorden van God klinken,
als je ze leest, komen die woorden niet automatisch in je hart?                 

Zelfs als je je best doet, kan er van alles mis gaan.
Misschien realiseer je dat je 5 minuten
aan iets anders hebt zitten denken.
Afgeleid worden, weerstand, luisterhouding?
Je kunt naar de kerk gaan en met andere dingen bezig zijn.
Daarom is er gebed nodig, zegt Paulus.
Ook zegt hij nog iets over hoe je kan omgaan
met die mensen die je tegenkomt,
mensen buiten de gemeente.
Vers 5 en 6. Misschien niet zo spectaculair.
Daar staat dat je in wijsheid met elkaar moet omgaan.
Goede moment kiezen.
Woorden spreken die verbinden.
Niet heel spannend, maar daarom niet minder waar!
Buit de geschikte tijd uit.
Paulus gebruikt het beeld van een marktkoopman.
Die weet het moment om naar voren te treden.
Inspelen op de behoeften van de klant.
Het gaat om het goede moment. Soms in wijsheid je mond houden.

Want woorden doen ertoe!
Ze kunnen gemeenschap maar ook verwijdering geven.
Hoe je benaderd wordt, maakt heel veel uit.
Het doet er toe hoe je mailt, appt, praat.
Luisteren, je verdiepen in de ander, nadenken.
Zorgvuldig met onze woorden zijn.
En nee, Paulus leert geen maniertje. Geen stappenplan voor succes.
In Kolossenzen wordt hoog opgegeven van Jezus Christus.
Zijn macht en wijsheid.
Het gaat om het geheim van Christus.
Wij kunnen alleen van betekenis zijn
als we dicht bij Christus leven.
‘Blijf in Mij!’ zegt Hij ‘Zonder Mij kan je niets doen.’

naar aanleiding van psalm 34

Schuilen, dat doen we allemaal wel eens: tegen de regen, of het onweer.
Als het echt gevaarlijk wordt, ga je rennen: naar waar je veilig denkt te zijn.
Zoveel mensen, met uiteenlopende ellende of angst of andere omstandigheden hebben behoefte aan plekken en aan mensen bij wie ze kunnen schuilen; het was de aanleiding voor het populair geworden en vaak gezongen liedje ‘Mag ik dan bij jou’, het werd ook gezongen tijdens The Passion 2015 in Enschede.
Nee, het ging niet over God, maar misschien juist meer dan op wat ook past
bij geloof en vertrouwen op God (ik maak van ‘jij’ en ‘jou’ U):
Mag ik bij U schuilen, als het nergens anders kan?
en als ik moet huilen, droogt U m’n tranen dan?

Het zijn moderne woorden voor waar de Bijbel en vooral de psalmen vol van zijn.
Zeker uit de mond van David horen we in allerlei toonaarden en vanuit allerlei situaties de roep om hulp: Heer, mag ik bij U schuilen, verberg me in uw tent, onder uw vleugels, of hoog op een rots, waar mijn vijanden niet bij mij kunnen.
Het was precies waar David op had gehoopt en op uit was: wegwezen hier, snel!
Om terug in eigen land zich te verstoppen in de grotten bij Adullam.

Naast het feit dat de vlucht natuurlijk een afgang en reputatieschade was voor David
was het tegelijkertijd een gevoelige les die David hier kreeg van God zelf:
dat hij geen hulp moest zoeken buiten God om, bij de tegenstanders van zijn volk.
Het is ook de les van een andere psalm, psalm 118:
‘Beter te schuilen bij de Heere dan te vertrouwen op mensen.
Beter te schuilen bij de Heere dan te vertrouwen op mannen met macht’
Ooit is uitgerekend dat dit het middelste vers van heel de Bijbel zou zijn.
In elk geval is het een kerntekst voor wat geloven is: schuilen bij de Heere.
Deze psalm getuigt er ook van dat David zijn redding niet toeschrijft aan eigen slimheid,
want wat was hij bang en in paniek, maar aan de macht en de genade van de Heer:
‘ik zocht de Heer en Hij gaf antwoord, Hij heeft mij van alle angst bevrijd…
in mijn verdrukking riep ik tot de Heer, Hij heeft geluisterd en mij uit de nood gered.’
Ja, en dat is precies zoals David de Heere had leren kennen
en wat hem steeds toch weer moed en vertrouwen gaf:
‘de Engel van de Heere waakt over wie Hem vrezen, en bevrijdt hen’
En daarom: ‘gelukkig de mens die bij Hem schuilt’.

Kijk, en dan komt het ineens veel dichter naar ons toe, ons leven binnen.
God komt zo ook zelf veel dichter naar ons toe, letterlijk ons eigen leven binnen.
In het Oude Testament wordt de naam ‘Engel’ vaak gebruikt en meestal in één adem met ‘van de Heer’, dus meer dan zomaar een engel.
Dat wijst op God die naar mensen toe komt, reddend, helpend, waakzaam, zoals hier: ‘De Engel van de Heer waakt over wie Hem vrezen, en bevrijdt hen’.
Vanuit het Nieuwe Testament kennen we de Heer ook in de persoon van Jezus Christus,
door wie God met ons en bij ons wil zijn, reddend, helpend.
Jezus die heel vaak tegen zijn leerlingen zei en ook tegen ons zegt:
wees niet bang, want Ik ben bij je en Ik ga met je mee, en kom maar bij Mij, dan geef Ik je rust.

‘Proef en geniet de goedheid van de HEER, gelukkig als je bij Hem schuilt’.

naar aanleiding van Johannes 14

‘Wees niet ongerust maar vertrouw op God en vertrouw op Mij.’ Jezus zegt dat tegen z’n discipelen. En wij kunnen ons denk ik wel wel voorstellen waarom. Want de discipelen moeten zich op dat moment natuurlijk ook heel ongerust gevoeld hebben.
Immers, er is een grote verandering op komst, dat voelen ze wel aan. Jezus’ heeft het over een vertrek, een afscheid, alsof Hij binnenkort van plan is weg te gaan. En waarom dan? Waarom kan het niet blijven zoals het is? Waar gaat Hij naar toe?

En in die situatie van angst en spanning
zegt Jezus tegen hen:
‘Wees niet ongerust.
Maar vertrouw op God en vertrouw ook op Mij.’
Het zal je maar gezegd worden
op zo’n moment dat alles in je leven
op losse schroeven komt te staan.
‘Wees niet ongerust. Maar vertrouw op God en vertrouw op Mij.’
Kun je dat?
Want, laten we wel wezen
wij kunnen in ons leven ook van die situaties meemaken
dat alles opeens op losse schroeven komt te staan.
Je gaat voor onderzoek naar het ziekenhuis.
De uitslagen komen en het is niet goed.Je bent ernstig ziek.
Als zzp-er zie je door de crisis
je orderportefeuille volledig opdrogen.
Buffers om dat op te vangen heb je niet
en de vaste laten lopen wel door…
Je komt op je werk en wordt bij de manager geroepen.
Van het één op het andere moment krijg je te horen
dat je niet meer nodig bent vanwege een reorganisatie.
Over een paar maanden is het over en uit.
In één klap ziet je leven er totaal anders uit.
Of je kunt te maken krijgen met spanningen in je huwelijk,
in je gezin, in de familie, in de kerk.
Nooit gedacht dat het jou zou overkomen.
‘We zijn zo mooi met elkaar begonnen!’
Maar nu kijk je elkaar aan
en voel je dat er ongemerkt een diepe kloof is ontstaan.

Vragen beroven je van je rust. ‘Hoe ter wereld is het mogelijk?’
Het lijkt wel alsof alles wat er ooit aan liefde en trouw was, in één klap weggevaagd wordt.
Donkere krachten lijken je leven in z’n greep hebben
en opeens tonen ze hun ware gezicht.

Hoe ter wereld is het mogelijk?
Voel die ten diepste zelfde situatie
waarin de discipelen zich op dat moment in bevinden.
Met een knoop in hun maag en een wurgende onzekerheid
over de toekomst.
Alles wat veilig en vertrouwd leek,
staat opeens op losse schroeven.

En in die situatie zegt de Heere Jezus dan:
‘Wees niet ongerust, maar vertrouw op God en vertrouw op Mij.
Hoe kan dat nu een troost en een bemoediging zijn
als wij in ons leven met veel angst en onzekerheid te maken hebben?
Wordt het dan niet snel een doekje voor het bloeden: ‘Stil maar wacht maar alles wordt nieuw’?
Vooral die woorden van de Heere Jezus die volgen:
‘Ik ga heen om voor jullie een plaats gereed te maken’
Is dat werkelijk een bron van kracht zijn voor ons nu?Want als wij denken aan de hemel, het eeuwige leven, het Vaderhuis met z’n vele kamers
dan ligt voor ons het accent vaak vooral op later.
Als je komt te overlijden dan hoop je dat je daar welkom bent.
Er voor jou ook een plaats gereed gemaakt zal zijn.
Als wij denken over de hemel denken we vooral in termen van tijd. Nu op aarde. Later in de hemel. En dat worden dan al heel snel gescheiden werelden.
Maar als Jezus hier zegt ‘Ik ga heen om jullie een plaats te bereiden….’
dan bedoelt Hij niet te zeggen dat Hij vanaf dat moment alles in de hemel klaar gaat zetten.
Als het in het Nieuwe Testament over de hemel gaat,
dan gaat het niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats over tijd – nu nog niet, straks hopelijk wel – maar dan heeft de hemel in het Nieuwe Testament vooral te maken met bereikbaarheid, contact.
We mogen in de hemel kind aan huis zijn. Nu al.
Laat ik dat ook praktisch proberen te maken. Anders blijft het een mooie fantasie.
Hoe werkt dat nou – dat de hemel de aarde begint te raken –
hoe kun je dat ook in je eigen leven steeds meer zo gaan ervaren?
En dan zegt dit Bijbelgedeelte: ‘Door te bidden in Zijn naam’. Zo gaat de hemel open.
Misschien wel op de puinhopen van heel veel wat eerder kapot is gegaan, van de wanhoop en onzekerheid
Dat er dan toch opeens bloemen beginnen te bloeien waar je het helemaal niet meer verwacht had. Nieuw leven in je huwelijk, in je gezin, in je familie, in de kerk.